De drie steden: Lourdes

Part 5

Chapter 53,949 wordsPublic domain

O, die laatste dagen te Parijs, in welk een drukte en opwinding had hij ze doorleefd! De nationale bedevaart stond op het punt te vertrekken, hij was op het denkbeeld gekomen Marie in de Hospitalité te laten opnemen, ten einde groote kosten te vermijden. Verder had hij zich allerlei bezoeken moeten getroosten, om zelf bij de Hospitalité de Notre-Dame de Salut geplaatst te worden. Mijnheer de Guersaint was in den zevenden hemel, want hij hield van de natuur en brandde van verlangen, om de Pyrenaeën te leeren kennen; hij bekommerde zich natuurlijk om niets, beschouwde het als een van zelf sprekend feit, dat de jonge priester de reis voor hem betaalde en in het hotel daarginds voor hem zorgde als voor een kind; en toen zijn dochter Blanche hem op het allerlaatste oogenblik een louis in zijn hand stopte, vond hij zich den koning te rijk. Die arme en heldhaftige Blanche bezat een geheimen schat, een spaarduitje van vijftig francs, die ze, om haar niet boos te maken, wel hadden moeten aannemen, want zij wilde ook medehelpen aan de genezing van haar zuster, al kon zij de reis niet medemaken, teruggehouden als zij werd door haar lessen te Parijs, dat zij in alle richtingen door bleef trekken, terwijl de haren daar ver weg neerknielden tusschen de verrukkingen der Grot. En zoo waren zij dan vertrokken en reden zij nu voort, reden zij steeds verder door.

Bij het station Châtellerault deed een plotseling geroezemoes van stemmen Pierre uit zijn overpeinzingen opschrikken. Wat! Waren zij reeds te Poitiers? Maar het was nauwlijks twaalf uur. Neen, zuster Hyacinthe liet het Angelus bidden, de drie driemaal herhaalde Ave's. De stemmen stierven weg, een nieuw gezang, dat langzamerhand in een klaaglied veranderde, werd aangeheven. Nog vijf-en-dertig lange minuten voor ze te Poitiers waren, waar, zooals het scheen, het oponthoud van een half uur aller lijden zou verzachten. Allen voelden zich zoo onbehaaglijk, werden zoo onbarmhartig heen en weer geschud in dien verpesten, gloeiend-heeten wagon. De ellende was te groot, dikke tranen rolden over de wangen van madame Vincent, een gesmoorde vloek was ontsnapt aan de lippen van Mijnheer Sabathier, die anders zoo lijdzaam en geduldig was, terwijl broeder Isidore, la Grivotte en madame Vêtu niet meer schenen te leven en op wrakhout geleken, dat door den stroom werd medegevoerd. Marie had haar oogen gesloten en antwoordde niet meer; zij wilde ze niet meer open doen, vervolgd als zij werd door den vreeselijken aanblik van het gezicht van Elise Rouquet, dat half weggevreten, open hoofd, dat voor haar het beeld van den dood was. En terwijl de trein, die deze menschelijke troostelooze ellende met zich voerde onder den onweerzwangeren hemel, zijn vaart door de gloeiende velden versnelde, werden allen door een nieuwe schrik aangegrepen. De man ademde niet meer, een stem riep, dat hij gestorven was.

III.

Zoodra de trein te Poitiers stil stond, haastte zuster Hyacinthe zich uit te stappen, te midden van het gedrang der stationskruiers, die de portieren openden, en van de pelgrims, die zich naar buiten drongen.

"Wacht even, wacht even!" riep zij steeds. "Laat mij het eerst uitstappen; ik wil zien, of het werkelijk afgeloopen is."

Toen zij in het andere compartiment weer ingestapt was, lichtte zij het hoofd van den man op; eerst geloofde zij ook, dat hij inderdaad gestorven was, toen zij hem daar zoo bleek en met wezenlooze oogen liggen zag.

"Neen, neen, hij ademt nog. Gauw, we moeten opschieten!"

En zich wendend tot de andere zuster, die achter in den wagon het toezicht hield: "Ach, zuster Claire des Anges, wees zoo goed en ga dadelijk pater Massias, die in het derde of vierde rijtuig zijn moet, halen. Zeg hem, dat wij een zieke hebben, die in levensgevaar verkeert, en dat hij dadelijk met het Heilig Oliesel komt."

Zonder te antwoorden verdween de zuster in de drukte. Zij was klein, fijn gebouwd en teer, met een peinzend gelaat en sprookjesoogen, maar toch steeds in de weer.

