Part 48
En dan, dan rees haar vrije jeugd voor haar op, toen zij nog rondliep, waar zij wilde; haar dertien eenzame en droomende jaren, toen zij haar levenslust nog door de vrije natuur droeg. En zag zij zich op zoo'n oogenblik niet terug langs de beken, te midden van de hagedoornstruiken, in het hooge gras onder de warme Junizon? Zag zij zich er niet terug aan den arm van een vrijer van haar leeftijd, dien zij in al den eenvoud en al de teederheid van haar hart liefgehad zou hebben? O, weer jong te worden, vrij nog te zijn, onbekend, gelukkig, en weer, maar anders lief te hebben. Het visioen werd onduidelijk: een man, die haar aanbad, kinderen, die vroolijk om haar heen opgroeiden, het leven van iedereen, de vreugde en de droefheid, die haar ouders gekend hadden, die haar kinderen op hun beurt ook zouden leeren kennen. En langzamerhand verdween het visioen en vond zij zich weer terug in haar ziekenfauteuil, opgesloten tusschen vier koude muren, met niets dan het vurige verlangen, om maar gauw te sterven, omdat er voor haar in het armzalige, gewone geluk van deze aarde geen plaats was geweest.
Met ieder jaar werd het lijden van Bernadette grooter. De lijdensgeschiedenis begon, de lijdensgeschiedenis van dezen nieuwen kind-Messias, die geboren was, om den ellendigen verlichting te schenken, die de menschheid den godsdienst verkondigen moest van goddelijke gerechtigheid, hun gelijkheid voor de wonderen, welke spotten met de meedoogenlooze natuur. Zij stond nog slechts op om zich gedurende enkele dagen van stoel tot stoel te sleepen en dan weer genoodzaakt te zijn het bed te houden. Haar lijden werd verschrikkelijk. Haar erfelijke nerveusiteit, haar asthma, dat door de klooster-afzondering erger geworden was, scheen in tering ontaard te zijn. Zij hoestte vreeselijk, aanvallen van hoest verscheurden haar brandende borst. Tot overmaat van ramp kreeg zij een beeneter in haar rechterknie, een wegvretende kwaal, waarvan het steken haar kreten van pijn ontrukte. Haar arm lichaam was onder de voortdurende verbanden niet veel meer dan een open wonde, die steeds geprikkeld werd door de warmte van het bed, dat aanhoudende liggen tusschen de lakens, waardoor haar huid op den langen duur geheel verteerd werd.
Allen waren met medelijden vervuld, de getuigen van haar martelaarschap zeiden, dat men niet meer en ook niet heldhaftiger kon lijden. Zij probeerde Lourdeswater, dat haar echter in het geheel geen verlichting gaf. Heer, almachtig koning, waarom wel de genezing van anderen en niet de hare? Om haar ziel te redden? Maar waarom redt gij dan de zielen van de anderen niet? Welk een onverklaarbare keuze! Welk een absurde noodzakelijkheid, dat dit arme schepseltje moet lijden, tegenover de eeuwige evolutie der werelden! Zij snikte, zij herhaalde telkens weer, om zich moed in te spreken: "De hemel is aan het einde van mijn lijden, maar wat blijft het einde lang uit!" Steeds weer was het haar gedachte, dat het lijden de smeltkroes is, dat men op aarde moet lijden, om elders te triompheeren, dat lijden onmisbaar, benijdenswaardig, een zegen was. Is dat geen godslastering, Heer? Hebt gij dan noch jeugd noch vreugde geschapen? Wilt gij dan, dat uw schepselen niet genieten van uw zon, noch van uw natuur in feestdos, noch van de menschelijke liefde, waarmede gij hun lichaam hebt doen opbloeien? Zij was bang voor den opstand, die haar dikwijls tot woede bracht, zij wilde zich hardnekkig verzetten tegen de pijn, die haar lichaam schreeuwen deed, en in gedachte kruisigde zij zichzelf, strekte zij haar armen in kruisvorm uit, om één te worden met Jezus, haar ledematen tegen zijn ledematen, haar mond tegen zijn mond, druipend van bloed als hij, doordrenkt als hij met hartzeer. Jezus was in drie uur gestorven, zij, die de verlossing door lijden hernieuwde, die ook stierf om anderen het leven te brengen, had een nog langeren doodsstrijd. Wanneer haar beenderen kraakten in doodspijn, stiet zij dikwijls jammerklachten uit, die zij zich onmiddellijk daarna berouwde. "O, wat lijd ik, wat lijd ik, maar wat ben ik gelukkig te mogen lijden!" Er bestaat geen vreeselijker woord, geen afschuwelijker pessimisme. Gelukkig te mogen lijden, o Heer! En waarom? Met welk onbekend en dwaas doel? Waartoe die nuttelooze wreedheid, die schandelijke verheerlijking van het lijden, terwijl uit de geheele menschheid slechts één vurig verlangen opstijgt naar gezondheid en geluk?
