De drie steden: Lourdes

Part 47

Chapter 473,884 wordsPublic domain

De kuische en hartstochtelijke overgave, de onschuld van dezen toevalligen slaap bracht hen, in elkaars armen met hun vochtig-warme lippen, zoo dicht bij elkaar, terwijl hun ademhalingen zich aan elkaar paarden, evenals kleine naakte kindertjes, die in dezelfde wieg liggen. Dat was hun huwlijksnacht, de voltrekking van de geestelijke echtverbintenis, waarin zij in het vervolg zouden leven, een zalig wegzinken in het niet, nauwlijks een vluchtige droom van een mystieke inbezitneming van elkaar in dezen wagon van ellende en lijden, die voortrolde, steeds voortrolde in den zwarten nacht. Uren en uren verliepen, de wielen dreunden, de bagage schommelde aan de haken, terwijl uit de moede, opgehoopte lichamen slechts de groote vermoeienis, de ontzettende physieke slapheid opsteeg, die zich in het land der wonderen, waar de zielen te zeer overspannen worden, van hen had meester gemaakt.

Om vijf uur, juist bij het opgaan der zon, werden plotseling allen wakker, toen zij dreunend een groot station binnenreden, overal klonk geroep van conducteurs, portieren werden opengeslagen, de menschen verdrongen zich naar buiten. Zij waren te Poitiers, de geheele wagon was te midden van een lawaai van stemmen, uitroepen en gelach op den been.

De kleine Sophie Couteau moest hier uitstappen en nam nu afscheid. Zij gaf den dames een zoen, en klom zelfs over het tusschenschot om zuster Claire des Anges goeden dag te zeggen, die niemand meer gezien had sedert den vorigen avond, toen zij zwijgend en stil met haar mysterievolle oogen in haar hoekje verdwenen was. Dan kwam het kind weer terug, nam haar pakje en was vooral voor zuster Hyacinthe en madame de Jonquière één en al hartelijkheid.

"Tot ziens, zuster; tot ziens, madame... Ik dank u hartelijk voor al uw vriendelijkheid."

"Je moet het volgend jaar weer terugkomen, kindlief!"

"Zonder mankeeren, zuster; dat is mijn plicht."

"En gedraag je goed, lieve meid, zoodat de Heilige Maagd trotsch op je zijn kan."

"Zeker, madame, zij is zoo goed voor mij geweest, en ik vind het zoo heerlijk haar weer terug te zien."

Toen zij op het perron stond, bogen alle pelgrims van den wagon zich uit de raampjes en keken haar met gelukkige gezichten na.

"Tot het volgend jaar! Tot het volgend jaar!"

"Ja, ja, tot het volgend jaar!"

Het ochtendgebed zou eerst te Châtellerault gezegd worden. Toen na het korte oponthoud te Poitiers de trein weer voortrolde in de frissche morgenlucht, zeide mijnheer de Guersaint vroolijk, dat hij, niettegenstaande de harde bank, geslapen had als een roos. Ook madame de Jonquière was dankbaar voor de heerlijke rust, waaraan zij zoo'n behoefte had, ofschoon zij zich wel een beetje schaamde, dat zij zuster Hyacinthe alleen had laten waken bij la Grivotte, die rilde van de koorts en telkens weer een hoestbui had. De andere vrouwelijke pelgrims maakten een beetje toilet, de tien vrouwen achter in den wagon trokken haar doekjes weer recht, knoopten hun mutsen weer vast. Elise Rouquet werd niet moede in den spiegel naar haar neus, haar mond, haar wangen te kijken; zij bewonderde zich, dronk zichzelf als het ware in, vond, dat zij beslist weer knap werd.

Pierre en Marie voelden een diep medelijden in zich opkomen, toen zij keken naar madame Vincent, die niets uit de gevoelloosheid, waarin zij verkeerde, had kunnen wakker maken, noch het lawaaierige oponthoud te Poitiers, noch het stemmengegons, sedert de trein weer in beweging was. Liggend op haar bank, had zij haar oogen niet meer geopend, sliep zij nog steeds, gekweld door wreede droomen. En terwijl dikke tranen uit haar gesloten oogleden bleven vloeien, had zij het kussen, dat men haar opgedrongen had, in haar armen genomen en drukte het, in den boozen droom van haar lijdende moederliefde, wanhopig tegen haar borst. Haar arme moederarmen, die zoo lang haar stervend kindje gedragen hadden, haar nu voor altijd ledige armen hadden in haar slaap het kussen gevonden en hielden het nu in een blinde omarming als een phantoom omvat.

