De drie steden: Lourdes

Part 6

Chapter 63,902 wordsPublic domain

De jongen, die door klieren weggevreten werd, wiens heup reeds door een koud gezwel weggeteerd was en bij wien zich reeds symptomen van beenderversterf der ruggegraat vertoonden, scheen zich hartstochtelijk voor dien doodsstrijd te interesseeren. Hij was niet bang, lachte slechts met een oneindig droef glimlachje.

"Het is vreeselijk!" mompelde madame Chaise, bleek van angst voor den dood in haar voortdurende vrees, dat zij in een plotselingen aanval van hartkramp zou blijven.

"Wat zal ik je zeggen!" zeide mijnheer Vigneron philosophisch. "Ieder krijgt zijn beurt; we zijn allen sterfelijk!"

Het glimlachje van Gustave kreeg een uitdrukking van pijnlijken spot, alsof hij andere woorden gehoord had: de onbewuste wensch, dat de oude tante vóór hem sterven zou, dat hij de vijfhonderd duizend francs, die hem beloofd waren, erven zou en tevens dat hij zelf zijn familie niet langer meer tot last zou zijn.

"Zet hem neer," zeide madame Vigneron tegen haar man; "je maakt hem zoo moe, als je hem aan zijn beenen vasthoudt."

Dan zorgde zij er, evenals madame Chaise, zorgvuldig voor, dat het kind geen schok zou krijgen. De arme jongen moest zoo vreeselijk ontzien worden. Iedere minuut waren zij bang hem te zullen verliezen. De vader geloofde, dat het maar het beste zou zijn, als ze weer dadelijk in hun coupé gingen. En toen de twee vrouwen met het kind tusschen zich in weggingen, wendde hij zich vergenoegd tot Pierre en zeide met een diepe ontroering in zijn stem:

"O, mijnheer de abbé, als de goede God hem van ons wegnam, zou ons leven niets meer voor ons te beteekenen hebben. En ik zeg dat niet om het vermogen van zijn tante, dat dan naar andere neven gaan zou. Maar, nietwaar mijnheer de abbé, het zou heelemaal tegen de natuur in zijn, wanneer hij stierf vóór haar, vooral met het oog op haar gezondheid... Maar wat zullen wij er tegen doen, wij zijn allen in de handen der Voorzienigheid en wij vertrouwen op de Heilige Maagd, die zeker alles ten beste keeren zal."

Eindelijk had madame de Jonquière, door dr. Ferrand gerustgesteld, la Grivotte alleen kunnen laten. Maar voor zij ging, had zij voor alle zekerheid tegen Pierre gezegd:

"Ik sterf van den honger, ik ga even naar het buffet... Maar wilt u mij dadelijk laten roepen, als het hoesten weer begint."

Toen zij zich met groote moeite een weg gebaand had door de menigte op het perron, kwam zij weer in een nieuw gedrang. De pelgrims, die het betalen konden, hadden zich in een stormaanval van de tafeltjes meester gemaakt, vooral veel priesters liepen af en aan onder het lawaai van vorken, messen en borden. De drie of vier kellners konden onmogelijk voor de bestellingen zorgen, te meer daar een dichte menigte, die zich aan het buffet verdrong, om vruchten, broodjes en koud vleesch te koopen, hun den weg versperde. En daar, achter in de wachtkamer, zat Raymonde met madame Désagneaux en madame Volmar te dejeuneeren.

"Eindelijk, mama!" riep zij. "Ik wou u net weer komen halen. Ze moeten u toch laten eten!"

Zij lachte heel vroolijk, opgewonden als zij was over de reis, over dezen eenvoudigen maaltijd, dien ze haast-je-rep-je gebruiken moesten.

"Kijk, daar hebt u een portie forellen met peterseliesaus, die ik voor u bewaard heb, en daar staat een cotelette op u te wachten... Wij zijn al aan de artisjokken!"

Toen werd het een vroolijk hoekje, waar je met genoegen naar keek.

Vooral de jonge madame Désagneaux was zeer aantrekkelijk, een teere blondine met eigenzinnig, opvliegend, goudblond haar, een rond, melkblond gezichtje met aardige kuiltjes, opgewekt en goedhartig. Rijk getrouwd, liet zij nu al drie jaar achter elkaar midden in de maand Augustus dagen haar man in Trouville om als diacones de nationale bedevaart mede te maken: dat was haar grootste hartstocht, een innig medevoelen, een behoefte om zich gedurende vijf dagen geheel aan de zieken te geven, het was een waar zwelgen in volkomen toewijding, dat haar uitputte en gelukkig maakte tevens. Haar eenige verdriet was, dat zij nog geen kind had, en met een waarlijk komischen ernst gaf zij dikwijls haar spijt te kennen, dat zij haar roeping als pleegzuster miskend had.

