De drie steden: Lourdes

Part 45

Chapter 453,976 wordsPublic domain

Van af het vertrek had Marie hem ongerust en bezorgd aangekeken, alsof een plotseling verdriet, dat zij niet uitspreken wilde, haar aangegrepen had. Toch vond zij haar glimlachje van herkregen gezondheid terug.

"Twee-en-twintig uur, nu, dat zal niet zoo lang en zoo zwaar vallen als toen we gingen."

"En bovendien," zeide haar vader, "zijn we niet met zoovelen; we hebben het nu wat ruimer ook."

Inderdaad liet het achterblijven van madame Maze een hoekje vrij op de bank, welke Marie, die nu zat, ook niet meer vol maakte; bovendien had men de kleine Sophie in het compartiment ernaast gezet, waarin zich thans broeder Isidore en zijn zuster Marthe, die, naar men beweerde, te Lourdes in dienst gegaan was bij een vrome dame, niet meer bevonden. Aan den overkant hadden madame de Jonquière en zuster Hyacinthe de plaats van madame Vêtu vrij, terwijl zij bovendien Elise Rouquet bij de kleine Sophie gelaten hadden, zoodat zij alleen nog maar het echtpaar Sabathier en la Grivotte hadden. Dank zij deze nieuwe indeeling had men het minder warm, zou men zelfs wat kunnen slapen.

Het laatste vers van het Magnificat was gezongen; de dames trachtten het nu zoo huiselijk en makkelijk mogelijk in te richten. Voor alles moesten zij de volle zinken kruiken, die haar beenen hinderden, onder de banken schuiven. Aan de linkerzijde waren alle gordijntjes neergelaten, want de zon stond schuin op den trein en viel in felle plekken binnen. De laatste onweersbuien hadden echter het stof blijkbaar neergeslagen en de nacht zou zeker frisch zijn. Bovendien was het lijden minder, de dood had de ergste zieken weggenomen, terwijl zij, die nog over waren, verdoofd en door en door vermoeid, van lieverlede in een toestand van gevoelloosheid overgingen. Weldra zou de reactie van uitputting intreden, die altijd op groote moreele schokken volgt. De zieken hadden haar krachten verbruikt, de wonderen waren geschied, en nu begon de ontspanning der zenuwen in de stompzinnigheid van een groote verlichting.

Tot Tarbes had men het zeer druk, ieder maakte het zich zoo makkelijk mogelijk en nam zijn plaatsje weer in bezit. Toen ze dit station verlieten, stond zuster Hyacinthe op en klapte in de handen:

"Kinderen, we mogen de Heilige Maagd, die zoo goed voor ons geweest is, niet vergeten... Laten we den rozenkrans beginnen!"

De geheele wagon bad nu met haar het eerste paternoster, de vijf blijde mysteriën: Maria boodschap, het bezoek van Maria aan de H. Elizabeth, de geboorte van Christus, Maria-Lichtmis en het terugvinden van Jezus. Dan hieven zij het lied: "Aanschouwen wij den hemelschen Aartsengel" aan met zoo luide stem, dat de boeren op het land opkeken en den zingenden trein nastaarden.

Maria bewonderde het wijde landschap, den eindeloozen hemel, die zich langzamerhand van zijn warmtewaas ontdaan had en helder-blauw geworden was. Het was het heerlijke einde van een prachtigen dag. Dan gingen haar blikken weer terug naar den wagon en bleven met die zwijgende droefheid, welke haar oogen zooeven reeds omfloerst had, rusten op Pierre, toen zij plotseling tegenover zich heftig gesnik hoorde. Het lied was uit, madame Vincent huilde en stamelde verwarde, door haar tranen verstikte woorden.

"Mijn arm kleintje... Mijn lieveling, mijn schat, mijn leven!"