En in die vreeselijke martelingen legde zuster Marie-Bernard den 22sten September 1878 haar kloostergelofte af. Twintig jaar was het nu geleden, dat de Heilige Maagd haar verschenen was, haar bezocht, zooals de Engel haar zelf bezocht had, haar uitverkoor, zooals zij zelf uitverkoren was onder de ootmoedigsten en reinsten, om in haar het geheim van koning Jezus te verbergen. Het was de mystieke verklaring van de uitverkiezing door het lijden, de bestaansreden zelf van dit arme wezen, dat zoo wreed van de andere gescheiden, door kwalen bezocht, het deerniswaardige slagveld van alle menschensmarten geworden was. Zij was de gesloten tuin, die de blikken van den Hemelschen Bruidegom zoo bekoort; hij had haar uitverkoren en daarna in den dood van haar verborgen leven begraven. Toen de ongelukkige onder de zwaarte van haar kruis wankelde, vroegen haar medezusters haar dan ook: "Ben je het dan vergeten? De Heilige Maagd heeft je beloofd, dat je gelukkig zult zijn niet in deze wereld, maar in de andere." En als tot nieuw leven gewekt en zich op het voorhoofd slaande, antwoordde zij: "Zou ik dat vergeten? Neen, neen!" Zij vond nog slechts kracht en steun in de illusie van een paradijs vol heerlijkheid, waarin zij, voor eeuwig gelukkig en begeleid door seraphijnen, binnentreden zou.
De drie persoonlijke geheimen, die de Heilige Maagd haar had toevertrouwd, om haar tegen het lijden te wapenen, waren blijkbaar beloften van schoonheid, gelukzaligheid, onsterfelijkheid in den hemel. Welk een monsterachtig bedrog, indien aan gene zijde van het graf slechts de nacht der aarde geweest was, indien de Heilige Maagd zich niet te midden van de wonderbare beloofde belooningen op de afgesproken plaats bevonden had! Maar Bernadette twijfelde niet, zij aanvaardde gaarne alle kleine opdrachten, die haar medezusters in haar onschuld haar gaven voor den hemel: "Zuster Marie-Bernard, je moet dit, je moet dat aan den goeden God zeggen"... "Zuster Marie-Bernard, je moet mijn broer voor mij omhelzen, als je hem in het paradijs ontmoet"... "Zuster Marie-Bernard, je moet een klein plaatsje naast je bewaren voor mij, wanneer ik sterven zal." En allen antwoordde zij welwillend: "Weest niet bevreesd, ik zal uw opdracht uitvoeren!" O, almachtige illusie, zalige rust, eeuwige jonge en troostende kracht!
En de eindstrijd kwam, en de dood kwam. Vrijdag 20 Maart 1879 geloofde men, dat zij den nacht niet meer zou overleven. Zij had een wanhopig verlangen naar het graf, om niet meer behoeven te lijden, om in den hemel te kunnen opstaan. Halsstarrig weigerde zij dan ook het Heilige Oliesel; immers reeds tweemaal, zoo meende zij, had het Heilige Oliesel haar genezen. Zij wilde, dat God, eindelijk, haar zou laten sterven, want het was te veel, God zou God niet geweest zijn, indien hij van haar nog meer smart eischte. Toch stemde zij er eindelijk in toe bediend te worden en haar doodsstrijd werd er bijna drie weken door verlengd.
