Part 42
Appoline, de nicht van Majesté, die met den verkoop belast was, stond op een klein trapje, om uit een hooge lade wijwaterbakjes te krijgen, die zij moest laten zien aan een jongen man, een eleganten brancarddrager met mooie, gele slobkousen. Zij lachte met het gekir van een tortelduif en zag er bekoorlijk uit met haar dikke zwarte haren, haar prachtige oogen in een iets te vierkant gezichtje met het rechte voorhoofd, de breede wangen en de dikke, roode lippen. Pierre zag heel duidelijk, hoe de hand van den jongen man aan den rand van de rok het ondergedeelte van een been streelde, dat zich daar blijkbaar met die bedoeling had neergezet. Het was een visioen van een seconde. Reeds was het jonge meisje lenig van het trapje gesprongen en vroeg:
"Dus u gelooft niet, dat dit model bakje in den smaak van uw tante zal vallen?"
"Neen, heelemaal niet," antwoordde de brancardier, terwijl hij wegging; "zie, dat u het andere model krijgt. Ik ga morgen pas weg en kom nog wel terug."
Toen Appoline hoorde, dat Marie de wonderdadig genezene was, over wie madame Majesté sinds den vorigen avond aan één stuk door sprak, was zij dadelijk zeer voorkomend. Zij keek naar haar met haar vriendelijk glimlachje, waarin een zweempje verbazing en discreet ongeloof was, zoo iets als de geheime spot van een knap, op haar eigen lichaam verliefd meisje, tegenover een kinderlijke, achterlijk gebleven maagdelijkheid. Maar handig verkoopster als zij was, putte zij zich uit in vriendelijke woorden.
"O mademoiselle, hoe heerlijk u iets te mogen verkoopen! Het aan u volbrachte wonder is zoo buitengewoon mooi!... Het geheele magazijn staat voor u open. Wij hebben een prachtige keus."
Marie werd een beetje verlegen.
"Dank u, heel vriendelijk van u... Wij komen maar een paar kleinigheden koopen."
"Als u het goed vindt," zeide mijnheer de Guersaint, "dan willen we graag even rondkijken."
"Uitstekend, mijnheer, kies zelf uit, dan kunnen we straks verder zien."
Toen er andere koopers binnenkwamen, vergat Appoline hen al gauw en vatte haar taak als knappe verkoopster weer op met vleiende woorden, verleidelijke bewegingen, vooral voor de mannen, die zij nooit liet vertrekken of zij moesten hun zakken vol hebben.
Van den louis d'or, dien Blanche mijnheer de Guersaint bij het vertrek als zakgeld toegestopt had, waren nog twee francs over. Hij durfde dan ook in zijn keus niet al te ver te gaan. Maar Pierre verklaarde, dat het hem hoogst onaangenaam zijn zou, als men hem niet toestond hun de enkele souvenirs, die zij uit Lourdes wilden meenemen, aan te bieden. Toen kwamen zij overeen, dat zij eerst een cadeau voor Blanche zouden uitzoeken en dat Marie en haar vader ieder het souvenir, dat het meest in hun smaak viel, nemen zouden.
"Laten we ons niet overhaasten," herhaalde mijnheer de Guersaint eenige malen vroolijk. "Zoek goed uit, Marie... Waar zouden we Blanche het meeste pleizier mee doen?"
Alle drie keken ze en zochten ze. Naarmate zij meer zagen, werd hun besluiteloosheid echter grooter. Het groote magazijn met zijn vele toonbanken, vitrines en kastjes, die het van boven naar beneden versierden, was een zee met tallooze golven, een overvloed van alle mogelijke en onmogelijke religieuze artikelen. Er waren rozenkransen, heele ritsen rozenkransen, die aan de muren hingen, hoopen rozenkransen in de laden, vanaf de gewoonste rozenkransen van twintig sous het dozijn tot rozenkransen van reukhout, van agaat, van lazuursteen, die met goud en zilver opgelegd waren, sommige waren zóó lang, dat men ze dubbel om den hals en het middel dragen kon, hadden zorgvuldig bewerkte kralen, groot als noten en door doodskoppen van elkaar gescheiden. Er waren medailles, een regen van medailles, medailles in volle doozen, van alle grootten, van alle metalen, goedkoope en kostbare, met verschillende opschriften, medailles, die de Basilica, de Grot, de Onbevlekte Ontvangenis voorstelden, gegraveerd, gedreven, geciseleerd, geëmailleerd, met de hand bewerkt of bij het gros tegelijk machinaal vervaardigd.
