Part 37
"Neem het me niet kwalijk, mijnheer de vicaris, dat ik er op doorga. Maar bedenk toch, dat u alles aan Bernadette te danken hebt, dat zonder haar Lourdes nog een der minst bekende steden van Frankrijk zijn zou... En werkelijk het komt mij voor, dat de parochie uit dankbaarheid deze kamer in een kapel had moeten veranderen..."
"O, een kapel!" viel de vicaris hem in de rede; "het betreft hier slechts een menschelijk wezen, en de Kerk mag haar geen vereering bewijzen."
"Nu, laten we dan niet een kapel zeggen, laten wij zeggen, dat er lichten, bloemen, rozen moesten zijn, die de inwoners en de pelgrims uit piëteit steeds weer verfrisschen moesten... In het kort, ik zou hier graag wat meer liefde zien, het een of ander ontroerend aandenken, een beeld van Bernadette, iets, dat op kiesche wijze herinnerde aan de plaats, die zij in alle harten moest innemen... Het is gewoonweg schandelijk, dit vergeten, dit verontachtzamen, die vervuiling, waartoe men dit vertrek heeft laten vervallen."
De vicaris, een onnadenkend en impressionabel mannetje, was het dadelijk met hem eens.
"In den grond der zaak hebt u volkomen gelijk. Maar ik heb geen macht, ik kan er niets aan doen... Wanneer ze me de kamer komen vragen, om haar in te richten, dan zou ik haar echter dadelijk geven en er mijn tonnen uitnemen, hoewel ik heusch niet weet, waar ik ze zou moeten zetten... Maar, ik herhaal het, dat hangt niet van mij af, ik kan er niets aan doen."
Onder voorwendsel, dat hij uit moest, nam hij gauw afscheid en maakte zich uit de voeten, terwijl hij nogmaals tegen dr. Chassaigne zeide:
"Blijf net zoo lang als u zelf wilt. U stoort me nooit."
Toen de dokter weer met Pierre alleen was, nam hij diens beide handen in de zijne en zeide, van vreugde stralend:
"Beste jongen, wat heeft dat me goed gedaan! Wat heb jij hem eens flink gezegd, wat al zoo lang in mijn hart borrelt en kookt!... Ik voor mij heb ook het denkbeeld gehad iederen ochtend hier rozen te brengen. Ik zou eenvoudig het kamertje hebben laten schoonmaken en dan twee vazen rozen op den schoorsteenmantel gezet hebben, want je weet, dat ik voor Bernadette een groote teederheid heb opgevat, en het scheen mij toe, dat die rozen hier het opbloeien, de schittering en de geur van haar aandenken zouden zijn... Maar, maar..."
Hij maakte een wanhopig gebaar.
"De moed heeft mij tot nog toe altijd ontbroken... Ja, ik zeg den moed, want tot nog toe heeft niemand zich openlijk tegen de paters der Grot durven verzetten... Men aarzelt, schrikt terug voor een religieus schandaal. Denk eens aan de betreurenswaardige opschudding, die dat veroorzaken zou; en zij, die evenals ik over wat er thans gebeurt verontwaardigd zijn, moeten wel zwijgen."
En na even gezwegen te hebben, voegde hij er nog aan toe:
"Ja, beste jongen, het is wel verschrikkelijk, die ondankbaarheid en die hebzucht van de menschen. Iederen keer, dat ik hier in deze ellende kom, schiet mijn hart zoo vol, dat ik mijn tranen niet inhouden kan."
