De drie steden: Lourdes

Part 33

Chapter 333,758 wordsPublic domain

"Och, mijnheer de pastoor, zeg, wat ik u verzoeken mag, aan de heeren geestelijken geen onderlinge tusschenruimte te bewaren, maar vlak achter elkaar te loopen... En laten zij vooral de banieren goed vasthouden, opdat zij niet omslaan... En wat u zelf betreft, mijnheer de pastoor, let er op, dat de mannen, die het baldakijn dragen, flinke krachtige kerels zijn, en zie er niet tegen op den monstrans met beide handen en stevig vast te houden."

Een beetje verschrikt door die raadgevingen, bedankte de priester Berthaud nog steeds.

"Zeker, zeker, heel vriendelijk van u... Wat ben ik u dankbaar, dat u mij uit al die menschen geholpen hebt."

Eindelijk zich vrij kunnende bewegen, haastte hij zich langs het zigzagpaadje, dat zich over de helling slingert, naar de Basilica, terwijl Berthaud zich weer in de menigte dompelde, om zijn surveillance voort te zetten.

Op hetzelfde oogenblik stootte Pierre, die Marie in haar wagentje reed, aan den anderen kant, op de place du Rosaire tegen den ondoordringbaren muur der menigte. Om drie uur had het kamermeisje hem gewekt, om Marie in het Hôpital te halen. Zij hadden geen haast, zij hadden tijd in overvloed om vóór de processie in de Grot te komen. Maar deze ontzaglijke menigte, die weerstand biedende muur, waar hij niet door wist te komen, maakte hem ten slotte ongerust. Nooit zou hij er met het wagentje doorkomen, als de menschen niet wat medewerkten.

"Als het u blieft, dames... U ziet toch, dat het voor een zieke is!"

Maar de dames bewogen zich niet; zij waren als gehypnotiseerd door den aanblik van de in de verte gloeiende Grot en gingen op haar teenen staan, om toch maar niets van het schouwspel te verliezen. Trouwens het geschreeuw der litanie was op dat oogenblik zóó sterk, dat men zelfs de vraag van den jongen priester niet hoorde.

"Mijnheer, wees zoo goed en laat mij even voorbij... Een klein beetje plaats voor een zieke, als ik u verzoeken mag!"

Maar de mannen, buiten zichzelf van geestdrift en in een blinde en doove verrukking, bewogen zich evenmin als de vrouwen.

Marie glimlachte kalm en rustig, alsof zij niets van den hinderpaal merkte en zeker was, dat niets ter wereld haar beletten zou haar genezing tegemoet te gaan. Toch werd, toen Pierre een gaatje gevonden en zich in den bewegelijken stroom begeven had, de situatie moeilijker. Van alle kanten sloeg de deining tegen het ranke wagentje en dreigde het te overstroomen. Bij iederen pas moest hij stil blijven staan, wachten, opnieuw de menschen smeeken. Nog nooit had Pierre zoo'n gevoel van angst voor de menigte gehad. Zij had niets dreigends over zich, was zoo rustig en passief als een kudde schapen, maar een vreemde ademtocht, een verontrustende huivering, die er uit opsteeg, maakte hem bang. En ondanks zijn liefde voor de armen kreeg hij een gevoel van walging door de leelijke, gemeene, zweetende gezichten, den bedorven adem, de oude, naar ellende stinkende kleeren.

"Als het u blieft, dames en heeren, een klein beetje plaats voor een zieke!"

Het verdronken, in deze groote zee heen en weer geslingerde wagentje kwam slechts met schokjes vooruit en had minuten noodig om enkele meters terrein te winnen. Een oogenblik dacht men dat het verzwolgen was, kwam het niet meer boven. Doch dan dook het ter hoogte van den vijver weer op. Ten slotte was er een liefderijke sympathie ontstaan voor dit zieke, door het lijden uitgeteerde, nog zoo mooie jonge meisje. Wanneer de menschen aan het halsstarrige dringen van den priester toe hadden moeten geven, keerden zij zich om, maar durfden niet boos worden; integendeel zij werden door dat magere smarten-gezichtje, dat in het aureool van haar blonde haren straalde, verteederd. Woorden van medelijden en bewondering gingen van mond tot mond. Het arme kind! Was het niet verschrikkelijk om op dien leeftijd al zóó hulpbehoevend te moeten zijn? Mocht de Heilige Maagd haar genadig zijn! Anderen weer werden getroffen door de extase, waarin zij haar zagen, door haar mooie groote oogen, die in het hiernamaals der hoop schenen te staren. Zij zag den hemel, zij zou zeker genezen worden. Het was als het ware een kielwater van verbaasdheid en broederlijke liefde, dat het kleine wagentje achterliet in de golf, die het met zooveel moeite doorkliefde.