Er waren beeldjes van Heilige Maagden, kleine, groote, van zink, van hout, van ivoor, van gips vooral, sommige geheel wit, andere beschilderd met levendige bloemen; tot in het oneindige gaven zij de door Bernadette gemaakte beschrijving weer: het vriendelijk lachende gezicht, de zeer lange sluier, de blauwe sjerp, de gouden rozen op de voeten, maar met kleine variaties voor ieder model, om daardoor den eigendom van den vervaardiger te beschermen. Verder was er nog een andere vloed van religieuze artikelen: de honderd verschillende scapulieren, duizenden afdrukken van vrome plaatjes, fijnbewerkte gravures, schreeuwende lithographieën, die verdronken in een zee van kleine gekleurde, vergulde, geverniste, met bouquetjes beschilderde en kant versierde plaatjes. Ook waren er bijouterie-artikelen, ringen, broches, armbanden met steenen en kruisen en versierd met heilige figuren. Eindelijk nog een zondvloed van galanterieën: potloodhouders, porte-monnaies, sigarenpijpjes, presse-papiers, vouwbeenen, tot tabaksdoozen toe, tallooze voorwerpen, waarop onophoudelijk de Basilica, de Grot, de Heilige Maagd terugkwamen, die op alle wijze en volgens alle bekende procédés gereproduceerd waren. In een kast met vijftig-centimes-artikelen lag een opeenstapeling van servetringen, eierdopjes en houten pijpen, waarop de verschijning van Notre-Dame de Lourdes uitgesneden was.
Langzamerhand begon mijnheer de Guersaint er een walg van te krijgen; de geprikkeldheid van iemand, die zich verbeeldt een kunstenaar te zijn, had zich van hem meester gemaakt.
"Het is afschuwelijk, het eene is nog leelijker dan het andere," herhaalde hij bij ieder nieuw artikel, dat hij bekeek.
Hij gaf zijn hart lucht door Pierre te herinneren aan de mislukte poging, die hij gedaan had, om een omwenteling te brengen in de religieuze platendrukkerij. De overblijfselen van zijn fortuin waren erin gebleven, wat hem tegenover de jammerlijke dingen, waarmede het magazijn volgepropt was, nog strenger maakte. Had iemand ooit zulke dwaas-leelijke en daarbij toch zoo pretentieuse dingen gezien? De alledaagschheid van het denkbeeld en de onnoozelheid in de uitdrukking vonden een waardigen tegenhanger in de banale uitvoering. Het had iets van een modeplaat, van de deksels van bonbondoozen, van wassen poppen, die in de etalages van kappers staan: het was een valsch-mooie, pijnlijk-hinderlijke kunst zonder eenig menschelijk gevoel, zonder uitdrukking, zonder eenige echtheid. De architect, eenmaal op zijn praatstoel, wist niet van ophouden, sprak nu ook zijn afkeuring uit over de gebouwen van het nieuwe Lourdes, de jammerlijk-leelijke inrichting van de Grot, het afschuwelijke van de kolossale hellingen, de ongelukkige wanverhoudingen van de Rozenkranskerk en van de Basilica, gene te zwaar en precies een graanschuur, deze mager als een aan bloedarmoede lijdend gebouw zonder eenigen stijl.
"Waarachtig," zoo zeide hij ten slotte; "je moet wel veel van de Heilige Maagd houden, om haar tusschen dergelijke monstruositeiten te komen vereeren. Zij hebben alles bedorven en verknoeid, alsof zij er pleizier in hadden, zonder dat één van hen ook maar een minuut van ontroering, van echte naïeveteit, van het oprechte geloof gehad heeft, dat kunstwerken wrocht. Allemaal stomkoppen, allemaal naäpers, geen een, die zijn bloed en zijn ziel gegeven heeft. Wat zal hen dan wèl kunnen inspireeren, wanneer zij niets grootsch te voorschijn hebben kunnen roepen uit dit land van het wonder?"
