De drie steden: Lourdes

Part 43

Chapter 434,014 wordsPublic domain

Toen Pierre met zijn valies in zijn hand in het station kwam, kostte het hem ook heel wat moeite om het perron te bereiken. Hij was alleen: Marie had den vurigen wensch te kennen gegeven nog eenmaal vóór de Grot te mogen knielen, opdat haar ziel tot aan de laatste minuten aan de voeten der Heilige Maagd van dankbaarheid zou gloeien; hij had haar met mijnheer de Guersaint laten gaan, terwijl hij zelf de hotelrekening betalen ging. Bovendien had hij hun doen beloven, dat zij een rijtuig naar het station zouden nemen, zoodat zij binnen een kwartier terug konden zijn. Terwijl hij op hen wachtte, was zijn eerste gedachte hun wagon op te zoeken, om er zijn valies in te zetten. Maar dat was zoo heel makkelijk niet; hij herkende hem eerst aan de kaart, die drie dagen in de zon en in het onweer geschommeld had, een vierkant stuk sterk karton met de namen van madame de Jonquière en de zusters Hyacinthe en Claire des Anges. Dat was de wagon: hij zag in zijn herinnering de met zijn reisgenooten gevulde compartimenten terug; kussens wezen reeds het plaatsje van mijnheer Sabathier aan; ja hij vond zelfs op de bank, waar Marie zoo geleden had, een diepe kras terug, die het ijzeren beslag van den bak van het wagentje had achtergelaten. Toen hij zijn valies op zijn plaats had neergezet, bleef hij geduldig op het perron staan rondkijken, eenigszins verbaasd, dat hij dr. Chassaigne niet zag, die vast beloofd had aan den trein afscheid te komen nemen.

Nu Marie weer loopen kon, had Pierre zijn draagriemen afgedaan en droeg hij nog slechts het groote kruis der pelgrims op zijn soutane. Het station, dat hij bij aankomst slechts in het schemerachtige licht van den aanbrekenden dag gezien had, verraste hem door zijn groote perrons, zijn breede uitgangen, zijn lichte vroolijkheid. De bergen waren niet zichtbaar, maar aan de andere zijde, tegenover de wachtkamers, rezen in een heerlijke bekoring groenende heuvels op.

Dien middag was het heerlijk zacht weer, een fijn dons van wolken had de zon omsluierd aan den melkwitten hemel, waaruit slechts een mat licht viel als een stof van parelmoerkleur.

Het had drie uur geslagen en Pierre keek naar de groote stationsklok, toen hij madame Désagneaux en madame Volmar, gevolgd door madame de Jonquière en haar dochter zag aankomen. De dames hadden zich met een rijtuig naar het station laten brengen en zochten nu dadelijk haar wagon op. Raymonde herkende dadelijk het compartiment eerste klasse, waarin zij gekomen was.

"Hier mama, hier is het!... Blijf nog een oogenblikje bij ons, u hebt nog tijd genoeg, uw zieken zijn er nog niet eens."

Pierre stond vlak tegenover madame Volmar. Hun blikken ontmoetten elkaar. Maar hij kende haar niet terug; nauwlijks knipte zij even met haar oogwimpers. Weer was zij de in het zwart gekleede, langzame, indolente vrouw, die zich het liefst bescheiden op den achtergrond houdt. De gloed van haar groote oogen was dood, laaide slechts nu en dan even in een vonk op onder hun sluier van onverschilligheid, die ze scheen uit te dooven.

"O, een vreeselijke migraine," herhaalde zij tegen madame Désagneaux. "U ziet zelf, ik weet nu nog niet, waar ik met mijn arm hoofd blijven moet... Dat krijg ik van de reis. Het is ieder jaar zoo."

Levendiger en roser dan ooit, bewoog de andere zich zenuwachtig heen en weer, terwijl de ondeugende nekhaartjes in den wind fladderden.