Pierre was wanhopig: hij voelde zijn krachten verminderen, toen gelukkig brancarddragers hem te hulp kwamen, die trachtten een weg vrij te maken voor de processie, dien Berthaud hun bevolen had te beschermen met touwen, welke zij op afstanden van twee meter vasthielden. Van af dat oogenblik kon hij Marie ongehinderd voortrijden en haar eindelijk in de gereserveerde ruimte brengen, waar zij links van de Grot stil hielden. Men kon er zich niet bewegen, de menschenvloed scheen van minuut tot minuut toe te nemen.

Na het vertrek uit het Hôpital had Marie nog niet gesproken. Hij begreep, dat zij hem wat zeggen wilde, en hij boog zich over haar heen.

"Is vader er?" vroeg zij. "Is hij nog niet van zijn uitstapje terug?"

Hij moest wel antwoorden, dat mijnheer de Guersaint nog niet terug was, dat hij zich, ongetwijfeld buiten zijn wil, verlaat had. Toen voegde zij er met een glimlachje aan toe:

"Die goede vader zal blij zijn, als hij mij genezen terugziet!"

Met een ontroerde bewondering keek Pierre haar aan. Hij kon zich niet meer herinneren haar, ondanks de langzame verwoesting der ziekte, ooit zoo bekoorlijk gezien te hebben. Haar haren, het eenige, dat gespaard gebleven was, hulden haar als in een gouden kleed. Het kleiner en fijner geworden gezichtje had een droomende uitdrukking aangenomen, haar trekken waren onbeweeglijk, alsof zij in een idée fixe ingeslapen was en wachtte tot de schok van het verwachte geluk haar zou wekken. Haar geest had zich als het ware van haar los gemaakt, om in haar terug te keeren, zoodra God het wilde. En dit, ondanks haar drie-en-twintig jaren, bekoorlijke, kleine meisje, dat in den ontwikkelingstoestand gebleven was, waarin zij verkeerde, toen een ongeluk haar in haar geslachtsleven getroffen had, dat haar ontwikkeling tegengehouden, haar verhinderd had vrouw te worden, dat meisje was thans in een stadium, waarin zij het bezoek van den engel verwachtte, den wonderdadigen schok, die haar uit haar verstijving zou doen opstaan. De 's morgens ingetreden extase was gebleven, haar handen lagen gevouwen, een verrukking van haar geheele wezen had haar, zoodra zij het beeld der Heilige Maagd gezien had, aan de aarde ontrukt. Zij bad en bracht zichzelf der Godheid ten offer.

Het was voor Pierre een uur van groote beproeving. Hij voelde, dat het drama van zijn priesterleven zich ging afspelen, dat, wanneer hij zijn geloof thans niet terugvond, het nooit terugkomen zou. En hij was zonder slechte gedachten; zonder tegenstand te bieden wenschte ook hij vurig, dat zij beiden genezen zouden worden. O, overtuigd te worden door haar genezing, samen te gelooven, samen gered te zijn! Hij wilde bidden als zij, vurig. Maar ondanks hem zelf, werd zijn geest bezig gehouden door de menigte, die eindelooze menigte, waarin het hem zooveel moeite kostte, op te gaan, te verdwijnen, niet meer te zijn dan een blad in het woud, dat in het ritselen van alle bladeren verloren gaat. Hij moest haar analyseeren, haar beoordeelen, of hij wilde of niet. Hij wist, dat zij sedert vier dagen opgezweept werd, onder den invloed van suggestie stond: de koortsachtige opwinding van de lange reis en van het zien van nieuwe landschappen, de dagen doorgebracht voor den gloed der Grot, de slapelooze nachten, de geprikkelde, naar illusie hongerende pijn. Daarbij kwam nog de obsessie van de gebeden, van de gezangen, van de litanieën, die haar zonder onderbreking schokten. Een andere priester had de plaats van pater Massias ingenomen; en hij hoorde, hoe deze, een magere, donkere abbé, met een als zweepslagen striemende stem de Heilige Maagd en Jezus aanriep, terwijl pater Massias en pater Fourcade, aan den voet van den kansel, de kreten der menigte, wier geweeklaag hooger in den fellen zonneschijn oprees, leidden. De opwinding was nog toegenomen, het was het oogenblik, waarop het den hemel aangedane geweld over de wonderen besliste.

