Part 46
Maar iets bleef er in een compartiment ernaast bewegen; een geluid, dat haar irriteerde en dat zij ten slotte begreep.
"Sophie, wat beteekent dat getrap tegen de bank? Je moet gaan slapen, kindlief."
"Ik trap niet, zuster, het is een sleutel, die onder mijn schoen gerold is."
"Wat, een sleutel? Geef mij dien."
Zij bekeek hem: een armoedige, heel oude, zwartachtige, door het gebruik versleten sleutel, welks opnieuw gesoldeerde ring nog het teeken daarvan droeg. Iedereen had in zijn zakken gevoeld, niemand had een sleutel verloren.
"Ik heb hem in den hoek gevonden," zeide Sophie. "Hij zal zeker van dien man zijn."
"Welke man?" vroeg zuster Hyacinthe.
"Van den man, die daar gestorven is."
Men had hem reeds vergeten. Zuster Hyacinthe herinnerde zich nu: ja, ja, hij was zeker van dien man, want zij had iets hooren vallen, toen zij zijn gezicht afveegde. Zij keerde den sleutel om, bleef ernaar kijken, steeds weer was het denzelfde leelijke, armoedige sleutel, de nu nuttelooze sleutel, die nooit meer het onbekende slot, dat daar ergens in de wijde wereld zich bevond, openen zou. Even dacht zij er in een soort medelijden met dat zoo nederige, zoo geheimzinnige stukje ijzer, al wat er van den man nog over was, over om den sleutel in haar zak te steken, maar dan kwam de godvruchtige gedachte in haar op, dat men zich aan niets op deze aarde moet hechten, en door het half openstaande raampje wierp zij den sleutel weg, die neerviel in den zwarten nacht.
"Sophie, nu niet meer spelen, maar gaan slapen," zeide zij nogmaals. "En nu stilte, kinderen, stilte!"
Eerst na het korte oponthoud te Bordeaux tegen half twaalf keerde de slaap terug en deed den geheelen wagon indommelen. Madame de Jonquière had den strijd niet langer kunnen volhouden, haar hoofd lag tegen het houten beschot, zij scheen gelukkig ondanks haar vermoeidheid. De Sabathiers sliepen eveneens, zonder bijna adem te halen, terwijl er ook geen geluid meer kwam uit het compartiment, waarin Sophie Couteau en Elise Rouquet tegenover elkaar op de banken lagen. Nu en dan steeg er even een doffe jammerklacht op, een gil van angst of schrik, welke van de lippen van madame Vincent kwam, die blijkbaar benauwd droomde. Alleen zuster Hyacinthe had eigenlijk haar oogen niet dicht; zij maakte zich erg ongerust over la Grivotte, die thans onbeweeglijk, als dood, moeilijk en reutelend lag te ademen.
Van het eene einde van die rijdende slaapzaal, die door het slingeren van den met vollen stoom rijdenden trein hevig geschokt werd, gaven de zieken en pelgrims zich geheel aan den slaap over: beenen en hoofden hingen heen en weer te slingeren in het bleeke, dansende lamplicht. Achter in den wagon, in het compartiment der tien vrouwlijke pelgrims, was het een jammerlijk mengelmoes van arme, leelijke, oude en jonge gezichten, die de slaap aan het eind van een lied, toen zij haar monden nog wijd open hadden, overweldigd had. En een groot medelijden steeg op met die arme, deerniswaardige, moede menschen, uitgeput door vijf dagen van krankzinnige verwachtingen, van eindelooze extase, en die nu den volgenden dag weer zouden ontwaken tot de harde werkelijkheid van het leven.
