De drie steden: Lourdes

Part 35

Chapter 353,800 wordsPublic domain

Eindelijk riep abbé Judaine, die door het schouwspel diep aangegrepen werd, haar met een hoofdknikje tot zich. Gehoorzamend aan de barmhartige bedoeling van den geestelijke, maakten twee brancarddragers, hoe gevaarlijk het ook was een bres in den muur te vormen, een kleine opening; de vrouw vloog er met haar last doorheen en viel voor den priester neer. Deze liet den voet van den monstrans een oogenblik op het hoofd van het jongetje rusten. De moeder zelf drukte haar begeerige lippen erop. Toen men zich weer in beweging zette, wilde zij achter den baldakijn blijven en volgde de processie hijgend, met in den wind fladderende haren, bijna bezwijkend onder den zwaren last, die haar schouders brak.

Met groote moeite had eindelijk de processie de place du Rosaire overgestoken. Nu begon het glorierijke beklimmen van de monumentale helling, gedurende hetwelk heel hoog, aan den rand van den hemel, uit de spitse toren van de Basilica de klokken luidden en den triomf van Notre-Dame de Lourdes uitjubelden. Naar deze apotheose, naar deze hooge poort van het heiligdom, die toegang scheen te geven tot de oneindigheid steeg de baldakijn nu op boven de groote menschenzee, die daar beneden op de pleinen en in de alleeën bleef bruisen. Reeds was de in blauw en zilver gekleede kerkbewaarder met het processiekruis ter hoogte van den koepel der Rozenkranskerk. De delegaties der bedevaarten verspreidden zich, de veelkleurige banieren van zijde en fluweel wapperden in den brand van de ondergaande zon. Dan kwamen de schitterende rijen der geestelijken, de priesters in hun sneeuwwitte koorhemden, de priesters in hun gouden misgewaden, als een stoet van sterren. De wierookvaten werden gezwaaid, de baldakijn steeg steeds hooger, zonder dat men de dragers onderscheiden kon, alsof een mysterieuse kracht, onzichtbare engelen hem voortdroegen naar de wijdgeopende hemelpoort.

Gezangen waren aangeheven, de stemmen eischten, nu men zich uit de menigte losgemaakt had, niet meer de genezing der zieken. Het wonder had zich voltrokken, men juichte erom uit volle borst in het gedreun der klokken, in de bevende vroolijkheid der lucht.

"Magnificat anima mea Dominum..."

Het in de Grot reeds gezongen lied der dankzegging rees opnieuw uit de harten op.

"Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo..." [17]

Overvloeiend van vreugde volgde Marie dezen schitterenden opgang, deze hemelvaart langs de helling naar de lichtende Basilica. Naarmate zij hooger kwam, kwam het haar voor, dat zij sterker werd, krachtiger op haar zoo lang afgestorven, thans herleefde beenen stond. Het wagentje dat zij triomphantelijk voortreed, was als de buit, aan haar kwaal ontnomen, de hel, waaruit de Heilige Maagd haar gered had; en hoewel het handvat haar handen wondde, wilde zij het naar boven rijden om het neer te leggen aan de voeten van God. Geen hinderpaal kon haar tegenhouden, zij lachte onder haar tranen door, haar borst welfde zich, haar gang was als die van een krijgsman. Onderweg was een van haar pantoffels losgegaan, terwijl het kanten doekje van haar hoofd op haar schouders gevallen was. Maar toch bleef zij doorloopen, terwijl haar prachtige blonde lokken haar als met een helm bedekten, met stralend gelaat, in zoo'n krachtig opleven van wil en kracht, dat men, achter haar, het zware wagentje op den steilen geplaveiden weg als een kinderwagen hoorde huppelen.

Pierre, die nog steeds aan den arm van pater Massias liep, bleef in haar nabijheid. In zijn hevige ontroering was hij niet in staat tot denken. De welluidende en krachtige stem van den pater verdoofde hem:

"Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles!..." [18]

Aan den anderen kant rechts van hem, volgde Berthaud, thans geheel gerust gesteld, eveneens den baldakijn. Hij had zijn mannen bevel gegeven den keten te verbreken en keek nu verrukt naar de menschenzee, die de processie doorkruist had. Hoe hooger men kwam, des te meer verbreedden zich de place du Rosaire, de boulevards, de alleeën der tuinen, en werden zij, zwart van menschen, beter voor zijn blikken zichtbaar. Men zag een geheel volk in vogelvlucht, een steeds meer zich uitbreidende mierenhoop.