Pierre gaf geen antwoord. Maar hij werd bijzonder getroffen door deze beschouwingen, eindelijk kon hij nu zich verklaren waarom hem onmiddellijk bij zijn aankomst een gevoel van onbehagen had aangegrepen. Het kwam voort uit den wanklank tusschen het geheel moderne milieu en het geloof der vervlogen eeuwen, dat men weer tot nieuw leven trachtte te wekken. Hij riep zich de oude kathedralen voor den geest, waarin dit geloof der volkeren nog na-huiverde; hij zag weer de oude voorwerpen van den eeredienst, de heiligenbeelden, de goudsmeedkunst, de heiligen van hout en steen met hun wonderbaar krachtige uitdrukking. In die oude, lang vervlogen tijden geloofden de meesters, gaven zij, zooals mijnheer de Guersaint zeide, hun bloed en hun ziel. En nu bouwden de architecten de kerken met dezelfde rustige kunde als waarmede zij een huis van vijf verdiepingen bouwden, evenals de religieuze artikelen, rozenkransen, medailles, beeldjes per gros in de volkrijke buurten van Parijs vervaardigd werden door fuivende werklui, die nooit naar de kerk gingen.
Wat een lorrenpijperij om van te huilen, wat een onnoozele sentimentaliteit om je het hart in je lichaam te doen omkeeren! Lourdes was erdoor overstroomd, verwoest, zoo leelijk gemaakt, dat menschen met een klein beetje fijngevoeligen smaak, die er toevallig verdwaalden, er onpasselijk van werden. Dat alles vloekte brutaal met de wederopstanding, die men beproefd had, met de legenden, met de ceremoniën, de processies van gestorven eeuwen, en Pierre bedacht plotseling, dat de historische en maatschappelijke ondergang van Lourdes daarin lag, dat het geloof bij een volk voor eeuwig gestorven is, wanneer het dit niet meer legt in de kerken, die het bouwt, in de rozenkransen, die het vervaardigt.
Marie had voortdurend met kinderlijk ongeduld in de etalages gezocht; zij weifelde, kon niets vinden, dat den grootschen droom van verrukking, dien zij in zich bewaren wilde, waardig scheen.
"Vader, het wordt te laat, u moet mij naar het Hôpital brengen... En om er een eind aan te maken, ik zal aan Blanche deze medaille met den zilveren ketting geven. Dat is nog het eenvoudigste en het mooiste. Zij kan het als een aardige herinnering dragen... Ik voor mij neem dit beeldje van Notre-Dame de Lourdes, dat kleine model, dat vrij aardig beschilderd is. Ik zal het in mijn kamer zetten en altijd met frissche bloemen omgeven... Dat zal heel aardig zijn, niet?"
Mijnheer de Guersaint knikte goedkeurend. Dan zeide hij, op zijn eigen keus terugkomend:
"Lieve Hemel, ik weet heusch niet, wat ik nemen moet."
Hij bekeek nog eens de ivoren penhouders, die in kogeltjes, zoo groot als erwten, eindigden, waarin mikroskopische photographieën zaten. En toen hij zijn oog voor een van die miniatuurgaatjes hield, om te kijken, riep hij verrukt uit:
"Kijk, het keteldal van Gavarnie!... Dat is wonderbaarlijk je ziet er alles op, hoe kan die kolos in dit kleine hokje?... Waarachtig, ik neem dien penhouder. Hij zal mij altijd aan mijn uitstapje herinneren."
Pierre had eenvoudig een portret van Bernadette gekozen, het groote portret, dat haar knielend voorstelt, in haar zwarte kleedje, met een doek over haar haar geknoopt, het eenige, dat naar de natuur gemaakt is. Hij betaalde gauw, en ze wilden met hun drieën weggaan, toen madame Majesté binnenkwam en Marie met alle geweld een kleine herinnering wilde geven; dat zou haar winkel geluk aanbrengen.
"Neem als het u blieft een scapulier, mademoiselle, kijk, een van deze. De Heilige Maagd, die u uitverkoren heeft, zal het mij met voorspoed in zaken betalen."
Zij sprak luid en maakte zooveel drukte, dat de koopers, waarmede de winkel vol stond, belangstellend naar het jonge meisje keken. Weer begon de populariteit om haar heen, die ten slotte zich ook meester maakte van de straat, toen madame Majesté in de deur van haar winkel ging staan, aan de kooplieden aan den overkant wenken gaf en zoo de geheele buurt in opschudding bracht.
"Gaan we nu eindelijk?" vroeg Marie, die hoe langer hoe meer verlegen werd. Doch haar vader hield haar nog tegen, toen hij een priester zag binnenkomen.
"Ha, mijnheer de abbé des Hermoises!"