De priester, die haar bijstond, zeide dikwijls tot haar: "Mijne dochter, men moet het offer van zijn leven brengen." Eens, ongeduldig, antwoordde zij hem: "Maar, eerwaarde vader, dat is toch geen offer!" Een vreeselijk woord, ook dit weer, want het was de walging voor het leven, de woedende minachting voor het bestaan, het onmiddellijk einde der menschheid, indien deze de macht had zich met een gebaar te vernietigen. Het is waar, dat dit meisje niets achterliet, waarnaar zij terugverlangen zou; men had alles uit haar leven verwijderd, gezondheid, vreugde, liefde, opdat zij het zou verlaten, zooals men een afgesleten en vuile lap linnen weggooit. Zij had gelijk, zij verdoemde haar nutteloos, haar wreed leven, wanneer zij zeide: "Mijn lijdensgeschiedenis zal pas eindigen bij mijn dood en zal voor mij duren tot mijn ingaan in de eeuwigheid." En die gedachte aan haar lijdensgeschiedenis vervolgde haar, klonk haar nog vaster aan het kruis met haar goddelijken Meester. Zij had zich een groot crucifix laten geven, drukte het heftig tegen haar maagdelijke borst en schreeuwde, dat zij het in haar boezem wilde boren, opdat het daar eeuwig zou blijven.
Tegen het einde begaven haar krachten haar, kon zij het niet meer in haar bevende handen houden. "Bind het aan mij vast, goed, stevig vast, opdat ik het tot in mijn laatsten ademtocht voel." Dit was de eenige man, die haar maagdelijkheid zou kennen, de eenige kus, die aan haar onnut, van den natuurlijken weg afgeleid moederschap gegeven werd. De nonnen namen touwen, deden die om haar pijnlijke lendenen, bonden ze om haar onvruchtbaren schoot, trokken het crucifix zoo sterk aan op haar boezem, dat het erin drong.
Eindelijk had de dood medelijden, Paaschmaandag kreeg zij vreeselijke rillingen. Hallucinaties kwelden haar, zij klappertandde van angst, zag den duivel grijnslachen en om haar rondsluipen. "Ga weg van mij, Satan, raak mij niet aan, neem mij niet mede!" Dan vertelde zij in haar ijlen, dat de duivel zich op haar had willen werpen, dat zijn mond alle vlammen der hel op haar geblazen had. De duivel in dit zoo reine leven, in deze zondelooze en smettelooze ziel! Waarom toch, o Heer? En nogmaals, waarom dit lijden zonder genade, dit tot het einde toe op de spits gedreven lijden, waarom dit einde in booze droomen, waarom deze dood, gekweld door afschuwelijke waanvoorstellingen, na een zoo mooi, zoo rein, zoo schuldeloos leven?
Kon zij niet kalm, in den vrede van haar kuische ziel inslapen? Ongetwijfeld moest haar, zoolang zij nog één ademtocht bezat, bijblijven de haat en de vrees van het leven, dat de duivel is. Het was het leven, dat haar bedreigde, het was het leven, dat zij van zich joeg, evenals zij het leven verloochend had door haar gemartelde, aan het kruis geklonken maagdelijkheid te bewaren voor den Hemelschen Bruidegom. Dat dogma der Onbevlekte Ontvangenis, dat haar droom van ziekelijk meisje was komen versterken en komen bekrachtigen, geeselde de vrouw, echtgenoote en moeder. Te decreteeren, dat de vrouw slechts de vereering waard is, wanneer zij maagd blijft, een vrouw uit te denken, die maagd blijft, terwijl zij moeder wordt, en die zelf zonder zonde geboren is, is dat niet het honen van de natuur, het verdoemen van het leven, het verloochenen en miskennen van de vrouw, haar prijs geven aan den ondergang, haar, die slechts groot is, als zij bevrucht is en het leven voortplant. "Ga weg van mij, Satan, ga weg van mij, laat mij onvruchtbaar sterven!" En zij verjoeg de zon uit de zaal, en zij verjoeg de frissche lucht, die door het raam binnenstroomde, de lucht, doorbalsemd van bloemengeur, zwaar van kiemen, die de liefde door de wijde wereld dragen.
Den Woensdag na Paschen, den 16den April, begon de laatste doodsstrijd. Men vertelt, dat op den ochtend van dien dag een medezuster van Bernadette, een non, die, door een doodelijke ziekte aangetast, in een bed naast haar op de ziekenzaal lag, plotseling genezen werd, na een glas Lourdeswater gedronken te hebben. Zij, de uitverkorene, had het zonder baat gedronken. God verleende haar eindelijk de groote gunst haar wensch te verhooren door haar in te doen slapen in den goeden slaap der aarde, waarin men niet meer lijdt. Zij vroeg vergiffenis aan iedereen. Haar lijden was volbracht, zij had evenals de Verlosser, spijkers en de doornenkroon, gegeeselde ledematen en open lendenen. Evenals hij, sloeg zij haar oogen ten hemel, strekte zij haar armen uit in den vorm van een kruis en stiet een grooten kreet uit: "Mijn God!" En evenals hij, zeide zij tegen drie uur: "Mij dorst!" Zij bevochtigde haar lippen in het glas, boog het hoofd en stierf.