Tot dusverre was zij schuw en ineengedoken in haar hoekje blijven zitten. Zij had geen woord gesproken, haar lippen waren op elkaar geklemd, haar oogen half gesloten, alsof zij zich in haar vreeselijke smart nog meer wilden afzonderen. Maar toen zij haar oogen even open deed, had zij den leeren riem gezien, dien haar kind aangeraakt, waarmede het gespeeld had, en het zien daarvan vervulde haar met een zoo bittere wanhoop, dat zij niet langer zwijgen kon.

"Mijn arme Rose... Zij had dat ding in haar handjes en draaide eraan, het was haar laatste stukje speelgoed... Ach, toen waren we nog samen, zij leefde nog, ik had haar nog op mijn schoot, in mijn armen. Het was zoo heerlijk nog, zoo heerlijk! Maar nou heb ik ze niet meer, ik zal ze nooit terugkrijgen ook, mijn arme Rose, mijn arme, kleine Rose!"

Met verwilderde blikken keek zij snikkend naar haar leege schoot, naar haar leege armen, waarmede zij geen raad meer wist. Zij had er zoo lang haar kind in gewiegd, zoo lang haar kind in gedragen, dat zij nu het gevoel had, alsof er iets uit haar lichaam was weggenomen, alsof haar lichaam een functie minder verrichtte, waardoor zij zich als het ware onbeteekenender, nutteloos gevoelde. Haar armen, haar knieën hinderden haar.

Diep ontroerd trachtten Pierre en Marie de wanhopige moeder met vriendelijke woorden te troosten. Langzamerhand leerden zij door de onsamenhangende zinnen, die zich met haar tranen vermengden, den lijdensweg kennen, dien zij na den dood van haar kindje beklommen had. Van 's avonds laat tot den volgenden dag had zij blijkbaar lang met haar dood kindje in haar armen rondgeloopen, blind, doof, gegeeseld door de stortregens. Zij herinnerde zich niet meer, welke pleinen zij overgestoken was, welke straten zij gevolgd had in dat infame Lourdes, dat kinderen-vermoordende Lourdes, dat zij vervloekte.

"O, ik weet het niet meer, ik weet het niet meer... Ja, menschen hebben me opgenomen, hebben medelijden met me gehad, menschen, die ik niet ken, die ergens wonen... O, ik weet het niet meer, ergens, in de hoogte, ver weg, aan het andere einde van de stad... Maar in ieder geval waren het arme menschen, want nou herinner ik me, dat ik met mijn lieve kleine, die ze op hun bed gelegd hadden, heelemaal koud al, in een armoedig kamertje was..."

Bij die herinnering doorschokte haar een nieuwe huilbui, die haar half stikken deed.

"Neen, neen, ik wilde niet scheiden van dat lieve, kleine lichaampje en het in die verschrikkelijke stad achterlaten... Precies kan ik het niet zeggen, maar die arme menschen moeten mij wel overal gebracht hebben. Wij hebben geloopen, neen maar, geloopen, alle hooge mijnheeren van de spoor en van de bedevaart hebben we afgeloopen... Telkens weer zei ik: "Wat kan het u schelen? Sta mij toe het in mijn armen mede te nemen naar Parijs. Ik heb het levend zoo hierheen gebracht, ik kan het zoo wel dood mee terug nemen. Niemand zal er iets van merken... Het is precies, alsof het slaapt." En al die heeren hebben me weggestuurd, alsof ik hun gemeene dingen vroeg. Toen heb ik er ten slotte een paar domheden uitgeflapt... Maar zeg u nu zelf eens, wanneer je zooveel omhaal maakt, wanneer je zooveel zieken den dood tegemoet zendt, dan moet je er je toch ook mee belasten de dooden terug te brengen?... En weet u, wat zij mij aan het station gevraagd hebben? Driehonderd francs! Ja, dat is de som, geloof ik. Driehonderd francs vragen ze, God beter het, aan mij, die met dertig sous in mijn zak hierheen gekomen ben en er nog vijf over heb! Die verdien ik in geen half jaar met naaien! Hadden ze me mijn leven gevraagd, dan had ik het graag gegeven... Driehonderd francs! Driehonderd francs voor dat arme kleine vogellichaampje, dat ik zoo graag op mijn schoot meegenomen had!"

