Part 44
"O, hoe dankbaar ben ik de Heilige Maagd! Van haar komt dit alles, ik heb het gisterenavond wel begrepen. Het kwam mij voor, alsof zij mij een teeken gaf, juist op het oogenblik, dat mijn man het besluit nam mij te gaan halen. Ik heb hem het juiste uur gevraagd, en het klopt precies... Ziet u, er bestaat geen grooter wonder; om die andere, die herstelde beenen, die verdwenen wonden moet ik lachen. O, Notre-Dame de Lourdes zij gezegend, dat zij mijn hart genezen heeft!"
De groote, donkere man keerde zich om, zij vloog naar hem toe en vergat daardoor afscheid te nemen. Dit onverwachte liefde-buitenkansje, deze verlate terugkeer van de wittebroodsweken, die heele week, die zij met haar man, naar wien zij zoo verlangd had, te Luchon ging doorbrengen, maakte haar werkelijk dol van vreugde. Hij, een goedmoedige kerel, die in een oogenblik, dat hij boos was en zich eenzaam voelde, haar weer tot zich genomen had, kwam er ook even van onder den indruk; het avontuur amuseerde hem en hij vond haar veel knapper dan hij gedacht had.
Op dat oogenblik kwam, terwijl de stroom van zieken, die naar hun wagons gebracht werden, steeds aanwies, de trein van Toulouse in zicht. Dat gaf een verdubbeling van lawaai, een buitengewone verwarring. Overal rinkelden signaalklokjes, werden seinen gegeven. Men zag den stationschef toesnellen en hoorde hem zoo hard als hij kon roepen:
"Oppassen daar... Maakt den weg toch vrij!"
Een stationsbeambte moest nog op het laatste oogenblik een wagentje met een oude vrouw, dat daar vergeten was, van de rails duwen. Een verschrikte troep pelgrims stak nog over, ongeveer dertig meter voor de locomotief, die langzaam, puffend en snuivend naderde. Anderen, die heelemaal hun hoofd verloren, zouden onder de wielen gekomen zijn, indien de stationsbeambten hen niet ruw bij den schouders hadden gepakt. Eindelijk stond de trein, zonder iemand overreden te hebben, stil te midden van matrassen en kussens, die rondslingerden, een golf van reizigers stapte uit, terwijl een andere golf instapte, in een dubbelen stroom en tegenstroom, zoodat het gedrang nog erger werd en het tumult zijn toppunt bereikte. Voor de raampjes der gesloten portieren waren hoofden verschenen, eerst nieuwsgierig, doch dan stom-verbaasd door het verwonderlijke schouwspel; in het bijzonder vielen twee aanbiddelijk mooie jongemeisjeskopjes op, wier groote, trouwhartige oogen ten slotte het smartelijkste medelijden uitdrukten.
Madame Maze was, door haar man gevolgd, in een wagon gestapt, zoo gelukkig en zoo lenig, alsof zij pas twintig was, zooals op den avond van haar huwlijksreis. De portieren werden weer gesloten, de locomotief liet een scherp gefluit hooren, zette zich langzaam en dreunende in beweging tusschen de menigte, die achter den trein weer samenvloeide als het water uit een geopende sluis.
"Sluit het perron af!" riep de stationschef tegen de beambten; "en let goed op, als de machine voorkomt!"
Te midden van al dat lawaai kwamen eindelijk de pelgrims, die zich verlaat hadden, aan. La Grivotte met haar koortsachtig schitterende oogen liep met haar dansenden gang voorbij, gevolgd door Elise Rouquet en Sophie Couteau, die buiten adem waren van het harde loopen. Alle drie haastten zij zich naar haar wagon, waar zij een standje van zuster Hyacinthe kregen. Zij waren bijna in de Grot gebleven, waar pelgrims, die zich niet los konden rukken en maar steeds de Heilige Maagd smeekten of dankten, dikwijls achterbleven, terwijl de trein aan het station op hen stond te wachten.