Zoo stierf, glorierijk en heilig, de zieneres van Lourdes, Bernadette Soubirous, zuster Marie-Bernard van de barmhartige zusters van Nevers. Haar lijk bleef drie dagen lang op een praalbed liggen, ontelbare scharen liepen er langs, de eindelooze menigte vromen, die hongerden en dorstten naar hoop en tegen het kleed der doode munten, rozenkransen, plaatjes, misboeken wreven, om nog een genade van haar te verkrijgen, een fetisch, die geluk aanbracht. Zelfs in den dood kon men haar niet met rust laten; de drom ellendigen van deze wereld drong om haar heen, dronk om haar kist de illusie in. Men bemerkte, dat haar linkeroog steeds open gebleven was, het oog, dat zich gedurende de verschijningen aan de zijde der Heilige Maagd bevond. Een laatste wonder deed het klooster verbaasd staan, het lijk veranderde niet, men begroef het den derden dag nog lenig, warm, met rose lippen en witblanke huid, als verjongd en geurig. Thans slaapt Bernadette Soubirous, de groote bannelinge van Lourdes, terwijl de Grot schittert en triompheert, haar laatsten slaap in het klooster St. Gildard onder den steen van een kleine kapel, in de schaduw en de stilte der oude boomen van den tuin.
Pierre hield op met spreken, het mooie wonderverhaal was uit. De geheele wagon luisterde nog steeds in de hartstochtelijke ontroering van dit zoo tragische en treffende einde. Tranen van medelijden vloeiden uit Marie's oogen, terwijl de anderen, Elise Rouquet, ja zelfs la Grivotte, die een weinig kalmer geworden was, haar handen vouwden en haar, die bij den goeden God was, baden om haar bemiddeling voor haar verder herstel. Mijnheer Sabathier maakte het teeken des kruises en at dan de koek, die zijn vrouw te Poitiers voor hem gekocht had. Mijnheer de Guersaint, die niet van treurige verhalen hield, was weer in slaap gevallen. Slechts madame Vincent, die haar hoofd in het kussen gedrukt had, was onbeweeglijk blijven liggen, als had zij, doof en blind, niets willen hooren of zien.
De trein rolde nog voort, nog steeds voort. Madame de Jonquière, die even haar hoofd buiten het raampje gestoken had, zeide dat ze Etampes naderden. Toen men dit station verlaten had, werd het derde Paternoster gebeden, de vijf glorierijke mysteriën: de Opstanding van Jezus Christus, de Hemelvaart van Jezus Christus, de uitstorting van den Heiligen Geest, Maria Hemelvaart en de Kroning der Heilige Maagd. Vervolgens zong men het lied: "Ik stel mijn vertrouwen in Uw hulp, o Heilige Maagd..."
Nu verzonk Pierre in een diep gepeins. Zijn blikken hadden zich op het thans bezonde landschap gericht, welker voortdurende vlucht zijn gedachten scheen te wiegen. Het dreunen der wielen bracht hem in een zekere verdooving, hij onderscheidde niet duidelijk meer de hem zoo vertrouwde horizonten van dit groote buitengebied, dat hij vroeger zoo goed gekend had. Nu nog Brétigny, dan Juvisy, en eindelijk na nog anderhalf uur Parijs. Zij was dus ten einde, deze groote reis! Zij waren dus achter den rug, dat zoo vurig verlangde onderzoek, die zoo hartstochtelijk beproefde poging! Hij had zekerheid voor zichzelf willen hebben, had ter plaatse het geval van Bernadette willen bestudeeren, had willen zien of niet de genade als in een donderslag tot hem terugkeeren en hem zijn geloof hergeven zou. En nu had hij zekerheid. Bernadette had in de voortdurende marteling van haar vleesch gedroomd, en hij zelf zou nooit meer gelooven. Dat drong zich aan hem op met de brutaliteit van een feit: het naïeve geloof van het kind, dat neerknielt en bidt, het primitieve geloof van jonge volken, gebukt onder de heilige vrees van hun onwetendheid, was gestorven. Duizenden pelgrims mochten zich jaarlijks naar Lourdes begeven, de volkeren waren niet meer met hen, de poging, om het ongeschokte geloof, het geloof van de gestorven eeuwen, het geloof zonder verzet en zonder onderzoek te doen herleven, was tot mislukking gedoemd.
