Part 41
En toen de priester met een handgebaar te kennen gaf, dat hij liever bleef staan, ging de kapper in zijn voortdurende behoefte om te spreken voort:
"O, bij mij marcheert het altijd goed, mijn huis staat bekend om zijn zindelijke bedden en zijn goede keuken... Maar in de stad is men allesbehalve tevreden! Ja, ik zou bijna zeggen, dat ik nog nooit zoo'n ontevredenheid meegemaakt heb."
Hij zweeg even, schoor de linkerwang, hield toen op en zeide plotseling in een kreet, dien de waarheid hem ontrukte:
"Mijnheer, de paters van de Grot spelen met vuur, dat is alles wat ik te zeggen heb."
Toen was het hek van den dam, praatte hij aan één stuk door. Zijn groote oogen rolden in zijn lang gezicht met de vooruitstekende kaakbeenderen, den door den zon verbranden tint en de vele zomersproeten, terwijl zijn klein, zenuwachtig lichaampje schokte van zijn vele gebaren en woorden. Hij kwam op zijn acte van beschuldiging terug, vertelde de tallooze grieven, die de oude stad tegen de paters had. De hoteliers klaagden, de handelaren in religieuze artikelen verdienden nog niet de helft van vroeger; in het kort, de nieuwe stad legde beslag op de pelgrims en het geld, er was alleen nog maar wat te verdienen voor de pensions, de hotels en de winkels in de onmiddellijke nabijheid van de Grot. Het was een strijd op leven en dood, een van dag tot dag grooter wordende moorddadige vijandschap: de oude stad boette ieder seizoen iets van haar leven in en was ongetwijfeld veroordeeld om te verdwijnen, verstikt en vermoord te worden door de jonge stad. O, die vuile Grot! Hij zou liever zijn voeten laten afhakken dan ze daar neer te zetten. Was het niet schandelijk om naast de Grot een winkel van allerlei snuisterijen neer te plakken? Een echte schande, waarover een bisschop zoo verontwaardigd geworden was, dat hij er aan den paus over geschreven had! Hij, die er zich op beroemde een vrijdenker en een republikein van de oude garde te zijn, die reeds onder het keizerrijk op de candidaten der oppositie stemde, had toch zeker wel het recht om te zeggen, dat hij niet geloofde aan hun vuile Grot, dat hij die aan zijn laars lapte.
"Laat ik u eens één feit noemen, mijnheer. Ik weet het van mijn broer, die lid van den gemeenteraad is... Eerst moet ik u echter vertellen, dat wij tegenwoordig een republikeinschen gemeenteraad hebben, die zich den zedelijken achteruitgang van de stad zeer aantrekt. 's Avonds kun je niet meer uitgaan zonder overal op straat snollen tegen te komen, die zoogenaamd kaarsen verkoopen. Zij geven zich af met de koetsiers, die in het seizoen hier komen, in het kort een verdacht zootje, dat God mag weten waarvandaan komt... Ook moet ik u even in een paar woorden de verhouding van de paters tegenover de stad uitleggen. Toen zij de terreinen van de Grot van de stad kochten, hebben zij een contract geteekend, waarbij zij zich uitdrukkelijk verbonden geen handel te drijven. Nu hebben zij ondanks hun belofte toch een winkel geopend. Dat is oneerlijke concurrentie, die fatsoenlijke menschen onwaardig is, dat zult u moeten toegeven... De nieuwe gemeenteraad besloot dan ook een commissie naar de paters te zenden, om te eischen, dat zij zich aan hun contract zouden houden en hun uitdrukkelijk te gelasten, den winkel onmiddellijk te sluiten. En weet u wat zij geantwoord hebben, mijnheer?... O, wat ze al twintigmaal geantwoord hebben, wat ze altijd antwoorden, wanneer men ze aan hun verplichtingen herinnert: "Goed, we zullen ze houden, maar wij zijn meester in ons eigen huis, en we sluiten de Grot.""
Hij was rechtop gaan staan, zwaaide met zijn scheermes in de lucht en herhaalde, terwijl hij de woorden scandeerde en zijn oogen, die door deze enormiteit nog grooter geworden waren, wijd opensperde:
"Wij sluiten de Grot."
Pierre, die nog steeds op en neer liep, bleef plotseling staan en zeide hem vlak in zijn gezicht:
"Dan had de gemeenteraad moeten antwoorden: "Sluit haar!""