Toen voelde Pierre zich als alleen met Marie. Zij had zich niet op de bank willen uitstrekken, zeide, dat zij in die zeven jaar lang genoeg gelegen had, en hij was, om mijnheer de Guersaint, die na Bordeaux weer in zijn diepen kinderslaap gevallen was, wat meer ruimte te geven, naast haar komen zitten. Het lamplicht hinderde haar, hij trok het schermpje dicht, zoodat zij nu in het halfdonker, een doorzichtig, prettig half-donker zaten. Op dit oogenblik reed de trein blijkbaar door een vlakte, hij gleed door den nacht als in een eindelooze vlucht met een groot en regelmatig vleugelgeklap. Door het raampje, dat zij neergelaten hadden, kwam een heerlijke koelte uit de donkere, onpeilbare velden, waarin zelfs niet het kleinste, verloren licht van een dorpje scheen. Een oogenblik had hij zich tot haar gewend en gezien, dat zij haar oogen gesloten hield. Maar hij voelde als bij instinct, dat zij niet sliep, maar genoot van die diepe rust in dit donderachtige geratel van den in de diepe duisternis voortjagenden trein; en evenals zij sloot hij zijn oogen en droomde langen tijd.
Nog eenmaal rees het verleden voor hem op, het kleine huisje te Neuilly, de kus, dien zij elkaar bij de bloeiende haag onder de bezonde boomen gegeven hadden. Wat lag die tijd al ver achter hem, maar welk een geur had zijn geheele leven daarvan bewaard! Dan herinnerde hij zich met bitterheid den dag, waarop hij priester geworden was. Nooit zou zij vrouw worden, en hij had erin toegestemd geen man meer te zijn; dat echter zou hun eeuwig ongeluk worden, nu de natuur in haar ironie van haar weer een echtgenoote en een moeder maakte. Had hij nu nog zijn geloof behouden, dan zou hij daarin de eeuwige vertroosting gevonden hebben. Maar vergeefs had hij alle pogingen in het werk gesteld om het te heroveren: zijn reis naar Lourdes; zijn gebeden voor de Grot; zijn hoop, een oogenblik, dat hij ten slotte weer zou gaan gelooven, indien Marie door het wonder genezen werd; dan de totale, onherstelbare ineenstorting, toen de aangekondigde genezing zich op wetenschappelijke wijze voltrokken had. En hun zoo reine en zoo smartelijke idylle, de lange geschiedenis van hun in tranen gedrenkte liefde ontrolde zich ook voor zijn oogen. Zij zelf, die zijn droef geheim doorgrond had, was slechts naar Lourdes gegaan om den hemel het wonder van zijn bekeering te vragen. Toen zij gedurende de fakkelprocessie alleen gebleven waren onder de boomen in den geur der onzichtbare rozen, hadden zij, geheel in elkaar opgaande, met den vurigen wensch voor elkanders genezing, voor elkaar gebeden. Vóór de Grot nog had zij de Heilige Maagd gesmeekt haar te vergeten en hem te redden, wanneer zij slechts één gunst van haar goddelijken Zoon verkrijgen kon.
Toen zij genezen, buiten zichzelf, omhooggevoerd door liefde en dankbaarheid, het wagentje gereden had naar de Basilica, had zij gedacht, dat zij verhoord was, had zij hem haar vreugde toegeschreeuwd, dat zij beiden, beiden gered waren! O, die leugen, die leugen uit barmhartigheid en liefde, de dwaling, waarin hij haar sedert dat oogenblik hield, hoe zwaar drukten die op zijn hart! Dat was de zware steen, die hem nu in zijn vrijwillig graf inmetselde. Hij herinnerde zich de afschuwelijke crisis, waaraan hij bijna gestorven was, in de donkerte van de Crypt, zijn snikken, zijn woedend verzet eerst, zijn verlangen haar voor zich alleen te behouden, haar te bezitten, omdat hij wist, dat zij hem toebehoorde; hij herinnerde zich dien grommenden hartstocht van zijn herleefd man-zijn, die daarna langzamerhand weer tot kalmte gekomen was, verdronken in zijn tranen; hij herinnerde zich, hoe hij, om de goddelijke illusie in haar niet te vernietigen en toegevend aan een broederlijk medelijden, den heldhaftigen eed gezworen had haar voor te liegen, den eed, waardoor hij nu ten gronde ging.