Mijnheer Sabathier daarentegen werd vroolijk wakker. Terwijl zijn vrouw de deken wat optrok en er zijn doode beenen zorgvuldig in wikkelde, begon hij, weer geheel in de macht van de genaderijke illusie, met schitterende oogen te praten. Hij vertelde, dat hij van Lourdes gedroomd had, dat de Heilige Maagd zich met een glimlach vol welwillende beloften over hem heen gebogen had. En in tegenwoordigheid van madame Vincent, de moeder, wier kindje zij had laten sterven, van la Grivotte, de ongelukkige vrouw, die zij genezen had, maar die nu weer teruggestort was in haar doodelijk lijden, verheugde hij zich en zeide op een toon van volkomen zekerheid tegen mijnheer de Guersaint:

"O, mijnheer, ik ga geheel gerustgesteld naar Parijs terug... Het volgend jaar zal ik genezen worden... Ja, ja, zooals het lieve kind daareven zoo hartelijk riep: Tot het volgend jaar! Tot het volgend jaar!"

Het was de onverwoestbare, overwinnende illusie der zekerheid, de eeuwige hoop, die niet sterven wilde, die, na iedere nederlaag, op de ruïnes van alle verwachtingen, nog krachtiger opbloeide.

Te Châtellerault liet zuster Hyacinthe het ochtendgebed uitspreken, het Pater, het Ave, het Credo, een smeekbede tot God, om hun het geluk van een glorierijken dag te geven. O, mijn God, geef mij genoeg kracht, om al het kwade te vermijden, om al het goede te doen, om al het lijden te dulden!

V.

En de reis duurde voort, de trein rolde, rolde steeds verder. Te Sainte-Maure werden de misgebeden gezegd, te Saint-Pierre-des-Corps het Credo gezongen. Maar de godsdienstige oefeningen werden niet meer met zooveel liefde gedaan, de ijver verflauwde wat, na een zoo lange zielsverrukking, in de toenemende vermoeienis van de terugreis. Zuster Hyacinthe begreep dan ook, dat een voorlezing voor die arme overspannen menschen een welkome afleiding zijn zou; zij beloofde, dat zij mijnheer den abbé toe zou staan om hun het slot van Bernadette's leven voor te lezen, waaruit hij hun reeds tweemaal zulke mooie gedeelten verteld had. Maar ze moesten wachten tot ze in les Aubrais waren, dan hadden zij vandaar tot Etampes den noodigen tijd om het verhaal uit te hooren, zonder gestoord te worden.

Weer volgden de stations elkaar op in de eentonige herhaling van den weg, dien men reeds op de heenreis naar Lourdes door dezelfde vlakten afgelegd had. Te Amboise begon men weer aan den Rozenkrans en werd het eerste Paternoster, de vijf blijde mysteriën, gebeden, vervolgens, nadat te Blois het lied: "Zegen, o liefderijke Moeder" gezongen was, te Beaugency het tweede, de vijf droeve mysteriën. De zon had zich 's morgens reeds in een fijn dons van wolken gehuld, het landschap vluchtte zacht en eenigszins droefgeestig in zijn voortdurende waaierbeweging weg. Aan beide kanten van den weg verdwenen de boomen en de huizen onder het grijze licht in een vage, droomachtige lichtheid, terwijl verderop de in een nevel gehulde heuvelen zich langzamer, met de kalme schommeling van een deining, aan de blikken onttrokken. Tusschen Beaugency en les Aubrais scheen de trein, die nog steeds met het koppige, rhythmische gedreun van zijn wielen, dat de versufte pelgrims zelfs niet meer schenen te hooren, voortrolde, zijn vaart te verminderen.

Eindelijk begon men, zoodra men les Aubrais verlaten had, aan het middagmaal. Het was kwart vóór twaalf. En toen men het Angelus, de driemaal herhaalde drie Ave's, gebeden had, nam Pierre uit Marie's valies het kleine boekje, waarvan de blauwe omslag met een naïeve afbeelding der Heilige Maagd versierd was. Zuster Hyacinthe had in haar handen geklapt, om stilte te verkrijgen. De priester kon nu met zijn mooie, doordringende stem zijn verhaal voortzetten te midden van de nieuwsgierigheid van al die groote kinderen, welke door de geschiedenis zoo geboeid werden. Nu vertelde hij Bernadette's verblijf te Nevers en haar dood. Maar evenals de beide vorige malen, hield hij zich al gauw niet meer aan den tekst van het boekje, voegde hij er bekoorlijke bijzonderheden, die hij kende of bij intuïtie raadde, aan toe; en voor hem rees weer de ware, de menschelijke, de deerniswaardige geschiedenis op, die, welke nog niemand verteld had en die zijn hart deed bloeden.