Het was inderdaad de mooie, heerlijk geparfumeerde abbé in een fijne soutane; zijn frisch gezicht straalde van vroolijkheid. Hij had zijn reisgenoot van den vorigen dag niet gezien en was dadelijk naar Appoline toegegaan, die hij ter zijde nam.
Pierre hoorde hem half fluisterend zeggen:
"Waarom hebt u mij mijn drie dozijn rozenkransen vanochtend niet gebracht?"
Appoline lachte weer met het gekir van een tortelduif, terwijl zij hem, zonder te antwoorden, ondeugend van onder haar oogwimpers aankeek.
"Ze zijn voor mijn kleine biechtkinderen uit Toulouse, ik wilde ze onder in mijn koffer stoppen, en u hadt mij aangeboden mij bij het inpakken te helpen."
Zij lachte nog altijd en keek hem weer coquet aan.
"Nu kan ik morgenochtend pas gaan. Breng ze me dan vanavond, als u vrij bent... Het is aan het eind van de straat bij madame Duchêne op den rez-de-chaussée... Wees nu eens aardig en kom zelf."
Met haar roode lippen zeide zij eindelijk schertsend op een toon, die hem in onzekerheid liet, of zij haar belofte na zou komen:
"Zeker, mijnheer de abbé, ik zal komen."
Zij werden gestoord: mijnheer de Guersaint ging den priester de hand drukken. Onmiddellijk begonnen zij over het keteldal van Gavarnie: een heerlijk uitstapje, dat zij nooit vergeten zouden. Dan maakten zij zich wat vroolijk over hun twee reisgenooten, weinig gefortuneerde priesters, heele brave menschen, om wier naïeve opmerkingen zij zoo hadden moeten lachen. De architect herinnerde er ten slotte zijn nieuwen vriend aan, dat hij wel zoo goed geweest was hem te beloven, iemand uit Toulouse, die tienmaal millionnair was, te interesseeren voor zijn studies op het gebied van bestuurbare ballons.
"Een eerste voorschot van honderd duizend francs zou wel voldoende zijn," zeide hij.
"Reken op mij," antwoordde abbé des Hermoises. "U zult de Heilige Maagd niet vergeefs gesmeekt hebben."
Pierre, die het portret van Bernadette in zijn hand gehouden had, was getroffen door de sprekende gelijkenis van Appoline met de zieneres. Het was hetzelfde, ietwat plompe gezicht, dezelfde te sterk ontwikkelde mond, dezelfde prachtige oogen; hij herinnerde zich, dat madame Majesté hem reeds op deze buitengewone gelijkenis gewezen had, te meer daar Appoline dezelfde treurige jeugd te Bartrès gehad had, voordat haar tante haar bij zich genomen had, om haar in den winkel behulpzaam te zijn. Bernadette! Appoline! Wat een vreemde toenadering! Welk een onverwachte reïncarnatie in een tijdsverloop van dertig jaar! En plotseling rees met deze zoo coquet lachende Appoline, die afspraakjes maakte, en over wie de aardigste praatjes in omloop waren, het nieuwe Lourdes voor zijn oogen op: de koetsiers, de kaarsenverkoopsters, de kamerverhuursters, die zich bij het station aan het publiek opdrongen, de honderden pensions met hun kleine, discrete kamertjes, de zwerm van vrije priesters en hartstochtelijke hospitaliteitsdames.
Dan dacht hij aan het door den regen van millioenen ontketende geschacher; aan de stad, die geheel aan hebzucht overgeleverd was; aan de winkels, die de straten in bazars veranderden en elkaar dood concurreerden; aan de hotels, die van de pelgrims leefden, tot de Blauwe Zusters toe, die een table-d'hôte hielden, tot de paters der Grot toe, die geld sloegen uit hun God! Hoe troosteloos treurig was het toch! Het visioen van de zoo reine Bernadette bracht de menigte in geestdrift, deed haar zich storten op de illusie van het geluk, voerde een stroom van goud aan, en van dien dag af was alles bezoedeld! Het was voldoende geweest, dat het bijgeloof zijn adem over de wereld liet gaan, dat de menschen zich ophoopten, dat het geld werd aangedragen, om dit tot dusverre zoo eerlijke en fatsoenlijke hoekje der aarde voor eeuwig te bederven. Waar de reine lelie vroeger bloeide, schoot nu in de nieuwe humus van heb- en genotzucht de roos der zinnelijkheid op. Sedert een onschuldig kind de Heilige Maagd gezien had, was uit Bethlehem Sodom ontstaan.
