De drie steden: Lourdes

Part 36

Chapter 363,908 wordsPublic domain

Maar abbé Judaine kwam naar voren. Weer dreunde het orgel; een lied werd gezongen, terwijl het Heilige Sacrament als de koning-ster was tusschen het gefonkel der gouden en zilveren harten, die even talrijk als de hemellichamen waren. Pierre voelde geen kracht meer in zich om langer te blijven. Nu Marie toch madame de Jonquière en Raymonde had, om haar naar het Hôpital terug te brengen, kon hij wel gaan en verdwijnen in een donker hoekje, waar hij eindelijk zou kunnen uithuilen. Met een enkel woord verontschuldigde hij zich en gaf zijn afspraak met dr. Chassaigne als voorwendsel. Doch toen hij zag, hoe een dicht opeengepakte menigte de deur versperde, begreep hij niet, hoe hij eruit moest komen; maar dan kreeg hij ingeving, ging de sacristie door en daalde langs de smalle trap in de Crypt af.

Plotseling omving hem daar na de jubelende stemmen en den wondermooien glans boven een diepe stilte, een donkerte als van een graf. De in de rots uitgehouwen Crypt bestond uit twee nauwe, door de fundamenten, welke het schip droegen, gescheiden gangen, welke onder de apsis naar een onderaardsche kapel leidden, die dag en nacht door kleine lampjes verlicht werd. In het donkere bosch van pilaren heerschte een mystieke ontzetting te midden van het halfdonker, waarin het mysterie huiverde. De muren waren kaal, als de steen zelf van het graf, waarin ieder mensch zijn laatsten slaap moet slapen. Langs de gangen zag men tegen de muren, die van boven tot beneden bedekt waren met marmeren votiefplaten, niets dan een dubbele rij biechtstoelen, want in deze doodelijke stilte der aarde biechtte men. Er waren priesters, die alle talen spraken, om den zondaren, die daar uit alle hoeken der wereld kwamen, hun zonden te vergeven.

Op dit uur, terwijl de menigte zich daarboven verdrong, was de Crypt geheel verlaten; en in die groote stilte, en in die donkerte, in deze grafkilte viel Pierre op zijn knieën. Niet omdat hij behoefte gevoelde om te bidden, of God te vereeren, maar omdat onder de geestelijke marteling, die hem gebroken had, zijn geheele wezen vernietigd was. Een kwellende dorst verteerde hem, om duidelijk in zijn binnenste te zien. O, waarom kon hij nog niet dieper wegzinken in het niet der dingen, nadenken, begrijpen, rust vinden eindelijk?

Hij maakte een vreeselijken strijd door. Hij trachtte zich iedere minuut weer voor den geest te roepen, sedert Marie, plotseling van haar lijdenssponde verrezen, haar kreet van wederopstanding uitgestooten had! Waarom toch had hij toen, ondanks zijn broederlijke vreugde, dat hij haar weer op den been zag, zoo'n bittere, stekende pijn in zich voelen opstijgen, alsof een doodelijk ongeluk hem getroffen had? Was hij dan jaloersch op de goddelijke genade? Leed hij eronder, dat de Heilige Maagd, die haar genas, hem vergeten had, hem, wiens ziel zoo ziek was? Hij herinnerde zich het laatste uitstel, dat hij zich gegeven had, de uiterste en laatste afspraak, die hij met het geloof gemaakt had voor het oogenblik, dat het heilige Sacrament voorbij gedragen zou worden en wanneer Marie genezen was; nu was zij genezen en hij geloofde nog altijd niet, en voor de toekomst had hij geen hoop meer ook, want hij zou nooit meer gelooven. Dat was de bloedende, doodelijke wonde. In wreede en verblindende duidelijkheid stond die zekerheid hem voor oogen, dat zij genezen en hij verloren was. Dit zoogenaamde wonder, dat haar tot een nieuw leven wekte, had in hem voor goed alle geloof in het bovennatuurlijke gedood. Wat hij een oogenblik gedroomd had, n.l. te Lourdes te gaan zoeken naar en misschien terug te vinden het naïeve geloof, het gelukkige geloof van een klein kind, dat was nu niet meer mogelijk: zijn geloof kon niet meer opbloeien nu het wonder geen wonder meer was, nu de genezing zich punt voor punt voltrokken had, zooals zij door Beauclair voorspeld was. Jaloersch, o neen, maar geheel verwoest, ellendig wanhopig, dat hij zoo alleen in de ijskoude woestijn van zijn verstand, vergeefs zou blijven terugverlangen naar de illusie, den leugen, de hemelsche liefde der armen van geest, die in zijn hart geen plaats meer vinden kon.