De geschiedenis beweegt zich niet achterwaarts, de menschheid kan niet terugkeeren tot haar kindsheid, de tijden zijn te zeer veranderd, te veel nieuw zaad is gestrooid, te nieuwe oogsten zijn binnengehaald, dan dat de menschen van heden kunnen opgroeien als de menschen van vroeger. Het was beslist: Lourdes was een zeer goed te verklaren bijkomende omstandigheid, wier heftige reactie een nieuw bewijs leverde voor den laatsten doodsstrijd, waarin zich het geloof in den antieken vorm van het Katholicisme samenkromp. Nooit zou de geheele natie, zooals de oude geloovige natie in de kathedralen der twaalfde eeuw, meer neerknielen als een onder de handen van den Meester gedweeë kudde. Dit met alle geweld te willen zou zijn zich te pletter loopen tegen het onmogelijke, zou de grootste moreele catastrophe ten gevolge kunnen hebben.
Van zijn reis hield Pierre niets over dan een eindeloos medelijden. Zijn hart stroomde ervan over, gemarteld keerde zijn arm hart ervan terug. Hij herinnerde zich de woorden van dien goeden abbé Judaine; hij had die duizenden ongelukkigen zien bidden en snikken, God zien smeeken erbarmen te hebben met hun marteling; hij had met hen gesnikt en als een open wonde bewaarde hij in zich het broederlijk medelijden met al hun smarten. Hij kon dan ook niet aan die arme menschen denken zonder het brandend verlangen in zich te voelen opkomen hun verlichting te schenken. Wanneer het geloof der eenvoudigen van geest niet voldoende meer was, wanneer men gevaar liep te verdwalen, als men achterwaarts wilde, zou men dan de Grot moeten sluiten, een nieuwe krachtsinspanning, een nieuw geduld moeten prediken? Maar daar verzette zijn medelijden zich tegen. Neen, neen, het zou een misdaad zijn den droom van hun hemel te sluiten voor deze lijdenden naar ziel en lichaam, wier eenige verlichting daarin bestond, dat zij daar konden neerknielen in den gloed der kaarsen, in de rust gevende tonen der koralen. Hij zelf had niet den moord gepleegd om Marie van haar dwaling te genezen, hij had zich opgeofferd om haar de vreugde van haar waan, den goddelijken steun te laten, genezen te zijn door de Heilige Maagd. Waar was de hardvochtige man, die de wreedheid bezitten zou om de armen te beletten te gelooven, om in hen de vertroosting van het bovennatuurlijke, de hoop, dat God zich met hen inliet, een beter leven voor hen in zijn paradijs bewaarde, te dooden?
De geheele menschheid weende, radeloos gelijk aan een ten doode gedoemde zieke, die alleen het wonder zou kunnen redden. Hij voelde, hoe ongelukkig zij was, hij huiverde van broederlijk en liefdevol medelijden tegenover dat jammerlijke Christendom, den ootmoed, de onwetendheid, de armoede met haar lompen, de ziekte met haar wonden en haar muffen stank, dat heele volk van lijders in het ziekenhuis, in het klooster, in de krotten, het ongedierte, de onreinheid, de leelijkheid, de stompzinnigheid der gezichten, wat alles te zamen in den triomphantelijken naam van rechtvaardigheid, gelijkheid en goedheid één ontzaglijk protest vormde tegen gezondheid, leven en natuur. Neen, neen, men mocht de ongelukkigen niet tot wanhoop brengen, men moest Lourdes dulden, zooals men den leugen duldt, die helpt om te leven. En zooals hij het in de kamer van Bernadette gezegd had, zij bleef de martelares, zij openbaarde hem den eenigen godsdienst, waarvan zijn hart nog vol was, den godsdienst der lijdende menschheid. O, goed zijn, alle wonden verbinden, den smart in een droom wiegen, liegen zelfs, opdat niemand meer lijden zou!