"Kom kind!" zeide zij tegen Raymonde; "beklaag je moeder niet, dat zij zoo door haar zieken in beslag genomen wordt. Zij heeft tenminste wat te doen."

En zich tot madame de Jonquière wendend:

"Als u eens wist, hoe lang ons de uren in onzen mooien eerste-klas-coupé vallen! Je mag zelfs geen klein handwerkje doen, dat is verboden... Ik had gevraagd, mij bij de zieken te plaatsen, doch alles was al vergeven, zoodat ik wel verplicht ben te probeeren vannacht in mijn hoekje te slapen."

En lachend voegde zij er aan toe:

"Wij zullen wel slapen, niet waar madame Volmar, want het gesprek schijnt u te vermoeien?"

Madame Volmar, een brunette met een lang gezicht en fijne, vermoeide trekken, moest de dertig reeds gepasseerd zijn en had groote, prachtige oogen, die waren als gloeiende kolen, waarover nu en dan een sluier scheen te komen, die ze als het ware schenen uit te dooven. Zij was niet mooi bij den eersten aanblik; hoe langer men haar echter aankeek, des te bekoorlijker, overwinnender en begeerlijker zij werd. Verder trachtte zij zoo min mogelijk in het oog te vallen, zich op den achtergrond te houden, ging steeds in het zwart gekleed en droeg nooit sieraden, hoewel zij de vrouw van een handelaar in diamanten en parelen was.

"O," mompelde zij, "als ik maar niet te veel door elkaar geschud word, ben ik al tevreden."

Zij was reeds tweemaal als helpster mee naar Lourdes geweest, maar men zag haar daar bijna nooit in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, daar zij dadelijk na haar aankomst door zoo'n moeheid overvallen werd, dat zij, naar zij beweerde, genoodzaakt was haar kamer te houden.

Madame de Jonquière, de directrice der zaal, was zeer welwillend voor haar.

"Jullie hebt nu goed den tijd om uit te rusten. Slaapt maar goed, als je kunt, want, wanneer ik het niet meer volhouden kan, komen jullie aan de beurt."

Dan richtte zij zich tot haar dochter:

"En jij, lieve kind, moet je niet te veel opwinden, als je je hoofd niet verliezen wilt."

Maar Raymonde keek haar verwijtend aan en zeide glimlachend:

"Waarom zegt u dat, moeder?... Ben ik soms niet verstandig?"

Zij behoefde zich volstrekt nergens op te beroemen, want een krachtige wil en het vaste besluit zelf haar leven in te richten, spraken duidelijk uit haar grijze oogen, haar geheele jonge, onbezorgde wezen, dat één levensvreugde was.

"Het is zoo," moest de moeder eenigszins verlegen bekennen; "het kind is soms verstandiger dan ik... Nou, geef me de côtelette maar even aan, die zal smaken. Lieve hemel, wat heb ik een honger!"

Opgevroolijkt door het voortdurende lachen van madame Désagneaux en Raymonde, dejeuneerde zij verder. Deze laatste leefde weer geheel op en haar gezicht, dat door het wachten op een huwelijk reeds eenigszins verlept was, kreeg den rosen tint van haar twintigste jaar terug. Ze namen nu dubbel groote happen, want ze hadden nog maar een tien minuten. In de geheele zaal heerschte nog een grooter lawaai dan zooeven, want men was bang geen tijd meer te zullen hebben voor de koffie.