"Het is op het oogenblik met mij niet veel beter gesteld... Dat heeft me vanavond plotseling overvallen, een barstende zenuwhoofdpijn... Maar..."

Zij boog zich voorover en fluisterde verder:

"Maar ik geloof, dat het nu zoover is. Ja, de baby, waarnaar ik zoo verlang en die maar niet komen wil... Ik heb de Heilige Maagd gesmeekt, en ik ben zoo onpasselijk geweest, toen ik wakker werd, zoo onpasselijk. Enfin, alle teekenen... Ik zie het gezicht van mijn man al. Wat zal hij gelukkig zijn!"

Ernstig luisterde madame Volmar, die dan op kalmen toon zeide:

"Nu, ik ken iemand, die geen kinderen meer hebben wil... Zij is hier gekomen en heeft ze niet meer gekregen ook..."

Intusschen hadden Gérard en Berthaud de dames gezien en kwamen nu vlug naar haar toe. 's Ochtends hadden de beide heeren in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs hun opwachting gemaakt, waar madame de Jonquière hen in een klein kamertje naast de linnenkamer ontvangen had. Daar had, na zich eerst met lachende opgewektheid voor den wel wat overhaasten stap verontschuldigd te hebben, Berthaud volgens alle regelen der etiquette, voor zijn neef Gérard de hand van Raymonde gevraagd. Van het eerste oogenblik af hadden zij zich tegenover elkaar op hun gemak gevoeld; de moeder had met ontroering in haar stem gezegd, dat Lourdes het jonge paar geluk zou aanbrengen. Zoo was met enkele woorden en tot algemeene voldoening het huwlijk beklonken. Zelfs werd voor den vijftienden September een afspraak gemaakt op het kasteel Berneville, dicht bij Caen, een landgoed van den oom, den diplomaat, dien Berthaud kende en naar wien hij beloofde Gérard te zullen vergezellen. Daarna was Raymonde binnengeroepen en had met een blos van geluk haar beide handjes in die van haar aanstaanden echtgenoot gelegd.

Deze laatste was één en al voorkomendheid en vroeg aan het jonge meisje:

"Wil je soms een paar kussens voor vannacht? Geneer je maar niet, ik heb er genoeg, ook voor de dames, met wie je reist."

Raymonde sloeg echter het aanbod op vroolijken toon af.

"Neen, hoor, zoo verwijfd zijn we niet. Die moeten we voor onze arme zieken bewaren."

De dames spraken allen tegelijk. Madame de Jonquière zeide, dat ze zóó moe was, zóó moe, dat zij haar beenen niet meer voelde; toch was zij blijkbaar heel gelukkig, haar blikken rustten lachend op den jongen man en haar dochter, die zoo opgewekt stonden te praten. Maar Berthaud kon niet langer blijven; zijn dienst riep hem, evenals trouwens Gérard. Beiden namen afscheid, na eerst nog aan de afspraak herinnerd te hebben. Dus vijftien September, op het kasteel Berneville? Ja, ja, dat was afgesproken! Dan nog wat gelach en handjes drukken, terwijl de oogen, de oogen vol liefkoozing en verrukking, voltooiden wat men elkaar te midden van die menigte niet hardop durfde zeggen.

"Wat!" riep de kleine madame Désagneaux uit; "gaat u den vijftienden naar Berneville! Maar als wij, zooals mijn man wil, tot den twintigsten in Trouville blijven, dan zouden we elkaar nog zien!"

En zich tot madame Volmar, die er zwijgend bij stond, wendend:

"Komt u ook, het zou zoo aardig zijn, als we elkaar daar weer terugvonden."

De jonge vrouw maakte een langzaam gebaar en antwoordde op moe-onverschilligen toon:

"O, voor mij is het pleizier nu uit. Ik ga naar huis terug."

Weer ontmoetten haar blikken die van Pierre, die bij de dames was blijven staan; hij meende te zien, dat zij een oogenblik verlegen werd, terwijl een uitdrukking van onuitsprekelijke smart op haar dood gelaat kwam.

