De drie steden: Lourdes

Part 4

Chapter 43,888 wordsPublic domain

Gedurende die twaalf maanden van langzaam herstel, had hij, voor zoover hij zich herinneren kon, niemand ontvangen dan dr. Chassaigne, een oud vriend van zijn vader, een werkelijk knap geneesheer, die zich bescheiden hield bij zijn taak om te praktiseeren, wiens eenige eerzucht was zijn patiënten te genezen. Madame Froment had hij niet van den dood kunnen redden; maar hij beroemde er zich op den jongen priester genezen te hebben van een ernstige ziekte; van tijd tot tijd kwam hij, om hem wat afleiding te bezorgen, nog eens met hem praten en sprak dan voornamelijk over Pierre's vader, den grooten scheikundige; hij was onuitputtelijk in allerlei anecdoten over den doode, in allerlei bijzonderheden, waarin nog altijd zijn warme vriendschap doorstraalde. Op die wijze had gedurende zijn langzaam herstel de zoon zich van zijn vader langzamerhand een beeld van beminlijken eenvoud, van goedheid en gulle hartelijkheid gevormd. Dat was zijn vader, zooals hij werkelijk was, en niet de man van strenge wetenschap, zooals hij hem zich vroeger, naar wat zijn moeder altijd vertelde, voorgesteld had. Zeker, zij had hem nooit iets anders geleerd dan een eerbiedig opzien tegen den dierbaren doode; maar was hij niet de ongeloovige, de godloochenaar, die de engelen deed weenen, de medewerker aan de goddeloosheid, die zich tegen het werk van God richtte. Op die wijze was hij een schrikbeeld der duisternis gebleven, de verdoemde, die als een spook door het huis zwierf, terwijl hij er nu het vriendelijke, glimlachende licht van werd, een door vurigen waarheidsdrang bezield werker, die nooit iets anders nagejaagd had dan de liefde en het geluk van allen. Dr. Chassaigne, een zoon der Pyrenaeën, geboren in een dorp, waarin men nog aan tooverheksen geloofde, voelde zich eerder aangetrokken tot den godsdienst, ook al had hij in de veertig jaren, dat hij te Parijs woonde, geen voet in de kerk gezet. Maar van één ding was hij volkomen zeker: als er ergens een hemel was, dan zou Michel Froment daar zijn, en wel gezeten op een troon aan de rechterhand van God.

En nog eenmaal herleefde Pierre in enkele minuten de vreeselijke crisis, die gedurende twee maanden hem gemarteld had. Niet zoozeer, dat hij in de bibliotheek boeken van anti-religieuze strekking gevonden had of dat zijn vader, wiens papieren hij ordende, zich ooit buiten het gebied van zijn technische onderzoeking bewogen had, neen, er was langzamerhand, ondanks zijn wil, in hem een wetenschappelijke klaarheid gekomen, er had zich in hem een geheel van bewezen verschijnselen gevormd, die de dogma's vernietigden en in hem niets overlieten van al die dingen, waaraan hij moest gelooven. Het was, alsof zijn ziekte hem een wedergeboorte had doen ondergaan, alsof hij opnieuw begon te leven en te leeren in den weldadig-aandoenden terugkeer van zijn krachten, die aan zijn verstand een zoo doordringende helderheid gaf. Op het seminarie had hij, op raad van zijn leeraren, zijn wetensdrang, zijn zucht tot onderzoek steeds beteugeld. Wat men hem leerde, verbaasde hem wel, maar hij had toen het offer van zijn verstand, dat men van zijn vroomheid eischte, gebracht. En nu stortte deze met zooveel zorg en inspanning opgebouwde stelling van het dogma ineen door een opstand van het souvereine verstand, dat zijn rechten opeischte, dat hij niet meer tot zwijgen dwingen kon. De waarheid borrelde op, brak zich met zoo'n onweerstaanbare kracht baan, dat hij begrepen had nooit meer de dwaling te kunnen laten zegevieren. Het was de volkome, de onherstelbare debacle van het geloof. Al had hij het vleesch in zich kunnen dooden door afstand te doen van zijn jeugdroman, al voelde hij zich zoozeer heer en meester over zijn zinnelijke lusten, dat hij eigenlijk opgehouden had man te zijn, hij wist nu, dat het offer van zijn verstand onmogelijk meer te brengen zou zijn. En hij vergiste zich niet, het was zijn vader, die diep in zijn binnenste herleefde, die in de overgeleverde twee-eenheid, waarin zijn moeder zoo lang als heerscheresse getroond had, de overwinning behaalde. Zijn recht, torenvormig voorhoofd scheen nog hooger geworden te zijn, terwijl zijn spitse kin en zijn week-teedere mond nog meer naar achteren sprongen. En toch leed hij er onder, was hij radeloos van smart niet meer te kunnen gelooven, van verlangen om het nog te willen, wanneer zijn goed hart, zijn behoefte aan liefde in de schemeruren weer in hem ontwaakten; dan moest eerst de lamp komen, moest hij eerst weer duidelijk om en in zich kunnen zien, om de energie en kalmte van zijn verstand, de kracht voor het martelaarschap, den wil om alles voor den vrede van zijn geweten op te offeren, terug te vinden.

