De drie steden: Lourdes

Part 49

Chapter 491,993 wordsPublic domain

Weer rees in de snelle vlucht van het landschap een kerk op, ditmaal aan den horizont van den hemel, de een of andere geloftekapel, waarop een hoog beeld der Heilige Maagd stond. En weer maakten de pelgrims het teeken des kruises. En weer kwamen de overpeinzingen van Pierre op een andere baan, gaf een nieuwe vloed van gedachten hem terug aan zijn angst. Wat was toch dat dringende verlangen naar het hiernamaals, dat de lijdende menschheid martelde? Vanwaar kwam het? Waarom wilde men gelijkheid, rechtvaardigheid, daar die dingen toch niet schenen te behooren bij de ongevoelige natuur? De mensch had ze gebracht in het onbekende van het mysterie, in het bovennatuurlijke van religieuze paradijzen, en daar leschte hij zijn brandenden dorst. Steeds had de onleschbare dorst naar geluk hem gekweld, steeds zou hij hem blijven kwellen.

Dat de paters van de Grot zulke schitterende zaken maakten, kwam alleen, omdat zij iets van het goddelijke verkochten. Die dorst naar het goddelijke, welke in den loop der eeuwen door niets gelescht had kunnen worden, scheen aan het einde van onze wetenschappelijke eeuw met nieuwe kracht op te komen. Lourdes was het luid sprekende, het onloochenbare voorbeeld, dat de mensch misschien nooit den droom van een almachtig God, die de gelijkheid herstelt en door wonderen het geluk opnieuw schept, zou kunnen ontberen. Wanneer de mensch den bodem van het ongeluk, om te leven, bereikt heeft, keert hij weer terug tot de goddelijke illusie; hierop immers rust de grondslag van alle godsdiensten, dat de zwakke en naakte mensch niet de kracht heeft zijn aardsche ellende zonder den eeuwigen leugen van een paradijs te doorstaan. Thans was de proef genomen: de wetenschap alleen was blijkbaar niet voldoende, men zou een deur moeten open laten voor het mysterie.

Plotseling klonk het groote woord in de hersens van den in diep gepeins verzonken Pierre. Een nieuwe godsdienst! Die deur, welke men voor het mysterie had moeten openlaten, was, alles bij elkaar genomen, een nieuwe godsdienst. De menschheid ruwweg van haar droom te genezen, haar met geweld het wonderbare, waaraan zij evenveel behoefte had als aan brood, om te kunnen leven, te ontnemen zou misschien gelijk staan met haar te dooden. Zou zij ooit den wijsgeerigen moed hebben het leven zóó op te vatten als het is, het voor zichzelf te leven zonder het denkbeeld van toekomstige straffen en belooningen? Het scheen wel, als zouden eeuwen verloopen, voordat de maatschappij verstandig genoeg zou zijn, om zonder de moreele politie van den een of anderen eeredienst, zonder een troost van een bovenmenschelijke gelijkheid en rechtvaardigheid te leven. Ja een nieuwe godsdienst, het klonk en weerklonk in hem als de kreet zelf der volkeren, als de begeerige en wanhopige behoefte der moderne ziel. De troost, de hoop, die het Katholicisme aan de wereld gegeven had, scheen na achttien eeuwen van geschiedenis, na zooveel tranen, zooveel bloed, zooveel barbaarsche beroeringen uitgeput te zijn. Het was een illusie, die wegging, en men moest er tenminste een illusie voor in de plaats geven. Dat men zich eens in het Christelijk paradijs geworpen had, kwam alleen, omdat het zich toen opende als de jonge hoop en verwachting.

Een nieuwe godsdienst, een nieuwe hoop, een nieuw paradijs, ja, daarnaar dorstte de wereld in de ellende, waaronder zij samenkromp. En pater Fourcade voelde dat heel goed, hij bedoelde niets anders, toen hij in zijn onrust smeekte, dat men het volk der groote steden, de groote massa van het volk, dat de natie vormt, naar Lourdes brengen zou. Honderdduizend, tweehonderdduizend pelgrims per jaar te Lourdes, was nog niet meer dan een zandkorreltje. Het volk, het geheele volk zou moeten komen. Maar het volk had de kerken voor altijd verlaten, het legt zelfs zijn ziel niet meer in de Heilige Maagden, die het vervaardigt, niets zou het zijn verloren geloof kunnen teruggeven. Een Katholieke democratie, o, de geschiedenis zou opnieuw beginnen. Maar zou die stichting van een nieuw Christelijk volk mogelijk zijn? Zou daarvoor niet de komst van een nieuwen Verlosser, de levenwekkende adem van een tweeden Messias noodig zijn?