"Nu, wat heb ik u gezegd!" riep madame Majesté uit, toen zij zag, dat Pierre zijn nicht met het portret vergeleek. "Appoline en Bernadette lijken op elkaar als twee druppels water."
Het jonge meisje kwam met haar vriendelijk glimlachje, eerst gevleid door de vergelijking, wat dichter bij.
"Laat eens kijken!" zeide abbé des Hermoises belangstellend.
Hij nam het portret, vergeleek op zijn beurt en riep verwonderd:
"Het is verwonderlijk, dezelfde trekken... Ik had het nog niet opgemerkt."
"Toch geloof ik," zeide Appoline, "dat zij een dikkeren neus heeft."
Toen riep de abbé bewonderend uit:
"O, u bent veel knapper, veel knapper, dat is zoo... Maar dat neemt niet weg, dat men u voor twee zusters zou houden."
Pierre kon een lachje niet onderdrukken, zoo zonderling vond hij het woord. Ach, de arme Bernadette was dood en had geen zuster. Zij zou niet kunnen herboren worden, zij was niet meer mogelijk in dit land van lawaai en hartstocht, dat zij van Lourdes gemaakt had.
Eindelijk ging Marie aan den arm van haar vader weg; zij spraken af, dat zij samen haar in het Hôpital zouden komen halen, om met hun drieën naar het station te gaan. Op straat stonden meer dan vijftig personen als in extase te wachten. Men groette haar, liep haar na, een vrouw liet de japon der wonderdadig genezene aanraken door haar ziek kind, waarmede zij terugkwam van de Grot.
III.
Reeds om half drie stond de witte trein, die om tien minuten over half vier van Lourdes zou vertrekken, langs het tweede perron. Hij had drie dagen lang, geheel geformeerd, zóó als hij van Parijs gekomen was, op een zijspoor staan wachten, en sedert men hem naar het tweede perron gerangeerd had, wapperden witte vlaggen op het eerste en laatste rijtuig, om hem kenbaar te maken voor de pelgrims. De veertien treinen der nationale bedevaart zouden dien dag alle weer teruggaan. Om tien uur was de groene trein vertrokken, daarna de rose en de gele, terwijl, na den witten, de andere, de oranjekleurige, de grijze en de blauwe volgen zouden. Het was voor het stationspersoneel een zware dag, een lawaai en een gedrang, dat de beambten half gek maakte.
Het vertrek van den witten trein trok echter altijd de meeste belangstelling, was de groote emotie van den dag, want deze voerde de ernstigste zieken terug, die hij had meegebracht en onder dezen bevonden zich natuurlijk de uitverkorenen der Heilige Maagd, de wonderdadig genezenen. Een groote menigte verdrong zich dan ook onder de overkapping en versperde den grooten overdekten, ongeveer honderd meter langen hal. Alle banken waren bezet, volgepropt met pelgrims en bagage, die reeds wachtten. In een der hoeken had men de kleine tafeltjes van het buffet als in een stormaanval in bezit genomen; mannen dronken bier, vrouwen limonade, terwijl aan het andere einde, voor de deur van het bagage-bureau, brancarddragers de passage vrij hielden, om een snel transport der zieken, die dadelijk gebracht zouden worden, te verzekeren. Op het lange perron was het een voortdurend heen en weer geloop van arme, zenuwachtige menschen, druk doende priesters, nieuwsgierige en kalme heeren in overjas, kortom een opeenhooping, zoo gemengd en zoo gemêleerd, als men ze zelfs op stations maar weinig vindt.
Om drie uur was baron Suire buiten zichzelf van wanhoop, omdat er gebrek was aan paarden; onverwachts was er een groot aantal touristen gekomen, die bijna alle rijtuigen voor uitstapjes naar Barèges, Cauterets en Gavarnie gehuurd hadden. Hij vloog naar Berthaud en Gérard, die eindelijk, na de heele stad afgeloopen te hebben, terugkwamen; maar alles liep uitstekend, verzekerden zij; zij hadden paarden weten te bemachtigen en het transport der zieken geschiedde zoo goed als men maar wenschen kon. Op het stationsplein stonden reeds ploegen brancarddragers met hun baren en kleine wagentjes te wachten op de bagage- en meubelwagens en alle andere soorten voertuigen, die men voor de overbrenging gerecruteerd had. Tegen een lantaarnpaal was een groote hoop reserve-matrassen en kussens opgestapeld. Toen de eerste zieken aankwamen, verloor baron Suire opnieuw het hoofd, terwijl Berthaud en Gérard zich naar het perron haastten. Zij hielden daar toezicht en gaven bevelen te midden van het steeds toenemende gedrang.