Toen was de crisis uitgebroken. Hij was priester en geloofde niet meer. Als een bodemlooze afgrond gaapte dit plotseling voor zijn voeten. Wat was het einde van zijn leven, de ineenstorting van alles. Wat moest hij doen? Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet de soutane van zich te werpen en in de wereld terug te keeren? Maar hij had reeds zulke afvallige priesters gezien en ze veracht. Een getrouwde priester, dien hij kende, vervulde hem met walging. Ongetwijfeld was dat nog slechts een overblijfsel van zijn lange religieuze opvoeding: hij hield nog vast aan de gedachte van de onschendbaarheid van het priesterschap, de gedachte, dat hij, die zich eenmaal aan God gegeven had, zich niet meer vrij maken kon. Misschien ook voelde hij zich reeds te zeer gebrandmerkt, te zeer verschillend van de anderen, zoodat hij bang zijn moest onbeholpen en onwelkom te zullen wezen. En na lange dagen vol kwelling en strijd, waarin zijn verlangen naar geluk en de levenskracht van zijn teruggekeerde gezondheid worstelden, nam hij het heldhaftige besluit priester, en een eerlijk priester te blijven. Hij zou de kracht tot deze verzaking hebben. Nu hij, al was het hem dan niet gelukt zijn verstand het zwijgen op te leggen, het vleesch in zich gedood had, deed hij zichzelf de plechtige gelofte zijn eed van kuischheid te houden; dat was het onwankelbare, dat was het reine en rechtschapen leven, dat hij volkomen zeker was te zullen leiden. Wat kwam het overige erop aan, indien hij alleen maar behoefde te lijden, indien niemand ter wereld den uitgedoofden vulkaan in zijn hart, de nietswaardigheid van zijn geloof, den afgrijselijken leugen, waarin hij zich ten doode kwelde, vermoedde. Zijn krachtige steun zou zijn rechtschapenheid zijn, hij zou zijn priesterambt blijven vervullen als een eerlijk man, zonder een der geloften, die hij uitgesproken had, te verbreken, door volgens de kerkelijke voorschriften zijn plichten te blijven vervullen als dienaar van God, dien hij zou prediken, dien hij zou dienen aan het altaar, dien hij als brood des levens onder de geloovigen uitdeelen zou. Wie zou het hem dan als een misdaad aanrekenen, dat hij zijn geloof verloren had, gesteld dat dit groote ongeluk eens bekend worden zou? En wat kon men nog meer van hem vragen? Had hij niet zijn geheele leven geofferd aan zijn eed; had hij zijn priesterambt niet hoog gehouden; had hij niet alle goede werken der Christelijke liefde gedaan zonder eenige hoop op een toekomstige belooning? Zoo had hij langzamerhand de kalmte in zich doen wederkeeren, het hoofd nog omhoog, in die troostelooze verhevenheid van den priester, die zelf niet meer gelooft en blijft waken over het geloof van anderen. Hij stond ongetwijfeld niet alleen, hij voelde, dat hij broeders had, priesters, die, hoewel door twijfel en ongeloof gemarteld, toch op het altaar bleven als soldaten zonder vaderland, toch den moed hadden de goddelijke illusie te doen lichten over de neergeknielde scharen.