Pierre, die staande in het andere compartiment het tooneel volgde, veroorloofde zich een opmerking.

"Zou het misschien niet gewenscht zijn ook den dokter te halen?"

"Zeker, daar dacht ik ook juist aan," antwoordde zuster Hyacinthe. "O, mijnheer de abbé, als u de goedheid zoudt willen hebben zelf eens te gaan kijken."

Pierre was juist van plan in den cantinewagen een kop bouillon te halen. De zieke, die zich wat verlicht gevoelde, nu zij niet meer heen en weer geschud werd, had haar oogen weer opengedaan en zich door haar vader in zittende houding laten oprichten. Zij zou in haar vurig verlangen naar frissche lucht wel graag gewild hebben, dat ze een oogenblik op het perron gezet was, maar zij voelde, dat dat te veel gevraagd zou zijn en het te veel moeite kosten zou, om haar straks weer in den wagon te krijgen. Mijnheer de Guersaint, die evenals de meeste pelgrims en zieken in den trein ontbeten had, bleef dicht bij het geopende portier een sigaret staan rooken, terwijl Pierre naar den cantinewagen liep, waarin zich eveneens de dienstdoende geneesheer met een kleine apotheek bevond.

In den wagon waren ook de andere zieken gebleven, die men met den besten wil van de wereld niet naar buiten kon brengen. La Grivotte had telkens benauwende hoestaanvallen en ijlde; zij belette ook madame de Jonquière weg te gaan, die met haar dochter Raymonde, madame Volmar en madame Désagneaux afgesproken had gezamenlijk in de wachtkamer te ontbijten. Maar hoe kon zij dat ongelukkige schepsel, dat ieder oogenblik den geest kon geven, alleen op die harde bank achterlaten? Marthe was ook gebleven bij haar broeder, den zendeling, die maar steeds door bleef kreunen. Aan zijn plaats als vastgenageld, wachtte mijnheer Sabathier op zijn vrouw, die een tros druiven voor hem was gaan halen. De anderen, die loopen konden, drongen naar de deur, om uit te stappen, ten einde een oogenblik den wagon vol jammer en ellende, waarin hun ledematen in de zeven lange uren, die de reis geduurd had, stijf geworden waren, te ontvluchten. Madame Maze had zich dadelijk van de anderen verwijderd en een eenzaam hoekje van het station gezocht, waar zij dadelijk weer in haar gewone melancholie terugviel. Versuft van smart had madame Vêtu, die met moeite eenige stappen gedaan had, zich neer laten vallen op een bank midden in de zon, waarvan zij het branden echter niet eens voelde, terwijl Elise Rouquet, die haar zwarte sluier weer omgedaan had, in haar verlangen naar frisch water overal naar een fonteintje zocht. Madame Vincent liep langzaam met de kleine Rose op haar arm heen en weer; zij glimlachte tegen de kleine en trachtte haar wat op te vroolijken door haar schreeuwend gekleurde platen aan te wijzen, waar het kind naar keek, zonder ze echter te zien.

Intusschen kostte het Pierre de grootste moeite zich een weg te banen door de dichte menigte, die het perron overstroomde. Men kon zich geen voorstelling maken van dien levenden stroom van gebrekkigen en gezonden, die den trein verlaten hadden, meer dan achthonderd personen liepen door elkaar heen en verdrongen elkaar. Iedere wagon had zijn ellende uitgestort als een ziekenhuiszaal, die men ontruimt; nu kon men zien, welk een schrikwekkend aantal kwalen deze verschrikkelijke witte trein met zich voerde. Hier sleepten zieken zich voort, anderen werden gedragen, de meesten echter bleven dicht bij elkaar op het trottoir staan. Hier hoorde men plotseling gillen en schreeuwen; daar haastte men zich naar de wachtkamer of de restauratie. Ieder wilde zoo spoedig mogelijk den inwendigen mensch versterken. Het was zoo kort, dit half uur oponthoud, het eenige, dat zij voor Lourdes zouden hebben. En het eenige vroolijke te midden van de zwarte soutanes, van de afgedragen en verschoten kleeren der armen, was het lachende wit der kleine zusters van Maria Hemelvaart, die in haar sneeuwige mutsjes, sluiers en schorten druk af en aan liepen.