De zusters van Maria Hemelvaart kwamen en de dames gingen naar haar toe, toen ze bij den kantinewagen waren. Ferrand, die met haar mede gereden had, stapte het eerste in en hielp dan zuster Saint-François de hooge treeplank op. Hij bleef op den drempel van den wagen staan, die in een keuken veranderd was, waarin zich de voorraden voor de reis bevonden: brood, bouillon, melk, chocolade, terwijl zuster Hyacinthe en zuster Claire des Anges, die op het perron waren blijven staan, hem zijn apotheek en de verdere bagage aangaven.

"Hebt u alles?" vroeg zuster Hyacinthe hem. "Ja? Prachtig! Dan kunt u nu in uw hoekje gaan liggen slapen, daar u zich toch beklaagt, dat men uw diensten niet vraagt!"

Ferrand begon zachtjes te lachen.

"Zuster, ik zal zuster Saint-François helpen! Ik zal het petroleumstel aansteken, de kopjes wasschen en, wanneer we op een tusschenstation stil houden, de porties uitdeelen.... En voor het geval u een dokter noodig mocht hebben, kunt u over mij beschikken."

Nu begon zuster Hyacinthe ook te lachen.

"Maar we hebben geen dokter meer noodig, daar al onze zieken genezen zijn."

En met haar oogen in de zijne, voegde zij er op haar kalmen, vriendschappelijken toon aan toe:

"Adieu, mijnheer Ferrand!"

Hij glimlachte nog, terwijl een groote ontroering zijn oogen vochtig deed worden. De beving in zijn stem sprak zoo welsprekend van de onvergetelijke reis, van zijn blijdschap haar weer ontmoet te hebben, van de herinnering van eeuwige en hemelsche teederheid, die hij medenam.

"Adieu, zuster!"

Madame de Jonquière wilde met zuster Claire des Anges en zuster Hyacinthe naar haar wagon gaan. Maar deze verzekerde, dat het volstrekt geen haast had; de zieken waren er nog niet. Zij ging met zuster Claire weg en beloofde voor alles goed te zullen zorgen; ja zelfs wilde zij met alle geweld het kleine handtaschje van madame de Jonquière medenemen. Zoodoende konden de dames blijven wandelen en praten op het breede perron, waar zoo'n heerlijke temperatuur heerschte.

Intusschen begon Pierre, die op de groote stationsklok de minuten maar verder zag loopen, ongerust te worden, dat hij Marie en haar vader niet komen zag. Als mijnheer de Guersaint zich maar niet in den weg vergist had! Hij stond nog uit te kijken, toen hij zag hoe mijnheer Vigneron woedend zijn vrouw en den kleinen Gustave voor zich uit joeg.

"O, mijnheer de abbé, zeg me toch als het u blieft, waar onze wagon is, en help mij, om er de bagage en dat kind in te krijgen... Mijn hoofd loopt om, ze hebben me heelemaal uit mijn gewone doen gebracht!"

Voor het compartiment tweede klasse barstte hij uit, terwijl hij de handen van den priester greep, juist toen deze den kleine zieke wilde helpen instappen.

"Kunt u zich zoo iets voorstellen? Zij willen, dat ik vertrek, zij hebben me gezegd, dat, als ik tot morgen wachtte, mijn retour niet meer geldig zou zijn... En of ik hun nu de reden al vertelde, het gaf niets... Het is toch al zoo lollig niet met die doode te blijven, om bij haar te waken, haar te kisten en haar morgen mede te nemen... En nou beweren zij, dat dat hun niet aangaat, dat zij al reductie genoeg op de pelgrimsbiljetten geven om zich nog in te kunnen laten met verhalen van menschen, die dood gaan."

Madame Vigneron stond, bevend over al haar ledematen, naar hem te luisteren, terwijl de kleine Gustave, heelemaal vergeten en moe op zijn kruk leunend, nieuwsgierig toekeek.