Plotseling was een lamme opgestaan en liep, haar kruk in de hoogte houdend, naar de Grot; en die recht boven de deining der hoofden gehouden en als een vaandel gezwaaide kruk ontlokte juichkreten aan de geloovigen. Men loerde op de wonderen, men verwachtte ze met de zekerheid, dat zij ontelbaar, opzienbarend komen zouden. Oogen meenden ze te zien, koortsachtige ooren hoorden ze naderen. Weer een, die genezen was, en nog een, en nog een! Een doove, die weer hoorde; een stomme, die weer sprak; een teringlijdster, die weer opleefde! Wat, een teringlijdster? Ja, natuurlijk, dat kwam toch dagelijks voor! Verrassingen waren buitengesloten, zonder verbazing zou men geconstateerd hebben, dat een afgezet been weer aangroeide. Het wonder werd het natuurlijke, het gewone, banaal bijna, omdat het zoo dikwijls voorkwam. Voor die oververhitte phantasieën schenen in de logica van wat zij van de Heilige Maagd verwachtten, de ongelooflijkste verhalen eenvoudig. Men moest de verhalen, die de rondte deden, de kalme verzekeringen, de absolute zekerheid hooren, wanneer een opgewonden zieke gilde, dat zij genezen was. Nog een, en nog een! Een enkele maal hoorde men een troostelooze stem zeggen: "Die is genezen, die heeft geluk!"

Reeds op het geneeskundig bureau had Pierre zich geërgerd aan de lichtgeloovigheid van de daar aanwezige personen. Maar hier werd alles overtroffen; hij maakte zich boos over de buitensporigheden, die hij hoorde en die zoo kalm en met een glimlachje gezegd werden. Hij trachtte dan ook aan iets anders te denken en naar niets meer te luisteren. "God, geef toch, dat mijn verstand vernietigd wordt, dat ik niets meer wil begrijpen, dat ik het onwerkelijke en onmogelijke aanvaard!" Gedurende een oogenblik meende hij, dat de drang om alles, wat om hem heen gebeurde, te onderzoeken, in hem gestorven was, liet hij zich medesleepen door de smeekbede: "Heer, genees onze zieken... Heer, genees onze zieken!" Hij herhaalde haar met al de barmhartige liefde, die in hem was, hij vouwde zijn handen, keek strak naar het beeld der Heilige Maagd, tot hij er duizelig van werd en zich verbeeldde, dat zij zich bewoog. Waarom zou hij niet kind worden als de anderen, daar toch geluk alleen bestaanbaar is in onwetendheid en leugen? De besmetting zou eindelijk bij hem ook wel werken, hij zou niet meer zijn dan het zandkorreltje onder de zandkorreltjes, de nederige onder de nederigen, zonder zich te bekommeren om de krachten, welken den molensteen, die ze verplettert, in beweging brengen.

En juist in die seconde, toen hij hoopte den ouden mensch in zich gedood, zich met zijn wil en zijn rede vernietigd te hebben, begon in zijn boezem weer het heimelijke, onafgebroken, onoverwinnelijke gedachtenwerk. Hoe hij er zich ook tegen verzette, hij keerde langzamerhand tot zijn onderzoekingen terug, twijfelde, zocht. Welke was toch die ongekende kracht, die zich uit de menigte losmaakte? Een levensfluïdum, dat machtig en krachtig genoeg was, om de enkele genezingen, die toch werkelijk plaats vonden, te bewerken? Hier was een verschijnsel, dat geen physioloog nog bestudeerd had. Moest men gelooven, dat een menigte niet meer was dan één wezen, dat de macht der auto-suggestie met vertiendubbelde kracht op zich kon laten inwerken? Kon men aannemen, dat in bepaalde gevallen van de uiterste overspanning een menigte de drager van een onbeperkten wil werd, die de stof dwong te gehoorzamen? Dat zou dan tevens verklaren waarom de gevallen van plotselinge genezing zich juist voordeden bij die personen, welke zich het meest en oprechtst aan hun zielsoverspanning overgaven. Alle ademtochten vereenigden zich in één ademtocht, en de werkende kracht was een kracht van troost, van hoop en van leven.