Cazaban stikte bijna. Het bloed stroomde naar zijn gezicht.
"De Grot sluiten!... De Grot sluiten!" stamelde hij.
"Ja, natuurlijk! Die Grot ergert jullie immers toch zoo! Zij is immers één voortdurende oorzaak van oorlog, van onrechtvaardigheid, van bederf! Dan zou het uit zijn, zou je er niet meer over hooren praten... Werkelijk, dat zou een prachtige oplossing zijn, en wanneer men daartoe de macht bezat, zou men u een dienst bewijzen door de paters te dwingen hun bedreiging uit te voeren."
Hoe langer Pierre sprak, des te meer zakte de woede van Cazaban. Hij werd kalm en wat bleek. In zijn groote oogen zag de priester een zekere ongerustheid grooter worden. Was hij niet te ver gegaan in zijn hartstocht tegen de paters? Vele geestelijken waren alles behalve met hen ingenomen, misschien was deze jonge priester alleen maar naar Lourdes gekomen, om een campagne tegen hen op touw te zetten? En wie kon zeggen wat er dan gebeuren zou? Mogelijk zou het op den duur leiden tot een sluiting van de Grot. En daar leefde men toch alleen van. Al ging de oude stad te keer, omdat zij slechts de kruimels kreeg, toch was zij altijd nog blij met dat buitenkansje; en de vrijdenkers zelf, die geld uit de pelgrims sloegen, zwegen verschrikt en met een onbehaaglijk gevoel, zoodra men het ten opzichte van de leelijke schaduwzijde van het nieuwe Lourdes te zeer met hen eens was. Men moest voorzichtig zijn.
Cazaban ging weer naar mijnheer de Guersaint terug. Hij begon met de andere wang te scheren en zeide op onverschilligen toon:
"Wat ik van de Grot zeg, dat zeg ik niet, omdat zij mij hindert. En trouwens, iedereen moet leven."
In de eetkamer hadden de kinderen, die een oorverdoovend geschreeuw aanhieven, een der koppen chocolade gebroken. Weer zag Pierre de vrome plaatjes, de Heilige Maagd van gips, waarmede de kapper, om zijn huurders pleizier te doen, het vertrek versierd had. Van de eerste verdieping schreeuwde een stem, dat de koffer dicht was en dat de bediende zeker wel zoo goed zou willen zijn om dien, wanneer hij thuis kwam, met een touw toe te komen binden.
Maar Cazaban bleef tegenover de twee heeren, die hij per slot van rekening toch niet kende, wantrouwend en verlegen; allerlei verontrustende veronderstellingen spookten door zijn brein. Het bracht hem bijna tot wanhoop, dat hij ze zoo, zonder iets van hen te weten, moest laten gaan, nadat hij zichzelf zoo gecompromitteerd had. Als hij zijn al te heftige woorden tegen de paters nog maar had kunnen intrekken. Toen mijnheer de Guersaint opstond, om zich af te wasschen, kon hij niet langer weerstand bieden om het gesprek weer te beginnen.
"Hebt u al gehoord van het wonder van gisteren? De heele stad is er vol van, zeker al twintig menschen hebben het me verteld... Ja, het schijnt, dat zij een buitengewoon wonder te boeken hebben, een jonge dame, die verlamd was en die opgestaan is en haar wagentje tot in het koor der Basilica gereden heeft."
Mijnheer de Guersaint, die, na zich afgedroogd te hebben, weer wilde gaan zitten, lachte welgevallig:
"Die jonge dame is mijn dochter."
Cazaban straalde van blijdschap, dat hij op den gelukkigen inval gekomen was daarover te beginnen. Gerustgesteld, manoeuvreerde hij magistraal met zijn kam, terwijl hij zijn gebaren- en woordenstroom weer terugvond.
"Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, en het is mij een groote eer, u onder mijn handen gehad te hebben... Nu mademoiselle genezen is, is dat voldoende voor het vaderhart, niet waar?"
Ook voor Pierre had hij een vriendelijk woord. Toen hij er eindelijk toe kwam hen te laten gaan, keek hij den priester diep getroffen aan en zeide als een verstandig man, die een definitief oordeel over de wonderen wilde vellen:
"Er komen van die voor iedereen gelukkige wonderen voor, mijnheer de abbé. Van tijd tot tijd moeten we er zoo een hebben."
