De drie steden: Lourdes

Part 32

Chapter 323,915 wordsPublic domain

Hij wilde weer aan zijn rozenkrans beginnen, toen hij madame Maze zag, die zoo mager en zoo stil binnen de gereserveerde ruimte geslopen was, dat zij zeker onopgemerkt onder het touw door gekropen was. Zij zat op het einde der bank; maar nam niet meer plaats in dan een zoet, zich niet bewegend meisje. Haar lang gezicht met de vermoeide trekken, haar twee-en-dertig jaar van verlepte, voor haar tijd verwelkte vrouw, drukten een grenzenlooze droefheid, een eindelooze troosteloosheid uit.

"Die dame bidt voor de bekeering van haar man," begon mijnheer Sabathier weer fluisterend, terwijl hij met een beweging van zijn kin op haar wees. "Je hebt haar vanochtend in een winkel ontmoet."

"Ja, ja," antwoordde madame Sabathier. "En toen heb ik met een andere dame gesproken, die haar kent... Haar man is handelsreiziger. Hij is nu al in geen zes maanden thuis geweest en gaat met allerlei vrouwen uit. O, een heel vroolijke en aardige jongen moet het zijn, die het haar niet aan geld laat ontbreken. Maar zij is dol op hem en kan zich er niet in schikken, dat zij zoo door hem verlaten wordt; en nu komt zij de Heilige Maagd vragen hem aan haar terug te geven... Op dit oogenblik moet hij met twee dames te Luchon zijn, de zusters..."

Met een gebaar viel mijnheer Sabathier haar in de rede. Hij keek naar de Grot en werd weer de intellectueel, de oude professor, dien kunstquaesties vroeger hartstochtelijk geïnteresseerd hadden.

"Kijk," zeide hij, "ze hebben de Grot bedorven door haar te mooi te willen maken. Ik ben er vast van overtuigd, dat zij in haar vroegeren woesten staat veel mooier was. Zij heeft haar karakter verloren... En wat een leelijken winkel hebben ze daar links neergeplakt."

Maar hij kreeg berouw over zijn verstrooidheid. Zou misschien in dien tijd de Heilige Maagd niet een ander, die vuriger bad en zich beter gedroeg dan hij, uitverkiezen? Ongerust keerde hij weer tot zijn bescheidenheid en geduld terug en wachtte gedachteloos en met wezenlooze oogen op wat de hemel over hem beschikken zou.

Trouwens de luide roep van een nieuwe stem bracht hem ook terug in dien toestand van verootmoediging, waarin de geleerde denker, die hij vroeger geweest was, in hem stierf. Een andere geestelijke stond nu op den preekstoel, een capucijner ditmaal, wiens zwaar keelgeluid de menigte huiveren deed.

"Heilige Maagd der Maagden, zij gezegend!"

"Heilige Maagd der Maagden, zij gezegend!"

"Heilige Maagd der Maagden, wend uw aangezicht niet van ons af!"

"Heilige Maagd der Maagden, wend uw aangezicht niet van ons af!"

"Heilige Maagd der Maagden, adem op onze wonden, en onze wonden zullen opdrogen."

"Heilige Maagd der Maagden, adem op onze wonden, en onze wonden zullen opdrogen."

De familie Vigneron was erin geslaagd zich een plaatsje te veroveren op een punt van de eerste bank aan den kant van de hoofdallée, die vol menschen was. Zij waren er allen: de kleine Gustave zat met zijn kruk tusschen zijn beenen; aan den eenen kant zat zijn moeder naast hem, die de gebeden volgde, aan den anderen kant madame Chaise, die het in de drukte vreeselijk benauwd had, en mijnheer Vigneron, die zwijgend naar zijn schoonzuster keek.

"Wat heb je toch?" vroeg hij haar. "Voel je je niet lekker?"

Zij haalde moeilijk adem.

"Ik weet niet wat het is... Ik voel mijn beenen niet meer en ik heb het zoo benauwd."

Oogenblikkelijk was de gedachte bij hem opgekomen, dat de koortsachtige opwinding en de drukte, die aan een bedevaart verbonden zijn, alles behalve goed moesten zijn voor een hartkwaal. Zeker, hij wenschte niemand dood, hij had nooit iets dergelijks aan de Heilige Maagd gevraagd. Dat zij zijn wensch naar promotie door den plotselingen dood van zijn chef, verhoord had, moest een gevolg zijn van het feit, dat deze volgens de raadsbesluiten des hemels gedoemd was te sterven. En zoo zou hij, wanneer madame Chaise het eerst stierf en haar vermogen aan Gustave naliet, zich eveneens hebben te buigen voor den wil van God, die gewoonlijk oude menschen eerder sterven laat dan jongere. Zijn hoop was desniettemin, zij het ook onbewust, zoo levendig, dat hij niet nalaten kon een blik te wisselen met zijn vrouw, in wie dezelfde gedachte onwillekeurig opgekomen was.