Een vloed van bitterheid deed Pierre bijna stikken, tranen sprongen in zijn oogen. Vernietigd door zijn zielebenauwenis was hij languit op den grond neergevallen. En hij herinnerde zich nu die heerlijke oogenblikken, die begonnen waren met den dag, waarop Marie, die de marteling van zijn twijfel geraden had, zich zoo met haar heele hart gegeven had aan zijn bekeering, in het donker zijn hand genomen en in de hare gehouden en zachtkens gestameld had, dat zij voor hem zou bidden, o! met heel haar ziel. Zichzelf vergat zij, zij smeekte de Heilige Maagd liever haar vriend te redden dan haar zelf, wanneer zij van haar goddelijken Zoon slechts één genade kon verkrijgen. Dan steeg een andere herinnering in hem op; de kostelijke uren, die zij samen hadden doorgebracht onder den dichten nacht der boomen gedurende het voorbijtrekken der fakkelprocessie. Ook daar weer hadden zij voor elkaar gebeden, waren zij met een zoo vurigen wensch voor hun wederkeerig geluk in elkaar opgegaan, dat zij een oogenblik den diepen grond van die liefde hadden aangeraakt, welke zich geheel geeft en zich geheel opoffert. En nu eindigde hun lange, door tranen gedrenkte toegenegenheid, de reine idylle van hun gemeenschappelijk lijden met deze wreede scheiding: zij genezen en stralend te midden van de lofzangen der triompheerende Basilica; hij verloren, snikkend van wanhoop en vertwijfeling in de duisternis van de Crypt, in een ijskoude grafeenzaamheid. Het was, alsof hij haar voor een tweede maal verloren had, en nu voor altijd!

Plotseling voelde Pierre den dolksteek, dien deze gedachte midden in zijn hart toebracht. Hij begreep eindelijk zijn lijden; in hem werd een licht ontstoken, dat de vreeselijke crisis, waarin hij worstelde en ineenkromp, in scherpe omtrekken voor hem uitkomen deed. De eerste maal had hij Marie verloren, toen hij priester geworden was en tegen zichzelf zeide, dat hij van zijn man-zijn afstand kon doen, omdat zij zelf nooit vrouw zijn zou, nu door een ongeneeslijke ziekte haar geslachtsleven vernietigd was. En nu was zij genezen, werd zij vrouw, nu had hij haar plotseling sterk, mooi, van levenslust, begeerlijk en vruchtbaar gezien! Hij was dood, kon geen man weer worden. Nooit zou het hem gelukken den grafsteen af te wentelen, die op hem drukte en zijn vleesch doodde. Zij alleen ontsnapte uit het graf en liet hem in de koude aarde achter. De wijde wereld opende zich weer voor haar, het glimlachend geluk, de liefde, die lacht op bezonde wegen, een man, kinderen, terwijl hij, die als het ware tot aan zijn schouders begraven was, alleen nog zijn verstand over hield, om nog meer te lijden. Zij was nog de zijne, toen zij aan geen ander toebehoorde, en slechts daarom leed hij dit laatste uur zoo verschrikkelijk, slechts daarom werd hij ten doode toe gemarteld, omdat zij nu voor de tweede maal aan hem ontrukt, nu voor goed van hem gescheiden werd.