"Enfin, ik heb hun op alle mogelijke manieren aan hun verstand trachten te brengen, dat hier force majeure in het spel was... Wat moet ik met dat lijk doen? Ik kan het toch moeilijk onder mijn arm nemen en vandaag als bagage meenemen... Lieve God, wat zijn er toch een stommelingen op de wereld!"

"Hebt u al met den stationschef gesproken?" vroeg Pierre.

"Ja zeker, de stationschef! Die is in al die drukte niet te vinden. Hoe kan ook bij zoo'n janboel alles geregeld gaan?... Maar ik moet hem vinden, ik zal hem zeggen, hoe ik erover denk."

En toen hij zijn vrouw onbeweeglijk als een paal zag staan:

"Wat moet jij daar? Stap toch in, dan kunnen we je de bagage en het kind aangeven."

Het was een haast-je-rep-je; hij duwde haar het compartiment in, wierp haar de pakjes toe, terwijl de priester Gustave in zijn armen nam. De arme jongen, die zoo licht als een vogeltje was, scheen nog magerder geworden te zijn, zijn wonden deden hem zoo'n pijn, dat hij even gilde.

"Heb ik je pijn gedaan, beste jongen?"

"Neen, mijnheer de abbé, maar ze hebben zoo met me rondgesjouwd, en ik ben zoo moe!"

Hij glimlachte op zijn fijne, zoo droevige manier. Hij dook weg in zijn hoekje en deed, uitgeput door die doodende reis, zijn oogen dicht.

"U begrijpt," begon mijnheer Vigneron weer, "dat ik het allesbehalve lollig vind, om hier mijn tijd te verknoeien, terwijl mijn vrouw en mijn zoon zonder mij naar Parijs teruggaan. Het moet echter wel, het leven in het hotel is niet meer uit te houden, en bovendien zou ik gedwongen zijn, nog eens drie plaatsbewijzen te nemen, als ze niet naar rede willen luisteren... En dan is mijn vrouw zoo onhandig. Nooit zal zij er zich alleen door heen weten te slaan."

Hij overstelpte madame Vigneron met een stortvloed van de kinderachtigste aanwijzingen: wat zij gedurende de reis moest doen, hoe zij naar huis moest gaan; hoe zij voor den kleinen Gustave moest zorgen, als hij onverhoopt een aanval mocht krijgen.

Gedwee en een beetje angstig antwoordde zij op iederen zin:

"Zeker, manlief... Natuurlijk, manlief!"

Dan voelde hij de toorn weer in hem opkomen.

"En is mijn retour nu geldig of niet? Ik wil het weten... Ze moeten den stationschef voor me halen."

Hij wilde zich weer een weg door de menigte banen, toen hij de kruk van Gustave op het perron zag liggen. Dat was een ramp, waarover hij zijn armen ten hemel moest heffen, als wilde hij God tot getuige roepen, dat hij nooit uit al die verwikkelingen komen zou. Hij wierp het ding zijn vrouw toe en verwijderde zich dan met de woorden:

"Jij vergeet ook alles!"

Nu kwamen de zieken aan; evenals bij de aankomst was het een eindeloos gedrang en gedraaf langs de perrons en over de spoorbaan. Alle afzichtelijke kwalen, alle open wonden, alle mismaaktheden trokken nogmaals voorbij, zonder dat het aantal minder geworden scheen te zijn, alsof de enkele genezingen slechts een zwak, nauwlijks waarneembaar lichtpuntje waren te midden van den onmetelijken rouw. Men bracht ze terug, zooals men ze meegebracht had. De kleine wagentjes met hun oude machtelooze vrouwen, wier armzalige bagage aan het voeteneinde lag, knarsten over de rails. De baren, waarop opgezwollen ledematen, en bleeke gezichten met van koorts gloeiende oogen lagen, schommelden met moeite door de menigte heen. Het was een dolzinnige, absoluut noodelooze haast, een onverklaarbare verwarring, een gevraag, een geroep, een heen en weer vliegen; in het kort het ronddraaien van een kudde, die de deur van den stal niet meer vinden kan. De brancarddragers verloren ten slotte het hoofd erbij, wisten bij het waarschuwende gegil van de stationsbeambten, die ieder oogenblik den menschen schrik aanjoegen, niet meer welken kant zij uit moesten.