"Gustave, schuif een beetje op zij," riep hij uit. "Je hindert je tante."

En toen Raymonde voorbijkwam, vroeg hij:

"Zoudt u misschien niet een glas water hebben, mademoiselle. Mijn schoonzuster dreigt flauw te vallen."

Maar madame Chaise weigerde met een gebaar. Zij werd al beter, kon weer adem halen.

"Neen, niets, dank u... Ik ben al weer beter... Maar ik dacht heusch, dat ik stikken zou."

Zij rilde nog van vrees, haar oogen stonden verwilderd in haar bleek gezicht. Zij vouwde opnieuw haar handen en smeekte de Heilige Maagd haar voor andere aanvallen te sparen en haar te genezen, terwijl het echtpaar Vigneron weer het oude gebed prevelde, waarvoor zij naar Lourdes gekomen waren: een gelukkige ouderdom, dien zij na een eervol leven van twintig jaar wel verdiend hadden, en een voldoende vermogen, om den avond van hun leven te kunnen genieten op het land. De kleine Gustave, die met zijn scherpe oogen alles gezien en met zijn helder verstand alles begrepen had, bad niet, maar glimlachte met zijn onbestemd, raadselachtig glimlachje in het ijle niet. Waartoe diende het te bidden? Hij wist, dat de Heilige Maagd hem niet zou genezen en dat hij sterven zou.

Maar mijnheer Vigneron kon het nooit lang uithouden zonder zich met zijn buurlieden te bemoeien. In het midden van de stampvolle allée had men madame Dieulafay, die te laat gekomen was, neergezet. Hij verbaasde zich over dien luxe, over die soort met witte zijde gecapitonneerde doodkist, waarin de jonge vrouw, gekleed in een rose met kant afgezetten peignoir, lag. Haar man, in gekleede jas, en haar zuster in een zwart, eenvoudig, maar zeer elegant toilet stonden naast haar, terwijl abbé Judaine, naast de zieke geknield, een vurig gebed opzond.

Toen de priester weer opstond, maakte mijnheer Vigneron een plaatsje voor hem op de bank en veroorloofde zich de vrijheid te vragen:

"En voelt de arme jonge vrouw zich al wat beter?"

Abbé Judaine maakte een gebaar van troostelooze droefheid.

"Helaas, neen... Ik was zoo vol hoop! Ik heb de familie overgehaald hierheen te gaan. De Heilige Maagd heeft mij twee jaar geleden een zoo buitengewone genade bewezen door mijn arme verloren oogen te genezen, dat ik vertrouwde nog een gunst van haar te krijgen... Enfin, ik wil nog niet wanhopen. Wij hebben nog tijd tot morgen."

Mijnheer Vigneron keek aandachtig naar dat vrouwengezicht, waarin men het zuivere ovaal en de prachtige oogen zag, doch dat nu wezenloos en als een doodenmasker in de kant lag.

"Het is werkelijk heel treurig," mompelde hij.

"En als u haar verleden zomer gezien hadt!" begon de priester weer. "Zij hebben hun kasteel te Saligny, mijn parochie, en ik dineerde dikwijls bij hen... Ik kan haar andere zuster, madame Jousseur, de dame in het zwart, die daar staat, niet aanzien, zonder tranen in mijn oogen te krijgen, want zij lijkt veel op haar, maar de zieke was nog mooier, een der schoonheden van Parijs. Vergelijk die schittering, die verheven gratie eens bij dat arme, beklagenswaardige schepsel... Daar krimpt je hart bij ineen. En wat een vreeselijke les!"

Hij zweeg een oogenblik. De vrome man, die hij van nature was, zonder eenigen hartstocht en zonder scherp verstand, dat hem zijn geloof moeilijk maakte, had een naïeve bewondering voor schoonheid, rijkdom en macht, die hij echter nooit benijd had. Toch durfde hij uiting geven aan een twijfel, aan iets, dat hem hinderde en hem zijn gewone kalmte ontnam.