Dan stamelde zij nog slechts doffe jammerklachten.

"O, als u eens wist, wat voor verstandige dingen die arme menschen gezegd hebben, om me over te halen weg te gaan. Een arbeidster zooals ik, op wie haar werk lag te wachten, moest naar Parijs terugkeeren; en ik had geen geld om mijn retourbillet te laten verloopen; ik moest den trein van tien minuten over half vier nemen... Zij hebben ook gezegd dat je, wanneer je niet rijk was, de dingen moest nemen, zooals ze vielen. Maar de rijken houden hun dooden bij zich en doen daarmee wat zij willen. Ik herinner me niets meer. Ik wist niet eens het uur van vertrek, nooit zou ik in staat geweest zijn het station te vinden. Na de begrafenis op een plek, waar twee boomen stonden, hebben alweer die arme menschen mij half gek daar vandaan meegenomen en me juist op het oogenblik, dat de trein vertrok, in den wagon geholpen... Maar wat een pijn, het is precies, alsof mijn hart onder den grond gebleven is. Het is verschrikkelijk, God, het is verschrikkelijk!"

"Arme vrouw!" prevelde Marie. "Houd moed, vraag aan de Heilige Maagd om bijstand, dien zij den bedroefden nooit weigert."

Toen doorschokte een aanval van woede haar heele lichaam.

"Dat is niet waar! De Heilige Maagd lacht me uit, de Heilige Maagd is een leugenaarster!... Waarom heeft zij mij bedrogen? Nooit zou ik naar Lourdes gegaan zijn, als ik in een kerk die stem niet gehoord had. Mijn kindje zou nog leven, misschien zouden de dokters het redden... Ik, die voor niets ter wereld naar den pastoor geloopen zou zijn! Of ik gelijk had! Er is geen Heilige Maagd! Er is geen lieve God!"

Zonder berusting, zonder illusie, zonder hoop ging zij voort, lasterde met de echte ruwheid van het volk tegen God, schreeuwde haar smart zoo woest uit, dat zuster Hyacinthe tusschenbeide moest komen.

"Zwijg, ongelukkige. De goede God straft u door uw wond nog meer te laten bloeden."

De scène had lang geduurd, en toen zij in volle vaart Riscle voorbijstoomden, klapte zij opnieuw in haar handen en gaf het teeken, dat ze Laudate, laudate Mariam! [21] moesten zingen.

"Komt, kinderen, allemaal tegelijk en uit volle borst."

Au ciel et sur terre Que toutes les voix Pour vous, o ma Mère, Chantent à la fois Laudate, laudate, laudate Mariam.

Nu zij overstemd werd door dit lied der liefde, snikte madame Vincent alleen nog maar in haar handen; zij was krachteloos, kon nog slechts zacht stamelen als een arme, door smart en uitputting stompzinnig geworden vrouw.

