De drie steden: Lourdes

Part 40

Chapter 404,026 wordsPublic domain

Hij sidderde, zijn hart werd in een laatste marteling verbrijzeld. O, de kussen van vroeger, de kussen, die hij nog op zijn lippen proefde! Nooit daarna had hij haar een kus gegeven, en nu was het een zuster, die hem omhelsde. Zij drukte een klappenden zoen op zijn linker- en op zijn rechterwang, hield hem de hare voor, eischte, dat hij haar die teruggeven zou. Tweemaal kuste hij haar terug.

"Ik ben ook zoo gelukkig, zoo innig gelukkig, Pierre!"

Overmand door zijn ontroering en terwijl een gevoel van verrukking en bitterheid tevens zich van hem meester maakte, barstte hij in snikken uit, weende hij tusschen zijn gevouwen handen als een kind, dat zijn tranen verbergen wilde.

"Kom, kom, laten we niet al te week worden," zeide zuster Hyacinthe vroolijk. "Mijnheer de abbé zou te verwaand worden, als hij dacht, dat we alleen om hem gekomen waren. Mijnheer de Guersaint is zeker hiernaast!"

"O, die beste papa! Wat zal die ook gelukkig zijn!" riep Marie vol liefde uit.

Pierre moest nu vertellen, dat mijnheer de Guersaint nog niet terug was van zijn uitstapje naar Gavarnie. Zijn toenemende ongerustheid klonk duidelijk in zijn woorden door, hoewel hij trachtte het lange uitblijven te verklaren, tegenslagen, onvoorziene complicaties bedacht. Overigens was het jonge meisje heelemaal niet ongerust; zij begon weer te lachen en zeide, dat haar vader nooit op tijd geweest was. En toch zou zij hem zoo graag willen laten zien, dat zij liep, dat zij stond, als in haar nieuw ontbloeide jeugd herboren!

Zuster Hyacinthe, die over het balcon was gaan kijken, kwam in de kamer terug.

"Daar is hij... Hij stapt beneden uit het rijtuig!"

"Zeg," riep Marie met de uitgelaten vroolijkheid van een schoolmeisje; "we moeten hem verrassen. We zullen ons verstoppen, en wanneer hij dan binnen is, laten we ons in eens zien."

Reeds trok zij zuster Hyacinthe in de kamer ernaast.

Onmiddellijk daarna kwam mijnheer de Guersaint als een wervelwind door de gangdeur, die Pierre gauw geopend had; hartelijk drukte hij hem de hand.

"Daar ben ik eindelijk... Je hebt zeker niet geweten waar ik bleef, hè? Maar je kunt je niet voorstellen, wat een pech we gehad hebben: eerst is er een wiel van het rijtuig gebroken, toen we in Gavarnie aankwamen, en juist, toen we gisteravond een eindje op den terugweg waren, moesten we door een verschrikkelijk onweer den heelen nacht te Saint-Sauveur blijven... Ik heb geen oog dicht gedaan."

Hij viel zichzelf in de rede.

"En hoe is het met jou?"

"Ik heb ook door al het lawaai, dat ze in het hotel gemaakt hebben, niet kunnen slapen."

Maar reeds ratelde mijnheer de Guersaint weer:

"Enfin, het hindert niet, het was verrukkelijk. Dat moet ik je nog even vertellen... Ik was met drie charmante geestelijken. Abbé des Hermoises is ontegenzeggelijk de aardigste man, dien ik ooit ontmoet heb... Gelachen dat we hebben, gelachen!"

Weer hield hij op.

"En mijn dochter?"

Toen klonk achter hem een heldere lach. Hij keerde zich om, bleef met een open mond staan. Marie was daar, en zij liep, haar gelaat straalde van blijde verrukking en heerlijke gezondheid. Nooit had hij aan het wonder getwijfeld, hij was ook in het minst niet verrast, want hij kwam terug met de overtuiging, dat alles goed afloopen zou, dat hij haar ongetwijfeld genezen terug zou vinden. Doch wat hem tot in het diepst van zijn ziel trof, dat was het wondere schouwspel, dat hij niet had voorzien: zijn dochter zoo mooi, zoo goddelijk in haar zwart japonnetje. Zijn dochter, die zelfs geen hoed medegebracht, doch haar bewonderenswaardige lokken slechts met een kanten doekje bedekt had! Zijn levende, bloeiende, triompheerende dochter, gelijk aan alle dochters van alle vaders, die hij al zoovele jaren benijdde.

"Mijn kind, mijn kind!"

En toen zij in zijn armen gevlogen was, drukte hij haar vast tegen zich aan, knielden zij samen neer. En alles straalde in een heerlijke uitvloeiïng van geloof en liefde. Deze verstrooide man met zijn vogelhersenen, die in slaap viel in plaats van met zijn dochter naar de Grot te gaan, die een uitstapje naar Gavarnie maakte op den dag, dat de Heilige Maagd haar moest genezen, vloeide over van vaderlijke teederheid, van een zoo door dankbaarheid bezield Christelijk geloof, dat hij een oogenblik verheven werd.

"O, Jezus, o Maria, hoe dank ik u, dat ge mij mijn kind teruggegeven hebt... O, kind, wij zullen nooit genoeg adem, nooit genoeg ziel hebben om Maria en Jezus te danken voor het groote geluk, dat hij mij geeft... O, kind, dat zij hebben opgewekt, o kind, dat zij zoo mooi gemaakt hebben, neem mijn hart, om het hun met het jouwe aan te bieden... Ik behoor aan jou en behoor aan hen, eeuwig en eeuwig, mijn geliefd, mijn aangebeden kind!"

Neergeknield voor het open raam, keken beiden met vurige blikken naar den hemel. De dochter leunde met haar hoofd tegen den schouder van haar vader, terwijl hij zijn arm om haar middel geslagen hield. Zij waren slechts één; langzaam begonnen tranen te vloeien over hun verrukte, in bovenmenschelijk geluk glimlachende gezichten, terwijl zij slechts onsamenhangende woorden van dank stamelen konden.

"Dank, o Jezus; dank, o heilige Moeder van Jezus... Wij hebben u lief, wij aanbidden u... Gij hebt het beste bloed onzer aderen verjongd, het behoort aan u, het klopt voor u... O, almachtige Moeder, o geliefde goddelijke Zoon, een dochter en een vader zegenen u en bezwijmen aan uw voeten van vreugde."

De omarming van deze twee schepselen, die na zooveel donkere dagen gelukkig waren, dit uitstamelen van hun geluk, dat als het ware nog in lijden gedrenkt was, dit geheele tooneel was zóó ontroerend, dat Pierre weer in tranen uitbarstte. Maar nu waren het weldadige tranen, die zijn hart tot kalmte brachten. O, de ongelukkige menschheid! Wat deed het goed haar een weinig getroost en in verrukking te zien! En wat kwam het er op aan, of dat groote geluk van enkele seconden ontsprong uit de eeuwige illusie! Was de geheele menschheid, de deerniswaardige, door de liefde geredde menschheid eigenlijk niet vertegenwoordigd in dezen armen man, die plotseling verheven werd, nu hij zijn dochter herboren zag?

Zuster Hyacinthe stond wat op den achtergrond en huilde eveneens, haar hart was vol van een menschelijke ontroering, zooals zij nog nooit gevoeld had, zij, die nooit andere verwanten gekend had dan den goeden God en de Heilige Maagd. Een stilte heerschte in deze kamer, die huiverde van zulk een in tranen gedrenkte broederschap. Zij sprak het eerst, toen de vader en de dochter eindelijk opstonden.

"En nu, mademoiselle, moeten we gauw naar het Hôpital terug!"

Maar daar kwamen de anderen tegen op. Mijnheer de Guersaint wilde zijn dochter bij zich houden en in Marie's oogen straalde het vurig verlangen om te leven, te loopen, de wijde, wijde wereld door te trekken.

"Geen quaestie van," zeide mijnheer de Guersaint, "ik geef haar niet aan u terug... Wij zullen een paar glazen melk drinken, want ik kom bijna om van honger; en dan gaan we uit, gaan we samen wandelen. Zij aan mijn arm, als een klein vrouwtje!"

Weer lachte zuster Hyacinthe.

"Nu goed dan, ik zal haar hier laten en aan de dames zeggen, dat u haar mij ontstolen hebt... Maar ik maak, dat ik weg kom. U hebt er geen begrip van hoeveel we nog te doen hebben, indien wij vóór het vertrek klaar willen zijn: al onze zieken, al ons materiaal, enfin een drukte van wat heb je me!"

"Is het dan Dinsdag?" vroeg mijnheer de Guersaint, die weer in zijn oude verstrooidheid terugviel; "en gaan we vanavond weg?"

"Natuurlijk, vergeet het als het u blieft niet!... De witte trein vertrekt om tien minuten over halfvier... En als u van mij een raad wilt aannemen, dan zou ik mademoiselle wat vroegtijdig terugbrengen, dan kan zij nog wat rusten."

Marie ging met de zuster tot de deur mede.

"Wees maar gerust, ik zal verstandig zijn. Ik wil ook graag even naar de Grot, om de Heilige Maagd nog eens te danken."

Toen zij met hun drieën alleen in het kamertje waren, dat in het zonlicht baadde, kenden zij hun geluk niet. Pierre had het kamermeisje melk, chocolade, koekjes en allerlei andere lekkernijen laten brengen. En hoewel Marie reeds ontbeten had, at zij nog mee; sedert den vorigen avond verslond zij letterlijk alles. Zij hadden het tafeltje voor het raam gerold, maakten er een waar feestmaal van in de prikkelende berglucht, terwijl de honderd klokken van Lourdes met haar bronzen stemmen den roem van dezen stralenden dag uitjubelden. Zij praatten en lachten; het jonge meisje vertelde aan haar vader het wonder met honderdmaal herhaalde bijzonderheden, en hoe zij het wagentje in de Basilica had achtergelaten en hoe zij een wijzertje rond geslapen had. Toen wilde ook mijnheer de Guersaint van zijn uitstapje vertellen, maar hij geraakte in de war, bracht het wonder ermede in verband.

In korte woorden gezegd was dit keteldal van Gavarnie iets reusachtigs. Alleen verloor men uit de verte het gevoel van proporties, leek het klein. De drie altijd met sneeuw bedekte terrassen; de hoogste kam, die zich tegen den hemel afteekende als het profiel van een Cyclopenvesting, waarvan de toren met den grond gelijk gemaakt en de wallen uitgetand waren; de groote waterval, die zoo langzaam scheen te stroomen, terwijl hij in werkelijkheid met een donderend lawaai neerstortte; de bosschen rechts en links; de rivieren; de bergen, die geheele eindeloosheid maakte, wanneer men het van af de markt van het dorp zag, den indruk, alsof je het in je hand zou kunnen houden. Wat hem het meest getroffen had en waarop hij telkens weer terugkwam, waren de vreemde figuren, die de sneeuw, welke tusschen de rotsen liggen bleef, maakte: o. a. een reusachtig kruis, een wit kruis van eenige duizenden meters, dat den indruk maakte, alsof het dwars over het dal geworpen was.

Dan viel hij zichzelf in de rede:

"Tusschen twee haakjes, wat is er bij onze buurlui aan de hand? Toen ik daareven boven kwam, vloog mijnheer Vigneron mij als een bezetene voorbij; en door de open deur meende ik te zien, dat madame Vigneron er erg opgezet uitzag. ...Heeft de kleine Gustave soms weer een aanval gehad?"

Pierre had madame Chaise, de doode, die daar aan de andere zijde van het dunne beschot sliep, heelemaal vergeten. Hij meende een killen ademtocht te voelen.

"Neen, het kind is heel goed..."

Hij ging er echter niet verder op in, zweeg er liever over. Waarom dit zoo gelukkige uur van herrijzenis, van herkregen jeugd te bederven, door er het beeld van den dood in te weven? Maar van dat oogenblik af bleef hij steeds aan de doode denken; dacht hij ook aan de andere kamer ernaast, waarin de ongetrouwde mijnheer zijn snikken verstikte en zijn lippen drukte op het paar handschoenen, dat hij van zijn geliefde gestolen had. Het geheele hotel kwam voor zijn geest terug, het hotel met zijn hoestaanvallen, met zijn zuchten, zijn onverstaanbare stemmen, het eeuwige dicht slaan der deuren, de vloeren, die onder de opeenhooping der gasten kraakten, de gangen, waarin het stof opdwarrelde door de ruischende rokken, het heen en weer vliegen van de families, die zenuwachtig werden door het op handen zijnde vertrek.

"Je zult je maag nog van streek maken," riep mijnheer de Guersaint lachend uit, toen hij zag, dat zijn dochter nog een broodje nam.

Marie moest ook lachen. Doch dan kwamen plotseling twee tranen in haar oogen.

"Wat ben ik gelukkig! En toch, wat doet het me een pijn wanneer ik bedenk, dat niet iedereen even gelukkig is als ik!"

II.

Het was acht uur... Marie kon het in de kamer bijna niet meer uithouden, telkens weer liep zij naar het raam, alsof zij in één teug de geheele ruimte, den geheelen hemel wilde leeg drinken. O, door de straten, over de pleinen te loopen, overal en nog elders, zoo ver als zij zelf maar wilde! En te laten zien hoe sterk zij was, hoe zij mijlen ver gaan kon, nu de Heilige Maagd haar genezen had! Het was een onweerstaanbare drang van heel haar wezen, van haar hart, van haar bloed.

Maar toen zij wegging, besliste zij toch, dat haar eerste bezoek met haar vader aan de Grot moest zijn, waar zij samen Notre-Dame de Lourdes danken moesten. Daarna zouden ze vrij zijn, zouden ze nog twee volle uren hebben om te wandelen, waar zij wilden, vóór zij naar het Hôpital terugging om te dejeuneeren en haar zaakjes bij elkaar te pakken.

"Nu, kunnen we gaan?" vroeg mijnheer de Guersaint.

Pierre nam zijn hoed en met hun drieën gingen zij hard pratend en luid lachend als een troepje schooljongens, die vacantie krijgen, de trap af. Zij waren reeds op straat, toen madame Majesté hen achterna snelde. Zij had blijkbaar op hun uitgaan geloerd.

"Mademoiselle, heeren, laat ik u even mogen gelukwenschen... Wij hebben van de buitengewone genade, die u ten deel gevallen is, gehoord, wij zijn zoo gelukkig en voelen ons zoo gevleid, dat de Heilige Maagd een van onze gasten heeft uitverkoren!"

Haar dor, hard gezicht was nu één vriendelijkheid; zij nam de door het wonder genezene met liefkoozende blikken op. Dan riep zij haar man, die juist voorbijging.

"Kijk toch eens manlief, dat is mademoiselle, dat is mademoiselle..."

Het gladgeschoren, van geel vet glimmende gezicht van Majesté kreeg een uitdrukking van vreugde en dankbaarheid.

"Inderdaad, mademoiselle, ik kan u niet zeggen hoe vereerd wij ons gevoelen... Wij zullen nooit vergeten, dat mijnheer uw vader bij ons gelogeerd heeft; dat alleen reeds maakt heel wat afgunstigen."

Intusschen hield madame Majesté de andere gasten, die uitgingen, staande, wenkte de families, die reeds in de eetzaal zaten, zou de geheele straat binnengeroepen hebben, als zij daar den tijd voor gehad had, om te laten zien, dat zij in haar hotel het wonder had, waarover geheel Lourdes sedert den vorigen avond in stomme bewondering was.

"Kijk, dat is zij, het jonge meisje, u weet wel, het jonge meisje..."

Plotseling riep zij uit:

"Ik ga even Appoline uit het magazijn halen, Appoline moet mademoiselle zien."

Doch met een waardig gebaar hield Majesté haar tegen.

"Neen, laat Appoline met rust, zij is bezig drie dames te helpen... Mademoiselle en de heeren zullen Lourdes zeker niet verlaten, zonder het een of ander te koopen. De kleine souvenirs, die je meeneemt, bekijk je later met zooveel pleizier! En onze gasten zijn altijd zoo welwillend nooit ergens anders iets te koopen dan bij ons in het magazijn, dat we aan het hotel verbonden hebben."

"Ik heb reeds mijn diensten aangeboden," drong madame Majesté aan; "Appoline zal zoo blij zijn mademoiselle het mooiste, wat wij hebben, en tegen ongelooflijke lage prijzen te laten zien. O, prachtige, prachtige dingen!"

Marie begon ongeduldig te worden, dat zij zoo opgehouden werd, terwijl die steeds grooter wordende nieuwsgierigheid om hen heen Pierre zeer onaangenaam aandeed. Mijnheer de Guersaint genoot echter van die populariteit, van dien triomf van zijn dochter. Hij beloofde terug te zullen komen.

"Natuurlijk komen we straks het een en ander koopen; souvenirs voor ons zelf en om cadeau te doen. Maar strakjes, als we terugkomen."

Eindelijk konden zij wegkomen en liepen de avenue de la Grotte af. Het weer was prachtig na het onweer der twee vorige nachten. De afgekoelde ochtendlucht geurde heerlijk in de volle vroolijkheid der heldere zon. Een drukke, levenslustige menigte bewoog zich op de trottoirs. Welk een verrukking voor Marie, aan wie dat alles nieuw, bekoorlijk voorkwam, niet genoeg op prijs te stellen. 's Morgens had zij moeten toestaan, dat Raymonde haar een paar laarzen leende, want in haar bijgeloof had zij zich er wel voor gewacht die in haar valies mede te nemen, uit vrees, dat die haar ongeluk zouden brengen. De laarzen stonden haar prachtig, met echt kinderlijke vreugde hoorde zij de hakken vroolijk op de steenen klikklakken. Zij kon zich niet herinneren ooit zulke witte huizen, zulke groene boomen, zulke vroolijke wandelaars gezien te hebben. Al haar wonderlijk fijn ontwikkelde zintuigen schenen te genieten: zij hoorde muziek, rook heerlijke geuren, proefde gretig de lucht als was deze een sappige vrucht. Maar het allerheerlijkste vond zij toch zoo aan den arm van haar vader te wandelen. Nog nooit was haar dat overkomen, al jaren lang droomde zij ervan als van een groot onmogelijk geluk, waarmede je je in zulke langdurige ziekten zoo dikwijls bezig houdt. En nu die droom werkelijkheid geworden was, jubelde haar hart luide op. Zij drukte zich tegen haar vader aan, trachtte goed rechtop te loopen, om hem eer aan te doen. En hij was heel trotsch en even gelukkig als zij, liet haar zien, liep als het ware met haar te koop; zijn hart was één en al vreugde haar, zijn bloed, zijn vleesch, zijn dochter, van nu af aan weer stralend van jeugd en gezondheid, tegen zich aan te voelen.

Toen zij het plateau de la Merlasse, dat reeds vol was met kaarsen- en bloemenverkoopsters, die den pelgrims haar koopwaren opdrongen, overgingen, riep mijnheer de Guersaint uit:

"Wij zullen toch niet met ledige handen naar de Grot gaan."

Pierre, die aan den anderen kant naast Marie liep, bleef, medegesleept door de lachende vroolijkheid, waarin hij haar zag, staan. Onmiddellijk waren zij omringd door een zwerm koopvrouwen, wier hebzuchtige handen haar waren tot onder hun neus duwden. "Mooie juffrouw, goede heeren, koopt van mij, koopt van mij!" Zij moesten zich losrukken. Mijnheer de Guersaint kocht ten slotte den grootsten ruiker, een bouquet witte margerieten, rond en hard als een bloemkool, van een heel mooi, mollig en blond meisje van hoogstens twintig jaar, dat zich in haar onbeschaamdheid zoo weinig gekleed had, dat men de ronding van haar boezem onder haar half dicht geknoopt jakje zien kon. De bouquet kostte maar twintig sous; hij vond het vervelend die uit zijn slecht voorziene beurs te betalen en was eenigszins van zijn stuk gebracht door de manieren van die groote meid, terwijl hij bij zichzelf dacht, dat die wel op een andere manier haar brood zou verdienen, als de Heilige Maagd haar in den steek liet. Pierre betaalde de drie kaarsen, die Marie gekocht had van een oude vrouw, kaarsen van twee francs, heel goedkoop, zooals zij zeide. De oude vrouw, een hoekige figuur met een roofvogelneus en hebzuchtige oogen, putte zich in honingzoete dankbetuigingen uit: "Moge Notre-Dame de Lourdes u zegenen, schoone dame! Moge zij u en de uwen van uw ziekten genezen!" Dat vroolijkte hen weer op, lachend als kinderen bij de gedachte, dat die wensch der brave vrouw reeds een voldongen feit was, gingen zij verder.

In de Grot wilde Marie zich dadelijk bij de queue aansluiten, om, voor zij nog neerknielde, zelf de bloemen en de kaarsen te geven. Er waren nog niet veel menschen, zij gingen achter in de rij staan en kwamen na een minuut of drie vier aan de beurt! Met welk een verrukte blikken keek zij naar alles, naar het altaar met gegraveerd zilver, het harmonium, de geloftegiften, de van was druipende kandelaars, die in het volle daglicht vlamden! De Grot, die zij nog slechts uit de verte, van uit haar ziekenwagentje gezien had, ging zij nu binnen, zij ademde erin als in het paradijs zelf, badend in een lauwe warmte, in een zachten geur, die haar toch eenigszins bedwelmde. Toen zij de kaarsen in de groote mand neergelegd had en op haar teenen was gaan staan, om den ruiker boven aan een spijl van het hek te steken, kuste zij lang de rots onder het beeld der Heilige Maagd, op de plek, waar millioenen lippen die glad gemaakt hadden. En deze kus, welken zij aan dien steen gaf, was een kus van liefde, waarin zij al haar dankbaarheid legde, een kus, waarin haar hart wegsmolt.

Buiten gekomen, wierp Marie zich op haar knieën en verzonk in een eindeloos dankgebed. Haar vader was eveneens neergeknield en vereenigde zijn vurige dankbaarheid met de hare. Maar hij kon nooit lang zijn aandacht bij dezelfde zaak bepalen, hij begon wat onrustig te worden, fluisterde ten slotte zijn dochter in, dat hij nog een boodschap moest doen, waaraan hij daarnet niet gedacht had. Het zou maar het beste zijn, als zij bleef bidden, tot hij terugkwam. Terwijl zij bad, zou hij zich haasten, waarna zij dan op hun gemak zouden kunnen gaan wandelen. Zij begreep, ja verstond hem zelfs niet. Zij knikte alleen maar, beloofde hier te zullen blijven; ze was weer door zulk een geloofsverteedering aangegrepen, dat haar oogen, die steeds door op het witte beeld der Heilige Maagd gevestigd waren, nat werden van tranen.

Toen mijnheer de Guersaint zich weer bij Pierre, die zich wat op den achtergrond gehouden had, voegde, zeide hij:

"Het is een gewetensquaestie, ik heb den koetsier, die ons naar Gavarnie gereden heeft, beloofd, dat ik aan zijn patroon zou gaan vertellen waardoor wij zoo opgehouden zijn. Je weet wel, den kapper op de place du Marcadal. Trouwens, ik moet me toch ook even laten scheren."

Ofschoon tegen zijn zin moest Pierre, toen mijnheer de Guersaint zeide, dat ze binnen een kwartiertje terug zouden zijn, wel meegaan. Maar daar het hem nog al ver voorkwam, stond hij van zijn kant erop een rijtuig te nemen, dat hij onder aan het plateau de la Merlasse zag wachten. Het was een soort groenachtige cabriolet; op den bok zat een koetsier, een flinke kerel van een jaar of dertig met een Baskische muts, een sigaret te rooken. Dwars over den bok zittend en met zijn beenen van elkaar reed hij met de rustige ongegeneerdheid van een man, die zich den meester van de straat voelt.

"Wacht maar even," zeide Pierre, toen zij op de place du Marcadal uitstapten.

"Goed, mijnheer de abbé."

En terwijl hij zijn mager paard in de volle zon liet staan, ging hij grapjes maken met een flinke, brutale meid, die in een fontein een hond aan het wasschen was.

Cazaban stond juist aan de deur van zijn winkel, welks groote spiegelruiten en lichtgroene verf het trieste, door de week steeds verlaten plein opvroolijkten. Wanneer het niet druk was, stond hij graag te geuren tusschen zijn twee groote vitrines, waarin pommadepotten en fleschjes parfum even zoo vele vroolijke plekken vormden.

Dadelijk herkende hij de heeren.

"Zeer gevleid, zeer vereerd... Gaat u, als het u blieft binnen!"

Bij de eerste woorden, die mijnheer de Guersaint zeggen wilde, om den koetsier, die hen naar Gavarnie gereden had, te verontschuldigen, was hij dadelijk zeer welwillend. Neen, natuurlijk, dat was de schuld van dien man niet, die kon niet beletten, dat er een wiel brak of dat er een onweer losbarstte. Wanneer de reizigers geen klachten hadden, dan was het in orde.

"O," riep mijnheer de Guersaint uit, "een prachtig, een onvergetelijk land!"

"Welnu, mijnheer, als ons land u bevalt, dan zult u natuurlijk terugkomen, meer vragen we niet!"

Toen de architect op een der stoelen ging zitten en vroeg om geschoren te worden, werd hij een en al voorkomendheid. Zijn bediende was er niet, deed een paar boodschappen voor de pelgrims, die bij hem logeerden, een heele familie, welke een kist vol rozenkransen, gipsen beeldjes der Heilige Maagd en plaatjes onder glas mee wilde nemen. Op de eerste verdieping hoorde men zenuwachtig heen en weer loopen, heftige stemmen, kortom het gewone lawaai van menschen, die door een naderend vertrek opgewonden zijn en nog een berg van dingen in te pakken hebben. In de eetkamer, waarvan de deur open stond, slurpten twee kinderen hun chocolade leeg. Het geheele huis was verhuurd en aan de logé's overgeleverd; het waren de laatste uren van deze vreemdelingen-invasie, die den kapper en zijn vrouw dwongen hun toevlucht te nemen in het sousterrein, een engen kelder, waarin zij op een kermisbed sliepen.

Terwijl Cazaban hem inzeepte, vroeg mijnheer de Guersaint:

"En is u nog al tevreden over het seizoen?"

"Zeker, mijnheer, ik heb niet te klagen. U hoort, mijn gasten vertrekken vandaag, maar morgen verwacht ik weer anderen; je hebt bijna geen tijd om de boel even schoon te maken.--En dat gaat zoo tot in October toe door."

Daar Pierre op en neer bleef loopen of ongeduldig naar de muren stond te kijken, keerde hij zich beleefd om:

"Ga toch zitten, mijnheer de abbé, en neem een courant. Het zal niet lang duren."