Pater Fourcade, die aan den arm van pater Massias langs den trein heen en weer liep, bleef staan, toen hij dr. Bonamy aan zag komen.
"O, dokter ik ben zoo gelukkig... Ik had het met pater Massias, die zoo dadelijk vertrekt, juist over de buitengewone genade, die de Heilige Maagd aan dat zoo interessante jonge meisje, mademoiselle Marie de Guersaint bewezen heeft. In geen jaren hebben we een zoo opvallend wonder gehad. Het is een groot geluk voor ons allen, een zegen, die het succes van onze pogingen bevruchten moet... De geheele Christenheid zal er door worden verrukt, vertroost, verrijkt."
Hij straalde van geluk, en ook de dokter met zijn gladgeschoren gezicht, zijn grove, maar vriendelijke trekken en zijn gewoonlijk zoo moede oogen, was in den zevenden hemel.
"Het is wonderbaar, wonderbaar, eerwaarde vader! Ik zal er een brochure over schrijven, nog nooit heeft er op geloofwaardiger en authentieker wijze een genezing langs bovennatuurlijken weg plaats gehad... Wat een opzien zal het baren!"
Toen zij met hun drieën weer verder liepen, zag hij, dat pater Fourcade nog meer dan gewoonlijk met zijn been trok en zwaar op den arm van pater Massias leunde.
"Is de aanval van jicht weer erger geworden, eerwaarde?" vroeg hij. "U schijnt nog al pijn te hebben."
"O praat me er niet van, ik heb vannacht geen oog dicht kunnen doen. En dat die aanval nu juist hier in Lourdes moet komen... Hij had best een tijdje kunnen wachten... Maar daar is nu eenmaal niets aan te doen. Laten we er niet verder over spreken, ik ben veel te gelukkig met de resultaten van dit jaar."
"Dat is zeker," zeide op zijn beurt pater Massias met een van geloofsijver bevende stem; "wij kunnen trotsch zijn en met een van geestdrift en dankbaarheid overvloeiend hart teruggaan. Hoeveel andere wonderen nog behalve dat jonge meisje! Zij zijn niet meer te tellen: dooven, die hooren, en stommen, die spreken; door wonden weggevreten gezichten, die weer zoo gaaf als mijn hand geworden zijn, stervende teringlijdsters, die, herleefd, nu weer eten en springen. Het is geen ziekentrein meer, het is de trein der herrijzenis, een trein van glorie, waarmede ik vertrek."
De zieken zag hij niet meer, hij verliet Lourdes in den vollen triomf van het goddelijke, in de verblinding van zijn geloof. Met hun drieën bleven zij langzaam voortwandelen langs de wagons, waarvan de compartimenten zich langzamerhand begonnen te vullen, glimlachten tegen de pelgrims, die hen groetten, terwijl zij nu en dan bleven staan, om een arme vrouw, die bleek en rillend op een baar voorbijgedragen werd, een paar bemoedigende troostwoorden toe te spreken. Heusch, zij zag er al veel beter uit en zou zeker beter worden.
Maar de stationschef vloog haastig over het perron en riep:
"Geen verstopping op het perron, niet blijven stilstaan!"
Toen Berthaud hem echter onder het oog bracht, dat men toch eerst de draagbaren moest neerzetten, voor men de zieken kon doen instappen, werd hij boos.
"Maar zeg nu zelf, is dat nou verstandig? Kijk, daar laten ze waarachtig midden op de baan een wagentje staan, terwijl ieder oogenblik de trein uit Toulouse binnen kan komen... Wilt u dan uw menschen laten verpletteren?"
Hij vloog al weer verder, om een paar menschen neer te zetten, die de zenuwachtige kudde pelgrims, welke maar op goed geluk af rondliep, van de rails te houden. Velen, voornamelijk oude en eenvoudige lieden, herkenden niet eens de kleur van hun trein; daarom droegen zij allen een kaart van overeenkomstige kleur om hun hals, opdat men ze als gemerkt vee zou kunnen inladen. Maar wat een voortdurende oplettendheid, wat een aanhoudende angst met die veertien extra-treinen, zonder dat de gewone dienst erdoor gestoord werd!