"Ik voor mij had liever gezien, dat zij eenvoudiger hier gekomen was, zonder al dat vertoon van luxe, want de Heilige Maagd ziet met meer welgevallen op de nederigen neer... Maar ik begrijp heel goed, dat de maatschappelijke verhoudingen zoo iets noodzakelijk maken. En dan hoeveel houden haar man en haar zuster van haar! Bedenk eens, dat hij er zijn zaken en zij er haar mondaine genoegens voor in den steek gelaten hebben; de gedachte dat zij haar kunnen verliezen, maakt hen zoo van streek, dat zij altijd die vochtige oogen en die troostelooze uitdrukking hebben, die u nu ziet. We moeten het hun dan ook niet al te zeer verwijten, dat zij haar de vreugde geven mooi te zijn tot haar laatste uur."

Mijnheer Vigneron knikte goedkeurend. De rijke lui hadden niet het meeste geluk in de Grot. Dienstboden, boerinnen, arme vrouwen genazen, terwijl dames met haar ziekten en zonder verlichting van hun lijden teruggingen, ondanks haar giften en de dikke kaarsen, die zij lieten branden. En ondanks zichzelf keek hij naar madame Chaise, die weer geheel bekomen was van haar aanval en nu met een gelukzalig gelaat zat uit te rusten.

Maar op dat oogenblik ging een beweging door de menigte en abbé Judaine zeide nog:

"Pater Massias gaat den kansel op. Dat is een heilige, luister naar hem!"

Men kende hem; hij kon zich niet vertoonen, zonder dat alle zieken door een plotselinge hoop bezield werden, want men zeide, dat zijn groote geloofsijver en zijn vroomheid de wonderen bevorderden. Hij ging door voor een man met een teedere en toch krachtvolle stem, die de Heilige Maagd lief had.

Alle hoofden hadden zich opgericht, en de ontroering werd nog grooter, toen men pater Fourcade zag, die tot onder aan den kansel medegekomen was, steunend op den schouder van zijn veel geliefden, onder allen uitverkoren broeder; hij bleef staan om hem te hooren. Zijn jichtige voet deed hem sinds dien ochtend veel pijn, zoodat hij veel moed noodig had om zoo rustig te blijven staan. De toenemende geestdrift der menigte maakte hem gelukkig, hij voorzag wonderen, opzienbarende genezingen, tot roem van Maria en Jezus.

Pater Massias sprak niet dadelijk, toen hij op den kansel was. Hij leek heel groot, mager en bleek met zijn ascetengelaat, dat door de verkleurde baard nog langer scheen. Zijn oogen fonkelden, zijn groote, welsprekende mond zette zich hartstochtelijk uit.

"Heer, red ons; wij vergaan."

En medegesleept herhaalde de menigte in een koortsachtige beweging, die van minuut tot minuut steeg:

"Heer, red ons; wij vergaan."

Hij opende zijn armen en slingerde zijn vlammend woord, alsof hij het uit zijn laaiend hart gerukt had, naar de menigte:

"Heer, als gij wilt, kunt gij mij genezen!"

"Heer, als gij wilt, kunt gij mij genezen!"

"Heer, ik ben niet waard, dat gij ingaat in mijn huis, maar spreek slechts één woord, en ik zal genezen worden!"

"Heer, ik ben niet waard, dat gij ingaat in mijn huis, maar spreek slechts één woord, en ik zal genezen worden!"

Marthe, de zuster van broeder Isidore, was zachtjes begonnen te praten met madame Sabathier, naast wie zij eindelijk was gaan zitten. Ze hadden kennis gemaakt in het Hôpital en in de verbroedering van zooveel lijden vertelde de dienstbode vertrouwlijk tegen de "mevrouw", hoe ongerust zij zich over haar broer maakte, want zij zag heel goed, dat hij op het uiterste lag. De Heilige Maagd moest zich haasten, wanneer zij hem nog genezen wilde. Het was al een wonder, dat men hem nog levend in de Grot gebracht had.

In haar berusting van arm, eenvoudig schepseltje weende zij niet. Maar haar hart was zoo vol, dat de weinige woorden, die zij sprak, haar bijna deden stikken. Dan kwam de herinnering aan het verleden als een bruisende golf boven en met haar door het lange zwijgen schorrige stem, stortte zij haar hart uit:

"Wij waren in Saint-Jacut, dicht bij Vannes, met ons veertienen thuis... Hij is, zoo groot als hij was, altijd ziekelijk geweest en daarom is hij ook bij heer pastoor gebleven, die hem eindelijk in de Christelijke scholen heeft laten opnemen... De oudsten hebben de boerderij genomen, maar ik wou liever gaan dienen. Ja, een dame heeft me nou vijf jaar geleden meegenomen naar Parijs... O, hoe moeilijk is toch het leven. Ieder heeft zoo zijn eigen kruis!"