Maar Pierre kwam: la Grivotte had weer een benauwende hoestbui gekregen; madame de Jonquière at gauw haar artisjok en ging dan naar haar wagon terug, na eerst haar dochter, die haar op gekscherenden toon goeden nacht wenschte, een zoen te hebben gegeven. Intusschen had de priester bij het zien van madame Volmar met het roode kruis der Hospitalité over haar zwarten corsage, een gebaar van verbazing niet kunnen onderdrukken. Hij kende haar, want hij bracht, al was het zelden, toch nog steeds nu en dan een bezoek aan de oude madame Volmar, de moeder van den diamanthandelaar, een oude vriendin van zijn eigen moeder; het was een verschrikkelijke vrouw, overdreven vroom en zoo streng, dat zij de jaloezieën gesloten hield, om haar schoondochter toch maar niet op straat te laten kijken. Hij kende de geschiedenis: sedert den dag van haar huwelijk leefde de jonge vrouw als een gevangene tusschen haar schoonmoeder, die haar tyranniseerde, en haar man, een afzichtelijk leelijk monster, die haar in zijn krankzinnige jaloerschheid zelfs sloeg, ofschoon hij zelf verscheidene meisjes mainteneerde. Zij lieten haar geen oogenblik uitgaan, dan om de mis bij te wonen. Pierre zelf had haar op een zekeren dag bij de Drievuldigheidskerk verrast, toen hij haar vlug enkele woorden had zien wisselen met een correct gekleed, gedistingeerd heer: de onvermijdelijke en zoo vergeeflijke val, de misstap in de armen van een vriend, die het geheim bewaarde, de verborgen en verterende hartstocht, dien men niet bevredigen kan en die toch zoo vreeselijk in je brandt, de afspraken, die men zoo moeilijk houden kan, dat men dikwijls weken lang wachten moet, en waarvan men, in een plotselinge opvlamming van begeerte, gulzig geniet.

Verlegen stak zij hem haar kleine, smalle, klamme hand toe.

"Hoe toevallig, mijnheer de abbé... Wat is het lang geleden, dat we elkaar gezien hebben!"

Zij vertelde hem, dat dit nu al het derde jaar was, dat zij naar Lourdes ging: haar schoonmoeder had haar gedwongen zich bij de Association de Notre-Dame de Salut aan te sluiten.

"Wonderlijk, dat u ze niet op het station gezien hebt. Ze brengt me naar den trein en komt me weer halen ook."

Zij zeide het zeer eenvoudig, maar met zoo'n scherpe ironie, dat Pierre er het zijne van dacht. Hij wist, dat zij aan niets geloofde en slechts naar de kerk ging, om zich op die wijze van tijd tot tijd een vrij uur te verzekeren; en plotseling kreeg hij de ingeving, dat in Lourdes iemand op haar wachtte, dat zij met haar bescheiden en vurige manier van doen, met haar vlammende oogen, die zij onder den sluier van onverschilligheid verborg, haar hartstocht tegemoet snelde.

"Ik," zeide hij op zijn beurt, "ik ben met een vriendin uit mijn jeugd, een arm ziek meisje... Ik beveel haar in uw zorgen aan, u moet haar verplegen..."

Toen bloosde zij even, en hij twijfelde niet langer. Raymonde keek de rekening na met de zelfverzekerheid van iemand, die met getallen om kan gaan; madame Désagneaux nam madame Volmar mede, de kellners verloren hun hoofd nog meer, de tafeltjes werden verlaten, allen stormden naar buiten, toen ze een bel hoorden gaan.

Ook Pierre haastte zich naar zijn wagon terug, toen hij weer staande gehouden werd.

"O, mijnheer de pastoor!" riep hij uit; "ik heb u bij het vertrek gezien, maar het was te laat, om u nog de hand te komen drukken."

En hij stak de zijne uit naar den ouden priester, die hem glimlachend aankeek. Abbé Judaine was pastoor te Saligny, een kleine parochie in het departement Oise. Groot en krachtig van gestalte, had hij een breed, rood, door grijze haren omlokt gezicht; men voelde dadelijk, dat het een heilig man was, die nooit door zijn vleesch of door zijn verstand gekweld werd. Vroom als hij was, geloofde hij onvoorwaardelijk, zonder eenigen strijd, met het makkelijke geloof van een kind, dat nog geen hartstocht kent. Sedert de Heilige Maagd hem te Lourdes door een wonder, waarover men nu nog sprak, van een oogziekte genezen had, was zijn geloof nog blinder, nog inniger geworden, als ware het gedrenkt in dankbaarheid aan God.

"Ik ben blij, dat ik je bij ons zie, vriendlief," zeide hij zacht, "want jonge priesters kunnen op zoo'n bedevaart heel wat leeren... Men heeft mij verzekerd, dat er onder hen nog al een geest van verzet heerscht. Nu, je zult al die arme drommels zien bidden; het is iets, dat je niet met droge oogen zult kunnen aanschouwen... En hoe is het mogelijk, dat men zich niet overgeeft aan God bij het zien van zooveel genezen of toch minstens verzacht lijden?"