De woorden klonken luider, klonken steeds luider als was het klokgelui, in Pierre's overpeinzingen. Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! Hij moest natuurlijk dichter bij het leven staan, een grootere plaats inruimen aan de aarde, zich aanpassen bij de verkregen waarheden. En vooral een godsdienst, die geen verlangen naar den dood kweekte. Bernadette, die slechts leefde, om te sterven, dr. Chassaigne, die naar den dood snakte als naar het eenige geluk, die geheele spiritualistische overgave was niets dan één aanhoudende desorganisatie van den wil om te leven. Aan het einde daarvan was de levenshaat, de walging voor, de verlamming van de daad. Iedere godsdienst is ontegenzeggelijk slechts een belofte van onsterfelijkheid, een vermooiïng van het hiernamaals, de toovertuin van den dag naar den dood. Zou een nieuwe godsdienst ooit dien tuin van eeuwig geluk op de aarde kunnen brengen? Waar was dan de formule, waar was het dogma, dat de hoop der tegenwoordige menschen in vervulling zou doen gaan? Welk geloof moest men zaaien, dat het zou opschieten tot een oogst van kracht en vrede? Hoe zou men den algemeenen twijfel kunnen bevruchten, opdat hij het leven zou kunnen geven aan een nieuw geloof, en welk soort illusie, welke goddelijke leugen zou nog kunnen kiemen in de tegenwoordige, aan alle kanten verwoeste, door een eeuw van wetenschap omgespitte aarde?

Op dat oogenblik zag Pierre, zonder eenigen zichtbaren overgang, op den onduidelijken achtergrond van zijn overpeinzingen de gestalte van zijn broer Guillaume oprijzen. Hij was er echter niet door verbaasd, een geheime band bracht hem schijnbaar hierheen. Hoe hadden zij elkaar niet liefgehad, en wat een goede en vriendelijke broer was hij geweest! Daarna was een volkomen breuk gevolgd, hij had hem niet meer gezien, sinds hij zich opgesloten had in zijn scheikundige studiën en afgezonderd in een klein huisje in de voorstad met een maîtresse en twee groote honden leefde. Dan nam zijn gepeins nog een andere richting; hij dacht aan het proces, waarin de naam van Guillaume genoemd was als verdacht vriendschappelijke betrekkingen te onderhouden met de revolutionnairen. Men vertelde, dat hij na lange onderzoekingen de formule ontdekt had van een vreeselijke springstof, waarvan één pond voldoende zou zijn om een kathedraal in de lucht te doen vliegen. En nu dacht Pierre aan die anarchisten, welke de wereld wilden hernieuwen en redden, door haar te verwoesten. Het waren slechts droomers, en weliswaar vreeselijke droomers, maar droomers, zooals de onschuldige pelgrims, wier extatischen troep hij voor de Grot had zien neerknielen.

Als de anarchisten en de uiterste socialisten gewelddadig de gelijkheid in rijkdom, de gemeenschappelijke verdeeling van de goederen dezer wereld vroegen, de pelgrims eischten met tranen de gelijkheid in gezondheid, een rechtvaardige verdeeling van moreelen en physieken vrede. Dezen rekenden op het wonder, de anderen namen hun toevlucht tot ruw geweld. In den grond der zaak was het dezelfde overprikkelde droom van broederschap en gerechtigheid, het eeuwige verlangen naar geluk, geen armen meer, geen zieken meer, allen gelukkig. Waren in de oude tijden de eerste Christenen ook geen revolutionnairen geweest voor de heidensche wereld, die zij bedreigden en ten slotte verwoest hebben? Zij, die men toen vervolgd heeft, die men getracht heeft uit te roeien, zijn thans ongevaarlijk, omdat zij het verleden geworden zijn. De angstaanjagende toekomst is steeds de mensch, die van de komende maatschappij droomt; thans is het de in den waan der maatschappelijke hernieuwing bevangene, die den grootschen, donkeren droom droomt alles door de vlam van branden te kunnen reinigen. Dat was monsterachtig. En toch, wie kon zeggen, of daarin niet de verjongde wereld van morgen lag?

En verdoofd, in onzekerheid wegzinkend, maakte Pierre, ondanks zijn afschuw voor geweld, gemeene zaak met de oude maatschappij, die zich verdedigde, zonder te kunnen zeggen, wanneer de Messias van zachtmoedigheid komen zou, in wiens handen hij met gerustheid de arme, zieke menschheid zou durven leggen. Een nieuwe godsdienst, ja, een nieuwe godsdienst! Maar het is niet makkelijk er een uit te denken; hij bleef in onzekerheid wat hij kiezen moest: het oude geloof, dat gestorven was, of het jonge geloof van morgen, dat nog geboren moest worden. In zijn diepe droefheid was hij er voor zichzelf niet zeker van, of hij zijn eed zou kunnen houden, hij, priester zonder geloof, die waken moest over het geloof van anderen, die kuisch en eerlijk zijn ambt vervult in den droeven trots, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn vleesch. Hij zou afwachten.