Hij hield op met spreken, geen van beiden zeide een woord meer, de melancholie, die zich uit het vertrek losmaakte, kneep hun de keel dicht. Duisternis omhulde hen, de vocht deed hen rillen tusschen de vervallen muren en het stof der opgehoopte oude lompen. Wederom kwam de gedachte in hen op, dat zonder Bernadette niets van de wonderen bestaan zou hebben, welke Lourdes tot een eenige stad in de wereld gemaakt hadden. Haar woord had de wonderbare bron doen ontspringen, de van kaarsen vlammende Grot geopend. Reusachtige werken werden uitgevoerd, kerken schoten uit den grond op, kolossale trappen leidden tot God, een geheel nieuwe stad rees, als door een wonder, met haar tuinen, haar boulevards, haar kaden, haar bruggen, haar winkels, haar hotels op. De verst verwijderde volkeren stroomden in menigte samen, de regen van millioenen viel zoo dicht en overvloedig, dat de jonge stad tot in het oneindige scheen te moeten groeien, het geheele dal vullen van het eene einde der bergen naar het andere. Als Bernadette er niet geweest was, zou er niets geweest zijn, het buitengewone avontuur tot niets terugkeeren, het oude Lourdes nog zijn eeuwenlangen slaap aan den voet van het Kasteel slapen. Bernadette was de eenige, die dit geschapen had, en deze kamer, waaruit zij gegaan was, toen zij de Maagd gezien had, deze wieg zelf van het wonder, van het wonderbaarlijke toekomstige fortuin, lag hier verwaarloosd, ten prooi aan de wormen, goed alleen voor een rommelkamer, waarin je uien en oude tonnen bewaarde.
Toen stond de tegenstelling Pierre zoo intens voor den geest, dat hij den triomf, waarvan hij zoo even getuige geweest was, opnieuw zag, de extase in de Grot en in de Basilica, terwijl Marie, te midden van het gejuich der menigte, achter het Heilige Sacrament haar wagentje voortduwde. Maar boven alles straalde de Grot, nu niet langer het woeste rotshol op den wilden oever van den bergstroom, waarvoor het kind vroeger neergeknield had; maar de met rijkdommen en schatten versierde kapel, de in kaarslicht gloeiende kapel, waarin alle naties kwamen bidden. Al het lawaai en alle schittering; alle aanbidding en al het geld waren daar in de pracht van een eeuwigdurenden zegetocht te vinden. Hier echter, in de bakermat van dat alles, geen levende ziel, geen kaars, geen lied, geen bloem. Niemand kwam hier, niemand knielde hier neer, niemand bad hier. Enkele impressionabele bezoekers hadden slechts als aandenken een paar splinters van de half verrotte plank, die als schoorsteenplaat dienst deed, medegenomen. De geestelijkheid wilde niets weten van, kende zelfs deze plek van ellende niet, waarheen de processie zich had moeten begeven als naar een plaats van verheerlijking. Daar had het arme kind in een kouden nacht, liggend tusschen haar beide zusjes, haar droom begonnen, in een aanval van haar kwaal en terwijl de geheele familie in zwaren slaap verzonken lag; vandaar was zij vertrokken en had onbewust dien droom medegenomen, welke in het volle daglicht opnieuw in haar wortel schoot, om zoo liefelijk op te bloeien tot een visionnaire legende. En niemand liep thans meer dienzelfden weg nog eens af, de kribbe was vergeten, in donker en vocht liet men die kribbe, waarin het zoo nederige zaadje ontkiemd was, dat nu daar ginds opwies tot wonderdadige oogsten, welke de arbeiders, die komen als het werk is afgeloopen, te midden van de koninklijke pracht en praal der ceremoniën binnenhaalden.
Pierre, dien de groote echt-menschelijke ontroering over dit alles tot huilen toe bewoog, vatte met zachte stem al zijn gedachten in dezen enkelen zin samen:
"Dit is Bethlehem."
"Ja," zeide dr. Chassaigne, "in een armzalige woning, in een ellendig asyl worden de nieuwe godsdiensten van lijden en medelijden geboren... En soms vraag ik me wel eens af, of het zoo eigenlijk niet beter is, of het niet wenschelijk is, dat deze kamer in dezen armoedigen en verlaten toestand blijft. Het komt me dan voor, dat Bernadette daardoor niets verliest, want wanneer ik hier een uur kom doorbrengen, voel ik mij nog meer tot haar aangetrokken."
Weer zweeg hij even, doch ging dan met een gebaar van verzet voort:
"Neen, neen, ik kan niet vergeten, die ondankbaarheid maakt me woedend... Ik heb je al gezegd, dat ik voor mij overtuigd ben, dat Bernadette zich vrijwillig naar het klooster in Nevers begeven heeft. Maar al heeft dan niemand haar laten verdwijnen, wat een opluchting voor degenen, voor wie zij hier hinderlijk begon te worden. En dezelfde mannen, die hier zoo graag de onbeperkte meesters wilden zijn, doen nu al het mogelijke, om de herinnering aan Bernadette uit te wisschen... O, beste jongen, als je alles eens wist!"