Buiten moest mijnheer de Guersaint den koetsier gaan halen, die nog steeds grapjes stond te maken met de meid, wier druipnatte hond zich in de zon stond uit te schudden. Binnen vijf minuten bracht het rijtuig hen beneden aan het plateau de la Merlasse terug. De heele tocht had ongeveer een half uur in beslag genomen. Pierre wilde het rijtuig houden met het plan Marie de stad te laten zien, zonder haar al te veel te vermoeien. Terwijl de vader Marie bij de Grot ging halen, bleef hij onder de boomen wachten.
Onmiddellijk knoopte de koetsier een gesprek met den priester aan. Hij had een nieuwe sigaret aangestoken en deed dadelijk heel familiaar. Hij beklaagde zich volstrekt niet, dat hij uit een dorpje in de omstreken van Toulouse hierheen gekomen was, want hij verdiende hier te Lourdes een prachtig daggeld. Je at er goed, je amuseerde je best, je kon het een Luilekkerland noemen. Hij zeide die dingen met de nonchalance van een man, die niet veel last heeft van godsdienstige gewetensbezwaren, zonder echter den eerbied uit het oog te verliezen, dien hij aan een geestelijke verschuldigd was.
Eindelijk liet hij zich van af zijn bok, waarop hij half lag, terwijl zijn eene been hing te slingeren, zich langzaam de woorden ontvallen:
"Ja, mijnheer de abbé, Lourdes heeft goed opgenomen, maar het is de vraag, of het lang zoo zal duren."
Getroffen door dit woord, overwoog Pierre er de diepe beteekenis van, toen mijnheer de Guersaint met Marie terugkwam. Hij had haar nog op dezelfde plaats, in hetzelfde dankgebed verdiept, aan de voeten der Heilige Maagd teruggevonden; het leek alsof zij den geheelen gloed der Grot in haar oogen had medegebracht, zoo schitterde zij van hemelsche vreugde over haar genezing. Neen, zij weigerde beslist te rijden. Neen, neen, zij wilde veel liever loopen; het kon haar niet schelen of zij de stad zag of niet; als zij nog maar een uurtje aan den arm van haar vader door de tuinen, door de straten, over de pleinen wandelen kon! Toen Pierre den koetsier betaald had, sloeg zij een laantje van den tuin der Esplanade in en vond het heerlijk zoo met kleine pasjes langs de met bloembedden versierde grasperken onder de groote boomen te wandelen. Het was zoo mooi, zoo frisch, al dat gras, al die bladeren, die schaduwrijke, eenzame lanen, waarin men het eeuwige ruischen van den Gave hoorde. Dan wilde zij weer terug naar de drukke straten, om er de beweging, het lawaai, het leven, waarnaar haar geheele hart uitging, terug te vinden.
Toen in de rue Saint-Joseph Pierre's oog op het Panorama viel, waarin men de oude Grot met de knielende Bernadette op den dag van het kaarsenwonder zag, kwam hij op het denkbeeld te gaan kijken. Marie was er zoo blijde als een kind over, terwijl mijnheer de Guersaint eveneens de meest onschuldige vreugde liet blijken, vooral toen hij merkte, dat er onder de menigte pelgrims, die zich met hen in de donkere gang verdrongen, verschillende waren, die in zijn dochter de jonge wonderdadig genezene herkenden, wier naam van mond tot mond vloog. Toen men boven op de hooge estrade in het matte licht kwam, dat door een soort velum gedempt werd, werd Marie een soort ovatie gebracht, ontstond er een zacht fluisteren, werden verrukte blikken op haar geworpen, voelden allen een extatische behoefte om haar te zien, haar na te loopen, haar aan te raken.
Het was, alsof een stralenkrans haar omgaf, van nu af aan zou zij overal waar zij kwam, zoo bemind worden. Om haar wat te doen vergeten, stelde de beambte, die met de verklaring belast was, zich aan het hoofd der kleine groep bezoekers, liep met hen rond en vertelde de episode, die het groote, kringvormige, honderd zes-en-twintig meter lange doek voorstelde. Het bracht de zeventiende verschijning van de Heilige Maagd aan Bernadette in beeld, den dag, waarop zij, neergeknield voor de Grot, uit onachtzaamheid gedurende het visioen haar hand op de vlam van de kaars gehouden had, zonder die te branden: het geheele oude landschap der Grot was hersteld, het geheele tooneel was weergegeven met de historische personen, den dokter, die met zijn horloge in zijn hand het wonder constateerde, den burgemeester, den commissaris van politie, den officier van justitie, wier namen de beambte te midden van de verrukte uitroepen van het publiek, dat hem volgde, noemde.