"Zeg dat wel," antwoordde madame Sabathier, terwijl zij naar haar man keek, die met devotie iederen zin van pater Massias herhaalde.

"En toen," vertelde Marthe verder, "hoorde ik verleden maand, dat Isidore uit de warme landen, waar hij zendeling geweest was, teruggekomen was en een leelijke ziekte meegebracht had... Toen ben ik dadelijk naar hem toe gegaan, en toen zeide hij, dat hij sterven zou, wanneer hij niet naar Lourdes ging, maar dat hij onmogelijk die reis kon maken, omdat hij niemand had, om met hem mee te gaan... Nou, ik had tachtig francs opgespaard en toen heb ik mijn dienst opgezegd en zijn we samen gegaan... En dat ik zooveel van hem houd, madame, dat komt, omdat hij, toen ik nog klein was, aalbessen voor me meebracht uit de pastorie, terwijl mijn andere broers mij sloegen."

Zij viel weer terug in haar zwijgen. Haar gezicht was opgezwollen van verdriet, zonder dat tranen wilden komen uit haar droeve, door het lange waken ontstoken en brandende oogen. Zij stamelde nog slechts onsamenhangende woorden.

"Kijk toch eens naar hem, madame... Het is om medelijden mee te krijgen... Ach, lieve God, die arme wangen, die arme kin, dat arme gezicht!"

Het was inderdaad een verschrikkelijke aanblik. Het hart van madame Sabathier kromp ineen, toen zij broeder Isidore daar zoo geel, zoo aardkleurig, zoo bedekt met het koude doodszweet zag liggen. Hij liet alleen maar zijn gevouwen handen en zijn door enkele haren omgeven gezicht zien; maar al schenen zijn waskleurige handen dood, al bewoog zich op zijn lang, door pijn vertrokken gelaat geen spier meer, de oogen leefden nog, de oogen met hun onuitbluschbare liefde, welker vlam voldoende was om zijn stervend gelaat als van een Christus aan het kruis te verhelderen. Nooit was het contrast van het lage voorhoofd en de bekrompen, dierlijke uitdrukking van den boer eener- en den hemelschen glans van dat arme, verwoeste, door het lijden geheiligde, in den hartstochtelijken gloed van het geloof in zijn laatste oogenblikken verheerlijkte doodenmasker anderzijds duidelijker uitgekomen. Het lichaam was als het ware weggesmolten, hij was zelfs geen ademtochtje meer; hij was nog slechts een blik, een licht.

Sedert men hem daar neergelegd had, had hij zijn oogen niet meer afgewend van het beeld der Heilige Maagd. Niets anders bestond meer voor hem. Hij zag de groote menigte niet, hoorde zelfs niet het razende schreeuwen der priesters, de onafgebroken kreten, welke deze huiverende menigte deden schokken. Zijn oogen alleen had hij nog, zijn oogen, waarin een eindelooze liefde brandde en die zich vastgehecht hadden aan de Heilige Maagd, om zich nooit meer van haar af te wenden. Zij dronken haar in tot in den dood, in een laatste oplaaiïng van zijn wil, om in haar op te gaan, in haar te sterven. Even ging zijn mond open; een uitdrukking van hemelsche zaligheid ontspande zijn gelaat. Dan bewoog zich niets meer, zijn oogen bleven wijd open staan, strak starend naar het witte beeld.

Enkele seconden verliepen. Marthe had een killen ademtocht gevoeld, die haar tot in haar haarwortels koud worden deed.

"Kijk eens, madame!"

Angstig deed madame Sabathier, alsof zij haar niet begreep.

"Wat, beste meid?"

"Mijn broer, kijk dan toch... Hij beweegt zich niet meer. Hij heeft zijn mond geopend en daarna heeft hij zich niet meer bewogen."

Toen huiverden beiden in de zekerheid, dat hij gestorven was. Zonder een rochelen, zonder een ademtochtje was hij verscheiden, alsof het leven hem in zijn blik door zijn groote oogen vol liefde en verterenden hartstocht ontvloden was. Hij had den laatsten adem uitgeblazen met een blik op de Heilige Maagd, en met zijn gestorven oogen bleef hij haar aankijken in onuitsprekelijke zaligheid.