8 Juli 1866 verliet Bernadette Lourdes om zich op te sluiten in het klooster van St. Gildard, het moederhuis der zusters van het ziekenhuis, waar zij had leeren lezen en acht jaar lang gewoond had. Zij was toen twee-en-twintig, acht jaren waren reeds verstreken na de laatste maal, dat de Heilige Maagd aan haar verschenen was. Haar afscheid van de Grot, van de Basilica, van de geheele stad, die zij liefhad, was in tranen gedrenkt. Maar zij kon daar niet blijven, want steeds werd zij door de algemeene nieuwsgierigheid, door bezoeken, door huldigingen en vereeringen lastig gevallen. Haar zwakke gezondheid scheen er vreeselijk onder te lijden. Haar oprechte deemoed, haar schuchtere liefde voor eenzaamheid en rust hadden ten slotte de vurige begeerte doen ontstaan om te verdwijnen, ergens in een onbekende, donkere plek haar overal weerklinkenden roem van uitverkorene, die de wereld niet met rust wilde laten, te gaan verbergen. Zij droomde nog slechts van eenvoud des geestes, van een kalmer leven, geheel gewijd aan gebeden en kleine dagelijksche bezigheden. Zoo was haar vertrek een verlichting voor haar zelf en voor de Grot, waarvoor zij met haar groote onschuld en haar al te groot lijden hinderlijk begon te worden.

Het klooster St. Gildard te Nevers had een paradijs voor haar moeten zijn. Zij vond er lucht, zon, reine vertrekken, een grooten, met mooie boomen beplanten tuin. Toch smaakte zij niet den vrede, de volkomen vergetelheid der wereld in de verre woestijn. Nauwlijks twintig dagen na haar aankomst had zij onder den naam van zuster Marie-Bernard den sluier aangenomen, hoewel zij zich nog slechts door gedeeltelijke geloften verbonden had. Maar ondanks alles was de wereld met haar medegegaan, begon de vervolging der menigte opnieuw. Tot zelfs in het klooster verdrong men zich om haar heen uit een onbluschbare behoefte genadebewijzen van haar heilige persoonlijkheid te verkrijgen. O, haar te zien, haar aan te raken, zich geluk te verschaffen door haar aanblik, door buiten haar weten een medaille tegen haar kleed te wrijven.

Het was de lichtgeloovige hartstocht voor den fetisch! De vromen stortten zich op haar, vervolgde dat arme tot Onze Lieve Heer geworden schepseltje, waarvan zij allen hun deel aan hoop en hemelsche illusie wilden medenemen. Zij weende erover van moeheid en ongeduldig verzet en herhaalde steeds weer: "Wat hebben zij er toch aan mij zoo te kwellen? Wat heb ik meer dan anderen hebben?" Op den langen duur begon het haar werkelijk te verdrieten op die manier het "wonderdier" te zijn, zooals zij zich ten slotte met een droefgeestig, pijnlijk glimlachje was gaan noemen. Zij sloot zich zooveel mogelijk op en weigerde iemand te ontvangen. Men eerbiedigde haar wensch en liet haar slechts zien in zeer kleinen kring aan degenen, die daarvoor van den bisschop verlof gekregen hadden. De deuren van het klooster bleven gesloten, bijna alleen geestelijken forceerden den toegang. Maar dat was nog te veel voor haar verlangen naar eenzaamheid, zij moet zich dikwijls eigenzinnig getoond hebben en de priesters hebben laten weggaan, uitgeput als zij zich reeds van te voren gevoelde door het steeds weer vertellen van hetzelfde avontuur, door het steeds weer zich onderwerpen aan dezelfde vragen. Zij voelde daarin een beleediging voor de Heilige Maagd.

Maar dikwijls moest zij toegeven, wanneer de bisschop in persoon met voorname personen, dignitarissen of prelaten, kwam; dan liet zij zich met haar ernstig gezichtje zien, antwoordde zij beleefd, maar zoo kort mogelijk; zij voelde zich echter eerst weer op haar gemak, als men haar naar haar donker hoekje terugkeeren liet. Nooit had goddelijkheid zoo zwaar op een levend wezen gedrukt. Toen men haar eens vroeg of zij niet trotsch was op die voortdurende bezoeken van haar bisschop, antwoordde zij zacht: "Monseigneur komt niet, om mij te zien, maar om mij te laten zien."