Toen kwamen door een onwillekeurige gedachten-associatie Pierre de woorden weer voor den geest, die de koetsier tegen hem gezegd had: "Lourdes heeft goed opgenomen, maar het is de vraag, of het lang zoo duren zal." Inderdaad, dàt was de vraag. Hoeveel gewijde heiligdommen waren niet reeds zoo gebouwd op aanwijzing van onschuldige kinderen, uitverkoren onder allen en aan wie de Heilige Maagd verschenen was! Altijd weer was het dezelfde geschiedenis: een verschijning, een herderinnetje, dat men vervolgde en voor leugenaarster uitmaakte, dan een onbewuste drang van de menschelijke ellende, die naar illusie snakte, vervolgens de propaganda, de triomf van het als een vuurtoren stralende heiligdom, en eindelijk de achteruitgang, het verval, de vergetelheid, wanneer elders een ander heiligdom uit den visionnairen droom van een andere zieneres ontstond. Het leek wel alsof de macht der illusie versleten geraakte, alsof men het in den loop der eeuwen moest verplaatsen, het opnieuw opbouwen moest in andere decors, om de macht en de kracht ervan te herstellen. La Salette had de vroegere genezende Maagden van hout of steen onttroond, Lourdes had La Salette onttroond, om straks op zijn beurt ook weer onttroond te worden door de Notre-Dame van morgen, die met haar vriendelijk, glimlachend gelaat zou verschijnen aan een rein kind, dat nog geboren moest worden.
Dat Lourdes een zoo snellen, zoo wonderbaarlijk vluggen opbloei gehad had, dankte het ongetwijfeld aan het oprechte, eerlijke zieltje, aan de heerlijke bekoring van Bernadette. Hier geen bedrog, geen leugen, maar alleen de bloem van het lijden, een zwak, ziekelijk meisje, dat aan het lijdende volk in het wonder den droom van gerechtigheid en gelijkheid bracht. Zij was de eeuwige hoop, de eeuwige vertroosting. Bovendien schenen alle historische en maatschappelijke omstandigheden samengewerkt te hebben om aan het einde van een verschrikkelijke eeuw van empiristische onderzoekingen en nasporingen den drang naar die mystieke vlucht te versterken; daarom zou Lourdes ongetwijfeld nog lang in zijn triomf blijven voortbestaan, alvorens het niets meer zijn zou dan een legende, een van die doode godsdiensten met een sterken, maar vervluchtigden geur.
O, dat oude Lourdes, die stad van vrede en van geloof, de eenig mogelijke wieg, waarin de legende geboren kon worden! Wat kon Pierre het zich makkelijk voor den geest roepen, toen hij het lange doek van het Panorama omwandelde! Dit doek zeide alles, het gaf het beste uitsluitsel over de dingen, dat men geven kon. Naar de eentonige verklaringen van den beambte behoefde men niet te luisteren; het landschap sprak voor zichzelf. In de eerste plaats de Grot, het rotshol aan den oever van den Gave, een woeste plek voor droomen, met struikgewas bedekte hellingen, ineenstortingen van steenen zonder een gebaanden weg; en verder niets, geen verfraaiïngen waren nog aangebracht, geen monumentale kade, geen lanen in Engelsche tuinen, die zigzagden tusschen mooi geschoren hagen, geen prachtig ingerichte, maar misvormde, door een hek afgesloten Grot, en vooral geen winkel van religieuze artikelen, nog geen winkel van simonie, die een ergernis was voor vrome zielen.
De Heilige Maagd had in de woestijn geen bekoorlijker plekje kunnen kiezen om zich aan de uitverkorene van haar hart te openbaren, het arme meisje, dat hier rondliep met den droom van haar pijnlijke nachten, en dood hout sprokkelde. Verder zag hij aan de overzijde van den Gave, achter de rots van het Kasteel, het oude, in vol geloofsvertrouwen ingeslapen Lourdes.