In den wagon begonnen na het lied de anderen zich ook moede te gevoelen. De zoo levendige zuster Hyacinthe en de zachte, ernstige kleine zuster Claire des Anges waren nog de eenigen, die Lourdes verlaten hadden, zooals zij er gekomen en er geweest waren: dezelfde opgewektheid van altijd, dezelfde aan alles gewende, alles overwinnende kalmte, die haar met haar witte schorten en haar witte kapjes nooit verliet. Madame de Jonquière, die in vijf nachten zoo goed als niet geslapen had, deed alle mogelijke moeite om haar arme oogen open te houden; toch was zij verrukt over de reis en ging zij naar huis met de groote vreugde in haar hart een man voor haar dochter gevonden te hebben en het mooiste wonder mede te nemen, een wonderdadig genezene, over wie de heele wereld spreken zou. Zij nam zich voor dien nacht eens lekker te slapen ondanks de harde schokken van den wagon, hoewel zij zich toch ongerust begon te maken over la Grivotte, die zij zoo vreemd, zoo opgewonden, zoo verwilderd vond met haar doffe oogen en de violette plekken op haar wangen. Tienmaal had zij getracht haar wat te kalmeeren, zonder echter gedaan te kunnen krijgen, dat zij met gevouwen handen en gesloten oogen stil bleef zitten. Gelukkig baarden de andere zieken haar geen zorg, allen voelden zij zich verlicht of anders zóó moe, dat zij reeds indommelden. Elise Rouquet had een zakspiegel gekocht, een grooten, ronden spiegel, waarin zij niet moede werd te kijken. Zij vond zich mooi, constateerde, dat van minuut tot minuut de genezing vorderde, en wel met een coquetterie, die haar, nu haar monsterachtig gezicht wat menschelijker werd, haar lippen spitsen en een glimlachje probeeren deed. Sophie Couteau zat lief te spelen; zij had, nu zij merkte, dat niemand meer vroeg haar voet te zien, uit eigen beweging haar schoenen uitgetrokken en zeide telkens, dat zij een steentje in haar kous had; maar toen toch niemand eenige aandacht aan dat door de Heilige Maagd genezen voetje schonk, nam zij het in haar handen, streelde het en scheen het heerlijk te vinden het aan te raken en ermede te spelen.

Mijnheer de Guersaint was opgestaan en keek, leunend tegen het beschot, naar mijnheer Sabathier.

"Vader, vader," riep plotseling Marie, "kom eens kijken naar die groote kras in het hout. Die is natuurlijk van het ijzeren beslag van mijn wagentje!"

Dit teruggevonden teeken maakte haar zoo gelukkig, dat zij een oogenblik het heimelijke verdriet, dat zij scheen te willen verzwijgen, vergat. Evenals madame Vincent in tranen uitgebarsten was bij het zien van de leeren riemen, waarmede haar dochtertje gespeeld had, zoo kon zij een kreet van vreugde niet onderdrukken, nu zij die kras zag, welke haar herinnerde aan haar lang martelaarschap, aan die voor goed verdwenen, als een booze droom vervlogen pijnen.

"Te denken, dat ik nauwlijks vier dagen geleden daar nog lag en mij niet verroeren kon; en nu loop ik, sta ik en voel ik mij zoo gezond!"

Pierre en mijnheer de Guersaint lachten haar toe, terwijl mijnheer Sabathier, die haar woorden ook gehoord had, langzaam zeide:

"Het is zoo, je laat een beetje van je zelf, van je lijden, van je hoop in de dingen van je omgeving achter, en wanneer je ze terugvindt, spreken ze tegen je, zeggen ze je telkens weer die dingen, die je bedroefd of gelukkig maken."

Berustend en zich in zijn lot schikkend was hij sedert het vertrek uit Lourdes stil in zijn hoekje blijven zitten; zelfs zijn vrouw had, wanneer zij zijn beenen toedekte en hem vroeg of hij pijn had, geen woord uit hem kunnen krijgen. Hij had geen pijn, maar was door een onoverwinlijke neerslachtigheid aangegrepen.

"Neem mij nu bijvoorbeeld eens," ging hij voort. "Op de lange heenreis heb ik den tijd gedood met het tellen van de friesen op het plafond. Er waren er dertien van de lamp tot het portier. Ik heb ze nu weer geteld, en er zijn er nog altijd dertien, natuurlijk... Zoo is het ook met die koperen knop naast me. U kunt niet begrijpen, hoeveel droomen ik in den nacht, dat mijnheer de abbé ons de geschiedenis van Bernadette voorgelezen heeft, voor mezelf gedroomd heb, toen ik dat ding zoo zag glanzen. Ja, ik zag me genezen, ik maakte de reis naar Rome, waarover ik nu al twintig jaar lang praat, liep de heele wereld af; enfin allerlei dwaze, maar toch heerlijke droomen. En nu we naar Parijs teruggaan, zijn er nog dertien friesen, glimt de knop nog, en dat alles zegt me nu, dat ik weer met mijn doode beenen op deze bank lig... Nu is het uitgemaakt, ik ben en blijf een arm, oud dier, waarmee het afgeloopen is."