Pierre huiverde in zijn droomerig gepeins. Zou hij de kracht hebben altijd dien eed te houden? Had hij, toen hij op het station stond te wachten, niet een ongeduld in zijn hart gevoeld, een jaloersch verlangen om dat door haar al te zeer geliefde Lourdes te verlaten, in de vage hoop, dat zij, verre van daar, tot hem terug zou keeren? Was hij geen priester geweest, dan zou hij met haar getrouwd zijn. Welk een verrukking, welk een leven vol zalig geluk zich geheel aan haar te mogen geven, haar geheel tot de zijne te maken, te herleven in het kind, dat zij hem schenken zou. O, er bestond geen ander geluk dan het bezit, dan het leven, dat nieuw leven schept. En zijn droom dwaalde af: hij zag zich getrouwd, en dat vervulde hem met zoo'n groote vreugde, dat hij zich afvroeg, waarom die droom niet te verwezenlijken was. Zij had nog de onschuld van een tienjarig kind, hij zou haar onderwijzen, haar ziel opnieuw vormen. Zij zou begrijpen, dat de genezing, die zij meende te danken te hebben aan de Heilige Maagd, afkomstig was van de eenige Moeder, de reine en onpartijdige natuur. Doch naarmate hij al deze dingen overlegde, kwam er een soort heilige angst in hem op, die zijn oorsprong had in zijn godsdienstige opvoeding. Groote God, wist hij, of dit menschen-geluk, waarmede hij haar overstelpen wilde, ooit de heilige onwetendheid, de kinderlijke onschuld, waarin zij thans leefde, zou kunnen evenaren? Welke bittere verwijten later, als zij niet gelukkig was? Welk een gewetensdrama, de soutane af te werpen, de wonderdadig genezene te huwen, haar geloof zóó geheel te verwoesten, om haar te doen toestemmen in die heiligschennis! En toch, daarin lag de dapperheid, daarin lag het leven, de rede; de ware man, de ware vrouw, de noodzakelijke en groote vereeniging. Waarom toch, groote God, durfde hij niet? Een onmetelijke droefheid kwam in zijn droom; hij hoorde nu nog slechts het lijden van zijn arm hart.
De trein joeg voort met zijn groot klapgewiek, steeds was nog alleen zuster Hyacinthe wakker in den door slaap overmanden wagon. Op dat oogenblik boog Marie zich naar Pierre toe en zeide zacht:
"Het is vreemd, ik val om van moeheid, en toch kan ik niet slapen."
En dan met een onderdrukt lachje:
"Ik heb Parijs in mijn hoofd."
"Parijs?"
"Ja, ja, ik bedenk, dat het mij verwacht, dat ik daarheen zal terugkeeren... O, wat zal ik in dat Parijs, waarvan ik niets ken, leven!"
Dat gaf Pierre een steek door zijn hart. Hij had het wel voorzien, zij kon niet meer voor hem zijn, zij zou aan anderen toebehooren. Parijs zou haar weer aan hem ontnemen, als Lourdes haar aan hem teruggaf. En hij stelde zich voor, hoe dat onwetende kind zich tot vrouw zou ontwikkelen. Het kleine witte zieltje, dat bij het groote meisje van drie-en-twintig jaar onberoerd gebleven was, het zieltje, dat haar ziekte ver van het leven, ver van de romans zelfs gehouden had, zou, nu het zijn vrije vlucht hernam, heel gauw rijp zijn. Hij zag het jonge meisje lachend, gezond, overal heengaand, kijkend, leerend en... op een goeden dag den echtgenoot ontmoeten, die haar opvoeding voltooien zou.
"Dus stel je je voor je te Parijs nogal te amuseeren?"