Toen Pierre eindelijk bij den kantinewagen, die zich midden in den trein bevond, kwam, vond hij dien reeds belegerd. Er was daar een petroleumfornuis en een geheel volledige kleine keukeninstallatie. De bouillon, die van geconcentreerd vleeschnat gemaakt werd, stond te warmen in plaatijzeren ketels, de in doozen van één liter gecondenseerde melk werd slechts aangelengd en bruikbaar gemaakt, wanneer ze noodig was. Enkele andere artikelen, als beschuit, druiven en chocolade werden bewaard in een soort kast. Maar bij het zien van al die handen, welke zich begeerig naar haar uitstrekten, verloor zuster Saint-François, een korte en gezette vrouw van vijf-en-veertig jaar met een vriendelijk, frisch gezicht, die met de leiding belast was, eenigszins het hoofd. Terwijl zij naar Pierre, die den dokter riep, welke zich met zijn reisapotheek in een ander compartiment van den wagen bevond, luisterde, moest zij met uitdeelen doorgaan. Maar toen de jonge priester haar vertelde van den man, die op sterven lag, liet zij zich vervangen, daar zij zelf den ongelukkige wilde zien.

"O ja, zuster, ik kwam ook nog een kop bouillon voor een zieke halen."

"Goed, mijnheer de abbé, ik zal hem meenemen. Gaat u maar voor!"

Onder het wisselen van vragen en antwoorden spoedden de twee mannen zich voort, gevolgd door zuster Saint-François, die temidden van de dringende en stootende menschenmassa voorzichtig den kop bouillon droeg. De dokter was een donkere, krachtige, knappe jonge man van nog geen dertig jaar met den kop van een Romeinschen krijger, zooals men die nog aantreft in de door de zon verzengde landen van Provence. Zoodra zuster Hyacinthe hem zag, riep zij in blijde verrassing uit:

"Wat, bent u het, mijnheer Ferrand?"

Beiden waren een oogenblik perplex over die ontmoeting. De zusters van Maria Hemelvaart hadden de zware taak de armen te verplegen, en wel alleen die armen, welke niet betalen kunnen en hun doodsstrijd strijden in dakkamertjes; zoo brengen zij haar geheele leven door met de behoeftigen; zij richten zich huiselijk in bij het armzalige ziekbed in het enge vertrek, bewijzen den zieken de meest intieme diensten, zorgen voor het eten en de huishouding, leven daar als dienstboden en bloedverwanten tot aan het herstel of tot aan den dood. Zoo was op een goeden dag zuster Hyacinthe, nog heel jong toen, met haar frisch, melkblank gezichtje, waarin haar blauwe oogen aan één stuk door lachten, gekomen bij dezen jongen man, die toen nog studeerde en zware typheuse koortsen had; hij was zoo arm, dat hij in de rue du Four op een soort zolder onder de dakpannen woonde, die men alleen met een ladder bereiken kon. Zij had hem niet meer verlaten, had hem met haar hartstocht, om slechts voor anderen te leven, van den dood gered, zij, die als klein kind bij de deur van een kerk gevonden was en geen andere familie had als die der lijdenden, waaraan zij zich wijdde met den vurigen drang om lief te hebben. En welk een heerlijke maand was daarop gevolgd, welk een prachtige kameraadschap in deze reine verbroedering van het lijden! Wanneer hij haar "lieve zuster" noemde, dan was het werkelijk met zijn zuster, dat hij sprak. Zij was tegelijk zijn moeder ook, die hem oprichtte en weer neerlegde als haar kind, zonder dat er een andere band tusschen hen ontstaan was dan het innigste medelijden, de goddelijke liefde der barmhartigheid. Altijd was zij vroolijk, zonder geslachtelijke opwinding, met geen anderen drang dan om leed te verzachten en te troosten; en hij vereerde haar, aanbad haar en had aan haar de reinste en geestdriftigste herinnering bewaard.

"Zuster Hyacinthe! Zuster Hyacinthe!" mompelde hij verrukt.

Een bloot toeval bracht hen weer samen, want Ferrand was geen geloovige; dat hij zich hier bevond kwam, omdat hij op het allerlaatste oogenblik, wel had willen inspringen voor een vriend, die plotseling verhinderd was mede te gaan. Sedert bijna een jaar was hij assistent in de Pitié. Deze reis naar Lourdes onder zoo bijzondere omstandigheden vond hij zeer interessant.

Maar de vreugde van het wederzien deed hem heelemaal den zieke vergeten. Zij dacht er het eerst weer aan.