Plotseling zag Pierre, zelf ook ongerust en niet meer wetend wat hij ervan denken moest, mijnheer de Guersaint en Marie heel kalm onder de marquise staan praten met abbé Judaine. Hij snelde naar hen toe.
"Wat hebben jullie toch uitgevoerd? Ik begon de hoop reeds op te geven."
"Wat we gedaan hebben?" antwoordde mijnheer de Guersaint verbaasd. "We waren naar de Grot, dat weet je toch zelf ook wel... Een priester heeft er schitterend gepreekt. We zouden er nog zijn, indien ik mij niet bijtijds herinnerd had, dat we weg moesten... Wij hebben zelfs een rijtuig genomen, zooals we je beloofd hadden."
Hij hield even op om op de klok te kijken.
"We hebben niets geen haast. De trein vertrekt pas over een kwartier."
Dat was zoo, en om Marie's lippen speelde een glimlach van hemelsche vreugde.
"O, Pierre, als je eens wist, hoe gelukkig dat laatste bezoek aan de Heilige Maagd mij gemaakt heeft. Ik heb gezien, hoe zij mij toelachte, ik heb gevoeld, hoe zij mij kracht tot leven gaf... Heusch, het was een verrukkelijk afscheid, en je moet niet boos op ons zijn, Pierre!"
Hij zelf was ook begonnen te lachen, een weinig verlegen over zijn zenuwachtigen angst. Had hij dan zoo'n vurig verlangen om ver van Lourdes te zijn? Was hij bang, dat Marie door de Grot achtergehouden worden en niet meer terugkomen zou? Nu zij er was, verwonderde hij zich over zichzelf en voelde hij zich weer kalm.
Toen hij hun echter aanried toch maar naar den wagon te gaan, zag hij dr. Chassaigne naar hen toekomen.
"O, beste dokter, ik had het wel gedacht, dat u komen zoudt. Het zou mij zoo vreeselijk gespeten hebben, wanneer ik u niet meer gezien had!"
Maar de oude dokter, die van aandoening beefde, viel hem in de rede.
"Ja, ja, ik heb me verlaat... Stel je voor, toen ik tien minuten geleden hier aankwam, stond ik even met den Commandeur, je weet wel dat origineele type, te praten. Hij grinnikte bij het zien van al die zieken, die weer naar den trein gingen, om, zooals hij zich uitdrukte, thuis te gaan sterven, waar zij eigenlijk mede hadden moeten beginnen... En toen sloeg hij plotseling, als door den bliksem getroffen, tegen den grond... Het was de derde beroerte, die hij verwachtte."
"Lieve hemel," prevelde abbé Judaine, die het gehoord had, "hij lasterde God, de hemel heeft hem gestraft!"
Mijnheer de Guersaint en Marie luisterden gespannen en ontroerd.
"Ik heb hem in de loods laten brengen," ging de dokter voort. "Het zal nu wel uit zijn, ik kon er niets meer aan doen, ongetwijfeld zal hij binnen een kwartier dood zijn... Toen heb ik aan een priester gedacht en ben hierheen geloopen..."
En zich tot abbé Judaine wendend:
"Mijnheer de abbé, u kent hem, u wilt zeker wel met me meegaan. Men kan een Christen toch zoo niet laten sterven. Misschien erkent hij nog zijn dwaling, wil hij zich met God verzoenen."
Vlug volgde abbé Judaine hem, terwijl mijnheer de Guersaint, Marie en Pierre, die door de gedachte aan dit drama zeer ontroerd waren, ook mede gingen. Alle vijf gingen zij de goederenloods binnen op twintig pas afstands van de menigte, die lawaai bleef maken, zonder te vermoeden, dat zoo vlak bij een mensch lag te zieltogen.