Twee dikke tranen kwamen in zijn oogen, hij doorleefde blijkbaar een vreeselijk moeilijk uur. Doch dan richtte hij zijn grooten, vierkanten kop met de jukbeenderen, die een zoo hardnekkig geduld verrieden, weer op.

"Dit is nu de zevende maal, dat ik naar Lourdes geweest ben, en de Heilige Maagd heeft mij niet verhoord. Maar dat doet niets ter zake en zal mij niet weerhouden het volgend jaar weer te gaan. Misschien zal zij dan zoo genadig zijn mijn gebed te verhooren."

Hij was niet in opstand; en Pierre stond, toen hij hem zoo hoorde praten, verstomd over die hardnekkige lichtgeloovigheid, die ondanks alles telkens weer in dezen geestelijk zoo ontwikkelden man opbloeide. Uit welk een vurige begeerte naar genezing en naar leven waren dat niet willen zien van de werkelijkheid, dat blind willen zijn geboren? Hij bleef halsstarrig volhouden gered te zullen worden, tegen alle waarschijnlijkheid in en niettegenstaande de proef met het wonder reeds zoo dikwijls mislukt was; ja zelfs ging hij zoover om dit nieuwe echec toe te schrijven aan zijn verstrooidheid bij de Grot, aan een blijkbaar onvoldoend berouw, aan allerlei kleine zonden, die hem het misnoegen der Heilige Maagd op den hals gehaald hadden. Hij nam zich reeds voor het volgend jaar, alvorens naar Lourdes te gaan, ergens een novene [22] te houden.

"Tusschen twee haakjes," ging hij voort, "hebt u het geluk gehoord, dat mijn plaatsvervanger gehad heeft? U weet wel, die teringlijder, voor wien ik de vijftig francs reisgeld betaald heb, toen ik mij in de Hospitalité liet opnemen... Welnu die is radicaal genezen!"

"Heusch, een teringlijder?" riep mijnheer de Guersaint uit.

"Waarachtig, mijnheer, volkomen genezen als in een handomdraaien... Ik had hem zoo minnetjes, zoo geel, zoo uitgeteerd gezien, en hij is me zoo gezond als een visch in het Hôpital komen opzoeken. Ik heb hem toen nog honderd sous gegeven."

Pierre moest een glimlach onderdrukken, want hij had van dr. Chassaigne de ware toedracht der zaak gehoord. De genezene in quaestie was een simulant, dien men ten slotte op het geneeskundig bureau ontmaskerd had. Het moest minstens al het derde jaar geweest zijn, dat hij zich daar aanmeldde, den eersten keer voor een verlamming, den tweeden keer voor een gezwel, beide malen eveneens volkomen genezen. Iederen keer had hij zich laten logeeren en voeden en was, overladen met aalmoezen, weggegaan. Hij was een oud ziekenverpleger, grimeerde zich een kop, die het beste bij zijn kwaal paste, met zoo'n groote handigheid, dat een toeval dr. Bonamy te hulp had moeten komen, om het bedrog te ontmaskeren. De paters hadden een volkomen stilzwijgen over de zaak geëischt. Waarom deze schandelijke daad over te leveren aan den spot der couranten? Wanneer zij dergelijke schelmerijen ontdekten, vergenoegden zij er zich mede den schuldige te doen verdwijnen. Simulanten kwamen trouwens zeer weinig voor ondanks de verhalen, die door Voltairianen over Lourdes verspreid waren. Helaas waren, buiten het geloof, domheid en onwetendheid meer dan voldoende.