"Kijk, mijnheer Ferrand, daar hebt u den armen kerel. Wij hebben een oogenblik gedacht, dat hij dood was... Van af Amboise hebben we ons erg ongerust gemaakt en dadelijk bij aankomst hier heb ik om den priester met het Heilige oliesel gestuurd. Vindt u hem ook zoo minnetjes? Kunt u hem niet wat opwekken?"

De jonge dokter was reeds met het onderzoek begonnen; de andere zieken, die in den wagon gebleven waren, keken belangstellend toe. Marie, aan wie zuster Saint-François den kop bouillon gegeven had, hield dien met een zoo beverige hand vast, dat Pierre hem van haar moest overnemen en trachtte haar te laten drinken, maar zij kon den bouillon niet doorkrijgen, haar oogen waren vol angstige verwachting strak gevestigd op dien man, alsof het om haar eigen leven ging.

"Hoe vindt u hem?" vroeg zuster Hyacinthe weer. "Welke ziekte heeft hij?"

"Welke ziekte?" fluisterde Ferrand. "Hij heeft ze allemaal."

Dan haalde hij een fleschje uit zijn zak en trachtte een paar droppels tusschen de op elkaar geklemde tanden van den zieke te gieten. Deze stootte een zucht uit, lichtte zijn oogleden even op, doch om ze dadelijk weer dicht te laten vallen; dat was alles, geen ander levensteeken gaf hij.

Zuster Hyacinthe, die anders altijd zoo kalm was en nooit haar zelfbeheersching verloor, werd nu ongeduldig.

"Maar dat is verschrikkelijk! En zuster Claire des Anges komt maar niet terug. Ik heb haar toch goed den wagon van pater Massias uitgeduid... Lieve God, wat moeten we doen?"

Zuster Saint-François, die inzag, dat zij zich hier toch niet nuttig maken kon, ging weer naar haar kantinewagen terug, maar eerst vroeg zij nog, of de man misschien niet van honger alleen omkwam; want dat gebeurde meer en zij was alleen maar gekomen om haar voorraden aan te bieden. Toen zij werkelijk wegging, beloofde zij, als zij haar toevallig tegenkwam, zuster Claire des Anges tot spoed te zullen aanzetten; zij was nog geen twintig meter verder of zij draaide zich om en wees met een groot gebaar naar de zuster, die alleen terugkwam.

Uit het portier leunend, riep zuster Hyacinthe haar toe.

"Kom dan toch, kom dan toch... En waar is pater Massias?"

"Die is er niet."

"Wat, is die er niet?"

"Neen. Het gaf niets al haastte ik me nog zoo, je kunt gewoon niet tusschen al die menschen door. Toen ik bij den wagon kwam, was pater Massias al uitgestapt en had hij ongetwijfeld het station al verlaten."

Zij vertelde, dat de pater, naar men haar gezegd had een afspraak had met den pastoor van Sainte-Radegonde. Vorige jaren had de nationale bedevaart hier een oponthoud van vier-en-twintig uur: de zieken werden dan in het stedelijk ziekenhuis ondergebracht, terwijl de anderen zich in processie naar Sainte-Radegonde begaven. Maar dit jaar was dit onmogelijk, de trein moest onmiddellijk door; en de pater had zeker nu een onderhoud met den pastoor.

"Ze hebben me beloofd de boodschap, zoodra hij terugkwam, aan hem over te brengen en hem met het Heilig Oliesel hierheen te zenden."

Het was een ware ramp voor zuster Hyacinthe. Nu de wetenschap niets meer vermocht, zou het Heilig Oliesel misschien den zieke verlichting gegeven hebben. Dat had zij reeds meermalen gezien.

"O, lieve zuster, wat spijt me dat vreeselijk... U weet niet, hoe lief het van u zou zijn, als u zelf ging kijken, of de pater terugkomt, om hem dadelijk hier te brengen."

"Ik zal het doen, lieve zuster," antwoordde zuster Claire des Anges gedwee en ging, terwijl zij met de lenigheid van een schim door de menigte gleed, weer met haar ernstig en geheimzinnig uiterlijk weg.

Diep bedroefd, dat hij zuster Hyacinthe het genoegen niet kon doen den man weer tot het bewustzijn terug te roepen, bleef Ferrand den zieke aankijken. En toen hij door een gebaar zijn onmacht te kennen gaf, vroeg zij hem op smeekenden toon:

"Blijf bij mij, mijnheer Ferrand, tot de pater er is... dan zal ik wat rustiger zijn."