Ook hij begeleidde een zieke. Hij wees hem een coupé eerste klasse, waaraan een kaart met de woorden: "Abbé Judaine, gereserveerd" bevestigd was. En fluisterend ging hij voort:

"Het is madame Dieulafay, je weet wel, de vrouw van den grooten bankier. Hun kasteel, een koninklijk domeingoed, behoort tot mijn parochie; en toen zij hoorde, dat de Heilige Maagd mij zoo'n buitengewone genade bewezen had, hebben zij mij gesmeekt de voorspraak van die arme vrouw te zijn. Ik heb al heel wat missen gelezen, en vurige geloften voor haar afgelegd... Kijk, daar is zij. Zij heeft met alle geweld er een oogenblik uit willen komen, ook al zal het straks weer veel moeite kosten, haar in de coupé te krijgen."

Inderdaad lag op een schaduwrijk plekje van het perron in een soort rustbed een vrouw, wier knap, zuiver ovaal gezicht met prachtige oogen op een leeftijd van hoogstens zes-en-twintig wees. Zij was door een verschrikkelijke ziekte aangetast; het verdwijnen van de kalkhoudende zouten, wat een langzame verweeking en verwoesting van het beenderenstelsel ten gevolge had. Twee jaar geleden reeds, toen zij van een levenloos kind bevallen was, had zij pijn gevoeld in de wervelkolom. Langzamerhand waren de beenderen dunner geworden en van vorm veranderd, de wervelkolom werd krom, de beenderen van het bekken plat, terwijl die der beenen en armen verschrompelden; op die wijze was zij als het ware kleiner geworden, samengesmolten tot een armzalig stukje mensch, een fluïde, naamloos ding, dat men niet rechtop kan zetten, dat men met de grootste voorzichtigheid verplaatsen moest uit vrees, dat men het tusschen zijn vingers zou zien wegvloeien. Het hoofd, dat roerloos en met een stompzinnige, wezenlooze uitdrukking op het kussen lag, had zijn vroegere schoonheid behouden. Maar wat het hart, bij het zien van dat jammerlijk restje vrouw, nog meer toekneep, dat was de groote luxe, die haar omringde: het met blauwe zijde gecapitonneerde rustbed, de kostbare kanten, waarmede zij bedekt was, het kapje van Valenciennes-kant, dat zij droeg: een rijkdom, die zelfs nog in den doodsstrijd ten toon gespreid werd.

"Hoe treurig," begon abbé Judaine weer fluisterend, "te moeten denken, dat zij nog zoo jong, zoo mooi, zoo schatrijk is. En als je eens wist, met hoeveel liefde zij nog omringd wordt... Die lange mijnheer naast haar is haar man, en die elegante dame daar haar zuster, madame Jousseur."

Pierre herinnerde zich in de courant dikwijls den naam van madame Jousseur gezien te hebben, de vrouw van een diplomaat, die een voorname rol speelde in de hooge Katholieke kringen van Parijs. Zelfs had het verhaal van een hevigen, bestreden en overwonnen hartstocht de rondte gedaan. Zij was heel knap, uiterst eenvoudig gekleed en één en al toewijding voor haar arme zuster. De echtgenoot, die op vijf-en-dertigjarigen leeftijd het groote bankierskantoor van zijn vader geërfd had, was een knappe, uiterst correct gekleede man; maar in zijn oogen stonden tranen, want hij aanbad zijn vrouw; hij had zijn zaken in den steek gelaten, daar hij er op gestaan had zijn vrouw naar Lourdes te vergezellen; zijn laatste hoop was gevestigd op die aanroeping, der goddelijke barmhartigheid.

Pierre had zeker sedert het begin van den dag in dien aan smarten rijken, witten trein heel wat ontzettend lijden gezien, maar niets had zijn ziel zoo aangegrepen als dit jammerlijk vrouwenskelet, dat te midden van haar kant en van haar millioenen, zich als in een vloeistof oploste.

"De ongelukkige!" prevelde hij huiverend.

"De Maagd zal haar genezen, ik heb er zoo om gesmeekt!" antwoordde abbé Judaine vol oprecht gemeend vertrouwen.