Mijnheer Sabathier was zeer onder den indruk van het feit, dat de hemel den man, die op zijn kosten gekomen was, had genezen, terwijl hij krachteloos en in denzelfden deerniswaardigen toestand terugkeerde. Hij zuchtte en zeide niet zonder een zweempje afgunst in zijn berusting:

"Enfin, wat zal je eraan doen? De Heilige Maagd moet toch het beste weten wat zij doet. Noch u, noch ik zullen haar rekenschap van haar daden vragen. Wanneer het haar behagen zal een blik op mij te werpen, zal zij mij altijd aan haar voeten vinden."

Te Mont-de-Marsan liet zuster Hyacinthe na het Angelus de vijf droeve mysteriën bidden: Jezus in den tuin van den olijfberg, Jezus gegeeseld, Jezus met de doornenkroon, Jezus zijn kruis dragend, Jezus stervend aan het kruis. Vervolgens werd in den wagon het avondmaal gebruikt, want de trein zou niet voor elf uur te Bordeaux stoppen. Alle manden der pelgrims waren volgepropt met mondvoorraad, ongerekend de melk, de bouillon, de chocolade en de vruchten, die zuster Saint-François uit den kantinewagen had laten brengen. Alles werd broederlijk verdeeld; men at van zijn knieën, in het kort het was een maaltijd, waarvoor ieder zijn aandeel leverde. En toen men klaar was, pakte men de rest van het brood en de vette papieren weer in.

"Kinderen," zeide zuster Hyacinthe, toen zij Morceux voorbijstoomden; "het avondgebed!"

Nu volgde een verward gegons van stemmen: Pater's, Ave's, een boetedoening, een geheel zich toevertrouwen aan God, aan de Heilige Maagd, aan de heiligen, een dankzegging voor den gelukkigen dag, besloten met een gebed voor de levenden en voor de gestorven geloovigen.

"Ik zeg nu vast maar vooruit, dat ik, als we om tien uur Lamothe passeeren, stilte bevelen zal. Maar ik hoop, dat u allen verstandig zult zijn en dat we u niet in slaap behoeven te wiegen."

Deze woorden verwekten gelach. Het was nu half negen. Langzaam was de avond op het veld neergedaald. Alleen over de heuvels lag nog de vage, scheidende schemering, terwijl de lage landen reeds met een donker laken bedekt waren. De trein reed in volle vaart door een uitgestrekte vlakte; er was niets meer te zien dan die zee van donkerte, waarin hij voortjoeg onder den donkerblauwen, met sterren bezaaiden hemel.

Sedert eenige oogenblikken keek Pierre verwonderd naar la Grivotte. Terwijl de pelgrims en de zieken reeds indommelden, opgepakt tusschen de bagage, die door het aanhoudende schokken slingerde, was zij rechtop gaan staan en klemde zich als na een plotselingen angst krampachtig vast aan het tusschenschot. In het bleeke, gele, dansende licht van de lamp scheen zij weer magerder geworden te zijn, terwijl haar gelaat weer lijkkleurig zag en door pijn vertrokken werd.

"Pas op, madame, zij valt," riep de priester tegen madame de Jonquière, die door haar slaap bijna overmand werd.

Zij sprong haastig op, maar zuster Hyacinthe had zich nog vlugger omgedraaid en ving la Grivotte, die door een hevige hoestbui overvallen werd, in haar armen op. Vijf minuten lang werd de ongelukkige door zoo'n hoest geschud, dat haar arm lichaam ervan kraakte. Dan kwamen er roode draden uit haar mond en kreeg zij een hevige bloedspuwing.

"Lieve God, nu begint het weer," riep madame de Jonquière wanhopig. "Ik vermoedde het wel, ik was er wel bang voor, toen ik haar zoo vreemd zag doen... Wacht, ik zal naast haar gaan zitten!"

Zuster Hyacinthe wilde daar echter niet van hooren.