Daar in een stil hoekje, tusschen twee zakken haver, lag de Commandeur op een matras, die men van den reserve-voorraad genomen had. Hij had zijn eeuwige overjas aan met het breede, roode lint in het knoopsgat; iemand, die zoo voorzichtig geweest was, om zijn wandelstok met den zilveren knop op te rapen, had dezen zorgvuldig naast de matras gelegd.
Dadelijk boog abbé Judaine zich over hem heen.
"Je herkent me toch, je hoort me toch, arme kerel?"
Aan den Commandeur schenen nog slechts zijn oogen te leven; maar zij leefden en schitterden dan ook met een vlam van hardnekkige energie. De beroerte, die blijkbaar ditmaal de rechterzijde van zijn lichaam getroffen had, scheen zijn tong verlamd te hebben. Toch stamelde hij nog enkele woorden, slaagde hij erin zich in zooverre verstaanbaar te maken, dat zij begrepen, dat hij daar wilde sterven, zonder dat ze hem verder lastig vielen. Hij had geen bloedverwant te Lourdes, waar niemand iets van zijn verleden of zijn familie wist; hij leefde er sinds drie jaar van zijn onaanzienlijk baantje aan het station, en zag nu, volmaakt gelukkig, eindelijk zijn vurigen wensch, zijn eenigen wensch, namelijk om heen te gaan en in den eeuwigen slaap, het heelende Niet weg te zinken, werkelijkheid worden.
"Heeft u nog een wensch uit te spreken?" vroeg abbé Judaine verder. "Kunnen wij op de een of andere wijze nog iets voor u doen?"
Neen, neen; zijn oogen antwoordden, dat hij zich goed voelde, dat hij tevreden was. Al drie jaar lang was hij geen ochtend opgestaan zonder den wensch, dat hij 's avonds op het kerkhof zou slapen. Wanneer de zon scheen, placht hij met iets als verlangen in zijn stem te zeggen: "Wat een prachtige dag, om te sterven." En de dood, die hem van dit verfoeilijk leven verlossen kwam, was hartelijk welkom.
Dr. Chassaigne kon den priester, die hem smeekte nog iets te beproeven, slechts op eenigszins bitteren toon zeggen:
"Ik kan niets, de wetenschap is onmachtig; hij is ten doode opgeschreven."
Op dat oogenblik kwam een oude vrouw, een tachtigjarige pelgrim, die verdwaald was en niet meer wist, waar zij liep, de loods binnen. Lam en gebocheld, niet grooter dan een kind en behept met alle kwalen van den ouderdom, sleepte zij zich op een stok voort; aan een riem had zij een kruik Lourdeswater hangen, om haar leven ondanks den verschrikkelijken toestand van verval, waarin zij verkeerde, nog te verlengen. Een oogenblik keek zij verschrikt naar den man, die daar lag te sterven. Dan kwam een grootmoederlijke goedheid in haar troebele oogen, deed een gevoel van menschenliefde haar een paar stappen dichterbij komen. Met haar voortdurend bevende handen nam zij haar kruik en gaf dien aan den man.
Dat was voor abbé Judaine een plotselinge lichtstraal, als een ingeving uit den hooge. Hij, die zoo vurig gebeden had voor de genezing van madame Dieulafay en dien de Heilige Maagd niet verhoord had, voelde zich door een nieuw geloof doorgloeien en was overtuigd, dat de Commandeur, als hij dronk, genezen zou worden. Hij viel naast de matras op zijn knieën.
"Broeder, God zendt u deze vrouw... Verzoen u met God, drink en bid, terwijl wij met geheel onze ziel de goddelijke barmhartigheid voor u zullen afsmeeken... God zal u zijn macht willen bewijzen, God zal het groote wonder doen u op te richten, opdat gij nog lange jaren op deze aarde verblijven kunt, om hem lief te hebben en te prijzen."