Doch weer ging de bel, en ditmaal was het het teeken voor vertrek. Men had nog twee minuten. Een laatste dringen en duwen begon: menschen kwamen terug met in papier gewikkeld eten, met flesschen en kruiken, die zij in de fontein gevuld hadden. Velen liepen angstig heen en weer, konden hun wagon niet meer vinden, vlogen wanhopig van den eenen coupé naar den anderen, terwijl de zieken zich onder het rhythmisch klipklappen der krukken vlugger voortbewogen, en anderen, die moeilijk liepen, aan den arm van diakonessen hun pas trachtten te versnellen. Vier mannen hadden groote moeite om madame Dieulafay in haar coupé eerste klasse te krijgen. De Vignerons, die het niet beneden zich achtten tweede klasse te reizen, hadden zich reeds weer geïnstalleerd tusschen een groote menigte manden, kisten en koffers, die den armen Gustave nauwlijks veroorloofd hadden zijn arme, rudimentaire beenen uit te strekken. Dan kwamen zij allen weer terug: madame Maze sloop op haar stille manier den wagon binnen; madame Vincent lichtte haar dochtertje voorzichtig in de hoogte, steeds bang, dat zij zou gaan huilen; madame Vêtu moest binnengesleept worden, nadat men haar uit de verdooving van haar pijnen gewekt had; Elise Rouquet, die zich bij het gulzige drinken heelemaal nat gemaakt had en nog bezig was haar afzichtelijk gezicht af te vegen. En terwijl iedereen zijn plaats innam en de wagon weer vol werd, luisterde Marie naar haar vader, die verrukt was, dat hij tot aan het einde van het station gegaan was, tot het huisje van een wisselwachter, vanwaar men een mooi uitzicht op een werkelijk aardig landschap had.

"Willen we je dadelijk weer neerleggen?" vroeg Pierre, wanhopig over het angstige gezicht van de zieke.

"O neen, neen, strakjes!" antwoordde zij. "Ik heb nog tijd genoeg om die wielen in mijn hoofd te hooren ratelen, alsof zij mijn beenderen vermorzelen!"

Zuster Hyacinthe had Ferrand gesmeekt nog eens naar den man te kijken, vóór hij naar den kantinewagen ging. Verbaasd over het uitblijven van pater Massias, wachtte zij nog steeds op hem; zij was echter niet wanhopig, want zuster Claire des Anges was nog niet teruggekomen.

"Mijnheer Ferrand, zeg eens eerlijk of de ongelukkige werkelijk in onmiddellijk gevaar verkeert."

Weer keek de jonge dokter hem aan, beluisterde en beklopte hem. Dan zeide hij met een wanhopig gebaar:

"Het is mijn vaste overtuiging, dat u hem niet levend naar Lourdes krijgen kunt."

Men rekte angstig de halzen uit. Als ze nu nog maar wisten, hoe de man heette, waar hij vandaan kwam, wie hij was. Maar niemand kende den ongelukkige, uit wien men geen woord los kon krijgen, en die daar in den wagon zou sterven.

Toen kwam zuster Hyacinthe op het denkbeeld hem te fouilleeren. Daar kon onder de gegeven omstandigheden geen kwaad in steken.

"Mijnheer Ferrand, kijk eens in zijn zakken!"

Voorzichtig fouilleerde hij den man. Maar hij vond in de zakken niets dan een rozenkrans, een mes en drie sous. Nooit zou men iets meer van hem weten.

Daar riep iemand, dat zuster Claire des Anges en pater Massias kwamen. Deze laatste had in een wachtkamer zijn tijd verpraat met den pastoor van Sainte-Radegonde. Er ontstond een levendige ontroering, alles zou misschien nog terecht komen. Maar de trein stond op het punt te vertrekken, de conducteurs sloten de portieren reeds, het Laatste Oliesel moest inderhaast worden toegediend, als men niet een te lange vertraging wilde veroorzaken.

"Hier, eerwaarde vader!" riep zuster Hyacinthe. "Ja, ja, stap u in, de ongelukkige zieke ligt hier."

Pater Massias, die, ofschoon vijf jaar ouder dan Pierre, tegelijk met dezen op het seminarie geweest was, had een groot, mager lichaam met het gezicht van een asceet, dat door een blonde baard omgeven was en waarin schitterende oogen fonkelden. Hij was noch de door twijfel gekwelde priester noch de priester met het blind geloof van een kind, maar een apostel vol gloeiende geestdrift, steeds gereed om voor den onbevlekten roem der Heilige Maagd te strijden en te overwinnen. Onder de zwarte pelerine met den grooten kap straalde hij van dien blijvenden strijdlust.

Onmiddellijk had hij het zilveren doosje met het Heilige Oliesel gehaald. En de plechtige handeling begon onder het toeslaan der laatste portieren en het haastige toesnellen der pelgrims, die zich verlaat hadden, terwijl de stationschef met onrustige blikken naar de stationsklok keek, daar hij wel inzag, dat hij nog eenige minuten zou moeten toestaan.

"Credo in unum Deum [2]..." mompelde de pater vlug.