Na zijn volkomen herstel had Pierre zijn dienst in de kleine kerk te Neuilly weer hervat. Iederen ochtend las hij er de mis. Maar hij was vastbesloten iedere plaats, iedere bevordering te weigeren. Maanden, jaren verliepen: halsstarrig bleef hij bij zijn besluit een gewoon priester te zijn, de meest onbekende, de nederigste der priesters, die men in een parochie duldt, die komen en weer gaan, wanneer zij zich van hun plicht gekweten hebben. Iedere waardigheid, die hij erbij aanvaarden zou, zou hem een verergering van zijn leugen geschenen zijn, een roof tegenover hen, die het meer verdienden. En hij moest voor talrijke aanbiedingen bedanken, want zijn verdiensten konden niet onopgemerkt blijven: men verwonderde zich in het aartsbisschoppelijk paleis over die hardnekkige bescheidenheid, had van de kracht, die men in hem vermoedde, gebruik willen maken. Slechts hoogst zelden voelde hij een spijt in zich opkomen, dat hij niet nuttig kon zijn, dat hij zich niet met hart en ziel geven kon aan een grootsch en verheven werk, aan het weder brengen van vrede op aarde, aan het heil en het geluk der menschheid. Gelukkig had hij zijn dagen vrij en kon hij troost zoeken in een ware werkwoede; hij verslond alle boeken uit de bibliotheek van zijn vader, vatte zijn vroegere studiën en onderzoekingen weer op, hield zich vooral bezig met de geschiedenis der menschheid, verteerd als hij werd door de begeerte om het maatschappelijke en religieuze kwaad in zijn oorsprong na te gaan, om zich te vergewissen of er dan werkelijk niets aan te verhelpen was.

Op een ochtend, dat hij in een der groote schuifladen onder in de boekenkast zocht, had Pierre een dossier ontdekt over de verschijning te Lourdes. Er bevonden zich zeer volledige en belangrijke documenten in, afschriften van de verhooren van Bernadette, administratieve processen-verbaal, politierapporten, geneeskundige verklaringen en onderzoekingen, ongerekend nog particuliere en vertrouwelijke brieven, die van het grootste belang waren. Verbaasd over deze vondst, had hij er met dr. Chassaigne over gesproken, die zich herinnerde, dat zijn vriend Michel Froment indertijd het geval van Bernadette bestudeerd had; hij zelf, die in een dorpje dicht bij Lourdes geboren was, had zijn tusschenkomst verleend om den scheikundige een gedeelte van het dossier te bezorgen. Op zijn beurt had Pierre zich toen een maand lang met niets anders dan met dat geval beziggehouden, aangetrokken als hij zich gevoelde door de rechtschapen en reine figuur der helderziende, maar tevens in opstand komend tegen wat eruit voortgekomen was, tegen het fetichisme, het jammerlijk bijgeloof, de triompheerende simonie. In zijn worsteling met het ongeloof was deze geschiedenis uitermate geschikt om de ineenstorting van zijn geloof te verhaasten. Maar tevens had zij zijn weetgierigheid geprikkeld; hij zou een onderzoek hebben willen instellen, de onbetwistbare wetenschappelijke waarheid aan het licht brengen, aan het reine, zuivere Christendom den dienst bewijzen haar te bevrijden van die slak, van dit zoo roerend en kinderlijk tooversprookje. Dan had hij zijn studie moeten opgeven, daar hij te veel opzag tegen een reis naar de Grot en de groote moeilijkheden, waarmede hij te kampen zou hebben om de inlichtingen, die hem nog ontbraken, te verkrijgen; in hem bleef nog slechts voortleven een teeder gevoel voor Bernadette, aan wie hij niet denken kon zonder een wonder-mooi gevoel van bekoring en een eindeloos medelijden.

De dagen verstreken en Pierre's leven werd hoe langer hoe eenzamer. In een aanval van doodelijke ongerustheid was dr. Chassaigne plotseling naar de Pyrenaeën vertrokken: hij had zijn praktijk in den steek gelaten en zijn zieke vrouw, die hij en zijn dochter, een knap jong meisje, dagelijks meer achteruit zagen gaan, naar Cauterets gebracht. Van af dat oogenblik was het in het kleine huisje te Neuilly akelig-stil geworden. Pierre's eenige afleiding bestond in de bezoeken, welke hij nu en dan bij de Guersaints aflegde, die intusschen verhuisd waren, maar die hij in een kleine woning achter in een der armzaligste straten van de wijk teruggevonden had. En de herinnering aan zijn eerste bezoek daar stond hem nog zoo levendig voor den geest, dat hij nog een steek in zijn hart voelde, wanneer hij zich zijn ontroering bij het zien van die arme Marie herinnerde.