Hij bleef en hielp haar den man, die van de bank dreigde te vallen, weer wat oprichten. Dan nam zij een doek en veegde zijn gezicht af, dat telkens weer met een dik zweet bedekt werd. En het wachten duurde voort te midden van het onbehaaglijk gevoel van hen, die in den wagon gebleven waren, en van de nieuwsgierigheid der menschen, die zich langzamerhand voor den coupé verzamelden.

Een jong meisje baande zich vlug een weg door de menigte, stapte op de treeplank en vroeg aan madame de Jonquière:

"Waar blijft u toch, mama? De dames zitten aan het buffet op u te wachten."

Het was Raymonde de Jonquière. Wat rijp reeds voor haar vijf-en-twintig jaar, leek zij met haar donkeren tint, haar krachtigen neus, haar grooten mond en haar vol, mollig figuur sprekend op haar moeder.

"Maar je ziet toch, kindlief, dat ik die arme vrouw niet in den steek kan laten."

Zij wees op la Grivotte, die juist weer in een vreeselijke hoestbui lag te schokken.

"Hoe jammer, mama! Madame Désagneaux en madame Volmar hadden zich juist zooveel van dat déjeunertje met ons vieren voorgesteld!"

"Wat kan ik er aan doen, lieve kind?... Begin maar zonder mij en zeg aan de dames, dat ik zoo gauw als ik kan, komen zal."

Dan plotseling een inval krijgend:

"Wacht, daar is de dokter! Ik zal zien, of ik hem de zorg van mijn zieke kan overdragen... Ga maar vooruit; ik kom dadelijk. Ik heb zoo'n vreeselijken trek."

Raymonde ging vlug naar het buffet terug, terwijl madame de Jonquière aan Ferrand vroeg bij haar te komen, om te zien of hij la Grivotte misschien wat verlichting geven kon. Reeds had hij op verzoek van Marthe broeder Isidore, wiens steunen en kreunen maar niet ophield, onderzocht; en weer had hij met een gebaar van wanhoop zijn onmacht te kennen moeten geven. Hij richtte de teringlijdster wat op in de hoop daardoor de hoest wat tot bedaren te brengen, wat inderdaad eenigszins hielp. Vervolgens hielp hij madame de Jonquière de zieke een kalmeerend drankje in te gieten. Mijnheer Sabathier, die langzaam de druiven, welke zijn vrouw voor hem was gaan halen, op zat te eten, vroeg hem zelfs niets, daar hij het antwoord toch vooruit wist en de zaak moe was, nadat hij reeds, zooals hij zich uitdrukte, alle vorsten der wetenschap geraadpleegd had. Maar toch deed het hem goed, toen hij zag, hoe de dokter het arme meisje, wier nabijheid hem hinderde, oprichtte. Ook Marie keek met toenemende belangstelling naar hem, hoewel zij het niet durfde wagen hem voor zich zelf te roepen, zeker als zij was, dat hij haar toch niet helpen kon.

Op het perron werd het gedrang steeds grooter. Men had nog slechts een kwartier. Als ongevoelig, met wijdgeopende oogen, zonder nochtans iets te zien, verdoofde madame Vêtu haar pijnen in de gloeiende hitte der volle zon, terwijl madame Vincent nog steeds met denzelfden sussenden stap met de kleine Rose, licht als een ziek vogeltje, zoodat zij het gewicht niet eens op haar armen voelde, op en neer liep. Vele pelgrims haastten zich naar de fontein, om kannen, kruiken en flesschen te vullen. Madame Maze, die zeer op reinheid en zindelijkheid gesteld was, wilde er haar handen gaan wasschen; toen zij er echter bijkwam, vond zij er Elise Rouquet, die juist bezig was te drinken; verschrikt deinsde zij terug voor dit afschuwlijk wezen, die hondenkop met den uitgevreten bek, die de schuine spleet van haar mond uitstak, waaruit de tong slorpend neerhing; en allen beving met dezelfde huivering, dezelfde aarzeling om hun flesschen, kannen en kruiken te vullen uit dezelfde fontein, waaruit zij gedronken had. Een groot aantal pelgrims liep op het perron te eten. Men hoorde het rhythmische klepperen der krukken van een vrouw, die rusteloos door de verschillende groepen heen en weer liep. Op den grond schoof een man zonder beenen zich in zijn bak met moeite voort, om naar men wist niet wat te zoeken. Anderen zaten dicht bij elkaar op een hoop en bewogen zich niet meer. Het geheele voor een zoo korten tijd uitgestapte leger van zieken, dit rijdende hospitaal, dat voor een half uur ontruimd was, schepte te midden van het drukke, onophoudelijke heen en weer loopen der gezonden, in de volle brandende middagzon versche lucht.