"Neen, neen, madame u gaat wat slapen, ik zal waken... U bent het niet gewend en zoudt ten slotte zelf ook nog ziek worden."

Zij ging zitten en hield het hoofd van la Grivotte, wier bloederige lippen zij schoon maakte, tegen haar schouder. De aanval bedaarde, maar de zwakte kwam zóózeer terug, dat de ongelukkige nauwlijks de kracht had om te stamelen: "O, het is niets, het is heelemaal niets... Ik ben genezen, genezen, heelemaal genezen!"

Pierre was geheel van streek. Die verpletterende instorting had den geheelen wagon met ontzetting vervuld. Velen stonden op en keken angstig over de tusschenschotten. Dan doken allen weer in het hoekje terug, niemand sprak, niemand verroerde zich meer. Pierre dacht aan het interessante medische geval, dat dit meisje bood: de daarginds herstelde krachten, de groote eetlust, de lange wandelingen, haar stralend gezicht, haar dansende ledematen; en nu weer dat opgeven van bloed, die hoest, dat loodkleurige gezicht, de brutale terugkeer van de ziekte, die ondanks alles overwon. Was dit soms een bijzondere soort tering, die door neurose gecompliceerd werd? Of was het een andere ziekte, een onbekende kwaal, die rustig haar gang ging te midden van tegenstrijdige diagnosen? De zee van onwetendheid en dwalingen begon, die duisternis, waarin de menschelijke wetenschap nog steeds rondspartelt. Hij zag dr. Chassaigne weer minachtend zijn schouders ophalen, terwijl dr. Bonamy kalm voortging de genezingen vast te stellen in de absolute zekerheid, dat niemand hem de onmogelijkheid van zijn wonderen zou kunnen bewijzen, evenmin als hij er de mogelijkheid van kon aantoonen.

"O, ik ben niet bang," stamelde la Grivotte nog steeds, "zij hebben het me daar allemaal gezegd, ik ben genezen, volkomen genezen!"

De wagen rolde, rolde in den zwarten nacht. Ieder maakte het zich zoo makkelijk mogelijk, om te kunnen slapen. Men dwong madame Vincent op de bank te gaan liggen, gaf haar een kussen, waarop zij haar arm, pijnlijk hoofd kon leggen, en zij, die gedwee en volgzaam als een kind geworden was, dommelde nu in, in de gevoelloosheid en verdooving van een nachtmerrie, terwijl dikke, stille tranen uit haar gesloten oogen bleven rollen. Ook Elise Rouquet had een bank voor zichzelf, maakte zich gereed om erop te gaan liggen, maar, nog steeds in haar spiegel kijkend, maakte zij eerst groot nachttoilet, knoopte het zwarte doekje, dat gediend had om haar wond te verbergen, over haar hoofd en keek of zij nu met haar geslonken lip mooi was. En weer zag Pierre tot zijn verbazing, hoe die wond, zoo niet genezen, dan toch op weg van beterschap was, hoe thans dat afzichtelijke gezicht van drie dagen geleden toonbaar was. De zee der onzekerheden begon opnieuw. Was het soms geen echte lupus? Was het misschien een onbekende soort tumor van hysterischen oorsprong? Of moest men aannemen, dat sommige onvoldoend bestudeerde lupusgevallen, die voortkwamen uit een slechte voeding van de huid, door een hevigen moreelen schok genezen konden worden? Het was een wonder, wanneer hij tenminste na drie weken, drie maanden, drie jaar niet terugkwam, zooals de tering bij la Grivotte.

Het was tien uur. De geheele wagon dommelde toen men Lamothe verliet. Zuster Hyacinthe, die het hoofd van de in slaap gevallen Grivotte op haar knieën hield, kon niet opstaan; zij vergenoegde zich om, voor den vorm, met een zachte stem, die in het gedreun der wielen verloren ging, te zeggen:

"Stilte, kinderen, stilte!"