Een razende woede greep hem aan. Hij voelde de verleiding in zich opkomen weer naar boven te gaan, Marie de waarheid toe te schreeuwen. Het wonder--een leugen! De barmhartige liefde van een almachtig God--enkel en alleen zinsbedrog. De natuur alleen was hier werkzaam geweest, het leven had nogmaals overwonnen. En hij zou bewijzen gegeven hebben, haar hebben aangetoond, dat het leven onbeperkt heerscht en door al het aardsche lijden de gezondheid herstelt. Maar een plotselinge angst maakte zich van hem meester. Wat? Wilde hij aan deze kleine, blanke ziel raken, in haar het geloof dooden, ook haar geloofsvertrouwen in puin doen storten, puin, waaronder hij zelf verpletterd was? Het scheen hem plotseling een schandelijke heiligschennis toe. Later, wanneer hij zichzelf zou moeten bekennen, niet in staat te zijn haar een dergelijk geluk terug te geven, zou hij een afschuw van zichzelf krijgen, denken, dat hij haar vermoord had. Misschien zou zij hem zelfs niet gelooven. Trouwens zou zij, die eeuwig de onvergetelijke zaligheid in zich voelde in geloofsverrukking genezen te zijn, zou zij ooit een afvallig en meineedig priester huwen? Dat alles leek hem waanzinnig, tegennatuurlijk, onteerend. Reeds werd zijn verzet minder; hij voelde nog slechts een onzegbare moeheid en in zijn arm, verpletterd en verscheurd hart de brandende pijn van een ongeneeslijke open wonde.

In zijn verlatenheid, in het niet, waarin hij zich naar alle kanten wentelde, werd hij nu nog door een laatsten strijd gemarteld. Wat moest hij doen? Hij zou hebben willen vluchten, Marie niet meer terugzien, laf als het lijden hem gemaakt had. Want hij begreep heel goed, dat hij, nu zij in den waan verkeerde, dat hij met haar gered, bekeerd, geestelijk genezen was, zooals zij lichamelijk, zou moeten liegen. Zij had hem, toen zij haar wagentje naar boven reed, gezegd hoe gelukkig zij was. O, hoe anders zou het zijn, als zij samen dat geluk gehad hadden, als zij hun zielen in elkaar hadden voelen opgaan. Hij had reeds gelogen, zou gedwongen zijn altijd te liegen, om haar die mooie, reine illusie niet te ontnemen. Hij legde het laatste heftige kloppen van zijn aderen het zwijgen op en zwoer de verheven barmhartigheid te hebben vrede te huichelen, verrukking over zijn genezing te veinzen. Hij wilde, dat zij volkomen gelukkig was, zonder spijt, zonder twijfel, in de volle verzekerdheid des geloofs, overtuigd, dat de Heilige Maagd in hun volkomen mystiek één-zijn toegestemd had. Wat beteekende het, of hij daardoor gemarteld werd? Later zou zijn wond misschien wel heelen. En zou in de troostelooze eenzaamheid, waartoe zijn verstand hem veroordeelde, haar vreugde hem niet een weinig verlichting schenken, die vreugde, wier leugenachtige troost hij haar laten zou?

Minuten verliepen, en nog altijd bleef Pierre als vernietigd op den grond liggen, om zijn koorts tot bedaren te brengen. Hij dacht niet meer, hij voelde in de verslapping van zijn geheele wezen, die steeds op een hevige crisis volgt, niet meer, dat hij leefde. Doch daar meende hij stappen te hooren klinken; met moeite stond hij op en deed alsof hij de votiefplaten las, de in de marmeren steenen gegraveerde opschriften. Maar hij had zich vergist, er was niemand; desniettemin bleef hij voortlezen, eerst werktuigelijk en als om een afleiding te hebben, dan echter door een nieuwe gemoedsbeweging medegesleept.