Pierre verliet Marie niet meer, want mijnheer de Guersaint was, aangetrokken door het groene stukje land, dat men aan het einde van het station zag, verdwenen. De jonge priester, die vol bezorgdheid merkte, dat zij den bouillon niet naar binnen krijgen kon, trachtte glimlachend de snoeplust der zieke te prikkelen door haar aan te bieden een perzik voor haar te gaan halen; maar zij weigerde, zij had te veel pijn en nergens trek in. Zij keek hem aan met haar groote, droefgeestige oogen, heen en weer geslingerd tusschen haar ongeduld over dit oponthoud, dat haar mogelijke genezing uitstelde, en haar angst, om straks weer gedurende die eindelooze reis onbarmhartig door elkaar geschud te worden.

Een dikke mijnheer kwam naderbij en tikte Pierre op zijn arm. Hij was al grijs, droeg een vollen baard; zijn breed gezicht had een vaderlijk-bezorgde uitdrukking.

"Pardon, mijnheer de abbé, is er in dezen wagen niet een ongelukkige, die op sterven ligt?"

En toen de geestelijke bevestigend antwoordde, werd hij dadelijk vriendschappelijk en familiaar.

"Ik heet Vigneron en ben sous-chef over het ministerie van Financiën; ik heb een verlof gevraagd, om met mijn vrouw onzen zoon Gustave naar Lourdes te kunnen vergezellen... De arme jongen stelt al zijn hoop in de Heilige Maagd, wie wij dag en nacht voor hem bidden... Wij zitten in den wagon vóór den uwe, waar we een compartiment tweede klasse hebben."

Dan keerde hij zich om en riep met een handgebaar zijn familie.

"Ja, het is hier. De ongelukkige man is er werkelijk heel slecht aan toe."

Madame Vigneron was klein, haar gezicht lang en mager en wees op een groote bloedarmoede, die haar zoon Gustave in verschrikkelijke mate van haar scheen geërfd te hebben. De vijftienjarige jongen leek nog geen tien; hij was scheef, mager als een brandhout, door de bloedarmoede was zijn rechterbeen zoo weinig ontwikkeld, dat hij met een kruk loopen moest. Hij had een klein, fijn, eenigszins scheef gezichtje, waarvan men eigenlijk niets anders dan de oogen zag, oogen, waaruit een helder verstand straalde, die door verdriet gescherpt waren en daardoor zeker tot in het diepst der ziel zagen.

Een oude dame met gepoederd gezicht, die zich moeilijk bewoog, volgde hem; en mijnheer Vigneron, die zich nu herinnerde, dat hij haar vergeten had, wendde zich weer tot Pierre om haar voor te stellen.

"Madame Chaise, de oudste zuster van mijne vrouw, die met alle geweld Gustave, van wien zij veel houdt, heeft willen vergezellen."

En zich over Pierre heen buigend, voegde hij er fluisterend en op vertrouwelijken toon aan toe:

"Madame Chaise, de weduwe van een zijdehandelaar en ontzaglijk rijk. Zij heeft een hartkwaal, waarover zij zich erg ongerust maakt."

Dicht op elkaar staande, keek de heele familie met groote nieuwsgierigheid naar hetgeen er in den wagon voorviel. Nog steeds meer menschen kwamen erbij, en de vader hield zijn zoon een tijdje in zijn armen, om hem goed te kunnen laten zien, terwijl zijn tante zijn kruk zoo lang vasthield en zijn moeder op haar teenen ging staan.

In den wagon nog steeds hetzelfde schouwspel: de man zat stijf en roerloos in den hoek met zijn hoofd tegen het harde, eikenhouten beschot. Hij was doodelijk bleek, zijn oogen waren gesloten, zijn mond vertrokken door den doodsstrijd, zijn gezicht bedekt met koud zweet, dat zuster Hyacinthe van tijd tot tijd met een doek afveegde; zij sprak niet meer, was niet ongeduldig meer, had haar kalmte teruggekregen, vertrouwend op den hemel, slechts nu en dan een blik over het perron werpend, om te zien, of pater Massias nog niet kwam.

"Kijk goed, Gustave," zeide mijnheer Vigneron tegen zijn zoon, "dat moet een teringlijder zijn."