"Ik? Hoe kom je eraan? Wij zijn toch niet rijk genoeg om daaraan te kunnen denken... Neen, ik dacht aan mijn zuster Blanche, ik vroeg mijzelf af, wat ik te Parijs zou kunnen doen, om haar taak wat te verlichten. Zij is zoo goed, zij slooft zich zoo af, ik wil niet, dat zij alleen het brood voor ons blijft verdienen."
En na een nieuwe stilte, toen hij zelf, te ontroerd, bleef zwijgen:
"Vroeger, voordat ik die erge pijnen had, kon ik vrij aardig miniatuurtjes schilderen. Herinner je je nog, dat ik een vrij goed gelijkend portret van vader gemaakt heb, dat iedereen zoo mooi vond... Je wilt me zeker wel helpen om werk voor mij zien te krijgen?"
Dan begon zij over het nieuwe leven, dat zij zou leiden. Zij wilde haar kamer mooier inrichten en die van haar eerste spaarduitjes met blauwgebloemd creton opsieren. Blanche had haar wel eens verteld van dien grooten winkel, waarin je alles zoo goedkoop krijgen kon. Het zou zoo leuk zijn met Blanche uit te gaan en overal rond te kijken, want zij kende niets, had nooit iets gezien, in de zeven jaar, dat zij aan haar ziekbed gekluisterd was. Pierre, die eenigszins kalmer geworden was, begon opnieuw te lijden, nu hij die vurige levenslust, die begeerte om alles te zien, te leeren kennen, in haar ontdekte. Dat was eindelijk het ontwaken der vrouw, die zij worden moest, die hij vroeger in haar geraden en in het kind liefgehad had, een heerlijk schepsel van vroolijkheid en hartstocht met haar bloeienden mond, haar sterre-oogen, haar melkblanken tint, haar gouden lokken, stralend van levensvreugde.
"O, ik zal werken, ik zal werken! En dan, je hebt gelijk Pierre, ik zal mij amuseeren ook, want het is toch geen zonde, om vroolijk te zijn."
"Neen, zeker niet, Marie!"
"'s Zondags gaan we naar buiten, heel ver weg, naar de bosschen, waar mooie boomen zijn... En we gaan ook naar de comedie, als papa ons meeneemt. Ze hebben me verteld, dat er veel stukken zijn, die je gerust zien kan. Maar dat is trouwens niet het voornaamste. Als ik maar uit ga, in de straten ben en alles zien kan, dan zal ik al zoo gelukkig zijn en tevreden thuis komen!... Het is zoo heerlijk om te leven, niet, Pierre?"
"Ja, Marie, het is heel heerlijk!"
Hij voelde iets als een doodsrilling over zich gaan; het berouw, geen man meer te zijn deed hem als in doodsangst ineenkrimpen. Waarom zeide hij, nu zij hem met haar prikkelende argeloosheid zoo in verleiding bracht, haar de waarheid niet, die hem als lood drukte. Hij zou haar dan hebben kunnen nemen, hebben kunnen veroveren. Nooit had zijn hart, nooit had zijn wil een moeilijker strijd te strijden gehad. Een oogenblik stond hij op het punt de niet meer te herroepen woorden uit te spreken.
Doch reeds ging zij op haar vroolijken kindertoon voort:
"Kijk eens, hoe blij papa is zoo heerlijk te slapen!"
Inderdaad sliep tegenover hen mijnheer de Guersaint op de bank met dezelfde gelukzalige uitdrukking op zijn gelaat, als wanneer hij in zijn bed gelegen had, zonder dat hij iets van de hevige schokken scheen te merken. Dat eentonige slingeren en stampen scheen trouwens slechts het wiegen te zijn, dat den slaap van den geheelen wagon nog zwaarder maakte. Het was een algeheele overgave, de volkomen vernietiging van het lichaam te midden van de eveneens in elkaar gezakte bagages, die als ingeslapen waren in het rookerige licht der lampen. Het rhythmisch geratel der wielen hield maar niet op in het onbekende donker, waarin de trein nog steeds voortsnelde. Een enkele maal, bij een station, onder een brug, stormde de wind van de vaart woest binnen, blies plotseling een storm. Dan begon het wiegende geratel weer, eentonig, eindeloos.