Het spotte met iedere verbeelding. Geloof, aanbidding en dankbaarheid waren op die honderden en duizenden marmeren platen in gouden letters tot uitdrukking gebracht. Er waren er bij, die in hun naïeveteit hem tot een glimlach dwongen. Een kolonel had zijn voet laten uitbeitelen met de woorden: "Gij hebt hem genezen, moge hij u dienen!" Verderop las hij: "Dat haar bescherming zich over de glasblazerskunst uitstrekke!" Ook kon men aan de onnoozele vrijmoedigheid der dankbetuigingen de vreemde vragen raden, die gedaan waren: "Aan de Onbevlekte Maria van een huisvader voor zijn herkregen gezondheid, zijn gewonnen proces en zijn spoedige promotie." Maar dat alles ging verloren in het concert der vurige kreten, die opstegen. Jonggehuwden smeeken: "Paul en Anna vragen den zegen van Notre-Dame de Lourdes op hun huwlijk." Moeders roepen: "Dank aan Maria, driemaal heeft zij mijn kind genezen!"--"Dank voor de geboorte van Maria-Antoinette, die ik zoowel als mijzelf en de mijnen aan haar toewijd."--"De driejarige P. D. is voor de liefde der zijnen gespaard gebleven." Echtgenooten, genezen zieken, aan het geluk teruggegeven zielen roepen: "Bescherm mijn man; geef, dat hij gezond blijve!"--"Ik was lam aan beide beenen en ben genezen!"--"Wij zijn gekomen en wij hopen."--"Ik heb gebeden, ik heb geweend, en zij heeft mij verhoord." En nog meer, nog andere kreten vol verborgen gloed, die lange romans vermoeden deden. "Gij hebt ons vereenigd, bescherm ons."--"Aan Marie voor de grootste der weldaden." En steeds weer kwamen dezelfde opschriften, dezelfde woorden vol hartstochtelijk geloofsvertrouwen: dankbaarheid, erkentelijkheid, eer, dankgebeden, dankzeggingen. O, die honderden, die duizenden voor altijd in het marmer vastgelegde kreten, die uit de diepte der Crypt tot de Heilige Maagd òpklonken en getuigden van haar eeuwige vereering door die ongelukkigen, die zij geholpen had.

Maar onder het lezen, dat Pierre niet moede werd, vervulde bitterheid zijn mond, maakte een toenemende troosteloosheid zich van hem meester. Was hij dan de eenige, die geen hulp te verwachten had? Was hij, waar zooveel gebeden in vervulling gingen, de eenige, die niet verhoord zou worden? En nu dacht hij aan het buitengewoon groot aantal gebeden, die jaar in, jaar uit te Lourdes tot God moesten opstijgen. Hij trachtte het aantal te schatten: de dagen, doorgebracht vóór de Grot, de nachten, doorwaakt in de Rozenkranskerk, de ceremoniën in de Basilica, de processies in het zonlicht en in het sterrengefonkel. Het was onberekenbaar, dat voortdurend smeeken van alle seconden. De geloovigen wilden door de massa zelve, de geweldige, ontzettende massa van hun gebeden Gods ooren vermoeien, hem zoo genade en vergiffenis ontrukken. De priesters zeiden, dat men God de door de zonden van Frankrijk geëischte zoenoffers moest brengen en dat, wanneer de som van die zoenoffers groot genoeg was, Frankrijk niet langer getuchtigd zou worden. Welk een hardvochtig geloof aan de noodzakelijkheid der kastijding! Welk een gruwlijke inbeelding van het zwartste pessimisme! Wat moest het leven slecht zijn, dat een dergelijk smeeken, een dergelijke kreet van physieke en moreele ellende ten hemel stijgen kon!