"Oppassen, oppassen!... Schiet toch wat op! Neen, neen, niet meer oversteken! De trein van Toulouse! De trein van Toulouse!"

Pierre, die teruggegaan was, zag de dames, madame de Jonquière en de anderen, nog vroolijk pratend heen en weer wandelen. Naast haar hoorde hij, hoe pater Fourcade Berthaud, dien hij staande gehouden had, geluk wenschte met de goede orde, die gedurende de geheele bedevaart geheerscht had. Gevleid, maakte de vroegere magistraat een buiging.

"Nietwaar, eerwaarde vader, dat is een goede les, die hun republiek daar gekregen heeft. Wanneer dergelijke menigten te Parijs den een of anderen bloedigen datum uit hun vervloekte geschiedenis vieren, dan vermoorden ze elkaar... Ze moeten hier maar eens komen leeren, hoe ze het doen moeten."

Het denkbeeld, de regeering, die hem gedwongen had zijn ontslag te nemen, onaangenaam te zijn, bracht hem in verrukking. Hij was in Lourdes nooit zoo gelukkig als te midden van den grooten invloed van geloovigen, wanneer het gedrang zóó was, dat vrouwen bijna doodgedrukt werden. Toch scheen hij niet tevreden over het resultaat der politieke propaganda, die hij er ieder jaar gedurende drie dagen kwam maken. Hij werd ongeduldig, het ging niet vlug genoeg naar zijn zin. Wanneer zou Notre-Dame de Lourdes de monarchie terug brengen?

"Ziet u, eerwaarde vader, het eenige middel, de ware triomf zou zijn de werklieden der steden in massa hier te brengen. Ik wil in het vervolg al mijn gedachten, al mijn tijd slechts daaraan wijden. O, als we een Katholieke democratie konden stichten!"

Pater Fourcade was heel ernstig geworden. Zijn mooie, intelligente oogen kregen een droomerige uitdrukking, staarden als in een ver verschiet. Hoevele malen had hij zich de stichting van dat nieuwe volk ten doel gesteld? Maar was daarvoor niet de adem van een nieuwen Messias noodig?

"Ja, ja," prevelde hij, "een Katholieke democratie... De geschiedenis der menschheid zou opnieuw beginnen!"

Pater Massias viel hem hartstochtelijk in de rede en zeide, dat alle volkeren der aarde ten slotte zouden komen, terwijl dr. Bonamy, die reeds voelde, dat er een zekere verkilling in den ijver der pelgrims kwam, het hoofd schudde en als zijn meening te kennen gaf, dat alle geloovigen der Grot hun ijver verdubbelen moesten. Hij verwachtte vooral succes van de grootst mogelijke publiciteit, die men aan de wonderen moest geven. Hij deed, alsof hij straalde van geluk, en lachte welgevallig, terwijl hij naar het lawaaierige voorbijtrekken der zieken wees.

"Kijk toch eens! Zien zij er niet veel beter uit nu zij weggaan? Velen zijn nog niet genezen, maar dragen toch den kiem der genezing in zich, daar kunt u zeker van zijn! Zij doen meer voor ons dan wij allen voor den roem van Notre-Dame de Lourdes."