Vorsten der Kerk, groote strijders voor het Katholieke geloof wilden haar zien, ontroerden en snikten in haar tegenwoordigheid; en in haar afschuw om te kijk te staan, in de ergernis, die zij aan haar eenvoud gaven, verliet zij hen weer, zonder hen begrepen te hebben, heel moe en bedroefd.

Intusschen had zij zich aan haar leven in het klooster gewend, zij leefde er een eentonig bestaan, had zich nu in de gewoonten, die haar lief geworden waren, ingeleefd. Zij was zoo zwak, zoo dikwijls ziek, dat men haar op de ziekenzaal werk gaf. Behalve dat zij nu en dan verpleegde, deed zij handwerkjes, was zij langzamerhand zoo'n knappe borduurster geworden, dat zij prachtige miskleeden en altaar-voorhangsels kon maken. Maar dikwijls was zij zelfs zoo zwak, dat zij ook die lichte werkjes niet doen kon. Wanneer zij dan niet te bed lag, bracht zij geheele dagen door in een fauteuil zonder eenige andere afleiding dan het bidden van haar rozenkrans of het lezen van godvruchtige boeken. Sedert zij lezen kon, hield zij veel van boeken, de mooie bekeeringsgeschiedenissen en legenden, waarin heiligen voorkwamen, maar ook de verschrikkelijke drama's, waarin de duivel bespot en weer in de hel teruggeslingerd werd. Maar haar groote liefde, haar eeuwige verrukking bleef de Bijbel, dat wondermooie Nieuwe Testament, welks heerlijke wonderen haar nooit vermoeiden.

Zij herinnerde zich den Bijbel van Bartrès, dat oude vergeelde boek, dat reeds honderd jaar in haar familie was; zij zag haar voedstervader weer, op iedere avondbijeenkomst, op goed geluk af er een speld in steken, hoorde hem weer lezen, steeds beginnend op de achterzijde van het geprikte blad, en in dien tijd kende zij die wonderbare verhalen al zoo goed, dat zij, onverschillig na welken zin, uit haar hoofd verder had kunnen gaan. Nu zij ze zelf las, vond zij er steeds een nieuwe verrassing in, steeds weer een ongekende belooning. Vooral het verhaal van Jezus' lijden ontroerde haar als een zeldzame en tragische gebeurtenis, die pas geschied was. Zij snikte van medelijden, heel haar arm lichaam beefde er nog uren lang van. Misschien lag in haar tranen de onbewuste smart over haar eigen lijdensgeschiedenis, over den troosteloozen lijdensweg, dien zij sedert haar jeugd beklom.

Wanneer zij geen pijn had en zich in de ziekenzaal verdienstelijk kon maken, liep Bernadette af en aan en vulde het huis met haar levendige kinder-vroolijkheid. Tot aan haar dood bleef zij het onschuldige, kinderlijke wezentje, dat graag lachte, danste en speelde. Zij was heel klein, de kleinste van alle nonnen, waardoor zij altijd een beetje als een klein meisje behandeld werd. Haar gezichtje werd langer, er kwamen rimpels in, het verloor den glans der jeugd, maar haar oogen behielden hun reine en goddelijke schittering, haar mooie zieneresse-oogen, waarin, als in helderen hemel, een vlucht van droomen ging. Naarmate zij ouder werd en meer pijn leed, werd zij eenigszins prikkelbaar en heftig, kwam haar onrustig en soms ruw karakter duidelijker aan den dag; en juist over die kleine onvolmaaktheden had zij, na dergelijke aanvallen, het meeste berouw, zij verootmoedigde zich, waande zich verdoemd, vroeg iedereen vergiffenis. Maar over het algemeen, welk een gehoorzame, goede dochter van God!

Zij was levendig, flink, slagvaardig, had opmerkingen, die iedereen lachen deden, een aparte bekoring, waarom iedereen haar aanbad. Ondanks haar groote vroomheid en hoewel zij heele dagen in gebed doorbracht, was zij volstrekt geen kwezeltje, dwong zij anderen niet tot overdreven geloofsijver; integendeel zij was verdraagzaam en medelijdend. Zelden was een heilig meisje meer vrouw, met eigenaardige karaktertrekken, met een eigen in haar kinderlijkheid zelf bekoorlijke persoonlijkheid.