"Probeer zijn oogen te sluiten," fluisterde madame Sabathier. "Dan weten we het zeker."

Marthe was opgestaan; zij boog zich over hem heen, om niet gezien te worden, en trachtte zijn oogen met een vinger, die beefde, toe te drukken. Maar telkens weer gingen de oogen open en keken hardnekkig de Heilige Maagd aan. Hij was dood en zij moest de in een oneindige extase verzonken oogen wijd open laten staan.

"Het is uit, het is uit!" stamelde zij.

Twee tranen kropen uit haar zware oogleden en rolden over haar wangen, terwijl madame Sabathier haar hand greep, om haar te doen zwijgen.

Want reeds ging een gefluister rond, verspreidde zich een onrustige beweging. Maar wat moest men doen? Men kon te midden van zoo'n gedrang en gedurende de gebeden het lijk niet wegdragen zonder gevaar voor een fatale uitwerking. Het beste was maar om hem daar, in afwachting van een gunstig oogenblik, te laten liggen. Het kon niemand ergernis geven, hij scheen niet meer dood te zijn dan tien minuten geleden, en iedereen kon gelooven, dat zijn vlammende oogen nog steeds leefden in hun vurigen aanroep van de goddelijke liefde der Heilige Maagd.

Alleen enkele personen in den naasten omtrek wisten het. Angstig had mijnheer Sabathier zijn vrouw een onmerkbaar teeken gegeven, om haar te vragen; en door een zwijgenden, langen blik van haar op de hoogte gebracht, was hij weer zonder opstand gaan bidden, terwijl hij verbleekte voor die geheimzinnige almacht, welke den dood zond, wanneer men het leven vroeg. De Vignerons waren één en al belangstelling, zij bogen zich naar elkaar toe en fluisterden met elkaar als na het een of andere ongeluk op straat, een van die kleine voorvallen, waarmede de vader van zijn bureau thuis kwam en waarover dan den geheelen avond gesproken werd.

Madame Jousseur had zich omgedraaid en mijnheer Dieulafay een paar woorden ingefluisterd; dan keken zij weer naar hun dierbare zieke, terwijl abbé Judaine, door mijnheer Vigneron op de hoogte gebracht, neerknielde en fluisterend de gebeden der stervenden prevelde. Was hij geen heilige, deze zendeling, die met zijn doodelijke wonde in zijn zijde uit de moordende tropen teruggekeerd was, om hier onder den glimlachenden blik der Heilige Maagd te sterven? Voor madame Maze had de dood zijn verschrikking verloren, en zij smeekte den hemel haar ook zoo zachtjes weg te nemen, wanneer hij haar niet verhoorde en haar haar echtgenoot niet teruggaf.

Maar de kreet van pater Massias klonk weer òp, uitte zich met de kracht van een verschrikkelijke vertwijfeling en onder hartverscheurend gesnik.

"Jezus, zoon van David, ik ga ten gronde; red mij!"

En de menigte snikte na:

"Jezus, zoon van David, ik ga ten gronde; red mij!"

"Jezus, zoon van David, erbarm u over onze zieke kinderen!"

"Jezus, zoon van David, erbarm u over onze zieke kinderen!"

"Jezus, zoon van David, kom en genees ze, opdat zij leven!"

"Jezus, zoon van David, kom en genees ze, opdat zij leven!"

Het steeg tot waanzin. Pater Fourcade, aan den voet van den kansel medegesleept door den buitengewonen hartstocht, die uit de harten stroomde, had zijn armen ten hemel geheven en schreeuwde ook met zijn donderende stem, als om den hemel met geweld te dwingen. De razernij nam toe onder dien storm van smeekgebeden, welke de menigte allengs boog, de slechts uit nieuwsgierigheid gekomen jonge dames, die op de borstwering van den Gave zaten en onder haar parasols verbleekten, niet uitgezonderd. De ongelukkige menschheid smeekte van uit den diepen afgrond van haar lijden; het geschreeuw streek rillend over al die gebogen nekken; het was niet meer dan een in doodsangst krimpend volk, dat weigerde te sterven en God dwingen wilde in zijn raadsbesluit het eeuwige leven op te nemen. O, het leven, het leven! Al deze ongelukkigen, al deze van verre, ondanks alle hinderpalen saamgestroomde stervenden wilden niets dan dat, smeekten slechts daarom in een woesten drang om het nog eens te leven, om het altijd te leven! O Heer, genees ons, hoe groot ook ons lijden, hoe verschrikkelijk onze martelingen ook zijn, laat ons opnieuw beginnen te leven, om nogmaals te lijden, wat wij reeds geleden hebben. Hoe rampzalig wij ook zijn, wij willen leven. Niet den hemel vragen wij u, maar de aarde, die wij zoo laat mogelijk, ja, mocht uw macht zich verwaardigen zoo ver te gaan, nooit zouden willen verlaten! En zelfs wanneer wij u niet om een lichamelijke genezing vragen, maar om een geestelijke genade, dan is het toch ook weer geluk, waarom wij smeeken, het geluk, waarnaar wij zoo snakken en smachten. O Heer, laat ons gezond en gelukkig worden, laat ons leven, laat ons leven!