"Neen, neen!" riepen de fonkelende oogen van den Commandeur; "neen!" Hij zou even laf zijn als die kudden pelgrims, die van zoo verre en onder zoo groote inspanning hier kwamen, om zich op den grond te werpen en snikkend den hemel te smeeken hen nog een maand, een jaar, tien jaar te laten leven! Het was zoo goed, zoo eenvoudig rustig in je bed te sterven. Je keert je gezicht naar den muur en je sterft.
"Drink, broeder, drink, ik bezweer het u... Het is het leven, dat gij drinken zult, de kracht, de gezondheid en ook de levensvreugde... Drink, om weer jong te worden, om een nieuw en vroom leven te beginnen! Drink, om den lof te zingen van de Moeder Gods, die uw lichaam en uw ziel redden zal... Zij spreekt tot mij, uw herrijzenis is zeker!"
"Neen! Neen!" De oogen weigerden en stieten het leven met een steeds grooter wordende hardnekkigheid weg, waarbij zich nu nog een doffe vrees voor het wonder voegde. De Commandeur geloofde niet, haalde nu al drie jaar lang zijn schouders op voor die zoogenaamde wonderen. Maar je kan in deze idiote wereld alles verwachten. Er gebeurden soms van die vreemde dingen! En indien bij toeval hun water werkelijk een bovennatuurlijke kracht had en zij hem dit met geweld lieten drinken, het zou vreeselijk zijn weer op te leven, weer zijn bagno-tijd te moeten beginnen, het gruwlijke lijden door te maken, dat Lazarus, de deerniswaardige uitverkorene van het wonder, tweemaal doorgemaakt had. Neen, neen, hij wilde niet drinken, hij wilde de afschuwlijke kans der herrijzenis niet loopen.
"Drink, drink, broeder," herhaalde de oude priester met tranen in zijn oogen, "verhard niet in uw afwijzing der hemelsche genaden!"
En nu zag men het verschrikkelijke, dat deze reeds half doode man zich oprichtte, de benauwend-knellende banden der verlamming afschudde, voor een seconde zijn geketende tong losmaakte en met een heesche bromstem schreeuwde: "Neen, neen, neen!"
Pierre moest de verschrikte oude vrouw wegbrengen. Zij had deze weigering van het water, dat zij als een onschatbaar goed, als het geschenk zelf van den eeuwigen God aan de armen, die niet sterven willen, niet begrepen. Hinkend, gebocheld, op haar stok het droevig overschot van haar tachtig jaar voortslepend, verdween zij tusschen de rondtrappelende menigte, verteerd door haar hartstocht om te leven, snakkend naar lucht, zon en drukte.
Marie en haar vader hadden gehuiverd voor dit vurige verlangen naar den dood, dien gulzigen honger naar het Niet, die zich bij den Commandeur openbaarden. O, slapen, zonder droom slapen, in het oneindige donker, eeuwig, niets kon ter wereld zoo heerlijk zijn! Het was niet de hoop op een beter leven, niet het verlangen om eindelijk gelukkig te zijn in een paradijs van gelijkheid en gerechtigheid; het was alleen het verlangen naar den donkeren nacht, naar den eindeloozen slaap, naar het genot om voor eeuwig niet meer te zijn. Ook dr. Chassaigne had gehuiverd, want ook hij koesterde slechts één gedachte, die van de gelukzaligheid van het oogenblik, waarin hij sterven zou. Maar aan gene zijde van dit aardsche bestaan wachtten hem zijn dierbare dooden, zijn vrouw en zijn dochter, op den drempel van het eeuwige leven. Als een ijskoud stortbad zou het voor hem zijn, als hij een enkel oogenblik tegen zichzelf had moeten zeggen, dat hij haar niet zou terugvinden!
Moeilijk stond abbé Judaine weer op. Hij had meenen op te merken, dat de Commandeur nu zijn oogen op Marie gevestigd hield. Wanhopig, dat zijn smeekbeden niet helpen mochten, wilde hij hem een voorbeeld geven van die goedheid Gods, welke hij afwees.
