Part 31
"En met die madame Volmar is het precies zoo!... Waar kan die toch gebleven zijn. Sedert wij hier zijn, heb ik ze nog geen minuut gezien."
"Laat madame Volmar toch met rust!" antwoordde madame de Jonquière eenigszins korzelig. "Ik heb je toch gezegd, dat ze ziek is."
Beiden haastten zij zich naar madame Vêtu. Ferrand stond erbij te wachten. Op een vraag van zuster Hyacinthe of er niets meer aan te doen was, antwoordde hij met een hoofdknikje van neen. Als opgelucht door die eerste braking, was de stervende onbeweeglijk en met gesloten oogen blijven liggen. Maar die verschrikkelijke onpasselijkheid kwam terug en weer braakte zij een zwarte, met violetachtige bloeddraden vermengde golf uit. Dan volgde er een oogenblik van rust; zij sloeg haar oogen op en zag la Grivotte, die op haar matras gulzig haar brood naar binnen slokte. En daar zij voelde, dat zij stierf, vroeg zij:
"Zij is genezen, niet waar?"
La Grivotte hoorde het en riep opgewonden:
"Ja, ja, madame, genezen, genezen, heelemaal genezen!"
Een oogenblik scheen madame Vêtu ten prooi aan een afschuwlijke droefheid, aan een opstand van geheel haar wezen, dat niet wilde sterven, waar anderen bleven leven. Maar reeds berustte zij en hoorde men haar zacht zeggen:
"De jongen moeten blijven."
Haar oogen, die wijd open bleven staan, keken rond en schenen afscheid te nemen van al de menschen, die zij daar tot haar verbazing vond. Zij trachtte zelfs te glimlachen, toen zij den begeerig-nieuwsgierigen blik ontmoette, dien de kleine Sophie op haar gevestigd bleef houden: het lieve kind was haar vanochtend in bed nog een zoen komen geven. Elise Rouquet had, onverschillig voor iedereen en alles, haar spiegel genomen en was verdiept in de aanschouwing van haar gezicht, dat zij met de minuut mooier meende te zien worden, sedert de wond opdroogde. Maar vooral de aanblik van de in haar extase zoo bekoorlijke Marie scheen de stervende in verrukking te brengen. Zij keek haar lang aan, steeds weer werd haar blik naar haar getrokken als naar een visioen van licht en vreugde. Misschien geloofde zij reeds de heiligen van het paradijs in de glorie van het zonlicht te zien.
Plotseling begon het braken opnieuw; maar nu was het niets meer dan bloed, bedorven, wijnkleurig bloed. De golf was zoo groot, dat hij op de deken spatte en het geheele bed bevuilde. Vergeefs droegen madame de Jonquière en madame Désagneaux, beiden even bleek en op haar beenen bevend, servetten. Ferrand was, in zijn onmacht om te helpen, weer bij het raam gaan staan, waar hij daareven zoo'n heerlijk oogenblik doorleefd had, terwijl ook zuster Hyacinthe in een instinctieve beweging, die zij zich zeker niet bewust was, naar dat gelukkige raam kwam, als wilde zij zich dicht tegen hem aan drukken.
"Mijn God!" prevelde zij, "kan je er niets doen?"
"Neen, niets! Zij zal uitgaan als een lamp, die leeg raakt!"
Uitgeput nu, terwijl een bloederige draad nog uit haar mond vloeide, staarde madame Vêtu madame de Jonquière aan, terwijl haar lippen zich bewogen. De directrice boog zich over haar heen en hoorde de langzame, half gebroken woorden:
"Het is voor mijn man, mevrouw... De winkel is in de rue Mouffetard, o, heel klein, niet ver van de Gobelins... Hij is horlogemaker, hij is, om de klanten, natuurlijk niet mee kunnen gaan. Hij zal leelijk in verlegenheid raken, als hij me niet ziet terugkomen... Ja, ik poetste het zilverwerk en deed de boodschappen."
Haar stem werd zwakker, door het reutelen kwamen de woorden er met horten en stooten uit.
"Ik zou u willen vragen hem te schrijven, omdat ik het niet gedaan heb en het nu afloopt met me... Zeg hem, dat mijn lijk te Lourdes blijft, anders zou het te duur worden... En dat hij weer trouwen moet, dat moet in den handel... De nicht, zeg hem, de nicht..."
Verder was het niet meer dan een verward gemompel. De zwakte was te groot, de ademhaling stond stil. Toch bleven in het gele, waskleurige gelaat de wijd geopende oogen nog leven. En die oogen schenen zich wanhopig en radeloos vast te hechten aan het verleden, aan alles, wat straks niet meer voor haar bestaan zou, aan den kleinen horlogewinkel in een volksbuurt, aan den eentonigen en regelmatigen gang van het huishouden naast een werkzaam man, die altijd over horloges gebogen zat, aan het groote genoegen, om 's Zondags bij de fortificaties vliegers te zien opgaan. Dan verwijdden haar oogen zich en trachtten vergeefs iets te onderscheiden in den donkeren nacht, die opkwam.