Deze waanzinnige kreet, de kreet van een vurige levensbegeerte, die door pater Massias uitgestooten werd, steeg in tranen uit alle harten op.

"O Heer, zoon van David, genees onze zieken!"

"O Heer, zoon van David, genees onze zieken!"

Tweemaal had Berthaud te hulp moeten schieten, om te verhinderen, dat onder den onbewusten drang der menigte de touwen braken. In den menschenvloed ondergedompeld, maakte baron Suire wanhopige gebaren, smeekte, dat men hem te hulp zou komen: de pelgrims waren met geweld de Grot binnengedrongen; het défilé was niet meer dan een rondtrappelende kudde, die ging waarheen zij wilde. Vergeefs verliet Gérard Raymonde weer en ging zelf bij de ingangsdeur van het hek staan, om het consigne: tien aan tien te handhaven. Hij werd weggedrongen, ter zijde geschoven. Het geheele opgewonden, tot razernij opgezweepte volk bruiste als een bergstroom in den gloed der kaarsen, wierp bloemen en brieven aan de voeten der Heilige Maagd, kuste de rots, die millioenen heete monden gepolijst had. Het geloof was ontketend, de groote kracht, die door niets tegen te houden was.

Tegen het hek gedrukt, hoorde Gérard, hoe twee boerinnen, die door den stroom meegesleurd waren, elkaar haar indrukken mededeelden over de zieken, die zij liggen zagen. Een werd getroffen door het zoo bleeke gelaat van broeder Isidore met zijn groote, akelig wijd geopende en naar het beeld der Heilige Maagd starende oogen. Zij maakte het teeken des kruises en prevelde, met vrome bewondering vervuld:

"Kijk dezen eens, hoe hij bidt met zijn heele hart en hoe hij Notre-Dame de Lourdes aanstaart!"

De andere boerin antwoordde:

"Zij zal hem zeker beter maken, hij is zoo mooi."

Zoo ontroerde met zijn gebed van liefde en geloof, dat hij in zijn niet-meer-zijn voortbad, de doode met het eindelooze staren van zijn blik alle harten en stichtte het volk, dat voorbijtrekken bleef.

III.

Abbé Judaine zou in de processie van vier uur het Heilige Sacrament dragen. Sedert de Heilige Maagd hem van een oogziekte genezen had, een wonder, waarover de Katholieke bladen nog steeds vol stonden, was hij een glorie van Lourdes; men plaatste hem daar op den voorgrond en eerde hem door allerlei voorkomendheden.

Om half vier stond hij op en wilde de Grot verlaten. Maar hij was bang voor den buitengewonen toevloed der menigte; hij vreesde te laat te zullen komen, als hij er zich niet uit bevrijden kon. Gelukkig echter kreeg hij hulp.

"Mijnheer de pastoor," zeide Berthaud tegen hem, "als ik u was, zou ik niet probeeren over de place du Rosaire te gaan, want daar komt u niet door. Het beste zal zijn de slingerpaadjes te nemen... Volg mij maar!"

Met zijn ellebogen baande hij door de dichte menigte een weg voor den priester, die zich in dankbetuigingen uitputte.

"Te vriendelijk van u... Het is mijn schuld. Ik heb me verlaat... Maar lieve hemel, hoe moeten wij hier straks met de processie door komen?"

Die processie bleef ook Berthaud zorg baren. Op gewone dagen verwekte zij bij het voorbijtrekken reeds een razenden aanval van geestdrift, die hem dwong bijzondere maatregelen te nemen. Wat zou er nu niet kunnen gebeuren door die samengepakte menigte van dertig duizend personen, die reeds zoo opgezweept waren, dat zij in goddelijke razernij vervallen schenen te zijn. Heel verstandig maakte hij dan ook van de gelegenheid gebruik, om den priester de uiterste voorzichtigheid aan te raden.