"U herkent haar, niet waar? Ja, het is het jonge meisje, dat Zaterdag zoo ziek en verlamd aan beide beenen hier gekomen is. En nu ziet u haar zoo gezond, zoo sterk, zoo mooi... De hemel heeft haar genade geschonken, zie, zij is herboren voor haar jeugd, voor het lange leven, waarvoor zij bestemd is... Voelt u geen verlangen naar het leven, nu u haar ziet? Zoudt u misschien dit kind ook dood gewenscht hebben, haar hebben aangeraden niet te drinken?"
De Commandeur kon niet antwoorden; maar zijn oogen waren niet meer af van het gelaat van Marie, waarop een zoo groote blijdschap over haar herrijzenis, een zoo vaste hoop op tallooze komende dagen te lezen was; en tranen kwamen, maakten zijn oogleden dik, rolden langs zijn reeds koude wangen. Hij weende ongetwijfeld over haar, hij dacht ongetwijfeld aan het andere wonder, dat hij voor haar gewenscht had, als zij genas, n.l. gelukkig te zijn. Het was de ontroering van een oud man, die de ellende van deze wereld kent, en dien al de smarten, welke dit arme schepseltje nog wachtten, met medelijden vervulde.
Het beklagenswaardige kind! Hoe dikwijls zou zij het later niet betreuren, dat zij op haar twintigste jaar niet gestorven was.
Toen kwam een sluier voor de oogen van den Commandeur, alsof die laatste tranen van medelijden ze hadden gebluscht. Dat was het einde, het coma [20] kwam, het besef verdween met de ademhaling. Hij draaide zich om en was dood.
Onmiddellijk trok dr. Chassaigne Marie ter zijde.
"De trein vertrekt, haast u, haast u!"
Inderdaad drong door het steeds grooter wordende tumult van de menigte het slaan op een bel tot hen door. De dokter, die twee brancarddragers opdroeg te blijven waken bij het lijk, dat straks, als de trein vertrokken was, weggebracht kon worden, wilde zijn vrienden tot hun wagon brengen.
Allen haastten zich. Abbé Judaine volgde hen, na een kort gebed gezegd te hebben voor de rust van deze opstandige ziel. Doch toen Marie, gevolgd door Pierre en mijnheer de Guersaint, over het perron liep, werd zij nog staande gehouden door dr. Bonamy, die haar triomphantelijk aan pater Fourcade voorstelde.
"Eerwaarde vader, mademoiselle de Guersaint, het jonge meisje, dat gisteren zoo wonderdadig genezen is!"
De pater had den stralenden glimlach van een generaal, aan wien men zijn schitterendste overwinning in herinnering brengt.
"Ik weet het, ik weet het, ik was erbij... Geliefde dochter, God heeft u onder allen gezegend, ga heen en prijs zijn naam!"
Dan wenschte hij mijnheer de Guersaint geluk, wiens vadertrots genoot. De ovatie begon opnieuw; een concert van liefdevolle woorden, van verwonderde blikken, die het jonge meisje 's ochtends door de straten van Lourdes gevolgd waren, en die haar in de laatste minuut vóór het vertrek weer omringden. Al luidde de bel weer, een kring van verrukte pelgrims had zich om haar heen gevormd; het scheen, alsof zij in haar persoon de glorie der bedevaart, den triomf van den godsdienst, die van nu af aan in alle hoeken der wereld zou weerklinken, in haar persoon belichaamde.