Marie nam zacht Pierre's hand in de hare. Zij waren zoo verdwaald, zoo alleen te midden van al die door slaap overmande menschen, in dien grooten, dreunenden vrede van den in volle vaart door de vlakte jagenden trein. De triestheid, de triestheid, die zij tot dusver verborgen had, kwam terug en sluierde een donker floers over haar groote blauwe oogen.
"Je gaat toch zeker dikwijls met ons mee, Pierre?"
Hij had gerild, toen hij haar kleine hand de zijne had voelen drukken. Zijn hart lag op zijn lippen, hij besloot te spreken. Toch hield hij zich nog in en stamelde:
"Marie, ik ben niet altijd vrij, een priester kan niet overal komen."
"Een priester," herhaalde zij, "ja, ja, een priester; dat begrijp ik."
En nu sprak zij, bekende zij het doodelijke geheim, dat sedert het vertrek haar hart benauwde. Zij boog zich nog dichter naar hem toe en zeide heel, heel zacht:
"Luister eens, Pierre, ik ben troosteloos bedroefd. Ik zie eruit, alsof ik heel gelukkig ben, maar de dood is in mijn ziel... Je hebt me gisteren voorgelogen."
Hij schrok, begreep haar eerst niet.
"Heb ik je voorgelogen?"
Een soort schaamtegevoel weerhield haar, zij aarzelde nog, nu zij op het punt stond af te dalen in dit gewetensmysterie, dat het hare niet was. Doch dan als vriendin, als zuster:
"Ja, ja, je hebt me willen doen gelooven, dat je met mij gered was, en dat was niet waar, Pierre; je hebt je verloren geloof niet teruggevonden."
Groote God, zij wist! Het was voor hem een troosteloosheid, een zoo verpletterende catastrophe, dat hij er zijn eigen kwelling door vergat. Eerst wilde hij in zijn leugen van broederlijke barmhartigheid volharden.
"Daar is geen quaestie van, Marie. Hoe kom je op dat denkbeeld?"
"O, beste jongen, zwijg toch, om Godswil! Het zou me nog maar meer pijn doen, als je me nog langer voorloog... Ik heb het gemerkt aan het station, toen we op het punt stonden weg te gaan, toen die ongelukkige man gestorven is. Die goede abbé Judaine is op zijn knieën gevallen, heeft gebeden gezegd voor de rust van die opstandige ziel. Ik heb alles gevoeld, alles begrepen, toen ik zag, dat jij niet neerknielde, dat het gebed niet ook naar jouw lippen opsteeg."
"Maar heusch, Marie..."
"Neen, neen, je hebt niet voor den doode gebeden, je gelooft niet meer... En dat is trouwens niet alles, het is alles wat ik als bij intuïtie voel, alles wat van jou tot mij spreekt, een wanhoop, die je niet verbergen kunt, een melancholie in je arme oogen, zoodra zij de mijne ontmoeten... De Heilige Maagd heeft mij niet verhoord, jou het geloof niet teruggegeven, en ik ben zoo diep ongelukkig."
Zij weende, een warme traan viel op de hand van den priester, die zij nog altijd in de hare hield. Dat deed hem alle zelfbeheersching verliezen, hij streed niet langer, bekende, liet ook zijn tranen den vrijen loop, terwijl hij heel, heel zacht stamelde:
"O, Marie, ik ben ook zoo ongelukkig, zoo diep ongelukkig!"
Een oogenblik zwegen zij in hun wreed verdriet tusschen zich den afgrond van hun geloofsovertuigingen te voelen. Maar vooral het denkbeeld, dat zij voor eeuwig niet meer in staat zouden zijn om dichter bij elkaar te komen, nu de hemel zelf geweigerd had den band weer te knoopen, maakte hen wanhopig. Naast elkaar weenden zij over hun scheiding.