Doch te midden van die grenzenlooze treurigheid voelde Pierre een diep medelijden in zich opkomen. O, hoe schokte hem deze rampzalige menschheid, die tot zulk een bovenmatige ellende gedoemd, zóó naakt, zóó zwak, zóó geheel aan zichzelf overgelaten was, dat zij haar verstand over boord wierp, om het weinige geluk, dat nog mogelijk was, te verwachten van een bedwelmenden, visionnairen droom. Weer vulden tranen zijn oogen, hij weende om zichzelf, om de anderen, om al de arme, gemartelde wezens, die de behoefte in zich voelen hun leed te verdooven en in slaap te wiegen, om aan de harde werkelijkheid van deze wereld te ontkomen. Het kwam hem voor als hoorde hij nog de voor de Grot neergeknielde menigte haar gloeiend smeekgebed hemelwaarts schreeuwen, menigte van twintig- en dertigduizend zielen, waaruit een vurig verlangen opsteeg, dat men in den zonneschijn als wierook òpwolken zag. En onder deze Crypt zelf, in de Rozenkranskerk, laaide weer een andere geloofsverrukking op: heele nachten, doorgebracht in het paradijs der extase, de stille zaligheid der communie, de vurige, woordlooze gebeden, waarin de geheele ziel verteert, brandt, vervluchtigt. En dan begon, alsof de voor de Grot oprijzende gebeden, alsof de voortdurende aanbidding in de Rozenkranskerk niet voldoende waren, dat vurige smeeken opnieuw om hem heen op de muren der Crypt; maar dan werd het vereeuwigd in het marmer, zou het tot aan het einde der dagen niet ophouden het lijden der menschheid uit te schreeuwen; hier bad het marmer, baden de muren, aangegrepen door de huivering van het universeele medelijden, dat zich zelfs van de steenen meester maakte. En ten slotte stegen de gebeden hooger en nog hooger, zweefden zij omhoog uit de stralende, boven hem dreunende Basilica, die op dit oogenblik gevuld was met een door godsdienstwaanzin aangegrepen volk, dat hij, door den vloer van het schip, een lied van hoop meende te hooren uitjubelen.

Hij werd er ten slotte door medegesleept, alsof hij zich te midden van die onmetelijke, bruisende gebedsgolf zelf bevond, die, uit het stof van den aardbodem opborrelend, over de verdiepingen der op elkaar gebouwde kerken hooger steeg, zich van tabernakel tot tabernakel uitbreidde, en de muren zoo zeer tot medelijden bewoog, dat ook deze zelf snikten, en dat die kreet van de zwartste ellende met de witte spits, het vergulde, hooge kruis op den top der Basilica den hemel doorboorde. O, almachtige God, o goddelijk wezen, hulpvaardige Kracht, wie gij ook zijt, erbarm u over de arme menschheid, doe het menschelijk lijden ophouden!

Plotseling voelde Pierre zich als verblind. Hij had de linksche gang gevolgd en stond nu eensklaps in het volle daglicht. En onmiddellijk werden twee armen liefdevol om zijn hals geslagen. Het was dr. Chassaigne, die op hem stond te wachten om hem mede te nemen naar de kamer van Bernadette en de kerk van pastoor Peyramale.

"Jongen, wat zal zij blij zijn... Ja, ik heb het groote nieuws gehoord van de buitengewone genade, die Notre-Dame de Lourdes over je vriendin uitgestort heeft. Herinner je je wat ik je eergisteren gezegd heb? Nu ben ik gerust, want nu ben je zelf ook gered!"

Nog een laatste bitterheid voelde de jonge priester in zich opkomen. Maar hij kon glimlachen en antwoordde zacht:

"Ja, wij zijn gered; ik voel mij heel gelukkig!"

De leugen begon, de goddelijke illusie, die hij uit barmhartigheid aan anderen gaf.