In volle vaart reden zij een dorp door en Pierre zag als in een schim te midden van groote appelboomen een kerk. Alle pelgrims maakten het teeken des kruises. Maar hij werd door een gevoel van onrust aangegrepen, wroeging bracht iets als angst in zijn overpeinzing. Was die godsdienst van het menschelijk lijden, die verlossing door lijden ook geen bedriegelijk lokaas, een voortgezette verergering van de smart en van de ellende. Het is laf en gevaarlijk het bijgeloof te laten leven. Het te dulden, het te aanvaarden staat gelijk met telkens opnieuw de slechte eeuwen weer te beginnen. Het maakt zwak, maakt dom, de vrome gebreken, die overerfelijk zijn, verwekken vernederde en vreesachtige geslachten, ontaarde en gedweeë volkeren, een makkelijke buit voor de machtigen dezer aarde. Men buit de volkeren uit, men besteelt ze, men verslindt ze, wanneer zij de inspanning van hun wilskracht alleen richten op de verovering van het leven hiernamaals. Was het dan maar niet beter onmiddellijk den moed te hebben het mes te zetten in de wonde der menschheid, de Grotten te sluiten, waarin zij gaat snikken, en haar aldus den moed te geven het werkelijke leven te leven, al moet het dan in tranen zijn? En dat bidden, die vloed van aanhoudende gebeden, welke uit Lourdes opstegen, het eindeloos smeeken, dat daar zijn oogen vochtig had doen worden en week gemaakt had, was dat misschien iets anders dan een kinderlijk in slaap wiegen, dan een verbasteren van alle energie?
De wilskracht sliep erin, het wezen zelf loste er zich op, kreeg er een walg van het leven, van de daad. Waarom te willen, waarom te handelen, wanneer men zich geheel verlaat op de luim van een onbekende almacht? En aan den anderen kant hoe zonderling dat krankzinnig verlangen naar wonderen, die drang om God te dwingen de natuurwetten, die hij zelf in zijn oneindige wijsheid vastgesteld heeft, te overschrijden! Daarin lag het groote gevaar en het onverstand; men mocht bij den mensch, en vooral bij het kind, slechts de persoonlijke energie en den moed, om de waarheid onder de oogen te zien, ontwikkelen, op gevaar af daardoor de illusie, de goddelijke troosteresse, te verliezen.
Nu rees een groot licht in Pierre op en verblindde hem. Hij was de rede, het verstand, hij protesteerde tegen de verheerlijking van het absurde en de ontaarding van het gezonde menschenverstand. O, hij leed door zijn rede, maar was ook alleen door zijn rede gelukkig. Zooals hij tegen dr. Chassaigne gezegd had, hij brandde slechts van verlangen om haar steeds meer te bevredigen, zelfs al kostte het hem zijn geluk. Zij was het, hij zag het nu duidelijk in, zij was het, wier voortdurend verzet in de Grot, in de Basilica, in geheel Lourdes hem belet had te gelooven. Hij had haar niet kunnen dooden, hij had zich niet kunnen verootmoedigen en in het stof werpen, zooals zijn oude vriend, de tegen den grond geslingerde grijsaard, die in het ongeluk van zijn hart weer kind geworden was. Zij was de opperste meesteres, zij hield hem staande zelfs te midden van de duisternissen en de mislukkingen der wetenschap. Wanneer hij zich iets niet verklaren kon, fluisterde zij hem in: "Er bestaat ongetwijfeld een natuurlijke verklaring, doch die u thans ontgaat!"
Hij herhaalde telkens weer voor zichzelf, dat men geen werkelijk gezond ideaal kan hebben buiten de langzame overwinning der rede te midden van de ellenden van lichaam en geest. Hij, de priester, was in staat zijn leven te verwoesten, om in den strijd van zijn herediteit--zijn vader geheel hersens, zijn moeder geheel geloof--zijn eed te houden. Hij had de kracht gehad zijn vleesch in toom te houden, af te zien van de vrouw, maar hij voelde heel goed, dat zijn vader ten slotte de overwinning behalen zou, want het was hem van nu af aan onmogelijk zijn rede ten offer te brengen; daarvan zou hij niet afzien, die zou hij niet in toom kunnen houden. Neen, neen, het menschelijk lijden zelf, het heilige lijden der armen mocht geen hinderpaal zijn, mocht geen noodzakelijkheid voor onwetendheid en dwaasheid vormen. De rede voor alles, er was geen heil, geen redding dan in haar. Als hij, badend in tranen, en week gemaakt door zooveel lijden, te Lourdes gezegd had, dat het onvoldoende was te vreezen en lief te hebben, dan had hij zich gevaarlijk vergist. Het medelijden was slechts een makkelijk hulpmiddeltje. Men moest leven, men moest handelen, de rede moest het lijden bestrijden, als men dat niet eeuwig bestendigen wilde.