Deze door menschelijke barmhartige liefde ingegeven gedachte ontroerde Pierre. Een oogenblik nog kon hij zichzelf weer meester worden, kon hij, zeer geroerd door dit geloof, dat hij aldus voor zijn deel medewerkte aan de genezing van Marie, om de genezing van allen bidden. Maar plotseling, zonder dat hij zelf wist door welke gedachtenassociatie, kwam de herinnering in hem op aan het consult, dat hij vóór het vertrek naar Lourdes over het geval van het jonge meisje geëischt had. Het tooneel stond wonderduidelijk voor zijn geest: hij zag weer de kamer met haar grijs, blauwgebloemd behang, hij hoorde de drie geneesheeren beraadslagen en beslissen. De twee, die certificaten gegeven hadden, concludeerden tot ruggemergsverlamming, spraken met de langzame bezadigdheid van bekende, geëerde en geziene doktoren, die een lange praktijk achter den rug hebben, terwijl hem nog in de ooren klonk de levende, warme stem van zijn achterneef Beauclair, den derden geneesheer, een jongen man met een helder, koen verstand, die door zijn collega's koel en als een avontuurlijke geest behandeld werd. En tot zijn verbazing vond Pierre op dit kritieke oogenblik in zijn herinnering dingen terug, waarvan hij niet wist, dat zij zich daar bevonden; vond hij die terug krachtens dat vreemde verschijnsel, dat nauwelijks gehoorde, slecht begrepen, onwillekeurig opgeslagen woorden na een lange vergetelheid weer wakker worden, uitbreken en zich aan den geest opdringen. Het scheen hem toe, alsof de nadering van het wonder de omstandigheden, waaronder Beauclair hem voorspeld had, dat het zich zou voltrekken, voor den geest riep.

Vergeefs trachtte Pierre door met verdubbelde innigheid te bidden, die herinnering van zich af te zetten. De beelden kwamen weer terug, de eenmaal gehoorde woorden weerklonken opnieuw en vulden zijn ooren als met trompetgeschal. Nu zat hij, na het vertrek der twee anderen, met Beauclair in de eetkamer. En deze deed hem het verhaal der ziekte: de val van een paard op de voeten op veertienjarigen leeftijd; een daardoor veroorzaakte ontwrichting van het gekantelde, op zijde geworpen orgaan, die ongetwijfeld gepaard gegaan was met een scheuring der banden, waarvan het zware gevoel in de onderbuik en in de lendenen, de tot verlamming overgegane zwakheid der beenen het gevolg was; daarna het langzaam herstel der storingen, het orgaan, dat vanzelf weer op zijn goede plaats gekomen was, het heelen en toetrekken der banden, zonder dat de pijnlijke verschijnselen hadden kunnen ophouden bij dit groote, zenuwachtige kind, wier hersenen, die door het ongeval eveneens aangedaan waren, zich niet losmaken konden van de herinnering er aan, zoodat haar aandacht steeds op dat punt, waar zij pijn had, gelocaliseerd bleef en zij niet in staat was nieuwe voorstellingen te krijgen; op die wijze was, zelfs na de genezing, de pijn blijven aanhouden en een neuropathische toestand ingetreden met een daaraan onvermijdelijk verbonden zenuwuitputting, die ongetwijfeld verergerd werd door bijkomstige, nog niet voldoende bestudeerde voedingsstoornissen.

Aldus kon Beauclair dan ook makkelijk de tegenstrijdige en verkeerde diagnosen verklaren van de talrijke geneesheeren, die haar behandeld hadden, zonder haar nauwkeurig te onderzoeken, en dus in het duister rondtastten, waardoor sommigen aan een tumor, de meesten aan een ruggemergaandoening geloofden. Hij alleen had, na zich vergewist te hebben van het erfelijk belast zijn der zieke, vermoed, dat men hier te doen had met een eenvoudig geval van auto-suggestie, waaruit zij zich na den eersten schok en de hevige pijnen niet had kunnen losrukken. En hij gaf gronden en redenen voor zijn vermoeden: het kleiner geworden gezichtsveld, de starre oogen, de verstrooide, als afwezige gelaatsuitdrukking, vooral echter den aard van het lijden, dat het orgaan verlaten had, om zich te verplaatsen naar den linker eierstok, waar het zich openbaarde door een zware, ondraaglijke drukking, die soms in benauwende aanvallen opklom tot de keel. Alleen een plotselinge wil om zich uit de valsche voorstelling van haar kwaal los te rukken, een wil om op te staan, vrij adem te halen, geen pijn meer te hebben, kon haar, als onder den zweepslag van een groote opwinding genezen en veranderd, weer op den been brengen.