"Amen," vielen zuster Hyacinthe en de geheele wagon in.

Degenen, die ertoe in staat geweest waren, lagen op de banken neergeknield. De anderen vouwden hun handen, maakten herhaaldelijk het teeken des kruises, en toen op het prevelen der gebeden de litanieën van het rituaal volgden, verhieven zich de stemmen, rees met het Kyrie Eleison [3] een vurige smeekbede op voor de vergeving der zonden en de lichamelijke en geestelijke genezing van den man. Dat geheel zijn leven, dat men niet kende, hem vergeven mocht worden en hij, onbekend en triompheerend, ingaan mocht in het koninkrijk Gods!

"Christe, exaudi nos." [4]

"Ora pro nobis, sancta Dei Genitrix." [5]

Pater Massias had de zilveren naald, waaraan een droppel gewijde olie trilde, genomen. Bij de drukte en het wachten van den geheelen trein, waardoor de pelgrims hun hoofd uit de portieren staken, kon de geestelijke er niet aan denken de zalving, zooals die gewoonlijk geschiedde, te verrichten op de diverse zintuigsorganen, de poorten, die de zonde binnenlieten. Zooals het voorschrift voor dringende gevallen toestond, moest hij zich tevreden stellen met één zalving; hij verrichtte die op den mond, op dien bleeken, half geopenden mond, waaruit nog nauwlijks één ademtochtje kwam, terwijl het gezicht met de gesloten oogen reeds geheel verstijfd, tot het stof der aarde teruggekeerd scheen te zijn.

"Per istam sanctam unctionem, et suam piissimam misericordiam, indulgeat tibi Dominus quidquid per visum, auditum, odoratum, gustum, tactum, deliquisti." [6]

Het slot der plechtigheid ging in het lawaai van het vertrek verloren. De pater had nog nauwlijks tijd den droppel af te wisschen met het watje, dat zuster Hyacinthe voor hem gereed hield. Hij moest den wagon verlaten en zich naar den zijne haasten, terwijl de anderen het slotgebed uitspraken.

"Wij kunnen onmogelijk langer wachten!" herhaalde de stationschef in groote opwinding. "Opschieten!"

Eindelijk kon men vertrekken. Iedereen had zijn plaats ingenomen. Madame de Jonquière, die zich over den toestand van la Grivotte nog even ongerust maakte, was dichter bij haar gaan zitten tegenover mijnheer Sabathier, die berustend en zwijgend wachtte. Zuster Hyacinthe was niet in haar compartiment teruggekomen; zij wilde bij den man blijven, te meer daar zij dan ook tegelijk voor broeder Isidore kon zorgen, aan wien Marthe geen verlichting meer geven kon. Marie, bleek wordend, voelde reeds in haar lichaam de schokken van den trein, nog vóór deze onder de loodzwaar drukkende hitte zijn vaart opnieuw begonnen was met zijn lading zieken in de benauwende en verpestende atmospheer der over-verhitte wagons.

Een lang-aangehouden gefluit weerklonk, de locomotief begon te puffen, en zuster Hyacinthe stond op om te zeggen:

"Het Magnificat, kinderen!"

IV.

Toen de trein zich in beweging zette, ging het portier nogmaals open en duwde een conducteur een meisje van veertien jaar in het compartiment, waarin Marie en Pierre waren.

"Daar is nog een plaats. Schiet op!"

Reeds werden de gezichten langer, wilde men protesteeren. Maar zuster Hyacinthe riep uit:

"Wat ben jij het, Sophie. Ga je weer de Heilige Maagd bezoeken, die je verleden jaar genezen heeft?"

En madame de Jonquière zeide tegelijk:

"Dat is heel goed van je, beste Sophie, om dankbaar te zijn!"

"Zeker, lieve zuster; zeker, madame!" antwoordde het meisje vriendelijk.

Trouwens het portier was reeds gesloten en zij moesten dus deze nieuwe bedevaartgangster, die als uit den hemel gevallen was op het oogenblik, dat de trein, dien zij bijna gemist had, vertrok, wel aanvaarden. Zij was mager bovendien en zou dus niet veel plaats innemen. En dan kenden de dames haar; de oogen van alle zieken richtten zich op haar, toen zij hoorden, dat zij genezen was. Maar ze waren het station uit; de locomotief pufte in het steeds luider wordende geratel der wielen, en zuster Hyacinthe herhaalde, in haar handen klappend:

"Vooruit, vooruit, kinderen, het Magnificat!"