En die gave der jeugd, die zij behield, die eenvoudige onschuld van het kind, dat zij gebleven was, maakten nog, dat de kinderen dol op haar waren, als herkenden zij in haar altijd een van de hunnen; allen vlogen zij op haar af, sprongen op haar schoot, sloegen hun kleine armpjes om haar hals; de tuin weergalmde dan van hun vroolijk spel, van hun gevlieg, van hun geschreeuw; en zij sprong niet het minst, zij maakte niet het minste lawaai, blij als zij was weer een arm, onbekend meisje te worden, zooals in de lang vervlogen dagen te Bartrès.

Later vertelde men, dat een moeder haar verlamd kind naar het klooster gebracht had, om het door de heilige te laten aanraken en genezen. Zij snikte zoo wanhopig dat de moeder-overste ten slotte in de poging toestemde. Maar daar Bernadette zich steeds vol verontwaardiging verzette, wanneer men haar vroeg wonderen te doen, waarschuwde men haar niet, riep men haar eenvoudig om het zieke kind naar de ziekenzaal te dragen. En zij droeg het kind, en toen zij het op den grond zette, liep het kind. Het was genezen.

O, hoe dikwijls moesten Bartrès, haar vrije kindsheid achter de lammeren, en de jaren, die zij op de heuvels, in het hooge gras, in de dichtbebladerde bosschen had doorgebracht, in haar herleven op de oogenblikken, dat zij, moe van het bidden voor de zondaars, droomde. Niemand daalde dan in haar ziel af, niemand kon zeggen of een onwillekeurig verlangen niet haar arm gemarteld hart bloeden deed.

Eens sprak zij een woord, dat haar levensbeschrijvers met het doel, om haar lijdensgeschiedenis nog treffender te maken, overgeleverd hebben. Ver weg van haar bergen, gekluisterd aan een ziekbed, riep zij uit: "Het schijnt, dat ik geboren werd om te leven, om te handelen, om altijd in beweging te zijn, en God wil, dat ik onbeweeglijk ben!"

Welk een onthulling, welk een verschrikkelijke getuigenis van eindelooze droefheid! Waarom wilde de Heer, dat dit vroolijke, lieve, bekoorlijke schepsel zich niet bewoog? En zou zij, in plaats van te bidden voor de zondaars, haar eeuwige, nuttelooze bezigheid, niet meer aan de vermeerdering van het geluk der wereld er het hare bijgedragen hebben, indien zij haar deel van liefde gegeven had aan den man, die voor haar bestemd was, aan de kinderen, die uit haar lichaam geboren zouden zijn.

Sommige avonden verviel zij, zoo zeide men, zij, die zoo vroolijk en bedrijvig was, in een diepe neerslachtigheid. Zij werd dan melancholiek en keerde, als door haar smart verpletterd, tot zichzelf in. Ongetwijfeld werd de lijdenskelk ten slotte bitter, drukte de gedachte, dat haar leven één lange verzaking was, haar te zwaar.

Dacht Bernadette in St. Gildard dikwijls aan Lourdes? Wat wist zij van den triomf der Grot, van de wonderen, die dagelijks dit land van het wonder veranderde? De vraag is nooit ten volle opgelost. Men had haar medezusters verboden over die dingen met haar te spreken, men omringde haar met een voortdurend en volkomen zwijgen. Zij zelf praatte er ook niet graag over, zweeg liever over het geheimzinnige verleden, scheen volstrekt niet verlangend het heden, hoe triomphantelijk het ook zijn mocht, te leeren kennen.

Maar vloog toch in haar phantasie haar hart niet naar dat tooverland, waarin de haren woonden, waarin al de banden van haar leven geknoopt waren, waar zij den meest buitengewonen droom achtergelaten had, dien ooit door één menschelijk wezen gedroomd was? Ongetwijfeld maakte zij in haar gedachte dikwijls de mooie reis van haar herinneringen, moest zij in groote trekken de voornaamste gebeurtenissen van Lourdes kennen. Maar zij schrikte er voor terug er persoonlijk heen te gaan en zij weigerde dit steeds, daar zij heel goed begreep, dat zij er niet onopgemerkt zou komen en angstig was voor de menigten, wier vereering haar daar wachtte.

Welk een glorie, indien er in haar een eerzuchtige heerschersnatuur gewoond had! Dan zou zij teruggekeerd zijn naar de heilige plaats van haar visioenen, zou zij er wonderen gedaan hebben als priesteres, als pausin, onfeilbaar en souvereine als de uitverkorene en de vriendin der Heilige Maagd.