"Ik," begon zij weer met door droefheid verstikte stem; "ik, die zoo gebeden had voor je bekeering; ik, die zoo gelukkig was... Ik had een gevoel, alsof jouw ziel geheel in de mijne was opgegaan; het was zoo heerlijk te weten, dat wij samen, samen gered waren. Ik voelde de krachten in mij om te leven, ja, de kracht om de geheele wereld uit haar voegen te rukken!"
Hij bleef zwijgen, in een eindeloozen stroom vloeiden de tranen over zijn wangen.
"Te moeten denken," ging zij voort; "dat ik alleen genezen ben, dat ik dat groote geluk gehad heb zonder jou. Jou zoo verlaten, jou zoo troosteloos eenzaam te zien, terwijl ik overstelpt ben door genade en vreugde, verscheurt mijn hart... O, wat is de Heilige Maagd streng geweest! Waarom heeft zij niet tegelijk met mijn lichaam jouw ziel genezen?"
De laatste gelegenheid bood zich aan; hij had moeten spreken, eindelijk het licht der rede moeten laten schijnen voor dit onschuldige kind, haar het wonder moeten verklaren, opdat het leven, na in haar zijn werk van gezondheid volbracht te hebben, zijn triomf voltooien zou door hen in elkaars armen te werpen. Ook hij was genezen, want zijn verstand was van nu af aan gezond, en niet omdat hij zijn geloof, maar omdat hij haar verloren had, weende hij. Doch ondanks zijn groot verdriet maakte zich een onoverwinbaar medelijden van hem meester. Neen, neen, hij zou den vrede van die reine ziel niet storen, hij zou haar haar geloof niet ontnemen, dat eens misschien, te midden van al de smarten dezer wereld, haar eenige steun zijn zou. Van vrouwen en kinderen mag men het bittere heroïsme van het verstand niet verlangen. Hij voelde, dat hij niet de kracht; hij geloofde zelfs niet, dat hij het recht ertoe had. Het scheen hem een verkrachting, een afschuwlijke moord toe. En hij sprak niet, zijn tranen stroomden nog brandender in deze opoffering van zijn liefde, het wanhopige offer van zijn eigen geluk, opdat zij vertrouwend, onwetend, vroolijk blijven zou.
"O, Marie, wat ben ik ongelukkig! Op de landwegen, in het bagno zijn er geen ongelukkigen, die ongelukkiger zijn dan ik... O, Marie, als je eens wist, hoe ongelukkig ik ben!"
Ook zij verloor nu haar zelfbeheersching, nam hem in haar bevende armen, wilde hem door een zusterlijke omhelzing troosten. Op dat oogenblik raadde de vrouw, die in haar ontwaakte, als bij intuïtie alles, snikte ook zij om alle menschelijke en goddelijke wilskrachten, die hen scheidden. Zij had nog nooit aan die dingen gedacht, nu zag zij plotseling het leven met zijn hartstochten, zijn strijd, zijn lijden en zij zocht naar wat zij zeggen kon, om dat bloedende hart eenigszins tot kalmte te brengen; en diep bedroefd, dat zij niets kon vinden, dat zacht en zoet genoeg klonk, stamelde zij:
"Ik weet het, ik weet het!"