Langzamerhand gaf hij aan zijn overvol hart lucht. De paters van de Grot vreesden de doode Bernadette, wier werk zij zoo hebzuchtig exploiteerden, nog meer dan de levende. Zoolang zij leefde, verkeerden zij ongetwijfeld voortdurend in angst, dat zij naar Lourdes zou terugkeeren, om de prooi te deelen; haar nederigheid en haar ootmoed stelden hen echter al spoedig gerust, want zij was in het minst niet heerschzuchtig, zij zelf had het donker der verzaking gekozen, waarin zij sterven zou. Maar tegenwoordig sidderden zij meer bij het denkbeeld, dat een wil krachtiger dan de hunne, de reliquieën der helderziende zou kunnen terugbrengen. Onmiddellijk na haar dood was er wel in de gemeenteraad over gesproken: de stad wilde een graftombe voor haar oprichten, en men sprak erover een inschrijving te openen. Zeer beslist hadden de zusters van Nevers geweigerd het lijk, dat, naar zij beweerden, haar toebehoorde, uit te leveren. Achter de zusters had iedereen toen den invloed der paters gevoeld, die in hun groote ongerustheid zich in het geheim verzetten tegen den terugkeer van het vereerde gebeente, waarin zij een mogelijke concurrentie met de Grot zagen. Wat een vreeselijke bedreiging was dat niet! Een graftombe op het kerkhof, waarheen de pelgrims zich in processie zouden begeven, waarvan de zieken het marmer zouden gaan kussen, waarbij zich te midden van een heilige geestdrift wonderen voltrekken zouden. Dat was de werkelijke, doodende concurrentie, de verplaatsing der devotie en van het wonder. En steeds weer kwam die eeuwige, die groote vrees terug te moeten deelen, het geld elders heen te zien vloeien, wanneer de nu wijs geworden stad uit de graftombe voordeel zou weten te trekken.
Zelfs werd den paters een laag-arglistig plan toegeschreven. Zij zouden op het denkbeeld gekomen zijn het lijk van Bernadette, dat de zusters van Nevers dan voor hen in den vrede van haar kapel zouden bewaren, voor zichzelf te reserveeren. Maar zij wachtten, zij wilden het niet terugbrengen voor de toevloed van pelgrims zou beginnen af te nemen. Waar zou die plechtige terugkeer goed voor zijn, nu de scharen steeds talrijker samenstroomden, terwijl men van te voren zien kon welk een nieuw ontwaken van het geloof de plechtige terugkeer zou veroorzaken, waarbij de christenheid het gebeente der uitverkorene bezit zou zien nemen van den gewijden grond, waaruit zij zoovele wonderen had doen opschieten, wanneer het buitengewone succes van Notre-Dame de Lourdes, evenals dat met alle aardsche dingen gebeurt, zou gaan tanen. En op het marmer van haar graftombe vóór de Grot of in de Basilica zouden de wonderen opnieuw beginnen.
"Je kunt zoeken, zooveel als je wilt," ging dr. Chassaigne voort, "maar je zult in heel Lourdes niet een met goedkeuring der geestelijkheid gemaakt beeld van Bernadette vinden. Zeker, haar portret wordt verkocht, maar nergens, in geen enkel heiligdom, is het te vinden... Dit is niets anders dan een, als ik het zoo noemen mag, stelselmatig in den doofpot stoppen, het komt voort uit het gevoel van ongerustheid, dat de stilte en de veronachtzaming bewerkt heeft in deze trieste kamer, waarin we ons nu bevinden. Evenals men bang is voor een mogelijke vereering op haar graf, is men bang, dat de menigte hier zou komen neerknielen wanneer twee kaarsen branden, of twee rozenruikers dezen schoorsteen versieren zouden. En als een verlamde opstond met den uitroep, dat zij genezen was, wat een ergernis, wat een onrust zou dat veroorzaken in die koopmanszielen van de Grot, die daardoor hun monopolie leelijk in gevaar gebracht zouden zien!... Zij zijn de meesters en willen de meesters blijven; zij willen niets loslaten van de prachtige bezitting, die zij veroverd hebben en uitbuiten. Maar zij sidderen toch, ja zij sidderen voor de herinnering aan de oorspronkelijke arbeiders, aan dat kleine meisje, dat een zoo groote doode is en wier erfenis hen met zulk een verterende hebzucht vervult, dat zij, na haar weggezonden te hebben, om in Nevers te leven, zelfs haar lijk, dat onder den grond van een klooster gevangen ligt, niet durven terugbrengen."
O, welk een erbarmelijk lot van dit arme wezentje, dat van de levenden afgezonderd was en wier lijk nu ook in ballingschap blijven moest. Welk een diep medelijden had Pierre met dit ongelukkige schepseltje, dat slechts uitverkoren scheen te zijn, om zoowel tijdens haar leven als in den dood te lijden. Zelfs aangenomen, dat een krachtige, slechts daarop gerichte wil haar niet had doen verdwijnen en haar daarna in haar graf bewaakt, welke een vreemde en zonderlinge samenloop van omstandigheden dan toch, juist alsof iemand, ongerust om de onbegrensde macht, die zij zou kunnen krijgen, steeds ijverzuchtig getracht had haar op den achtergrond te houden. In Pierre's oogen bleef zij de uitverkorene, de martelares, en ook al kon hij niet meer gelooven, ook al was de geschiedenis van dit ongelukkige kind voldoende, om het geloof geheel en al in hem te vernietigen, desniettemin ontroerde zij hem in zijn broederlijk gevoel door hem een nieuwen godsdienst te openbaren, den eenigen, waarvan zijn hart nog vol was, den godsdienst van het leven, van het menschelijk lijden.
Juist toen zij de kamer wilden verlaten, riep dr. Chassaigne uit:
"Hier, jongen, moet je gelooven! Kijk hier naar dit donkere gat en denk dan aan de schitterende Grot, aan de triompheerende Basilica, aan die nieuw-gebouwde stad, aan die samenstroomende menschenmassa's! Maar zou, wanneer Bernadette een visionnaire, een krankzinnige was, het avontuur niet nog verwonderlijker, nog onverklaarbaarder zijn. Wat, geloof je werkelijk, dat de droom van een krankzinnige voldoende zijn zou, om de volkeren zoo in beroering te brengen?... Neen, neen, hier is een goddelijke ademtocht door gestreken, die alleen het wonder verklaren kan."
Pierre was op het punt te antwoorden. Ja, hier was een ademtocht langs gestreken, de snik van het lijden, het onuitbluschbare verlangen naar de oneindige hoop. Dat de droom van een lijdend kind voldoende geweest was, om de volkeren hier te brengen, om het millioenen te doen regenen en een nieuwe stad uit den grond te doen oprijzen, was dat niet een gevolg van het feit, dat die droom den honger der arme menschheid, den onverzadigbaren honger, dien zij hebben om bedrogen en getroost te worden, eenigszins gestild had? Bernadette had, ongetwijfeld op een maatschappelijk en historisch gunstig oogenblik, het onbekende weer ontsloten; en de menigten hadden er zich hals over kop ingestort. O, zijn toevlucht te vinden in het mysterie, wanneer de werkelijkheid zoo hard is, zich toe te vertrouwen aan het wonder, omdat de wreede natuur één lang, schreeuwend onrecht is! Maar hoe men het onbekende ook organiseert en in dogma's samenvat en er een geopenbaarden godsdienst van maakt, in zijn diepste diepte is en blijft de lijdenskreet, de kreet van het leven, dat gezondheid, vreugde en geluk eischt, ja bereid is, deze in een andere wereld te aanvaarden, als zij op deze aarde niet bestaanbaar zijn. Waartoe te gelooven aan dogma's? Is het niet voldoende, als men weent en liefheeft?
Toch kleedde Pierre zijn gedachten niet in woorden. Hij hield het antwoord, dat naar zijn lippen steeg, terug, overtuigd als hij trouwens was, dat de eeuwige drang naar het bovennatuurlijke in den door lijden bezochten mensch het eeuwige geloof zou doen verklaren. Het wonder, dat niet te bewijzen was, moest het voor de menschelijke vertwijfeling noodige brood blijven. En bovendien, had hij zichzelf niet gezworen in zijn barmhartige liefde niemand meer door zijn twijfel te bedroeven?
"Welk een wonder, niet waar?" bleef de dokter aandringen.
"Zeker," zeide hij eindelijk. "In dit armzalige, zoo vochtige en zoo donkere kamertje heeft zich het geheele menschelijke drama afgespeeld, hebben alle ongekende krachten gewerkt."
Zwijgend bleven zij nog enkele minuten staan. Nog eenmaal keken zij naar de muren, naar de zwart geworden zoldering, naar het kleine, groenachtige binnenplaatsje. Die armoedigheid met haar spinnewebben, met haar oude, vuile tonnen, haar onbruikbare gereedschappen, haar hoopen rommel, die in de hoeken lagen te verrotten, het was inderdaad hartverscheurend. En zonder verder een woord te zeggen, gingen zij weg, terwijl een onzegbare droefheid hun keel dichtkneep.
Eerst op straat scheen dr. Chassaigne weer te ontwaken. Hij rilde even, versnelde zijn pas en zeide:
"Wij zijn nog niet klaar, jongen; ga mee... Nu gaan we de andere schreeuwende onrechtvaardigheid in oogenschouw nemen."
Hij sprak over abbé Peyramale en diens kerk. Zij staken de place du Porche over en sloegen de rue Saint-Pierre in; binnen enkele minuten waren zij er. Het gesprek was intusschen weer op de paters van de Grot gekomen, op den vreeselijken oorlog, dien pater Sempé, zonder kwartier te geven, tegen den vroegeren pastoor van Lourdes gevoerd had. Overwonnen, was deze in een hevige verbittering gestorven; en na hem aldus door verdriet gedood te hebben, hadden zij ook zijn kerk, die hij onvoltooid, zonder dak en open liggend voor wind en regen, had achtergelaten, vermoord. Sedert men hem uit het bezit der Grot verdreven, uit het werk van Notre-Dame de Lourdes, waarvan hij met Bernadette de pionier geweest was, weggejaagd had, werd zijn kerk zijn revanche, zijn protest, zijn eigen deel in den roem, het Godshuis, waarin hij in gewijde gewaden triompheeren, van waaruit hij ontelbare processies leiden zou, om den uitdrukkelijken wensen der Heilige Maagd te vervullen. De autoritaire heerscher, die hij in den grond der zaak was, de herder der groote scharen, de tempelbouwer vond er een ongeduldige vreugde in om de werken te verhaasten met de onvoorzichtigheid van alle hartstochtelijke menschen, die zich niet bekommeren om schulden en het geld met handen vol uit te geven, mits er steeds maar een leger van werklieden op de stellages stond. In zijn geest zag hij de kerk grooter worden, zag hij haar op een mooien zomerochtend voltooid in de opgaande zon glinsteren.
Dat telkens weer voor zijn geestesoog opdoemende visioen gaf hem te midden van den sluipmoord, waardoor hij zich omringd voelde, den moed om verder te strijden. Zijn, het groote plein beheerschende kerk, rees eindelijk in haar grootsche majesteit op. Hij had haar in Romaanschen stijl, groot en eenvoudig, negentig meter lang en honderd veertig meter hoog gewenscht. Den vorigen dag van haar laatste stelling ontdaan, glinsterde zij nu in de volle zon nog in de jonge bekoring van haar jeugd, met haar groote, regelmatig opgebouwde steenlagen. In zijn gedachten liep hij om haar heen, verrukt over haar naaktheid en haar kinderlijk-maagdelijke kuischheid, zonder een beeld, zonder een versiering, die haar onnoodig belast zou hebben. De daken van het schip, de kruisbeuk en de apsis lagen op gelijke hoogte onder de streng versierde lijst. Ook de ramen der zijbeuken en van het hoofdschip hadden geen andere versiering dan van lijstwerk voorziene booggewelven.