Pierre werd diep ontroerd, toen hij de smartelijke groep zag, die dicht daarbij mijnheer Dieulafay en madame Jousseur vormden. Hun blikken hadden zich op Marie gevestigd; zij verbaasden zich evenals de anderen over de wonderdadige herrijzenis van dit zoo mooie jonge meisje, dat zij zoo krachteloos, zoo mager, zoo lijkkleurig gezien hadden. Waarom niet de jonge vrouw, de hun zoo dierbare vrouw, die zij stervend mee naar huis namen? Hun verlegenheid, hun schaamtegevoel scheen grooter te worden: zij weken terug in hun onbehaaglijk gevoel van te rijke paria's; en het was voor hen een opluchting, toen zij, nadat drie brancarddragers met groote moeite madame Dieulafay in het compartiment eerste klasse gedragen hadden, op hun beurt ook met abbé Judaine verdwijnen konden.
Maar reeds riepen de conducteurs: "Instappen! Instappen!" Pater Massias, die met de geestelijke leiding van den trein belast was, had zijn plaats weer ingenomen en pater Fourcade, die nu op den schouder van dr. Bonamy leunde, op het perron laten staan. Gérard en Berthaud groetten nog eenmaal de dames, terwijl Raymonde zich bij madame Désagneaux en madame Volmar voegde, die het zich in haar hoekje reeds makkelijk gemaakt hadden. Madame de Jonquière begaf zich naar haar wagon, waar zij tegelijk met de Guersaints kwam. Men verdrong zich, het was een geschreeuw, een zenuwachtig heen en weer geloop langs den eindeloozen trein, waaraan men nu de locomotief gekoppeld had, een geheel koperen machine, stralend als een ster.
Pierre liet Marie voorgaan, toen mijnheer Vigneron kwam aanrennen en hem toeschreeuwde:
"Het is geldig! Het is geldig!"
Rood van opwinding liet hij zijn biljet zien, zwaaide het heen en weer. Hij galoppeerde tot den coupé, waarin zijn vrouw en zijn zoon zaten, om hun de goede tijding mede te deelen.
Toen Marie en haar vader zaten, bleef Pierre nog even op het perron staan, om afscheid te nemen van dr. Chassaigne, die hem vaderlijk omarmde. Hij wilde hem doen beloven naar Parijs terug te komen, om in zijn leven wat meer vroolijkheid te brengen. Maar de oude dokter schudde het hoofd.
"Neen, neen, beste jongen, ik blijf... Zij zijn hier en houden mij hier."
Hij bedoelde zijn lieve dooden. Dan zacht en ontroerd:
"Vaarwel!"
"Neen, niet vaarwel dokter, tot wederziens!"
"Ja, ja, vaarwel... Want zie je, de Commandeur had gelijk. Er is niets zoo heerlijk als sterven, maar sterven, om te herleven."
Baron Suire gaf order de witte vlaggen aan den kop en aan het eind van den trein weg te nemen. Dringender klonk het geroep der conducteurs: "Instappen, instappen!" Nu volgde een nog grooter gedrang: de stroom van laatkomers, die nu bezweet en buiten adem kwamen aanvliegen. In den wagon telden madame de Jonquière en zuster Hyacinthe haar patienten. La Grivotte, Elise Rouquet, Sophie Couteau waren er. Madame Sabathier zat op haar plaats tegenover haar man, die met half gesloten oogen geduldig op het vertrek van den trein wachtte.
Dan vroeg er een:
"Gaat madame Vincent niet met ons mee?"
Zuster Hyacinthe, die uit het raampje keek en nog een glimlach wisselde met Ferrand, die op den drempel van den kantinewagen stond, riep:
"Daar is zij!"
Madame Vincent liep de rails over en kwam als laatste, buiten adem en hevig verschrikt, aanvliegen. Onwillekeurig keek Pierre dadelijk naar haar armen. Zij waren leeg.