Een laatste maal nog trachtte Pierre niets meer te zien, niets meer te hooren, want hij voelde, dat dit de onherstelbare ineenstorting van het wonder in hem was. En ondanks zijn pogingen, ondanks het vuur, waarmede hij het: "Jezus, zoon van David, genees onze zieken!" uitschreeuwde, zag en hoorde hij nog steeds Beauclair, die hem op zijn kalme en glimlachende wijze uitlegde, hoe het wonder zich als in een bliksemstraal zou voltrekken in het oogenblik der uiterste opwinding, waarin op het beslissende moment de spieren zich zouden ontspannen. In de verrukking van een vreugde-delirium zou de zieke dan opstaan en loopen, zouden haar beenen plotseling licht worden, bevrijd van de drukking, die ze sedert zoo langen tijd zoo zwaar als lood maakte, alsof die zwaarte weggesmolten en in den grond weggevloeid was. Doch met name het gewicht, dat op haar buik drukte, dat hooger optrok, haar borst en haar keel beklemde, zou, als door een stormwind voortgedreven, verdwijnen en de geheele ziekte met zich meenemen. Werd op die wijze in de Middeleeuwen niet de duivel uitgedreven uit den mond der bezetenen, wier maagdelijk lichaam langen tijd de martelingen ondergaan had? En Beauclair had eraan toegevoegd, dat Marie eindelijk vrouw zou zijn, dat het bloed van het moederschap zou gaan vloeien, wanneer met een hosanna-kreet dat kind gebleven, achterlijke en door een zoo langen lijdensdroom gebroken lichaam ontwaken en plotseling met levende oogen en een stralend gelaat aan de gezondheid teruggeven worden zou.

Pierre keek Marie aan, en toen hij haar zoo jammerlijk in haar wagentje liggen zag, zoo vurig smeekend, zoo vol overgave aan Notre-Dame de Lourdes, die het leven gaf, werd zijn onrust nog grooter. O, mocht zij toch gered worden al was het voor den prijs van zijn eigen verdoemenis. Maar zij was te ziek, de wetenschap loog en bedroog al even hard als het geloof; hij kon niet gelooven, dat dit kind met haar gedurende zoovele jaren afgestorven beenen zou herleven. En in den woesten twijfel, waarin hij viel, riep zijn bloedend hart nog luider, herhaalde tot in het oneindige tezamen met de waanzinnig ijlende menigte:

"Heer, zoon van David, genees onze zieken!... Heer, zoon van David, genees onze zieken!"

Op dat oogenblik ontstond er een tumult en deed de menigte deinen. De menschen huiverden, hoofden draaiden zich om en rekten hun halzen uit. Het was de processie van vier uur, die zich wat verlaat had, en waarvan het kruis onder een boog van de monumentale trap tevoorschijn kwam. Er ontstond zoo'n gejuich, zoo'n heftig instinctief dringen, dat Berthaud met groote gebaren aan de brancarddragers beval de menschen terug te drijven door krachtig aan de touwen te trekken. Genen, die een oogenblik meegesleurd werden, moesten zich met gewonde vuisten naar achter zien te werpen; ten slotte slaagden zij erin den vrij gehouden weg nog iets breeder te maken, zoodat de processie zich langzaam kon gaan voortbewegen. Aan het hoofd ging een kranige, in blauw met zilver gekleede kerkbewaarder, op wien het hooge, als een ster stralende processiekruis volgde. Dan kwamen de delegaties van de verschillende bedevaarten met haar banieren, fluweelen of satijnen standaards, met goud en zilver en veelkleurige zijde geborduurd, met geschilderde figuren versierd; zij droegen de namen der steden: Versailles, Reims, Orléans, Poitiers, Toulouse. Een, geheel wit en rijk versierd, had in roode letters het opschrift: "Oeuvre des Cercles catholiques d'ouvriers". Vervolgens kwamen de geestelijken, twee of driehonderd priesters in soutane, een honderd met het koorhemd, een vijftigtal in gouden als sterren schitterende misgewaden. Allen droegen brandende kaarsen, allen zongen met luider stemme Laudate Sion Salvatorem. [15]