Een andere eeuw rees voor zijn oog op, een klein stadje met zijn nauwe, met kiezelzand geplaveide straatjes, zijn zwarte huisjes, zijn oude, half-Spaansche kerk vol oude beeldhouwwerken, bevolkt met gouden visioenen en geschilderde beelden. Tweemaal per dag kwamen de diligences van Bagnères en Cauterets, die de Lapaca moesten doorwaden, om daarna de steile helling van de rue Basse op te rijden. De geest der eeuw was nog niet over deze vredige daken gestreken, welke de altijd nog kinderlijk gebleven bevolking beschermden, die zich nog steeds voegde in den nauwen band van een strenge, godsdienstige tucht. Geen overdadige weelde, een kalme, eeuwenoude handel was voldoende voor het dagelijksche leven, een armzalig-eenvoudig leven, welks ruwheid de beste bescherming voor de goede zeden was. Nooit had Pierre beter begrepen hoe Bernadette, de dochter van dat land van geloof en strenge zeden, er gebloeid had als een natuurroos, ontloken op de wilde rozestruiken langs den weg.
"Het is toch wel interessant," zeide mijnheer de Guersaint, toen zij weer op straat waren. "Ik ben blij, dat ik het gezien heb."
Ook Marie glimlachte vergenoegd.
"Niet waar, papa, je zoudt denken, dat het echt was. Soms is het net, alsof de menschen zich bewegen willen... En hoe verrukkelijk is Bernadette, zooals zij daar in extase geknield ligt, terwijl de vlam van de kaars om haar vingers lekt, zonder een brandwond achter te laten."
"Kom," begon de architect weer, "we hebben niet meer dan een uur; als we nog wat willen koopen, moeten we niet al te lang meer wachten. Willen we eens in de winkels gaan kijken? Wij hebben wel aan Majesté beloofd hem de voorkeur te geven, maar dat belet ons niet, om ook verder eens rond te kijken. Wat zeg jij ervan, Pierre?"
"Net zoo als u wilt, hoor!" antwoordde de priester. "We wandelen dan gelijk nog wat."
En hij volgde het jonge meisje en haar vader, die naar het plateau de la Merlasse teruggingen. Na zijn bezoek aan het Panorama had hij het vreemde gevoel, als was hij in een heel ander land gekomen. Het was, alsof men hem plotseling van de eene stad in een andere gezet had, die er eeuwen ver van verwijderd lag. Hij verliet de eenzaamheid, den ingesluimerden vrede van het oude Lourdes, die nog versterkt werd door het matte licht van het velum, om plotseling neer te vallen in het nieuwe, stralende, luidruchtige Lourdes.
Het was nu even over tienen, op de trottoirs heerschte een levendige drukte, een dichte menigte, die voor het dejeuner de noodige inkoopen doen moest, om vervolgens alleen nog maar aan het vertrek te denken.
De duizenden pelgrims van de nationale bedevaart stroomden, in een laatste gedrang, door de straten, belegerden de winkels. Afgaande op het geschreeuw en lawaai en de herrie zou men hebben kunnen denken aan een kermis, die ten einde loopt. Vele pelgrims voorzagen zich van mondvoorraad voor de reis, plunderden de openluchtstalletjes, waarin men broodjes met worst en ham verkocht. Men kocht vruchten, men kocht wijn, manden vulden zich zóó met flesschen en vette papieren, dat zij bijna barstten. Een koopman, die met kaas liep te venten, zag zijn wagen eensklaps leeg, als was er een stormwind door geloeid.
Maar vooral kocht de menigte religieuze artikelen; ventende kooplui, wier wagentjes vol beeldjes en vrome prentjes waren, deden schitterende zaken. Voor de winkels werd queue gemaakt: vrouwen hadden buitengewoon groote rozenkransen om haar hals gedaan, hielden beeldjes der Heilige Maagd onder haar armen, droegen kruiken, om die in de Grot met het wonderdoende water te vullen. Deze in de hand gedragen of aan een riem hangende kruiken, welke een tot tien liter bevatten konden, ten deele zonder beeld en ten deele met het portret van de Heilige Maagd in blauwe kleuren beschilderd waren, gaven met hun glans van nieuw blik en hun luid gerinkel iets vroolijks aan de menigte.
De koopwoede, het genot, om geld uit te geven en met zakken vol photographieën en medailles terug te keeren, deden de gezichten stralen met een feestelijken glans, veranderde de uitgelaten menigte in een kermistroep, die zijn schrokkige lusten bevredigt.