Maar hij moest zwijgen. Madame Dieulafay werd in haar met zijde gecapitonneerde kist voorbijgedragen. Men zette haar neer voor het portier van den wagon eerste klasse, waarin een kamermeisje de bagage reeds opstapelde. Een diep medelijden maakte zich van hen allen meester; de ongelukkige vrouw scheen in drie dagen van haar verblijf te Lourdes niet uit haar gevoelloosheid ontwaakt te zijn. Zooals de brancarddragers haar op den dag van aankomst te midden van haar luxe uit den wagon gedragen hadden, zoo zouden zij haar er nu weer in dragen, gekleed in kant, met juweelen bedekt, met haar doodsch en onnoozel mummiegezicht, dat als het ware wegsmolt; ja, men zou zelfs zeggen, dat zij er nog erger aan toe was, dat men haar nog vermagerder terugbracht, nog meer ingekrompen door de verschrikkelijke kwaal die, na haar beenderen verwoest te hebben, nu ook de weeke deelen der spieren begon aan te tasten. Haar man en haar zuster volgden haar ontroostbaar, met roodgeweende oogen, verpletterd door het verlies van hun laatste hoop, met abbé Judaine, zooals men op het kerkhof een lijk volgt.

"Neen, neen, niet dadelijk!" zeide de priester tegen de dragers en belette hun haar in den wagen te dragen. "Zij moest daar nog lang genoeg in rijden. Laat zij tenminste tot de laatste minuut den vriendelijken hemel boven zich hebben!"

Toen hij Pierre in zijn nabijheid zag staan, nam hij dezen wat ter zijde en ging toen met een door verdriet gebroken stem verder:

"Ik ben kapot... Vanochtend nog had ik hoop. Ik heb haar naar de Grot laten brengen, ik heb de mis voor haar gelezen en toen nog tot elf uur gebeden. Maar niets, de Heilige Maagd heeft mij niet verhoord... Ik, dien zij genezen heeft, ik, een arme, tot niets meer nutte man, ik heb van haar niet de genezing kunnen verkrijgen van die zoo mooie, zoo jonge, zoo rijke vrouw, wier leven eigenlijk één feest moest zijn!... Zeker, de Heilige Maagd weet beter dan wij allemaal bij elkaar wat zij doen moet, en ik buig mijn hoofd en zegen haar naam. Maar waarachtig, mijn ziel is vol vreeselijke droefheid."

Hij zeide niet alles, hij sprak niet de gedachte uit, die hem in zijn kinderlijken eenvoud en in zijn eigenschap van braaf man, die nooit door hartstocht of twijfel bezocht was, zoo van streek bracht. Het was de gedachte, dat de beklagenswaardige menschen, die zoo weenden, de man en de zuster, te veel millioenen hadden, dat zij te mooie geschenken meegebracht hadden, dat zij te veel zilver aan de Basilica gegeven hadden. Men koopt het wonder niet, de rijkdommen van deze wereld zijn eerder een nadeel bij God. Zeker, de Heilige Maagd was slechts doof gebleven voor hen, had hun slechts een koud en streng hart getoond om meer te luisteren naar de zwakke stem der ongelukkigen, die met ledige handen naar haar toe gekomen waren, maar rijk aan liefde; dezen overstroomde zij met haar genade, met haar brandende liefde van Moeder Gods. En die arme onverhoorde rijken, die zuster, die zoo ongelukkige man, voelden zich te midden van de menigte vertrooste of genezen armen paria's, zij schenen verlegen met hun luxe, weken terug, schaamden zich, toen zij zagen, dat Notre-Dame de Lourdes bedelaressen verlichting gegeven had, terwijl zij voor de mooie en machtige dame, die daar in haar kant lag te zieltogen, geen blik over gehad had.

Plotseling kwam Pierre op de gedachte, dat hij mogelijk mijnheer de Guersaint en Marie niet had zien komen en dat zij misschien reeds in den wagon waren. Hij ging erheen, maar zag nog steeds niets dan zijn valies op de bank staan. Zuster Hyacinthe en zuster Claire des Anges begonnen in afwachting van de zieken den wagon in te richten; en toen Gérard met mijnheer Sabathier in een klein wagentje kwam aanrijden, hielp Pierre, om hem in zijn compartiment te hijschen, een zwaar werkje, waarvan zij transpireerden. Terneergeslagen, maar toch kalm en berustend, ging hij dadelijk in zijn hoekje zitten.