Een laatste maal boog madame de Jonquière, die opnieuw de lippen bewegen zag, zich over haar heen. Het was nu niets meer dan een zwakke luchttrilling, een stem uit het hiernamaals, die als uit de verte met een grenzenlooze verslagenheid stamelde:
"Zij heeft mij niet genezen!"
En zacht blies madame Vêtu den laatsten adem uit.
Alsof zij erop gewacht had, sprong de kleine Sophie Couteau, bevredigd, van het bed en ging aan het andere einde der zaal weer met haar pop spelen. Noch la Grivotte, die haar brood opat, noch Elise Rouquet, die alleen oogen had voor haar spiegel, hadden iets van het geval gemerkt. Maar van den laatsten ademtocht, die langs haar streek, en door het angstig fluisteren van madame de Jonquière en madame Désagneaux, voor wie die sterfbedden iets ongewoons waren, scheen Marie te ontwaken uit haar hoopvolle verrukking, waarin het woordlooze gebed van geheel haar wezen haar gebracht had. En toen zij begreep wat er gebeurd was, werd zij, die zeker was van haar genezing, aangegrepen door een zusterlijk medelijden met haar lijdensgenooten, dat haar de tranen in de oogen bracht.
"De arme vrouw, zoo ver van huis en zoo alleen in het uur der wedergeboorte te moeten sterven."
Ferrand, die ondanks zijn beroepsonverschilligheid toch diep geroerd was, kwam naderbij, om den dood te constateeren; op een teeken van hem sloeg zuster Hyacinthe het laken over het gezicht der doode, want er viel niet aan te denken het lijk thans weg te dragen. De zieken kwamen in groepjes van de Grot terug, de zooeven in het zonlicht nog zoo vredige zaal vulde zich weer met haar gewoon tumult van ellende en lijden, met zwaar gehoest, sleepende beenen, den muffen geur, de jammerlijke uitstalling van alle menschelijke ziekten.
II.
Dien Maandag was de toeloop naar de Grot reusachtig groot. Het was de laatste dag, dien de nationale bedevaart te Lourdes zou doorbrengen; en pater Fourcade had in zijn herderlijken lastbrief van dien ochtend gezegd, dat men de hoogste kracht van liefde en geloof moest ontwikkelen, om van den hemel al de genade en wonderdadige genezingen te verkrijgen, die hij in zijn goedheid zou willen geven. Van af twee uur in den middag waren dan ook twintigduizend koortsachtig opgewonden pelgrims, door de vurigste verwachtingen bezield, aanwezig. Van minuut tot minuut groeide de stroom zóó aan, dat baron Suire angstig uit de Grot naar Berthaud kwam.
"Wij zullen overstroomd worden, vriendlief... Verdubbel de ploegen en breng de mannen wat nader bij."
De Hospitalité de Notre-Dame du Salut was alleen met het bewaren der orde belast, er waren noch veldwachters noch politie-agenten. Vandaar dat baron Suire zich zoo ongerust maakte. Maar Berthaud was in zulke gevallen een man, naar wiens woord geluisterd werd, wiens kalme energie vertrouwen inboezemde.
"Stel u maar gerust, ik sta voor alles in... Ik ga hier niet vandaan voor de processie van vier uur afgeloopen is."
Intusschen gaf hij Gérard een wenk bij hem te komen.
"Geef aan je mannen het strengste consigne. Alleen de personen, die een kaart hebben, mogen passeeren. Houd ze goed bij elkaar en zeg hun, dat ze het touw goed vasthouden!"
Onder de klimop, die de rots bedekten, opende zich de Grot en glansde in den eeuwigen gloed van haar kaarsen. Uit de verte leek zij wat gedrukt, onregelmatig, te eng en te bescheiden door den ademtocht der oneindigheid, die eruit kwam, de gezichten verbleekte en alle hoofden buigen deed. Het beeld der Heilige Maagd was niet meer dan een witte vlek, die zich in de bevende, door de kleine, gele vlammetjes verhitte lucht scheen te bewegen. Men moest op zijn teenen gaan staan, wilde men achter het hek het zilveren altaar, het van zijn hoes ontdane harmonium, de hoop op elkaar geworpen bloemruikers en de geloftegiften, die de berookte wanden kakelbont versierden, kunnen zien. Het weer was schitterend mooi, nooit nog had een helderder hemel zich over de onmetelijke menigte gewelfd: na het onweder van den nacht, dat de te drukkende hitte der twee eerste dagen verjaagd had, was het zachte koeltje heerlijk verfrisschend.
Gérard moest van zijn ellebogen gebruik maken, om zijn bevelen te herhalen. Reeds ontstond er hier en daar gedrang.
"Nog twee man hier! Stelt je desnoods in rijen van vier op en houdt het touw goed vast!"