Op het plateau de la Merlasse kwam mijnheer de Guersaint een oogenblik in de verleiding, om een van de mooiste en drukste winkels binnen te gaan; op het uithangbord stond in groote letters: Soubirous, broeder van Bernadette.
"Als we hier onze inkoopen eens deden? Dat zou er meer lokale kleur aan geven, en onze souvenirs zouden er des te belangrijker door worden."
Dan echter ging hij verder en herhaalde, dat men eerst alles zien moest.
Toen Pierre den winkel van Bernadette's broeder zag, kreeg hij een gevoel, alsof hij een prop in zijn keel had. Het hinderde hem: de broer, die de Heilige Maagd verkocht, welke zijn zuster gezien had. Maar hij moest toch leven; en Pierre meende te weten, dat de familie der zieneres in haar winkel naast de van goud stralende Basilica, geen schitterende zaken maakte, zoo scherp was de concurrentie. Het mocht dan waar zijn, dat de pelgrims millioenen in Lourdes achterlieten, er waren meer dan tweehonderd handelaars in religieuze artikelen, ongerekend de hoteliers en pensionhouders, die het grootste gedeelte opstreken, zoodat de zoo vurige betwiste winsten ten slotte middelmatig waren. Het geheele plateau langs, rechts en links van Bernadette's broer, waren nog andere winkels, één ononderbroken rij winkels naast elkaar, die alle afdeelingen van de door de stad gebouwde galerij innamen en de stad een jaarlijksche huursom van zestigduizend francs opbrachten. Het waren echte bazars, open etalages, die tot op het trottoir stonden en den menschen het loopen bemoeilijkten. Over een lengte van driehonderd meters waren er geen andere zaken: één stroom van rozenkransen, medailles, beeldjes, die eindeloos over de vitrines vloeide. De uithangborden verkondigden in reusachtige letters de meest vereerde namen: de H. Roch, de H. Jozef, Jeruzalem, de Onbevlekte Maagd, het Heilige Hart van Maria, in het kort het beste, wat het Paradijs bevatte om klanten te trekken.
"Ik geloof waarachtig," zeide mijnheer de Guersaint, "dat het overal precies hetzelfde is. Laten we maar ergens binnengaan."
Hij had er genoeg van, die eindelooze rij etalages maakte hem doodmoe.
"Maar daar u beloofd hebt bij mijnheer Majesté te koopen," zeide Marie, die niet moede werd, "moesten we maar teruggaan."
"Uitstekend, laten we naar Majesté gaan!"
Maar in de rue de la Grotte begonnen de winkels opnieuw. Aan beide kanten stonden zij dicht op elkaar; doch nu waren er ook juweliers, modewinkels, parapluiehandelaars, zelfs was er een confiseur, die doozen Lourdes-water-pastilles verkocht, op het deksel waarvan het beeld der Heilige Maagd geschilderd was. De vitrines van een photograaf lagen vol met gezichten van de Grot en van de Basilica, portretten van bisschoppen en van eerwaarde paters van alle orden, en ansichtskaarten uit de omstreken. Een boekwinkel stalde de laatste Katholieke publicaties uit, boeken met vrome titels, waaronder de talrijke boeken, die sedert twintig jaar over Lourdes verschenen waren en waarvan sommige een groot opzien verwekt hadden. Op dezen grooten, drukken weg vloeide de menigte in een breeden stroom, tinkelden de kruiken, was het één intense levensvreugde in de heldere zon, die de straat in haar geheele lengte bescheen. De beeldjes, de medailles, de rozenkransen schenen nooit op te houden, de eene etalage volgde op de andere, kilometers ver ging het zoo voort door de straten van de geheele stad, die een bazaar met steeds weer dezelfde artikelen scheen geworden te zijn.
Voor het Hôtel des Apparitions aarzelde mijnheer de Guersaint nog even.
"Dus goed afgesproken, we zullen hier onze inkoopen doen."
"Natuurlijk," zeide Marie. "Kijk eens hoe mooi de winkel is."
Zij ging het eerst den winkel binnen, werkelijk een der grootste van de straat en die de geheele linkerhelft van den rez-de-chaussée van het hotel besloeg. Mijnheer de Guersaint en Pierre volgden haar.