"Dank u, heeren!... We zijn er nu, gelukkig! Nu behoeven ze me alleen te Parijs nog maar uit te laden."

Na zijn beenen in een deken gewikkeld te hebben, stapte madame Sabathier weer uit en bleef bij het open portier van den wagon staan. Zij ging met Pierre praten, toen zij zichzelf in de rede viel, om te zeggen:

"Kijk, daar komt madame Maze weer op haar plaatsje zitten... Zij heeft mij dezer dagen het een en ander verteld... Een ongelukkig schepseltje!"

Vriendelijk sprak zij haar aan, vroeg haar of zij op haar bagage wilde letten. Maar madame Maze protesteerde, lachte, deed druk en zenuwachtig als was zij niet goed bij haar hoofd.

"Neen, neen, ik ga niet weg."

"Wat, gaat u niet mede?"

"Neen, neen, ik ga niet weg... Dat wil zeggen, ik ga wel weg, maar niet met u, niet met u!"

Zij zag er zoo vreemd, zoo verrukt uit, dat Pierre en madame Sabathier moeite hadden haar te herkennen. Haar gezicht van vóór den tijd verlepte blondine straalde, zij scheen wel tien jaar jonger, nu zij plotseling uit de oneindige triestheid van haar eenzaamheid getrokken was.

Zij stiet een kreet van overvloeiende vreugde uit:

"Ik ga met hem weg... Ja, hij is mij komen halen en hij neemt me mee... Ja we gaan samen naar Luchon, samen!"

En met een verrukten blik wees zij naar een flinken, bruinen, opgewekten, gezonden jongen man, die aan een kiosk couranten stond te koopen.

"Kijk, dat is mijn man, die mooie kerel, die met de juffrouw van de kiosk grapjes staat te maken... Vanochtend is hij plotseling uit den hemel komen vallen, en nou neemt hij mij mee, we gaan over twee minuten met den trein naar Toulouse... O, madame, u, voor wie ik mijn hart gelucht hebt, u zult wel begrijpen, hoe gelukkig ik ben."

Maar zij kon niet zwijgen, zij begon weer over den vreeselijken brief, dien zij Zondag gekregen had, een brief, waarin hij haar beduidde, dat hij, wanneer zij soms van haar verblijf te Lourdes gebruik zou willen maken, om naar hem in Luchon te komen, hij haar gewoon de deur zou wijzen. Een man, met wien zij uit liefde getrouwd was! Een man, die haar tien jaar veronachtzaamde, die van zijn voortdurend heen en weer trekken als handelsreiziger profiteerde, om van het eene einde van Frankrijk naar het andere sletten mede te nemen! Nu echter was het uit, zij had den hemel gesmeekt haar te laten sterven, want zij wist heel goed, dat de trouwelooze op dat oogenblik met twee dames, twee zusters, die zijn maîtressen waren, in Luchon logeerde. Wat was er dan toch gebeurd, lieve God? Het was blijkbaar ingeslagen als de bliksem! De twee dames schenen een ingeving uit den hooge gekregen te hebben, een plotseling besef van haar zonde, een droom misschien, waarin zij zichzelf in de hel zagen. Zonder eenige verklaring hadden zij op een avond heimelijk het hotel verlaten en hem laten zitten, terwijl hij, die niet alleen kon leven, zich zóó gestraft gevoeld had, dat hij eensklaps op het denkbeeld gekomen was, zijn vrouw te gaan halen en een weekje bij zich te houden. Hij zeide het niet, maar ongetwijfeld had de goddelijke genade hem aangeraakt, en zij vond hem veel te lief, om niet aan een echt begin van bekeering te gelooven.