Doch nog een schouwspel werd Pierre niet onthouden. De beide vleugels van de hoofddeur stonden wijd open, de bloedroode zonnestralen vulden het schip van het eene einde tot het andere. Alles laaide op in een fellen brandgloed, het vergulde koorhek, de gouden en zilveren geloftegiften, de in diamanten gevatte lampen, de banieren met hun lichte kleuren, de wierookvaten, die gezwaaid werden en op vliegende juweelen geleken. En achter in die fonkelende schittering zag hij tusschen de sneeuwwitte koorhemden en de gouden misgewaden Marie met haar loshangende lokken, haar gouden lokken, die haar als met een gouden mantel omgolfden. Het orgel jubelde uit in een triomphantelijken lofzang, het razende volk juichte tot God en abbé Judaine, die op het altaar het Heilige Sacrament weer genomen had, hief het voor een laatste maal hoog en glanzende als in een stralenkrans op in de van goud druipende Basilica, wier klokken naar alle windstreken den triomf van het wonder uitdreunden.

V.

Onder het afloopen der helling zeide dr. Chassaigne tegen Pierre:

"Je hebt den triomf bijgewoond; nu zal ik je twee schreeuwende onrechtvaardigheden laten zien!"

En hij bracht hem naar het kamertje in de rue des Petits-Fossés, dat lage, donkere kamertje, waaruit zij gekomen was, toen de Heilige Maagd haar verscheen.

De rue des Petits-Fossés is een zijstraat van de vroegere rue du Bois, de tegenwoordige rue de la Grotte, en snijdt de rue du Tribunal. Het is een kronkelend, droefgeestig, armoedig straatje, dat flauw helt. Slechts zelden komen er menschen door, men vindt er alleen lange muren, armzalige huizen, melancholieke gevels, waarin nooit een raam opengaat. Een boom ergens op een binnenplaatsje is het eenige vroolijke erin.

"Wij zijn er," zeide de dokter.

Het straatje werd op dit plekje heel nauw en smal, het huisje lag tegenover een hoogen, grijzen, kalen muur van een schuur. Beiden keken zij naar het kleine huisje, dat met zijn kleine kruisramen en ruwe, blauwachtige pleisterkalk akelig leelijk en armoedig leek. De gang beneden was heelemaal donker en werd slechts door een klein, ouderwetsch hek afgesloten; men moest een opstapje gebruiken om naar boven te komen, dat bij slagregens onder water stond.

"Ga naar binnen, vriend, ga naar binnen. Je behoeft het hek maar open te stooten."

De gang was vrij diep en Pierre volgde, om geen misstap te doen, met zijn hand den muur. Het kwam hem voor, alsof hij in het donker in een kelder afdaalde en de glibberige grond onder hem steeds nat was van het water. Aan het eind sloeg hij op een nieuwe aanwijzing van den dokter rechts af.

"Buk je, want je zoudt je kunnen stooten, de deur is erg laag... Zoo, we zijn er!"

Evenals de straatdeur, stond ook de kamerdeur wijd open. Pierre, die aarzelend midden in het vertrek was blijven staan, kon, daar zijn oogen nog gewend waren aan het felle daglicht van buiten, niets onderscheiden, nu hij daar in volkomen duisternis terechtgekomen was. Bovendien had een ijzige kilte, gelijk aan het gevoel, dat een natte wasch veroorzaakt, hem bij zijn schouders gegrepen.

Maar langzamerhand geraakten zijn oogen gewoon aan de duisternis. De twee, niet even groote ramen zagen uit op een smalle binnenplaats, waarin slechts een groenachtig licht als in een put viel. Als men midden op den dag in de kamer wilde lezen, moest men een kaars aansteken. De kamer, vier bij drie en een halven meter groot, was met groote, oneffen steenen bevloerd, terwijl de balken aan de zoldering in den loop der tijden een roetkleur gekregen hadden. Tegenover de deur was een armzalige schoorsteenmantel van gips, waarvan de plaat door een oude, vermolmde plank gevormd werd. Tusschen den schoorsteenmantel en een der ramen was een gootsteen. De muren, waarvan de kalk afschilferde en met vochtplekken en scheuren overdekt was, hadden evenals de zoldering, een zwartachtigen tint. Er stonden geen meubels meer in, het vertrek scheen geheel verlaten, men zag er slechts onduidelijk enkele vreemde voorwerpen, die in de diepe duisternis, welke alle hoeken vulde, onherkenbaar waren.