"Kijk toch eens!" zeide hij tot Pierre. "Is het niet grootsch, is het niet mooi?... Nu, het zal geen slecht jaar zijn!"

Hij, voor wien Lourdes voornamelijk een haard van propaganda was, waarin hij zijn politieken wrok bevredigde, verheugde zich over die talrijke bedevaarten, welke hij onaangenaam voor de regeering waande. O, als men de werklieden der steden ertoe zou kunnen brengen, een Katholieke democratie stichten!

"Verleden jaar," ging hij voort, "hebben we het nauwlijks tot tweehonderdduizend pelgrims kunnen brengen. Dit jaar zullen we, hoop ik, dat cijfer overschrijden."

En op den vroolijken toon van een man van de wereld voegde hij er, hoewel hij een heftig partijganger was, bij:

"Waarachtig, toen men zoo even elkaar dooddrukte, was ik in mijn schik... Ik zei tegen mezelf: Het loopt, het loopt!"

Maar Pierre luisterde niet, hij was te zeer getroffen door het grootsche schouwspel. De menigte, welke zich steeds meer uitbreidde, naarmate hij zich hooger boven haar verhief, dat prachtige dal, dat aan zijn voeten lag, steeds grooter werd en den heerlijken horizont der bergen voor hem ontrolde, vervulden hem met een bewondering, die hem deed rillen. Zijn verwarring was er door toegenomen, hij zocht Marie's blik en wees haar met een breed gebaar op den onmetelijken gezichtskring. Doch zij begreep het gebaar verkeerd, zij zag in den geheel geestelijken, dwependen toestand, waarin zij zich bevond, de stoffelijkheid van het schouwspel niet; zij dacht, dat hij de aarde tot getuige riep voor de wonderdadige genade, waarmede de Heilige Maagd hen beiden had beweldadigd; want zij geloofde, dat hij ook zijn deel in het wonder gehad had, dat in dezelfde genadewerking, die haar lichamelijk genezen en weer op de been gebracht had, hij, die haar zoo na aan het hart lag, zich door dezelfde goddelijke kracht omgeven en opgericht gevoeld had, dat zijn ziel van den twijfel gered, door het geloof herwonnen was. Hoe zou hij getuige geweest hebben kunnen zijn van haar wonderdadige genezing, zonder overtuigd te worden? Zij had den vorigen nacht voor de Grot zoo gebeden. En in de overmaat van haar vreugde zag zij ook hem veranderd, weenend en lachend, teruggegeven aan God. Dat deed haar nog meer gloeien in haar koorts van geluk, zij reed haar wagentje voort met een hand, die niet moede werd, zij had het nog mijlen en mijlen ver kunnen voortduwen, steeds hooger, tot aan ontoegankelijke bergtoppen, tot in den verblindenden glans van het Paradijs, alsof zij hun dubbel kruis, haar eigen verlossing en die van haar vriend, gedragen had.

"O, Pierre, Pierre," stamelde zij; "hoe heerlijk is het, dat wij dit groote geluk samen, samen gehad hebben. Ik had het haar zoo vurig gevraagd en zij was zoo genadig; zij heeft jou gered door mij te redden!... Ja, ik heb gevoeld, hoe jouw ziel zich overstortte in de mijne. Zeg me toch, dat onze wederkeerige gebeden verhoord zijn, dat ik jouw heil bewerkt heb, zooals jij het mijne."

Hij begreep haar dwaling, en huiverde.

"Als je eens wist," ging zij voort, "hoe doodsbedroefd ik zou zijn, wanneer ik zoo heel alleen naar het licht zou moeten opstijgen. O, hoe vreeselijk zou het wezen zonder jou uitverkoren te zijn, zonder jou dezen weg te gaan! Maar met jou, Pierre, is het een zaligheid... Samen gered en voor eeuwig gelukkig! Ik voel de kracht in mij, gelukkig te zijn, ja de kracht om de wereld op te heffen..."

Hij moest nu toch een antwoord geven; en hij loog: hij kon dit groote geluk niet bederven en bezoedelen.

"Ja, ja, wees gelukkig, Marie! Want ik ben zelf ook zoo gelukkig, en al onze smarten zijn uitgedelgd."

Maar in zijn binnenste kwam een diepe scheur, alsof hij, plotseling, gevoeld had, dat een ruwe bijlslag hen van elkander scheidde. Tot nog toe was zij in hun gemeenschappelijk lijden het kleine vriendinnetje uit zijn jeugd gebleven, de eerste, onschuldig begeerde vrouw, van wie hij wist, dat zij steeds de zijne was, omdat zij aan niemand anders kon toebehooren. En nu was zij genezen en bleef hij in zijn hel en moest hij zich bekennen, dat zij hem nooit toebehooren zou. Die plotselinge gedachte overweldigde hem zoo, dat hij, wanhopig zoo te moeten lijden onder het wonderdadig geluk, waarin zij jubelde, zijn blikken afwendde.

Het gezang bleef doorklinken; pater Massias stiet, zonder iets te hooren, zonder iets te zien, geheel opgaande in zijn vurige dankbaarheid aan God, het laatste vers met donderende stem uit:

"Sicut locutus est ad patres nostros, Abraham et semini eius in saecula." [19]

Nog een gedeelte der helling was te beklimmen, nog een krachtsinspanning moest gedaan worden om over de gladde, breede tegels de hoogte van den steilen weg te bereiken! En de processie steeg nog hooger en voleindigde den opgang in het volle, heldere daglicht. Er was nog een laatste bocht en de wielen van het wagentje kletterden tegen den granieten trottoirband. Altijd hooger! Altijd hooger! Steeds hoogerop reed het; het stiet tegen den rand van den hemel.

Daar verscheen plotseling de baldakijn op den top der reusachtige hellingen, voor de deur der Basilica, op het steenen balcon, dat de uitgestrekte vlakte beheerschte. Abbé Judaine trad naar voren, hield met beide handen het Heilige Sacrament omhoog. Naast hem had Marie met van het loopen kloppend hart en met een in het loshangend goud van haar haar stralend gelaat haar wagentje omhoog geheven. Achter hen schaarde zich de geestelijkheid: de sneeuwwitte koorhemden, de vlammende misgewaden, terwijl de banieren en vaandels wapperden en het wit der balustraden pavoiseerden.

Het was een plechtig oogenblik.

Men kon zich moeilijkers iets grootscher denken dan het uitzicht, dat men van boven af genoot. In de eerste plaats zag men daar de menigte, de menschenzee met haar donkere golven en haar nooit ophoudende deining, waarin men, als zij even tot stilstand kwam, slechts de bleeke plekken van de in afwachting der zegening naar de Basilica opgeheven gezichten zag; en zoo ver als de blik reikte, van de place du Rosaire tot den Gave, over de alleeën en avenues, over de kruiswegen tot aan de oude in de verte liggende stad, vermenigvuldigden zich de kleine, bleeke gezichten, ontelbaar, tot in het oneindige, allen in zalige verrukking hun blik richtend op den verheven drempel, waar de hemel zich openen zou.

Vervolgens dook het onmetelijk amphitheater der hellingen, heuvels en bergen op, verhief zich aan alle kanten tot eindeloos hooge toppen, die zich in de blauwe lucht verloren. In het Noorden aan de overzijde der rivier, op de eerste hellingen, tusschen de boomen, wierp de brand van de ondergaande zon een rosen weerschijn op de talrijke kloosters der Carmelieten, Assumptionisten, Dominicanessen en der Zusters van Nevers. Dan bouwden zich beboschte bergmassa's boven elkaar op, tot zij de hoogten van den Buala bereikten, waarboven de Julospas uitstak, die op zijn beurt weer door den Miramont beheerscht werd. In het Zuiden openden zich andere diepe valleien, nauwe bergkloven tusschen massieve, reusachtige rotsen, wier voet reeds in blauwachtige schaduw baadde, wanneer de toppen nog schitterden in den afscheidsglimlach der zon. Aan dezen kant vormden de purperen heuvels van Visens een voorgebergte van koraal, dat het slapende meer van den ether met een doorschijnendheid als van saphir afdamde. Maar recht vooruit in het Oosten verbreedde de horizont zich nog over het kruispunt zelf der zeven dalen heen.

Het Kasteel, dat ze vroeger beheerscht had, stond nog met zijn slottorens, zijn hooge muren, zijn donker profiel van grimmige, ouderwetsche vesting op de door den Gave bespoelde rots. Aan deze zijde lag de nieuwe stad heel vroolijk te midden van haar tuintjes als een gewemel van witte gevels, groote hotels, pensions en groote winkels, welker ruiten als kolenvuren gloeiden, terwijl achter het Kasteel het oude Lourdes in het rossig-stoffige licht zijn gewirwar van verkleurde daken uitstalde. Op dit late uur waren de Kleine en de Groote Gers, de twee reusachtige, kale, slechts hier en daar met kort gras beplekte rotsruggen, waarachter de dagvorstin met koninklijke pracht van haar troon daalde, niet meer dan een wegdoezelende, violetkleurige achtergrond, twee donkere voor den rand van den horizont toegetrokken gordijnen.

Tegenover deze onmetelijkheid hief abbé Judaine met zijn beide handen het Heilige Sacrament hooger, hooger nog op. Hij bewoog het langzaam langs den geheelen horizont en liet het een groot teeken des kruises beschrijven. Links begroette het de kloosters, de hoogten van den Buala, den Julospas en den Miramont; rechts de twee steden, het door den Gave bespoelde Kasteel, den reeds ingesluimerden Kleinen en Grooten Gers; het begroette de bosschen, de stroomen, de bergen, de onbestemde omtrekken der verre toppenketenen, de geheele aarde aan gene zijde van den zichtbaren horizont. Vrede der aarde, hoop en troost den menschen! Beneden had de menigte gesidderd onder het groote teeken des kruises, dat hen allen omvatte. Het was, alsof een goddelijke adem over de kleine bleeke gezichtjes, even talrijk als de golven van een oceaan, streek. Een zucht van aanbidding steeg op, alle monden openden zich, om Gods lof te zingen, toen de monstrans, die door de ondergaande zon vol beschenen werd, weer als een tweede zon verscheen, een zon van zuiver goud, die op den drempel der oneindigheid in vlammende lijnen het teeken des kruises beschreef.

Reeds gingen de banieren, de geestelijkheid, abbé Judaine onder den baldakijn de Basilica binnen, toen Marie op het oogenblik dat ook zij, zonder het wagentje los te laten, de kerk wilde ingaan, door twee dames, die haar weenend omarmden, tegengehouden werd. Het waren madame de Jonquière en haar dochter Raymonde, die de zegening bij wilden wonen en het wonder vernomen hadden.

"Hoe heerlijk, kindlief!" riep madame de Jonquière, "en wat ben ik er trotsch op, dat je in mijn zaal bent. Het is voor ons allen een zoo kostelijke genade, dat de Heilige Maagd jou uitverkoren heeft!"

Raymonde had een hand der wonderdadig genezene in de hare gehouden.

"Mag ik u vriendin noemen, mademoiselle? Ik had zoo'n vreeselijk medelijden met u en nu vind ik het zoo heerlijk u, zoo krachtig en zoo mooi al, te zien loopen... Laat ik u nog een zoen geven. Dat zal mij geluk aanbrengen."

"Dank, hartelijk dank... Ik ben zoo gelukkig, zoo gelukkig!" stamelde Marie verrukt.

"O, wij verlaten je niet meer!" begon madame de Jonquière weer. "Hoor je, Raymonde? Laten we met haar meegaan en met haar knielen. En na de plechtigheid nemen wij haar mede terug."

Inderdaad sloten de beide dames zich bij den stoet aan en liepen naast Pierre en pater Massias achter den baldakijn tot aan het midden van het koor, tusschen de door de delegaties reeds ingenomen rijen stoelen. Alleen de banieren werden ter weerszijde van het hoofdaltaar toegelaten. Ook Marie ging naar voren en bleef eerst bij de treden van het altaar staan met haar wagentje, waarvan de wielen op de tegels weerklonken. Zij had het armzalige smartenwagentje nu gebracht, waarheen zij het in den heiligen waan van haar begeerte had willen brengen, in de schittering van Gods huis, opdat het daar als het bewijs van het wonder staan zou. Dadelijk bij het binnentreden was het orgel in een triomfzang uitgejubeld, waarmede de gelukkige schare donderend had ingestemd, totdat zich daaruit weldra een hemelsche engelenstem vol juichende vreugde en zuiver als kristal, losmaakte. Abbé Judaine had het Heilige Sacrament op het altaar gezet, de menigte vulde het schip, ieder nam zijn plaats in, men verdrong zich en wachtte tot de plechtigheid beginnen zou. Tusschen madame de Jonquière en Raymonde, wier oogen vochtig bleven van ontroering, was Marie op haar knieën gevallen, terwijl pater Massias, wiens krachten na de buitengewone zenuwspanning, welke hem sedert het verlaten van de Grot staande gehouden had, uitgeput waren, in snikken uitbarstte, zich op den grond wierp en zijn gezicht in zijn handen begroef. Achter hem bleven Pierre en Berthaud staan, de laatste nog steeds overal voor wakend en zelfs te midden van de sterkste gemoedsaandoeningen voor de goede orde zorg dragend.

Verdoofd door het orgelgejubel hief Pierre het hoofd op en bekeek in zijn onrust het inwendige der Basilica. Het was een smal, hoog, met drukke kleuren beschilderd schip, waarin door talrijke gebrande ramen het licht binnenviel. Zijbeuken waren er eigenlijk niet; in plaats daarvan liep een eenvoudige doorgang tusschen de pilarenbundels en de zijkapellen, wat de slankheid van het schip, het vluchtig opstijgen der steen in dunne, kinderlijk-fijne lijnen nog scheen te verhoogen. Een geheel verguld, als kantwerk zoo doorzichtig hek sloot het koor af, waarin het wit marmeren, met houtsnijwerk overdekte hoofdaltaar zijn maagdelijk reine pracht ontvouwde. Verbazingwekkend waren de buitengewoon talrijke kunstvoorwerpen, die van de geheele kerk een van borduurwerk, juweelen, banieren en geloftegiften overvloeiende uitstalkast maakten, een stroom van geschenken en giften, die hierheen gevloeid was en tot stilstand gekomen was op de muren, die als het ware dropen van goud, zilver, fluweel en zijde, waarmede ze van boven tot beneden bekleed waren. Zij was het steeds van dankbaarheid gloeiend heiligdom, zong door den mond van haar onschatbaren rijkdom een eeuwig danklied van geloof.

Vooral banieren waren in grooten getale aanwezig, vermenigvuldigden zich ontelbaar als bladeren aan een boom. Een dertigtal was aan het gewelf opgehangen. Andere, die den geheelen omgang van het triforium versierden, vormden als het ware door kleine zuiltjes omlijste schilderijen. Zij spreidden zich langs de muren uit, wapperden achter in de kapellen, overwelfden het koor met een hemel van zijde, satijn en fluweel. Men telde ze bij honderden, het oog werd moe van het bewonderen. Vele genoten een groote beroemdheid en waren zoo kunstig bewerkt, dat de bekendste borduursters ze kwamen bezichtigen: die van Notre-Dame de Fourvières met het stadswapen van Lyon; die van den Elzas, zwart, met goud geborduurd fluweel; die van Lotharingen, waarop een Heilige Maagd, die twee kinderen in haar mantel hult; die van Bretagne, blauw en wit met een bloedend hart midden in een stralenkrans. Alle keizerrijken, alle koninkrijken der aarde waren vertegenwoordigd. De verst gelegen landen, Canada, Brazilië, Chili, Haïti, hadden er hun vaandel, waarmede zij de Koningin des Hemels hun eer bewezen.

Behalve de banieren waren er nog meer wonderstukken: de duizenden en nog eens duizenden harten van goud en zilver, die overal opgehangen waren en aan de muren fonkelden als sterren aan het firmament. Zij vormden daar mystieke rozen, slingerden bloemenhangers en guirlandes om de pilaren, omvatten de ramen en bestarden de diepliggende kapellen. Men was op het zinrijke denkbeeld gekomen om met behulp van die harten boven het triforium in groote letters de verschillende woorden te schrijven, die de Heilige Maagd tot Bernadette gesproken had; ook liep een dergelijke lange fries om het schip heen, welke de vreugde uitmaakte der kinderlijke zielen, die gaarne de woorden spelden. Het was een gewemel en gefonkel van wonderharten, wier eindeloos aantal het hart beklemde, wanneer men dacht aan al die van dankbaarheid bevende handen, welke ze geschonken hadden. Trouwens ook vele andere geloftegiften, en daaronder die, welke men het minst verwachten zou, droegen bij tot de versiering der kerk. Zoo zag men onder glas bruidsbouquetten, eerekruizen, juweelen, photographieën, rozenkransen, ja zelfs sporen. Er waren officiers-epauletten zoowel als degens, waaronder een prachtige sabel, die als aandenken aan een wonderdadige bekeering achtergelaten was.

Maar dat was niet genoeg: overal schitterden nog andere rijkdommen, rijkdommen van den meest uiteenloopenden aard: marmeren beelden, in diamanten gevatte diademen, een prachtig, te Blois geteekend en door dames uit geheel Frankrijk geborduurd tapijt, een met emailwerk versierde gouden palm, die de Heilige Vader gezonden had. De lampen, die uit het gewelf neerhingen, waren eveneens geschenken, sommige waren van massief goud en fijn bewerkt. Men kon ze niet meer tellen, zij fonkelden in het schip der kerk als kostbare sterren. Voor den tabernakel hing er een, die door Ierland geschonken was, een meesterwerk van ciseleerkunst. Andere, zooals uit Valencia, Rijssel en Macao vormden ware kleinoodiën, schitterend van edelgesteenten. En welk een glans, wanneer bij de groote avondceremoniën de twintig kroonluchters waren aangestoken, wanneer de honderden lampen, de honderden kaarsen tegelijk brandden! Dan was de geheele kerk één gloed, dan weerkaatsten al die kleine vlammen van het brandende godshuis haar lichten in die duizenden harten van goud en zilver. Het was één wonderbare vuurzee, de muren dropen van levende vlammenvonken, men betrad de verblindende heerlijkheid van het paradijs, terwijl de tallooze banieren daartusschen haar zijde, haar satijn en haar fluweel ontrolden, geborduurd met bloedende Harten, overwinnende Heiligen en Heilige Maagden, wier vriendelijke glimlach wonderen wrocht.

O, hoeveel ceremoniën hadden reeds haar pracht en praal in deze Basilica ontwikkeld! Nooit hielden de eeredienst, nooit het gebed en het gezang erin op! Van het eene eind van het jaar tot het andere brandde de wierook, dreunde het orgel, bad de neergeknielde schare. Ononderbroken werden missen gelezen, dan kwamen de vespers, de predikatiën, de zegeningen, de dagelijks wederkeerende oefeningen, de met een weergalooze pracht gevierde feesten. De minste naamdagen werden voorwendsel tot hoogheilige feesten. Iedere bedevaart moest haar aandeel in de verblindende schouwspelen hebben. Men moest die lijdenden en die nederigen, welke van zoo verre kwamen, toch getroost, verrukt en met het visioen van het half geopende paradijs terugzenden. Zij hadden de heerlijkheid Gods aanschouwd, zouden de herinnering eraan in een eeuwige extase bewaren. In de armzalige, kale kamertjes, voor de smartvolle lijdenssponden rees in de geheele Christenheid de Basilica met haar gloed en rijkdommen op als een droom van belofte en gerechtigheid, ja als het geluk zelf, de schat van het toekomstige leven, waarin de armen zeker eens na hun lange aardsche ellende ingaan zouden.

Maar Pierre voelde bij het zien van al die schittering geen enkele vreugde, geen troost, geen hoop. Het was donker in hem, donker als in een storm, waarin gedachten en gevoelens gieren en huilen. Van af het oogenblik, dat Marie uit haar wagentje was opgestaan met den kreet: "Ik ben genezen", van het oogenblik af, dat zij zoo krachtig, zoo vol levenslust liep, voelde hij een onmetelijke, troostelooze treurigheid in zich opstijgen. En toch had hij haar lief met een vurige broederlijke toegenegenheid, had een grenzeloos geluk zich van hem meester gemaakt, toen hij zag, dat zij niet meer leed. Waarom veroorzaakte dan haar geluk hem zoo'n angstgevoel? Hij kon haar, nu zij daar in tranen en stralend in haar herwonnen en vollere schoonheid geknield lag, niet zien zonder dat zijn arm hart als uit een doodelijke wonde bloedde. Toch wilde hij blijven, maar hij wendde zijn blikken af en trachtte zijn aandacht te bepalen bij pater Massias, die nog altijd lag te snikken en wiens verterende illusie van de goddelijke liefde, waarin hij zichzelf geheel vernietigde en één werd met het geloof, hij benijdde. Een oogenblik scheen hij zelfs met bewondering te kijken naar een banier, waarover hij aan Berthaud inlichtingen vroeg.

"Welke bedoelt u? Die banier van kant?"

"Ja, die daar links."

"Dat is een geschenk van Le Puy. De wapens erop zijn die van Le Puy en Lourdes, verbonden door den Rozenkrans... De kant is zoo fijn, dat je de heele banier in de holte van je hand zoudt kunnen houden."