In koninklijke pracht en praal volgde dan de baldakijn van purperen zijde met goudgalon; hij werd gedragen door vier priesters, die men waarschijnlijk onder de krachtigsten uitgekozen had. Daaronder droeg, tusschen twee andere assisteerende priesters, abbé Judaine het Heilige Sacrament, dat hij, zooals Berthaud hem aangeraden had, stevig met zijn beide handen vasthield; de eenigszins onrustige blikken, die hij rechts en links op de aandringende menigte wierp, bewezen duidelijk, dat hij bang was of hij dezen zwaren, goddelijken monstrans, die hem nu reeds zulke pijnen in zijn polsgewrichten veroorzaakte, wel in veilige haven zou brengen. Wanneer een zonnestraal er schuin op viel, zou men hem voor een tweede zon gehouden hebben. Koorknapen zwaaiden wierookvaten in het verblindende stof van het felle licht, dat de geheele processie tot één schittering maakte. Eindelijk kwam daarachter een ordelooze stroom van pelgrims, een rondtrappelende kudde, geloovigen en nieuwsgierigen.

Sedert enkele oogenblikken had pater Massias den kansel weer bestegen en ditmaal had hij een andere oefening uitgedacht. Na de verterende kreten van geloof, hoop en liefde, die hij uitgestooten had, beval hij plotseling volkomen stilte, opdat iedereen met gesloten lippen in het geheim twee of drie minuten met God alleen zou kunnen spreken. Die momenteele stilte te midden van de groote menigte, die minuten van stil gebed, waarin alle zieken hun geheimste binnenste openden, waren buitengewoon aangrijpend en verheven. Het plechtige ervan kreeg iets angstaanjagends, men hoorde de vlucht van het smeekende verlangen, van het onmetelijke verlangen naar het leven voorbij ruischen. Dan noodigde pater Massias de zieken alleen uit te spreken, God te smeeken hun toe te staan, wat zij van Zijn almacht vroegen. Toen ontstond een jammerlijk geweeklaag: honderden gebroken stemmen bibberden òp en vereenigden zich tot een samengejammer van tranen; "Heer Jezus, als gij het wilt, kunt gij mij genezen!... Heer Jezus, erbarm u over uw kind, dat van liefde sterft!... Heer Jezus, maak, dat ik zie; maak, dat ik hoor; maak, dat ik loop!"

De doordringende stem van een meisje overstemde, licht en scherp als een fluittoon, het algemeene snikken en herhaalde: "Red de anderen, red de anderen, Heer Jezus!"

Tranen stroomden uit aller oogen, want deze smeekbeden ontroerden de harten en brachten de hardvochtigsten in een bedwelming van liefde, in een verheven geestvervoering, waarin zij met beide handen hun borst geopend zouden hebben, om aan hun naaste hun gezondheid en hun jeugd te geven. Pater Massias wilde die geestdrift niet laten bekoelen, maar hervatte zijn kreten en zweepte er opnieuw de delireerende menigte mede aan, terwijl pater Fourcade op een der treden van den kansel ook snikte en zijn door tranen overstroomd gelaat ten hemel hief om God te bevelen neer te dalen.

Maar de processie naderde, de delegaties en de priesters hadden zich rechts en links in rijen opgesteld; en toen de baldakijn de voor de zieken tegenover de Grot gereserveerde ruimte binnenkwam en dezen het als een zon schitterende Heilige Sacrament, Jezus als Hostie, in de handen van abbé Judaine zagen, toen was er geen leiding meer mogelijk, raakten de stemmen verward, sleepte een duizeling alle wilskracht mede. De kreten, de aanroepen, de gebeden gingen in gezucht en gekerm over. Lichamen richtten zich van hun lijdenssponde op, bevende armen strekten zich uit, verschrompelde handen schenen het wonder in het voorbijgaan tegen te willen houden. "Heer Jezus, red ons, wij vergaan!... Heer Jezus, wij aanbidden u, genees ons!... Heer Jezus, gij zijt de Christus, de zoon des levenden Gods, genees ons!"