Hij bleef staan voor de groote ramen van de dwarsbeuk, waarin de rosetten fonkelden; zette dan zijn wandeling voort en liep achter de ronde apsis om, waartegen de sacristie haar twee verdiepingen kleine ramen rijde; dan ging hij weer terug en werd niet moede te kijken naar de koninklijke verdeeling van het bouwwerk, naar de groote lijnen, die zich tegen het blauw afteekenden, naar de boven elkaar gelegen daken, naar die enorme massa, die in haar kracht den eeuwen weerstand bieden zou. Maar wanneer hij zijn oogen sloot, riep hij in een verrukking van trots vooral den gevel voor zijn geest: beneden het voorportaal met zijn drie boven-galerijen, de galerij rechts en de galerij links, waarvan de steenen daken een krans vormden, terwijl de klokketoren, die uit de centrale galerij oprees, zich in het midden met een krachtigen zwaai in de lucht verhief. Ook daar droegen de op sokkels rustende zuilen slechts met lijstwerk versierde booggewelfjes. Tegen den geveltop, op de spits van een tinne, tusschen de twee hooge vensteropeningen van het hoofdschip, stond onder een baldakijn een beeld van Notre-Dame de Lourdes. Daarboven bevond zich nog een verdieping met galmgaten, die met de licht geschilderde klankborden voorzien waren. De beeren rezen op de vier hoeken uit den grond op, van verdieping tot verdieping dunner wordend, tot zij, licht, maar krachtig, de torenspits bereikten, een vermetele, steenen spits, door vier kleinere klokketorentjes geflankeerd en eveneens slechts met tinnen versierd, trotsch in de hoogte rijzend, tot zij zich in den hemel verloor. En het kwam abbé Peyramale voor, alsof zijn vurige priesterziel grooter geworden en met die spits omhoog gestegen was, om daarboven, dicht bij God, door alle eeuwen heen te getuigen van haar geloof.
Andere oogenblikken bracht een ander visioen hem nog meer in verrukking. Dan meende hij op den dag, dat hij er zijn eerste plechtige mis zou celebreeren, het inwendige van zijn kerk te zien. De geschilderde ruiten lieten vurig licht door, dat als edelgesteente fonkelde, de twaalf kapellen der zijbeuken stonden in den gloed van kaarsen. Hij zelf was op het marmeren en gouden hoofdaltaar; de veertien zuilen van het hoofdschip, blokken Pyreneesch marmer uit één stuk en prachtige giften uit alle windstreken der Christenheid, rezen statig op en steunden het gewelf, dat de dreunende orgelklanken met een jubelzang vervulden. Een volk van geloovigen verdrong zich, neergeknield op de vloertegels, tegenover het door een als kantwerk zoo licht hek omgeven koor, dat met prachtig houtsnijwerk bekleed was. De kansel, een koninklijk geschenk van een voorname dame, was een uit eikenhout gesneden kunstwerk. De doopvonten waren door een kunstenaarshand uit hardsteen gehouwen. Schilderijen van meesters versierden de muren, kruisen, hostievazen, kostbare monstransen, gewijde gewaden, schitterend als zonnen, lagen in ontelbaren getale in de kasten der sacristie. Welk een heerlijke droom de hoogepriester van zulk een tempel te zijn, erin te heerschen, na hem eerst met hartstochtelijke geestdrift gebouwd te hebben, er de uit alle hoeken der wereld samengestroomde scharen te zegenen, terwijl de vol klinkende klokken aan de Grot en aan de Basilica verkondigden, dat zij daar in het oude Lourdes een mededingster hadden, een overwinnende zuster, bij wie God eveneens zijn triomfen vierde.
Na een oogenblik de rue Saint-Pierre gevolgd te hebben, sloegen dr. Chassaigne en Pierre de kleine rue de Langelle in.
"Wij zijn er dadelijk," zeide de dokter.
Pierre keek om zich heen, maar zag geen kerk. Er stonden niets dan armoedige krotten, een echte voorstadswijk met vuile gebouwen. Eindelijk zag hij achterin een slop een stuk van de oude, half vergane omheining, die nog steeds om het groote, vierkante terrein stond, dat door de rues de Saint-Pierre, de Bagnères, de Langelle en des Jardins ingesloten was.
"We moeten links af," zeide de dokter, die een smalle, tusschen de puinhoopen door leidende gang ingeloopen was. "We zijn er!"
En plotseling verscheen de ruïne te midden van de leelijke en vuile omgeving, die haar maskeerde.