Dan vond zij het woord; en alsof wat zij te zeggen had, alleen maar door de engelen gehoord mocht worden, keek zij ongerust in den wagon rond. Maar het scheen, alsof de slaap hier nog zwaarder geworden was. Haar vader sliep nog steeds als een onschuldig klein kind. Geen der pelgrims, geen der zieken had zich ondanks het ruwe schudden, dat hen voortjoeg, bewogen. Zelfs zuster Hyacinthe had, toegevend aan de uitputting, die haar neerdrukte, haar oogen gesloten, na ook op haar beurt het lichtscherm over de lamp van haar compartiment getrokken te hebben. Er heerschte nu nog slechts een vaag half-donker, er waren tusschen de naamlooze, nauwlijks waarneembare voorwerpen, slechts onbestemde lichamen, die een stormwind, een razende vlucht voortjoeg in de duisternis. En zij wantrouwde ook dat zwarte landschap, welks onbekende vlakten aan beide zijden van den trein voorbijvlogen, zonder dat men zelfs wist, welke bosschen, welke rivieren, welke heuvels zij voorbijgingen. Zooeven waren eenige vonken opgedoken, misschien in de verte gelegen smidsen, kleine lampjes van arbeiders of zieken; maar nu reden zij weer in diepe duisternis, in de donkere, eindelooze, naamlooze zee, waarin men steeds verder kwam, overal en toch nergens.
Nu bracht Marie in een kuische verlegenheid en blozende te midden van haar tranen, haar lippen aan Pierre's oor.
"Luister, beste Pierre... Er bestaat een groot geheim tusschen de Heilige Maagd en mij. Ik had haar gezworen het aan niemand te zeggen. Maar jij bent te ongelukkig, jij lijdt te veel; zij zal het mij vergeven, als ik het jou toevertrouw."
En dan nog zachter:
"In den nacht van vurig gebed, je weet wel, in dien nacht van gloeiende extase, dien ik voor de Grot doorgebracht heb, heb ik mij door een gelofte gebonden, heb ik de Heilige Maagd beloofd haar het offer van mijn maagdelijkheid te brengen, als zij mij genas... Zij heeft mij genezen, en nooit, versta je Pierre, nooit zal ik trouwen."
Welk een onverhoopt geluk! Hij dacht, dat een dauw op zijn arm, gemarteld hart viel. Het was een hemelsche tooverkracht, een zalige verrukking. Als zij niemand anders toebehoorde, zou zij dus altijd een klein beetje de zijne zijn. Hoe had zij zijn lijden begrepen, hoe had zij begrepen, wat zij zeggen moest, om het leven nog mogelijk voor hem te maken!
Ook op zijn beurt wilde hij nu gelukkige woorden vinden, haar danken, haar beloven, dat ook hij haar steeds zou toebehooren, dat hij haar eeuwig zou liefhebben, zooals hij haar sedert haar jeugd liefhad, als het dierbare wezen, wier eenige kus voldoende geweest was om zijn geheele leven te verzachten. Maar zij verzocht hem te zwijgen, bang, dat dit zoo reine oogenblik bedorven zou worden.
"Neen, neen, Pierre, laten we niets meer zeggen. Dat zou misschien verkeerd zijn... Ik ben erg moe, ik ga nu rustig slapen."
Zij bleef haar hoofd tegen zijn schouder geleund houden, sliep dadelijk, als een zuster vol vertrouwen, in. Een oogenblik hield hij zich in dat smartelijke geluk van verzaking, dat zij samen genoten hadden, nog wakker. Ditmaal was het voorgoed uit, het offer was gebracht. Hij zou eenzaam leven, buiten het leven der verdere wereld. Nooit zou hij de vrouw kennen, nooit zou een ander levend wezen uit hem geboren worden. Hij had als troost nog slechts den trots op dien zelfgewilden zelfmoord.
Doch dan werd de uitputting ook hem te machtig, zijn oogen vielen dicht en op zijn beurt sliep ook hij in. Zijn hoofd gleed wat naar beneden, zijn wang raakte de wang van zijn vriendinnetje, dat met haar voorhoofd tegen zijn schouder, heel rustig sliep. Hun haren strengelden zich dooreen. Haar koninklijke, haar gouden lokken waren half losgeraakt; zijn gezicht baadde er als het ware in, en hij droomde in den geur van haar lokkenpracht. Ongetwijfeld droomden zij beiden tegelijk denzelfden gelukzaligen droom, want beider liefdevolle gelaatstrekken hadden dezelfde verrukte uitdrukking, beiden lachten zij den engelen toe.