Na een vrij lange stilte begon de dokter te spreken.

"Ja, dit is de kamer, van hier is alles uitgegaan... Niets is erin veranderd, alleen de meubelen zijn er niet meer. Ik heb getracht de kamer weer in mijn geest te meubileeren; de bedden stonden ongetwijfeld tegen den muur over de ramen; drie bedden moeten er minstens geweest zijn, want de Souberous waren met hun zevenen, vader, moeder, twee jongens en drie meisjes... Stel je voor, drie bedden in dit vertrek en zeven menschen, die in deze enkele vierkante meters woonden. Ze waren hier als levend begraven, zonder licht, zonder lucht en zoo goed als zonder brood! Welk een vreeselijke ellende, wat een arme, beklagenswaardige schepsels!"

Maar hij werd in de rede gevallen. Een gestalte, die Pierre eerst voor een oude vrouw hield, kwam binnen. Het was een priester, de vicaris van de parochie, die tegenwoordig het huis bewoonde. Hij kende den dokter.

"Ik hoorde u praten, dokter Chassaigne," zeide hij, "en ben daarom even naar beneden gekomen... Zoo, laat u de kamer weer eens bekijken?"

"Ja, mijnheer de abbé, zoo vrij ben ik geweest... Het stoort u toch niet?"

"Heelemaal niet... heelemaal niet... Kom maar net zoo dikwijls als u wilt!"

Hij lachte vriendelijk en voorkomend en groette Pierre, die, verbaasd over zijn kalme zorgeloosheid vroeg:

"Maar toch zal het u wel eens lastig zijn met al die menschen!"

Op zijn beurt scheen de vicaris verbaasd.

"Wel neen, er komt hier niemand... U begrijpt, dat het hier niet zoo bekend is. Iedereen blijft daar bij de Grot... Maar ik laat de deur open staan, dan behoef ik niet heen en weer te loopen. Maar er gaan dagen voorbij, zonder dat ik zelfs ook maar het knagen van een muis hoor."

De oogen van Pierre raakten hoe langer hoe meer aan de donkerte gewend; onder de onduidelijke voorwerpen onderscheidde hij oude tonnen, overblijfselen van een kippenhok, gebroken gereedschappen en allerlei lompen, die je gewoonlijk bij elkaar voegt en dan in den kelder werpt. Verder zag hij aan den zolder provisies hangen, een slamand vol met eieren en ritsen dikke, rose uien.

"Zooals ik zie," begon hij met een lichte beving in zijn stem, "hebt u gemeend de kamer niet ongebruikt te moeten laten."

De vicaris begon een beetje verlegen te worden.

"Zeker, zoo is het... Wat zal ik u zeggen? Het huis is klein en ik heb niet veel ruimte! En dan, u hebt er geen idée van hoe vochtig het huis is, het is absoluut onmogelijk het te bewonen... En, lieve God, zoo langzamerhand hoopt het zich van zelf op, zonder dat je het eigenlijk wil."

"Een soort rommelkamer dus," merkte Pierre op.

"O, neen, dat niet!... Een onbewoond vertrek, en wanneer u het zoo noemen wilt, een rommelkamer!"

Zijn verlegenheid, waarbij ook wel een beetje schaamte kwam, werd grooter. Dr. Chassaigne bleef zwijgen, kwam niet tusschenbeide; maar hij glimlachte, blijkbaar in zijn schik, dat zijn vriend tegen die menschelijke ondankbaarheid opkwam.

Deze kon zich niet beheerschen en ging voort: