Part 34
Driemaal stootten de stemmen in de uiterste opwinding en vertwijfeling deze jammerklacht uit met een geweld, dat den hemel doorboren moest; de tranen verdubbelden en overstroomden de brandende gezichten, die door de heilbegeerte verheerlijkt werden. Een oogenblik werd het delirium zoo hevig, het instinctieve opdringen naar het Heilige Sacrament zoo onweerstaanbaar, dat Berthaud den brancarddragers, die daar stonden, een ketting vormen liet. Deze beschermingsmanoeuvre werd slechts in den uitersten nood toegepast: een rij van dragers werd dan rechts en links van den baldakijn gevormd, waarbij ieder van hen stevig een arm om den nek van zijn buurman sloeg, om op die wijze een soort levenden muur te vormen. Er bleef geen spleet open, niemand kon er door. Maar desniettemin wankelden deze menschelijke barrières onder den druk van de naar het leven smachtende ongelukkigen, die Jezus wilden aanraken en kussen; zij slingerden heen en weer, werden tegen den baldakijn teruggeslagen, dien zij beschermden; en de baldakijn zelf dreef, voortdurend bedreigd door de menigte meegesleurd te worden, onder deze rond als een heilige bark, die in nood verkeert.
En toen, nu de heilige waanzin zijn toppunt bereikt had, braken, als wanneer bij een onweer de hemel zich opent en de bliksem neerslaat, onder smeekbeden en snikken de wonderen los. Een lamme stond op en wierp haar krukken weg. Een doordringende kreet en een vrouw, gewikkeld in een wit laken als in een doodshemd, rees op van haar matras; men zeide, dat het een reeds half doode teringlijdster was, die tot het leven terugkeerde. Vlak na elkaar openbaarde de genade zich nog tweemaal: een blinde, die plotseling de Grot zag; een stomme, die op haar knieën viel en met een luide en helder klinkende stem de Heilige Maagd dankte. En allen knielden, buiten zich zelf van vreugde en dankbaarheid, neer aan de voeten van de Heilige Maagd.
Pierre had Marie niet uit het oog verloren en werd door wat hij zag, machtig aangegrepen en ontroerd. De oogen der zieke, levenloos nog, waren grooter geworden, terwijl haar arm, bleek gelaat samentrok, alsof zij vreeselijk pijn geleden had. Zij sprak niet, maar ongetwijfeld geloofde zij, dat zij opnieuw door haar kwaal aangegrepen was. Plotseling toen het Heilige Sacrament voorbijging en zij de ster ervan zag flikkeren in de zon, werd zij zoo verblind, dat zij meende door den bliksem getroffen te zijn. Aan dien glans had het vuur van haar oogen zich ontvonkt; zij vonden eindelijk haar levensvlam terug en fonkelden als sterren. Haar gelaat kreeg, onder den aandrang van een nieuwe kracht, leven en kleur, straalde van jubelende vreugde en gezondheid. En hij zag, dat zij plotseling oprees en in haar wagentje staan bleef, wankelend en slechts in staat de gestamelde woorden uit te brengen.
"Pierre... Pierre!"
Vlug was hij naar haar toegesneld, om haar te steunen. Maar met een gebaar hield zij hem op een afstand; zij richtte zich hoog op, zoo ontroerend mooi in haar zwart wollen japon en haar pantoffels, die zij altijd aan had, slank en rijzig, met goud omstraald door haar prachtig-blonde haren, die met een eenvoudig kanten doekje bedekt waren. Heel haar maagdelijk lichaam bleef ten prooi aan hevige schokken, alsof een krachtige gisting het opnieuw vormde. Eerst werden haar beenen bevrijd van de ketenen, die ze geboeid hielden. Dan overviel haar, terwijl zij de bloedbron, het leven van de vrouw, de echtgenoote en de moeder in zich voelde ontspringen, een laatste beklemmende angst, want een loodzwaar gewicht steeg van haar buik naar haar keel. Doch ditmaal bleef het daar niet, gaf het haar geen benauwenis, maar sprong uit haar open mond en vloog weg in een kreet van hemelsche verrukking.
"Ik ben genezen... Ik ben genezen!"
Toen volgde een buitengewoon schouwspel. De deken lag aan haar voeten, triomphantelijk straalde haar gezicht. En haar kreet van genezing had met zoo'n verrukking weerklonken, dat de geheele menigte er sprakeloos door werd. Slechts zij bestond nog, men zag slechts haar, grooter geworden, stralend als een goddelijke verschijning.
"Ik ben genezen!... Ik ben genezen!"
Pierre begon in de heftige ontroering, waardoor zijn hart aangegrepen werd, te weenen, en opnieuw stroomden tranen uit aller oogen. Te midden van uitroepen, dankzeggingen, en lofprijzingen maakte een woest, krankzinnig enthousiasme zich allengs van de menigte meester en bracht de duizenden pelgrims, die zich verdrongen, om haar te zien, in een toestand van onbeschrijflijke opwinding. Bijvalsbetuigingen ontketenden zich, een furie van bijvalskreten, die donderend van het eene einde van het dal naar het andere rolden.
Pater Fourcade zwaaide met zijn armen, terwijl pater Massias zich eindelijk verstaanbaar kon maken.
"Geliefde broeders en zusters, God is in ons midden geweest... Magnificat anima mea Dominum..." [16]
En alle stemmen, de duizenden stemmen hieven het lied der aanbidding en dankzegging aan. De processie was tot stilstand gedwongen, en abbé Judaine, die met den monstrans de Grot had kunnen bereiken, wachtte geduldig alvorens hij den zegen uitsprak. Buiten het hek wachtte de door priesters in koorhemd en misgewaad omgeven baldakijn, in de stralen der ondergaande zon schitterend als goud en sneeuw.
Intusschen was Marie snikkend op haar knieën neergevallen, en den geheelen tijd, dat het gezang duurde, steeg een vurig gebed vol geloof en liefde op naar Gods troon. Maar de menigte wilde haar zien loopen, door haar gelukkige vrouwen riepen haar, een troep, die haar bijna in de hoogte lichtte, omringde haar, en drong haar mede naar het bureau van dr. Bonamy, opdat het wonder bewezen zou worden, stralen zou als het licht der zon. Haar wagentje werd vergeten; Pierre vergezelde haar, terwijl zij, die in geen zeven jaar haar beenen gebruikt had, stamelend en aarzelend, met een aanbiddelijke onhandigheid en met den angstigen en toch verrukten blik van een klein kind, dat zijn eerste stappen doet, voortliep. Het was zoo ontroerend, zoo heerlijk, dat hij aan niets meer dacht dan aan het grenzenlooze geluk haar tot een nieuwe jeugd herboren te zien. De lieve vriendin uit zijn kindsheid, zijn vriendin uit lang vervlogen dagen zou dan eindelijk tot de mooie en bekoorlijke vrouw opbloeien, die het jonge meisje vroeger beloofde te worden, toen zij in den kleinen tuin te Neuilly zoo vroolijk en mooi was onder de groote boomen, waarin het zonlicht door het loof speelde.
De menigte bleef haar stormachtig toejuichen; een groote menschengolf vergezelde haar. En toen zij het bureau, waarin Pierre alleen met haar toegelaten werd, was binnengegaan, bleven allen in koortsachtige verwachting voor de deur staan.
Dien middag waren er weinig menschen in het bureau. In het kleine vierkante vertrek, met zijn gloeiend-heete houten muren, zijn primitief meubilair, zijn rieten stoelen en zijn twee tafels van ongelijke hoogte, bevonden zich, behalve het gewone personeel, slechts vijf of zes doktoren, die zwijgend hier en daar zaten. Voor de tafels stonden de chef van den vijverdienst en twee jonge abbé's in de registers te bladeren, terwijl pater Dargelès aanteekeningen voor zijn courant maakte. Dr. Bonamy was juist bezig den lupus van Elise Rouquet te onderzoeken, die voor de derde maal kwam laten constateeren, dat haar wond steeds meer dicht trok.
"Nu, mijne heeren," riep dr. Bonamy uit, "hebt u ooit een lupus zoo snel zien genezen. O, zeker, ik weet heel goed, dat er een nieuw werk verschenen is over de genezende kracht van het geloof, waarin beweerd wordt, dat sommige wonden van nerveuzen aard kunnen zijn. Maar niets is meer betwistbaar dan dat, vooral bij lupusgevallen, en ik tart iedere commissie van geneeskundigen, om te verklaren, dat deze genezing langs natuurlijken weg heeft plaats gehad..."
Hij viel zichzelf in de rede, om tegen pater Dargelès te zeggen:
"U hebt toch goed opgeteekend, niet waar Pater, dat de ettering volkomen opgehouden heeft en de huid haar natuurlijke kleur terugkrijgt?"
Maar hij wachtte het antwoord niet af. Marie kwam met Pierre binnen, en aan het stralend gezicht der door een wonder genezene zag hij onmiddellijk, dat zich hier iets buitengewoons had voorgedaan. Zij was bewonderenswaardig en er als voor geschapen om de massa's mede te sleepen en te bekeeren. Onmiddellijk zond hij Elise Rouquet weg, vroeg den naam van den begenadigde, verzocht een der jonge priesters hem het dossier te geven. Toen zij even wankelde, wilde hij haar in den fauteuil laten plaats nemen.
"Neen, neen," riep zij. "Ik ben zoo blij, dat ik mijn beenen gebruiken kan."
Pierre keek rond of hij dr. Chassaigne niet zag, maar vond hem tot zijn spijt niet. Hij ging wat achteraf staan en wachtte, terwijl men in de wanordelijke laden zocht, zonder het dossier te kunnen vinden.
"Wacht even," herhaalde dr. Bonamy; "Marie de Guersaint, Marie de Guersaint... Ik weet zeker, dat ik den naam gezien heb!"
Eindelijk ontdekte Raboin het dossier, dat op een verkeerde letter lag. Toen de dokter kennis genomen had van de certificaten, die het bevatte, geraakte hij in geestdrift.
"Dat is al heel interessant, heeren. Ik verzoek u aandachtig te luisteren... Mademoiselle hier leed aan een zeer ernstige ruggemergsverlamming. Wanneer iemand den minsten twijfel mocht koesteren, dan zouden deze twee certificaten voldoende zijn om de meest ongeloovigen te overtuigen, want zij zijn geteekend door twee geneesheeren van de Parijsche Faculteit, wier namen aan al onze collega's goed bekend zijn."
Hij liet de certificaten rondgaan onder de aanwezige geneesheeren, die ze met goedkeurende hoofdknikjes lazen. Hier viel niets op af te dingen; de onderteekenaars waren bekende en knappe doktoren.
"Welnu, mijne heeren, wanneer de diagnose niet bestreden wordt--en die kan niet bestreden worden, wanneer een zieke ons zulke waardevolle documenten brengt--dan zullen wij nu nagaan, welke veranderingen er in den toestand van mademoiselle gekomen zijn."
Maar alvorens haar te ondervragen, wendde hij zich tot Pierre.
"Mijnheer de abbé, als ik mij niet vergis, bent u met mademoiselle de Guersaint van Parijs gekomen. Hebt u, vóór het vertrek, het oordeel van doktoren ingewonnen?"
Ondanks zijn groote blijdschap voelde de priester een ijskoude huivering.
"Ik ben bij het consult tegenwoordig geweest."
Weer rees het tooneel voor zijn geest op. Hij zag weer de twee ernstige en verstandige doktoren, hij zag Beauclair weer glimlachen, toen zijn collega's hun gelijkluidende certificaten opmaakten. Moest hij deze waardeloos maken en de andere diagnose, die het mogelijk maakte de genezing wetenschappelijk te verklaren, mededeelen? Het wonder was voorspeld en daardoor bij voorbaat ten gronde gericht.
"U zult inzien, mijne heeren," begon dr. Bonamy weer, "dat de aanwezigheid van den abbé een nieuwe bewijskracht aan deze stukken geeft... En nu wil mademoiselle zeker wel zoo goed zijn precies te zeggen, wat zij gevoeld heeft."
Hij boog zich over den schouder van pater Dargelès en fluisterde hem in Pierre een getuigenrol in zijn verslag te geven.
"Lieve hemel, hoe moet ik u dat vertellen, heeren?" riep Marie met hijgende, door geluk gebroken stem uit. "Sedert gisteren wist ik zeker, dat ik genezen zou worden. En toch, zoo even nog, toen dat prikkelen in mijn beenen weer begon, was ik bang, dat het een nieuwe aanval zijn zou, heb ik een oogenblik getwijfeld... Toen zijn die prikkelingen opgehouden. Daarna zijn zij, zoodra ik begon te bidden, weer teruggekomen... O, ik bad, ik bad met geheel mijn ziel. Ten slotte heb ik mij overgegeven als een kind. 'Heilige Maagd, Notre-Dame de Lourdes, doe met mij wat u wilt...' Het prikkelen hield niet op, ik had een gevoel of mijn bloed kookte en ziedde, en een stem riep mij toe: 'Sta op, sta op!' En ik voelde het wonder in een gekraak van al mijn beenderen, van mijn geheele lichaam, alsof ik door den bliksem getroffen was."
Heel bleek luisterde Pierre. Beauclair had hem wel voorspeld, dat de genezing als een bliksemstraal komen zou, wanneer, onder den invloed van de overspannen phantasie, haar zoo lang ingesluimerde wilskracht plotseling zou ontwaken.
"Eerst heeft de Heilige Maagd mijn beenen bevrijd," ging zij voort. "Ik heb heel goed gevoeld, dat de ijzeren banden, die ze omsloten, als gebroken ketenen langs mijn huid afgleden... Toen is het gewicht, dat me altijd hier in mijn linkerzij benauwde, naar boven getrokken; ik dacht, dat ik sterven zou, zoo pijnigde het me. Maar het is langs mijn borst en mijn keel gegaan, ik kreeg het in mijn mond en heb het toen met alle kracht uitgespuwd... Het was uit, ik had geen pijn meer, alles was weggevlogen."
Zij maakte het gebaar van een nachtvogel, die zijn vleugels uitslaat, terwijl zij glimlachend naar Pierre keek, die geheel van streek was. Dat alles had Beauclair voorspeld met bijna dezelfde woorden, bijna dezelfde vergelijkingen. Punt voor punt kwam zijn prognose uit, er waren hier slechts vooruitgeziene en natuurlijke verschijnselen.
Raboin had geluisterd met wijd geopende oogen en de verrukking van een bekrompen vrome, die nooit losgelaten wordt door de gedachte aan de hel.
"Dat is de duivel, dien zij uitgespuwd heeft," riep hij uit.
Maar dr. Bonamy, die verstandiger was, beval hem te zwijgen en wendde zich tot de doktoren.
"Mijne heeren, u weet, dat wij het altijd vermijden hier het woord wonder uit te spreken. Maar hier staan we voor een feit, en ik ben nieuwsgierig, hoe u dit langs natuurlijken weg zult verklaren... Sedert zeven jaar was mademoiselle lijdend aan een ernstige verlamming, die blijkbaar het gevolg was van een ruggemergaandoening. En dat zal niet ontkend kunnen worden, de certificaten wijzen het onbetwistbaar uit. Zij liep niet meer, zij kon geen beweging maken, zonder de hevigste pijnen te gevoelen; zij was ten slotte in dien toestand van uiterste uitputting gekomen, welke den dood vooraf gaat... En ziet, nu loopt zij voor u, lachend en stralend van gezondheid. De verlamming is volkomen verdwenen; pijn heeft zij niet meer; zij is even gezond als u en ik... Komt mijne heeren, onderzoekt haar en zegt mij wat er gebeurd is!"
Hij triompheerde. Geen van de geneesheeren zeide iets. Twee, ongetwijfeld geloovige Katholieken, hadden goedkeurend met hun hoofd geknikt. De anderen bleven onbeweeglijk en eenigszins verlegen zitten, zij schenen weinig lust te hebben zich met deze geschiedenis in te laten. Toch stond er eindelijk een op, een klein mager mannetje, wiens oogen achter zijn brilleglazen schitterden, om Marie van dichterbij te zien. Hij nam haar hand, keek naar haar pupillen, scheen alleen belang te stellen in de uitdrukking van verheerlijking, die over haar uitgestort scheen te zijn. Dan ging hij, zonder zelfs te willen discussieeren, weer zitten.
"Het geval is door de wetenschap niet te verklaren, dat is alles wat ik constateer," begon dr. Bonamy weer. "Ik vestig er nog de aandacht op, dat wij hier niet te doen hebben met een langzaam voortschrijdend herstel, maar dat de volkomen genezing plotseling en ten volle is ingetreden... Ziet mademoiselle slechts aan. Haar oogen schitteren, haar tint is rose, de gelaatsuitdrukking heeft haar levendige opgewektheid weer teruggevonden. Ongetwijfeld zal het herstel der weefsels nog wel eenigen tijd vorderen, maar toch kunnen we zeggen, dat mademoiselle herboren is. Niet waar, mijnheer de abbé, u, die haar vroeger zoo dikwijls gezien hebt, u herkent haar niet meer?"
"Ja, ja, dat is zoo!" stamelde Pierre.
Inderdaad scheen zij hem reeds krachtig toe, haar wangen waren gevuld en frisch en bloeiend. Maar nogmaals, Beauclair had dit alles voorzien, die plotselinge, hosanna-blijde opflikkering van levenskracht, die heerlijke wederopstanding van het gebroken lichaam, wanneer het leven met den wil om te genezen en gelukkig te zijn in haar zou terugkeeren.
Weer had dr. Bonamy zich gebogen over den schouder van pater Dargelès, die zijn verslag, een soort klein volledig proces-verbaal, schreef. Zij wisselden fluisterend enkele woorden. Na een korte beraadslaging begon de dokter weer:
"Mijnheer de abbé, u bent van deze wonderen getuige geweest, u zult zeker niet weigeren het verslag, dat de eerwaarde pater voor het Journal de la Grotte gemaakt heeft, te onderteekenen?"
Wat, hij dit verslag vol dwaling en leugen onderteekenen! Een verzet steeg in hem op, hij stond op het punt de waarheid uit te schreeuwen. Maar hij voelde het gewicht van zijn soutane op zijn schouders; en vooral vervulde de hemelsche vreugde van Marie zijn hart. Hij voelde zich van zoo'n groot geluk doordrongen, nu hij haar gered zag. Toen men haar niet meer ondervroeg, was zij op zijn arm komen leunen, lachte zij hem met van vreugde dronken oogen toe.
"Pierre," zeide zij heel zacht, "wees de Heilige Maagd dankbaar. Zij is zoo goed geweest, zie eens hoe gezond, hoe mooi, hoe jong ik ben... En wat zal mijn vader, mijn arme vader blij zijn!"
Toen teekende Pierre. Alles stortte in hem ineen, maar het was voldoende, dat zij gered was. Het zou heiligschennis van hem zijn, indien hij zijn vingers uitstak naar het geloof van dit kind, dit groote, reine geloof, dat haar genezen had.
Buiten begonnen de juichkreten, toen Marie het bureau verliet, opnieuw, de menigte klapte in haar handen. Het wonder was nu officieel geconstateerd. Toch hadden medelijdende personen, die bang waren, dat zij zich te veel zou vermoeien en haar wagentje, dat door haar voor de Grot achtergelaten was, noodig hebben zou, dit naar het bureau gebracht. Toen zij het weer terugzag, werd zij diep ontroerd. O, dit kleine wagentje, waarin zij zooveel jaren geleefd had, die rijdende doodkist, waarin zij soms dacht levend begraven te zijn, wat had het een tranen, een wanhoop, een ongelukkige dagen gezien! En plotseling kwam de gedachte bij haar op, dat het, waar het zoo lang getuige geweest was van haar verdriet, nu ook deel moest nemen aan haar triomf. En in een goddelijke ingeving, in een heiligen waanzin greep zij het handsvat.
Op dat oogenblik kwam de processie voorbij, die terugkeerde uit de Grot, waar abbé Judaine den zegen gegeven had. En nu ging Marie met haar wagentje achter den baldakijn rijden. Op haar pantoffels, het hoofd bedekt met een kanten doekje, liep zij rechtop, het hoofd omhoog en met een verheerlijkt, stralend gelaat, het wagentje, de rijdende doodkist, waarin zij zooveel smarten geleden had, voortduwend. En de menigte, die haar toejuichte, de tot waanzin opgezweepte menigte volgde haar.
IV.
Pierre was Marie gevolgd en liep nu, als voortgesleurd door den storm van geestdrift, die haar triomphantelijk haar wagentje voort deed duwen, met haar achter den baldakijn. Doch iedere minuut ontstond er zoo'n gedrang, zulke botsingen, dat hij zeker gevallen zou zijn, wanneer een sterke hand hem niet staande gehouden had.
"Wees maar niet bang en geef mij een arm. Anders blijf je niet op de been!"
Hij keerde zich om en zag tot zijn verbazing pater Massias, die pater Fourcade op den kansel gelaten had, om met den baldakijn mede te gaan. Een buitengewone opwinding hield hem staande en wierp hem krachtig als een rotsblok vooruit; zijn oogen schoten vonken, zijn met zweet bedekt gelaat was één geestdrift.
"Pas toch op, geef mij een arm!"
Een nieuwe menschengolf spoelde hem bijna weg. Pierre vertrouwde zich nu geheel toe aan dezen verschrikkelijken man, met wien hij, zooals hij zich nu herinnerde, tegelijk op het seminarie geweest was. Wat een zonderlinge ontmoeting, en hoe gaarne zou hij het onstuimige geloof, deze geloovige geestdrift gehad hebben, die hem zoo hijgend en uit zijn snikkende keel de ononderbroken smeekbede uitroepen deed:
"Heer Jezus, genees onze zieken!... Heer Jezus, genees onze zieken!"
Achter den baldakijn hield die kreet maar niet op, steeds was er weer een, die het uitbrulde, als hadden zij allen de opdracht de goddelijke goedheid niet met rust te laten, wanneer zij zich te langzaam openbaarde. Nu eens was het een doffe, door snikken gesmoorde, dan weer een scherpe, alles doordringende stem. Die van den pater, anders zoo gebiedend, brak nu van ontroering.
"Heer Jezus, genees onze zieken!... Heer Jezus, genees onze zieken!"
Het gerucht van de plotselinge genezing van Marie, van dit wonder, dat straks in zijn schittering de geheele Christenheid met dankbaarheid vervullen zou, had zich reeds naar alle hoeken van Lourdes verspreid en de menigte in een nog grooter opwinding gebracht. De besmettelijke aanval van waanzin deed hen allen naar het Heilige Sacrament stormen in een onbewusten drang om het te zien, het aan te raken, genezen te worden en gelukkig te zijn. God ging immers voorbij, en nu waren het niet de zieken alleen meer, die brandden van levensverlangen, neen, allen voelden een verterenden drang naar geluk, die hen opzweepte, zoodat hun bloedende harten zich openden en hun begeerige handen zich uitstrekten.
Berthaud, die deze uitbarsting van hartstocht voorzien had, was met zijn mannen medegegaan. Hij gaf hun bevelen en zorgde ervoor, dat de dubbele keten van brancarddragers aan beide zijden van den baldakijn niet verbroken werd.
"Nog meer opsluiten en de armen stevig vasthouden!"
De jonge mannen, uit de sterksten gekozen, hadden het zwaar te verantwoorden. De muur, dien zij aldus schouder aan schouder en de armen om middel en nek geslagen, vormden, boog ieder oogenblik onder den onwillekeurigen aandrang der menigte. Niemand meende te dringen en toch waren het onophoudelijk draaikolken en hooge golven, die van verre kwamen en alles dreigden te verzwelgen.
Toen de baldakijn midden op de place du Rosaire was, dacht abbé Judaine niet verder te kunnen. Op het groote plein hadden zich verschillende stroomen en tegenstroomen gevormd, die draaiden als een wervelwind en van alle kanten op hem aan bruisten. Hij moest wel blijven staan onder den baldakijn, die heen en weer gezwiept werd als een zeil, dat in volle zee door een plotselinge windvlaag aangegrepen wordt. Hij hield met zijn beide verstijfde handen het Heilige Sacrament zoo hoog mogelijk uit vrees, dat een laatste stoot het omver zou werpen; want hij begreep heel goed, dat de gouden, als een zon stralende monstrans den hartstocht van de menigte opwekte; dat was de God, dien men wilde kussen, in wien men wilde opgaan, zelfs op gevaar af hem te vernietigen. Onbeweeglijk bleef hij staan en wierp ongeruste blikken op Berthaud.
"Niemand doorlaten!" schreeuwde hij den brancarddragers toe, "niemand, begrepen?"
Maar smeekende stemmen verhieven zich, ongelukkigen snikten met uitgestrekte armen en uitgestoken lippen, in den waanzinnigen wensch, dat men hen dichter bij zou laten komen, om neer te knielen voor de voeten van den priester. Welk een genade zou het zijn ter aarde geworpen, neergetrapt en verpletterd te worden door de geheele processie! Een zieke liet zijn uitgemergelde hand zien, overtuigd, dat zij opnieuw aan zijn arm tot nieuw leven zou opbloeien, wanneer men hem toestond den monstrans aan te raken. Een stomme drong als een furie met haar sterke schouders door alles heen, om door een kus de band van haar tong los te maken. Anderen en steeds weer anderen gilden, smeekten, balden ten slotte hun vuisten tegen de wreedaards, die aan de kwalen van hun lichaam en de ellende van hun ziel genezing weigerden. Het consigne gold voor allen; men was bang voor de ergste ongelukken.
"Niemand, niemand doorlaten!" herhaalde Berthaud.
Intusschen was er een vrouw, wier aanblik aller harten met medelijden vervulde. Zij was armoedig gekleed en blootshoofds; met een door tranen overstroomd gelaat hield zij een klein jongetje van tien jaar, wiens beide beenen verlamd en slap neerhingen, op haar armen. De last was te zwaar voor haar zwakke krachten, maar zij scheen het niet te voelen. Zij had haar jongetje meegebracht en smeekte nu met een hardnekkigheid, waar noch bedreigingen noch stooten vat op hadden, den brancarddragers haar door te laten.