Hij ontwaakte uit zijn gepeins, keek om zich heen en zag Marie op de bank liggen, zooals hij haar toen teruggevonden had in die op een dakgoot gelijkende kist, waaraan wielen aangebracht konden worden, om haar voort te bewegen. Zij, vroeger zoo overvloeiend van levenslust, altijd bereid om rond te springen en te lachen, leed diep onder dat gedwongen niets doen, dat gedwongen stil liggen. Van vroeger had zij nog slechts haar lokken, die haar als een gouden mantel omhulden, zij was zoo mager, dat zij kleiner geworden scheen te zijn, weer het figuurtje van een kind gekregen scheen te hebben. Wat echter in dat bleeke gezicht het pijnlijkst was om aan te zien, dat waren die levenlooze starende blikken, die niets zagen, die een uitdrukking van wezenloosheid, van geheel opgaan in haar ziekte hadden. Toch merkte zij, dat hij haar aankeek, en zij wilde tegen hem glimlachen. Maar slechts een zucht ontsnapte haar lippen, en hoe pijnlijk was het glimlachje van dit arme, verlamde wezentje, dat overtuigd was te zullen sterven vóór het wonder! Hij werd er diep door ontroerd, hij hoorde nog slechts haar, zag nog slechts haar te midden van al het lijden, dat de wagon herbergde, ja alsof zij al dat lijden samengevat had in den langen doodsstrijd van haar schoonheid, haar opgewektheid en haar jeugd.

En langzamerhand keerde Pierre, zonder dat zijn oogen Marie loslieten, terug naar het verleden, doorleefde hij nog eens de uren vol bittere en droeve bekoring, die hij bij haar doorgemaakt had, wanneer hij haar in het kleine, armelijke woninkje gezelschap houden ging. Mijnheer de Guersaint had zich geheel en al geruïneerd door verbetering te willen brengen in de kerkelijke platen, wier middelmatigheid hem een doorn in het oog was. Zijn laatste sous waren verdwenen in het faillissement van een kleurendrukkerij; in zijn verstrooidheid en in zijn gebrek aan doorzicht had hij niets gemerkt van de verschrikkelijke armoede, die hij steeds grooter maakte; in de voortdurende illusie van zijn kinderlijke ziel verliet hij zich geheel op God en was al weer bezig met het probleem van een bestuurbaren luchtballon, zonder zelfs te zien, dat zijn oudste dochter Blanche zich bovenmenschelijk moest inspannen om tenminste in het levensonderhoud te voorzien van het kleine gezin, van haar twee kinderen, zooals zij haar vader en haar zuster noemde. Blanche was het ook, die het geld, dat de verpleging van Marie eischte, vond door van den vroegen ochtend tot den laten avond in modder en stof geheel Parijs af te draven, om taal- en pianolessen te geven. Marie was dikwijls de wanhoop nabij, barstte dan in tranen uit en verweet zichzelf, dat zij de hoofdoorzaak van den ondergang was, omdat men voor haar nu reeds zoovele jaren lang hooge doktersrekeningen betalen moest, haar alle denkbare badplaatsen, la Bourboule, Aix, Lamalou, Amélie-les-Bains had moeten laten bezoeken. Thans, na tien jaar van tegenstrijdige diagnosen en behandelingen, hadden de doktoren haar opgegeven; sommigen dachten, dat de groote ligamenten gebroken waren, anderen geloofden aan de aanwezigheid van een tumor, nog anderen weer aan een verlamming, die uit het ruggemerg voortkwam. En daar zij in haar maagdelijk schaamtegevoel ieder nader onderzoek weigerde en de doktoren zelf geen dieper op de kwestie ingaande vragen durfden doen, hield ieder zich aan zijn eigen diagnose en verklaarde, dat zij niet beter worden kon. Trouwens, streng vroom als zij na haar ziekte geworden was, rekende zij nog slechts op Gods hulp. Haar grootste verdriet was, dat zij niet meer naar de kerk kon gaan, en zij las iederen ochtend de mis. Haar verlamde beenen schenen afgestorven te zijn en bij tusschenpoozen was zij zoo zwak, dat haar zuster haar helpen moest met eten.

Op dat oogenblik kwam weer een andere herinnering bij Pierre boven. Het was op een avond, nog voor de lamp op was. Hij zat naast haar in het donker en plotseling had Marie hem gezegd, dat zij naar Lourdes wilde gaan, dat zij zeker was genezen terug te zullen komen. Hij had zich bij die woorden alles behalve op zijn gemak gevoeld, en, zijn gewone voorzichtigheid uit het oog verliezend, uitgeroepen, dat het een dwaasheid was om aan dergelijke bakerpraatjes te gelooven. Nooit had hij met haar over godsdienst gesproken, steeds had hij geweigerd haar de biecht af te nemen, ja zelfs haar raad te geven bij de kleine gewetensbezwaren, die zij als strenggeloovige had. Een zeker schaamtegevoel en een zeker medelijden hadden hem daarvan afgehouden; want zou het hem eenerzijds zwaar gevallen zijn haar voor te liegen, anderzijds zou hij zich als een misdadiger beschouwd hebben, indien hij ook maar met één ademtocht dat mooie reine geloof, dat haar sterk maakte tegen het lijden, bezoedeld had. Hij nam het zich dan ook ten zeerste kwalijk, dat hij dien kreet niet had kunnen inhouden, en zijn verwarring werd nog grooter, toen hij gevoeld had, hoe de kleine, klamme hand der zieke de zijne vastgreep; en in de duisternis haar schroom overwinnend, had zij hem met stokkende stem durven zeggen, dat zij zijn geheim wist, dat zij zijn ongeluk kende, die voor een priester zoo afschuwelijke ellende, om niet meer te kunnen gelooven. In hun gesprekken had hij, ondanks zichzelf, alles gezegd, was zij met de fijne intuïtie van een zieke vriendin doorgedrongen tot in het diepst van zijn geweten. Zij maakte zich vreeselijk bezorgd over hem, beklaagde hem om zijn ongeneeslijke ziekte nog meer dan zichzelf. En toen hij, diep ontroerd, geen antwoord wist te vinden en door zijn zwijgen de waarheid bekende, was zij weer over Lourdes begonnen te praten, voegde zij er op zachten toon aan toe, dat zij ook hem wilde toevertrouwen aan de Heilige Maagd en haar smeeken, hem zijn geloof terug te geven. En van dien avond af had zij niet opgehouden telkens en telkens weer te herhalen, dat zij, als zij naar Lourdes ging, beter worden zou. Maar de geldquaestie, waarover zij met haar zuster zelfs niet had durven praten, was de groote hinderpaal. Twee maanden verliepen; zij werd met den dag zwakker, zij putte haar krachten uit in droomen, haar blikken steeds in de verte gericht op de stralende schittering van de Wondergrot.

Pierre maakte toen zware dagen door. In den beginne had hij Marie beslist geweigerd met haar mede te gaan. Doch later was dat vaste besluit aan het wankelen gebracht door het denkbeeld, dat hij, wanneer hij tot de reis besloot, die tevens dienstbaar maken kon aan zijn onderzoek over Bernadette, wier bekoorlijke figuur geen oogenblik uit zijn gedachten was. En eindelijk voelde hij een zacht gevoel, een hoop, die hij zichzelf niet bekennen wilde, hem doortrillen bij de gedachte, dat Marie misschien gelijk had, dat de Heilige Maagd zich ook over hem zou kunnen erbarmen door hem het blinde geloof, dat geloof van het kleine kind, dat lief heeft en niet redeneert, terug te geven. O, met hart en ziel te kunnen gelooven, geheel en al in het geloof te kunnen opgaan. Een ander geluk was ongetwijfeld niet meer mogelijk. Hij snakte naar het geloof met al de vreugde van zijn jeugd, wet al de liefde, die hij voor zijn moeder gehad had, met geheel het brandende verlangen om te ontsnappen aan de marteling om te willen weten en begrijpen, om voor altijd in te slapen in de schoot der goddelijke onwetendheid. Het was heerlijk en laf tegelijk, dat hoopvol verlangen om niets meer te zijn, niets meer te zijn dan een ding in Gods handen. En zoo kwam ook in hem de begeerte het uiterste middel te beproeven.