De trein rolde voort tusschen groote parken, de locomotief floot met een lange fanfare van jubel, die Pierre uit zijn overpeinzingen rukte. Om hem kwam de wagon in beweging en opwinding. Men had Juvisy achter den rug, nog een half uur en zij waren in Parijs. Toen zuster Hyacinthe in haar handen geklapt had, hief de geheele wagon het Te Deum, het dank- en loflied aan: "Te Deum laudamus, te Dominum confitemur..." De stemmen klonken op met een laatste oplaaiïng van geloofsijver, al deze gloeiende zielen dankten God voor de wonderbare reis, voor de heerlijke bewijzen van genade, waarmede hij hen overstelpt had en nog overstelpen zou.

De fortificaties! In den wijden, reinen, helder-warmen hemel daalde langzaam de twee-uur-zon. Boven het reusachtige Parijs verhieven zich fijne, roodachtige dampen in lichte wolken, een dikke, golvende adem van een aan het werk zijnden kolos. Het was Parijs met zijn werkplaatsen, Parijs met zijn hartstochten, zijn strijd, zijn steeds rommelenden donder, zijn gloeiend leven, dat steeds nieuw leven wekt. En de witte trein, de jammerlijke trein van lijden en ellende, reed er in volle vaart binnen met de steeds luider klinkende, steeds meer de lucht verscheurende fanfare van zijn gefluit. De vijfhonderd pelgrims en de driehonderd zieken zouden er zich verspreiden en weer neervallen op het harde plaveisel van hun bestaan; zij ontwaakten dan uit den wonderbaren droom, dien zij gedroomd hadden, tot den dag, waarop het troostende verlangen van een nieuwen droom hen dwingen zou de eeuwige bedevaart naar het mysterie en naar de vergetelheid opnieuw te beginnen.

O, treurige menschen, arme zieke, naar illusie hongerende menschheid, die, in de verslapping van deze ten einde spoedende eeuw, radeloos en ziek, omdat zij te gulzig te veel wetenschap verslonden heeft, zich opgegeven acht door de geneesheeren van ziel en lichaam en in groot gevaar verkeert om te bezwijken aan de ongeneeslijke kwaal, en nu achteruit wil en het wonder van haar genezing vraagt aan de mystieke Lourdes van een voor altijd gestorven verleden! Daar ginds is Bernadette, de nieuwe Messias van het lijden, Bernadette, zoo roerend in haar menschelijke werkelijkheid, de vreeselijke les, het van de wereld afgesneden, het tot verzaking en tot eenzaamheid gedoemde slachtoffer, de ten dood gewijde, aan wie het recht ontzegd was vrouw, echtgenoote en moeder te zijn, omdat door haar was gezien de Heilige Maagd.

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Spaar, O Heer, spaar Uw volk...

[2] Ik geloof in den eenigen God.

[3] Heer, erbarm u...

[4] Christus, verhoor ons.

[5] Bid voor ons, heilige Moeder Gods.

[6] Moge God u door deze heilige zalving en door zijn zeer heilige genade u vergeven al wat gij gezondigd hebt door uw gezicht, uw gehoor, uw reuk, uw smaak, uw aanraking.

[7] Bid voor ons, heilige Moeder Gods, opdat wij de beloften van Christus waardig worden.

[8] Negendaagsche godsdienstoefening om zekere genade te verkrijgen.

[9] Verlamming van het onderste gedeelte van het lichaam.

[10] Wees gegroet, ster der zee. Beginwoorden van een kerklied.

[11] Eetzaal.

[12] Een soort lepra.

[13] Iemand, die het nuttigheidsbeginsel als drijfveer en einddoel der menschelijke handelingen beschouwt.

[14] Weggemoffeld, weggetooverd.

[15] Loof, Sion, den Verlosser!

[16] Mijn ziel verheerlijkt den Heer.

[17] En mijn geest heeft gejuicht in God, mijn redder.

[18] Hij heeft de machtigen vernederd en de nederigen verhoogd.

[19] Zooals hij gesproken heeft tot onze vaderen, tot Abraham en zijn zaad in eeuwigheid.

[20] Toestand van levensgevaarlijke slaapzucht.

[21] "Looft, looft Maria!"

[22] Negendaagsche godsdienstoefening in afzondering, om een bepaalde genade te verkrijgen.