De paters waren daar nooit in ernst bang voor geweest, hoewel zij uitdrukkelijk bevolen hadden haar ter wille van haar zieleheil van de wereld af te snijden. Zij waren gerust, zij kenden haar zachtheid en haar ootmoed; zij kenden haar vrees een goddelijk wezen te zijn; zij kenden haar onwetendheid omtrent de kolossale machten, die zij zelf in beweging gebracht had en wier exploitatie haar verschrikt zou hebben doen terugdeinzen, indien zij het begrepen had. Neen, dat land van drukte, van geweld en van geschacher was niet het hare meer. Zij zou er te veel geleden, zich niet thuis gevoeld, zich erover geschaamd hebben. En wanneer pelgrims zich daarheen begaven en haar lachend vroegen: "Wilt gij met ons gaan?" dan doorhuiverde haar een rilling en haastte zij zich te antwoorden: "Neen, neen, maar hoe graag zou ik het doen, als ik een klein vogeltje was!"

Haar eenige droom was dit kleine trekvogeltje met snelle vlucht en stil geklapwiek, dat telkens weer zijn bedevaart naar de Grot deed. Zij, die nooit naar Lourdes gegaan was, noch voor den dood van haar vader, noch voor dien van haar moeder, moest daar aanhoudend leven in haar droom. Toch hield zij van de haren, zij had er voor gezorgd, dat haar arm gebleven familie werk kreeg, had haar oudsten broer, die naar Nevers gekomen was, om zich te beklagen en dien men voor de deur van het klooster had laten staan, willen ontvangen. Maar hij vond haar moe en berustend, zij vroeg hem zelfs niet naar het nieuwe Lourdes, als was zij bang geweest voor die steeds grooter wordende stad. In het jaar der Kroning van de Heilige Maagd had een priester, dien zij opgedragen had te harer intentie voor de Grot te bidden, haar bij zijn terugkeer verteld van de onvergetelijke wonderen der plechtigheid, van de honderdduizenden toegestroomde pelgrims, van de vijf-en-dertig in het goud gekleede bisschoppen in de stralende Basilica. Zij rilde, een lichte huivering van verlangen en onrust doorvoer haar. En toen de priester uitriep: "O, als gij deze schittering gezien hadt!" antwoordde zij: "Ik? Ik had het hier veel beter in mijn klein hoekje van de ziekenzaal!"

Men had haar haar wonder ontstolen, haar werk schitterde in een voortdurend hosanna, en zij vond slechts geluk in haar vergetelheid, in haar kloosterdonkerte, waarin de schatrijke eigenaars der Grot haar vergaten. De luid weerklinkende plechtigheden gaven haar geen aanleiding tot haar mysterieuze reizen, het kleine vogeltje van haar ziel vloog slechts op dagen van eenzaamheid, op vreedzame uren, wanneer niemand haar vrome oefeningen kon storen. Voor de oorspronkelijke woeste Grot ging zij dan neerknielen tusschen de wilde rozelaars, in den tijd, dat de Gave nog niet door een monumentale kade omgeven was. Vervolgens bezocht zij de oude stad bij het vallen van den dag in de geurige frischheid der bergen, bezocht zij de oude, beschilderde en vergulde half-Spaansche kerk, waarin zij haar eerste communie gedaan had, het oude Hospice, waarin zij gedurende acht jaar teruggetrokken geleefd had, die geheele oude, arme en onschuldige stad, waarvan iedere steen in haar ziel teedere, lieve herinneringen wekte.

En zette Bernadette nooit de bedevaart van haar droomen voort tot Bartrès? Men moet aannemen, dat soms, wanneer zij, zittend in haar fauteuil, het een of ander godvruchtig boek uit haar moede handen vallen liet en haar oogen sloot, Bartrès voor haar verrees en den nacht van haar oogen verlichtte. De oude kleine Romaansche kerk met haar hemelkleurig schip, en haar bloedende altaarstukken stond dan te midden van de graven van het kleine kerkhof voor haar. Vervolgens vond zij zich terug in het huis der Lagües, in het groote vertrek links, waar het vuur was en waar men 's winters zulke mooie verhalen vertelde, terwijl de groote klok met ernstige slagen het uur aangaf. Daarna strekte het geheele landschap zich voor haar uit, eindelooze vlakten, reusachtige kastanjeboomen, waaronder bijna verdwaalde, eenzame plateaux, vanwaar men de verre bergen zag, den Pic du Midi, den Pic de Viscos, licht en rose als droomen, als het ware zich verliezend in het paradijs der legenden.