Alle portieren werden nu gesloten, sloegen het een na het ander dicht. De wagons waren vol, het signaal van vertrek behoefde nog slechts gegeven te worden. Hijgend en puffend, liet de locomotief een eerste schel jubel-gefluit hooren; op dat oogenblik verjoeg de tot dusver omsluierde zon het dichte wolkendons en deed den trein met zijn nu geheel gouden machine, die naar het paradijs der legenden scheen te vertrekken, schitteren. Het was een vertrek vol kinderlijke, hemelsche vroolijkheid, zonder eenige bitterheid. Alle zieken schenen genezen te zijn. Al nam men ze ook weer mee terug zooals men ze gebracht had, zij schenen verlicht, gelukkig, voor een uur tenminste. Niet de minste afgunst bedierf hun eendrachtige liefde: zij, die niet genezen waren, verheugden zich over, triompheerden met de genezing der anderen. Hun beurt zou ook zeker komen, het wonder van heden was de uitdrukkelijke belofte voor het wonder van morgen. Na die drie dagen van vurige smeekbeden hield de koorts van het verlangen onverminderd aan, bleef het geloofsvertrouwen der niet-verhoorden even groot in de zekerheid, dat de Heilige Maagd hen voor hun zieleheil eenvoudig tot later bewaard had. In hun binnenste brandden bij al deze ongelukkige hongerenden en dorstenden naar het leven, de onuitbluschbare liefde, de onverwoestbare hoop. Een laatste uitbarsting van vreugde dreunde dan ook uit de overvolle wagons, een uitgelatenheid van geluk, van gelach, van geroep. "Tot het volgend jaar. Wij komen terug. Wij komen terug!" De kleine, zoo vroolijke zusters van Maria Hemelvaart klapten in haar handen, en, aangeheven door de achthonderd pelgrims, steeg het danklied omhoog:
"Magnificat anima mea Dominum..."
Toen gaf de chef, die eindelijk tot kalmte gekomen was, het signaal tot vertrek. Weer floot de locomotief, zette zich dan in beweging, rolde voort in de stralende zon, als in een glorie. Op het perron glimlachte pater Fourcade, leunend op den schouder van dr. Bonamy, hoewel zijn been hem vreeselijk pijn deed, tegen zijn lieve kinderen, terwijl Berthaud, Gérard en baron Suire een andere groep vormden en dicht bij hen dr. Chassaigne en mijnheer Vigneron met hun zakdoeken wuifden. Uit de portieren der voortsnellende wagons hingen vroolijk lachende hoofden, wapperden zakdoeken in de snelle vaart. Madame Vigneron dwong den kleinen Gustave zijn bleek gezichtje nog even te laten zien. Lang kon men het mollige handje van Raymonde groetend zien zwaaien. Maar Marie bleef het langst kijken naar het tusschen het groen steeds kleiner wordende Lourdes.
Triomphantelijk, glanzend, dreunend verdween in de lichte vlakte de trein, die uit volle borst zong:
"Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo."
IV.
Weer rolde nu op den terugweg naar Parijs de witte trein. En in den wagon derde klasse, waarin het met volle kracht gezongen Magnificat het gedreun der wielen overstemde, was het weer dezelfde ziekenchambrée, dezelfde rijdende en gemeenschappelijke ziekenhuiszaal, die men met één blik over de lage tusschenschotten in al zijn wanorde van geïmproviseerde ambulance overzien kon. Half verborgen onder de banken slingerden kruiken, potten, kommen, bezems, sponsen. Overal en nergens lag bagage opgestapeld, een armoedige verzameling van versleten dingen, pakjes, manden, zakken, die, zonder een oogenblik in rust te zijn, ook aan de koperen haken hingen te slingeren. Dezelfde zusters van Maria Hemelvaart, dezelfde dames der Hospitalité waren er met haar zieken te midden van de gezonde pelgrims, die reeds last hadden van de drukkende hitte en den ondragelijken stank. Achterin zag men weer den geheel met vrouwen gevulden coupé, de tien dicht op elkaar zittende pelgrims, jong en oud, allen even leelijk en op slependen valschen toon luid zingend.
"Hoe laat zijn we ook weer in Parijs?" vroeg mijnheer de Guersaint aan Pierre.
"Morgenmiddag om twee uur, geloof ik," antwoordde de priester.