Een week later was tot de reis naar Lourdes besloten. Doch Pierre had een laatste consult van geneesheeren geëischt, om te weten of Marie werkelijk nog vervoerd kon worden; en dat was ook weer een tooneel, dat hem steeds levendig voor den geest stond, en waarvan hij sommige bijzonderheden duidelijk voor zich zag, terwijl andere daarentegen reeds uit zijn geheugen waren verdreven. Twee doktoren, die vroeger de zieke behandeld hadden en waarvan de een aan een breuk der groote ligamenten geloofde en de ander de ziekte weet aan een verlamming tengevolge van een beleediging van het ruggemerg, waren het ten slotte eens geworden over die verlamming in verband met verwondingen aan de groote ligamenten: alle symptomen wezen er op, het geval scheen hun zoo duidelijk, dat zij niet geaarzeld hadden een bijna gelijkluidend certificaat af te geven. Verder geloofden zij, dat de reis mogelijk, maar zeer pijnlijk zou zijn. Dat deed Pierre besluiten, want hij vond, dat de heeren zeer voorzichtig waren en zooveel mogelijk getracht hadden de waarheid te vinden. Hij had nog slechts een vage herinnering aan den derden geneesheer, Beauclair, een achterneef van hem, een nog jongen man met een helder inzicht, die nog weinig bekend was, en naar men beweerde, een zonderling. Nadat hij Marie langen tijd aangekeken en opgenomen had, had hij sterk geïnformeerd naar haar voorouders en met zeer veel belangstelling geluisterd naar wat men hem vertelde over mijnheer de Guersaint, den architect, die zich verbeeldde een uitvinder te zijn, met zijn zwak karakter en overdreven phantasie; daarna had hij het gezichtsveld van Marie willen weten en zich, door haar op bescheiden wijze te bekloppen, vergewist, dat de pijn zich ten slotte gelocaliseerd had in den linker eierstok, en dat de pijn, wanneer men op die plek drukte, als een dikke massa, die haar dreigde te doen stikken, naar haar keel scheen op te stijgen. De verlamming der beenen achtte hij blijkbaar van weinig of geen beteekenis. En op een hem op den man af gedane vraag had hij uitgeroepen, dat men haar naar Lourdes moest brengen, dat zij er ongetwijfeld zou genezen, als zij de vaste overtuiging bezat daar beter te zullen worden. Hij sprak ernstig over Lourdes; het geloof was voldoende, twee van zijn patiënten, zeer vrome dames, die hij er het vorige jaar heen gezonden had, waren stralend van gezondheid teruggekomen. Zelfs voorspelde hij, hoe het wonder geschieden zou: als bij tooverslag, bij een ontwaken, in een exaltatie van het geheele wezen, waarin de kwaal, die verschrikkelijke, duivelsche drukking, waaronder het jonge meisje bijna stikte, nog voor een laatste maal opstijgen en dan verdwijnen zou, alsof hij door haar mond ontsnapte. Maar hij weigerde beslist een certificaat af te geven. Hij was het niet eens met zijn twee collega's, die hem zoo'n beetje uit de hoogte als een kwakzalver behandelden. Pierre had, al was het vaag, enkele gedeelten der discussie, die in zijn tegenwoordigheid gehouden was, en enkele brokstukken van de door Beauclair opgestelde diagnose onthouden: een ontwrichting van het orgaan met een lichte scheuring der ligamenten tengevolge van den val van het paard, vervolgens een langzaam herstel, waarbij alles weer op zijn juiste plaats gekomen was, waarop verschillende nerveuze aanvallen kort op elkaar gevolgd waren, zoodat de zieke verder slechts geleefd zou hebben onder de obsessie van haar eersten angst, al haar denken was thans geconcentreerd op het beleedigde punt, onbeweeglijk lag zij neer in toenemende pijnen, terwijl zij niet in staat was nieuwe voorstellingen in zich op te nemen, tenzij onder de krachtige inwerking van een hevige gemoedsaandoening. Overigens gaf hij toe, dat er bijkomende voedingsstoornissen konden zijn, doch deze waren nog te weinig onderzocht om het belang en den loop ervan te kunnen aangeven. Maar het denkbeeld, dat Marie's kwaal ingebeeld kon zijn, dat de hevige pijnen, die haar martelden, afkomstig zouden kunnen zijn van een reeds lang geleden herstelde kwetsuur, was Pierre, toen hij haar daar zoo zag liggen met haar reeds afgestorven beenen, zoo paradoxaal voorgekomen, dat hij er niet verder bij was blijven stil staan, blij bovendien als hij was, dat de drie dokters eenstemmig de reis naar Lourdes toestonden. Het was voor hem voldoende, dat zij genezen kon; daarvoor zou hij met haar naar het eind der wereld gegaan zijn.