In de menigte openbaarde zich een onoverwinlijke, instinctmatige drang: de twintigduizend menschen werden als het ware tot de Grot aangetrokken; zij gingen er heen, gedreven door een onweerstaanbare kracht, waarin een brandende nieuwsgierigheid zich paarde aan een onleschbare dorst naar het mysterie. Aller blikken concentreerden zich op, aller monden, aller handen, aller lichamen werden getrokken naar den bleeken vlammenglans der kaarsen, naar de witte, bewegende vlek der marmeren Maagd. Om de breede voor de zieken gereserveerde ruimte voor het hek voor dezen vrij te houden, had men die met een dik touw moeten omgeven, dat de brancarddragers op tusschenruimten van twee of drie meter met hun beide handen vasthielden. Deze hadden het consigne alleen de zieken, die een kaart der Hospitalité hadden, en de enkele personen, die van een speciale autorisatie voorzien waren, door te laten. Zij lichtten het touw dan wat op en lieten het onverbiddelijk voor iedere smeekbede achter de uitverkorenen weer zakken. Zelfs traden zij eenigszins ruw op, daar zij er onbewust een genoegen in vonden het gezag uit te oefenen, waarmede zij voor één dag bekleed waren. Maar tevens dient erkend te worden, dat ze het dikwijls hard te verantwoorden hadden en zij elkaar steunen, met al hun kracht weerstand bieden moesten, om niet meegesleurd te worden.
Terwijl de banken voor de Grot en de gereserveerde ruimten zich met ziekenwagentjes en draagbaren vulden, bleef de menigte, de onmetelijke menigte in de buurt ronddwalen. Zij begon bij de place du Rosaire en strekte zich over den geheelen boulevard langs den Gave uit; in zijn geheele lengte was het trottoir zwart van de menschen, een zóó dichte menschengolf, dat het verkeer er door gestremd werd. Op de borstwering zat een eindelooze rij vrouwen--ja er stonden er zelfs enkelen--om beter te kunnen zien, en liet de zijde van haar parasols, lichte, feestelijk vroolijke zijde, in de zon vlammen. Men had een allée vrij willen houden, om de zieken te transporteeren, maar telkens werd zij weer overstroomd en versperd, zoodat de wagentjes en de draagbaren moesten blijven staan, tot dat een brancarddrager ze kwam bevrijden. Maar de groote, rondtrappelende kudde was zeer meegaande en gewillig als lammeren; men behoefde slechts hun onwillekeurig opdringen naar de brandende kaarsen te keer te gaan. Nooit was er een ongeluk voorgekomen ondanks de steeds toenemende opwinding, die uit de menigte opsteeg en haar in een teugelloos geloofsdelirium bracht.
Opnieuw baande baron Suire zich een weg door de menigte.
"Berthaud, Berthaud! Laat de menschen toch niet zoo haastig zijn... In dat gedrang zouden vrouwen en kinderen onder den voet geraken!"
Ditmaal werd Berthaud wat ongeduldig.
"Maar ik kan toch niet overal tegelijk zijn... Sluit het hek voor een oogenblik, als het noodig is."
Het ging om de menigte, die men gedurende den geheelen middag om de Grot defileeren liet. De geloovigen kwamen door de linkerdeur naar binnen en gingen door de rechter weer naar buiten.
"Het hek sluiten!" riep de baron uit. "Dat zou de zaak nog maar erger maken; de menschen zouden er elkaar dood tegen drukken!"
Toevallig was Gérard in de buurt, die even praatte met Raymonde, welke met een kop bouillon voor een arme vrouw in haar hand aan de andere zijde van het touw stond. Berthaud droeg den jongen man op twee man bij de ingangsdeur van het hek te plaatsen met het consigne de pelgrims met niet meer dan tien tegelijk door te laten gaan. Toen Berthaud zijn opdracht uitgevoerd had en terugkwam, was Berthaud met Raymonde aan het lachen en schertsen. Zij ging weg en de twee neven keken naar haar, terwijl zij de lamme liet drinken.
"Een bekoorlijk meisje, en het staat vast, dat je met haar trouwt, niet?"
"Ik zal vanavond met haar moeder spreken. Ik reken erop, dat u met me meegaat!"
"Natuurlijk... Je weet wat ik je gezegd heb: het is het verstandigste wat je doen kunt. Haar oom zal je, voor het zes maanden verder is, een mooi baantje bezorgen."
Door het gedrang werden zij gescheiden. Berthaud ging zich persoonlijk overtuigen of het défilé in de Grot nu ordelijker geschiedde. Uren lang was het dezelfde onafgebroken stroom mannen, vrouwen en kinderen, een stroom van al degenen, die uit de geheele wereld naar de Grot gekomen waren. Alle standen waren er dan ook bijeen, bedelaars in lompen naast welgestelde burgers, boerinnen, naar de nieuwste mode gekleede dames, dienstmeisjes zonder hoed, kinderen op bloote voeten en meisjes met pommade in het haar, dat vastgehouden werd door een lint. De toegang was vrij, het mysterie stond open voor allen, voor geloovigen en ongeloovigen, voor hen, die alleen door nieuwsgierigheid gedreven werden en voor hen, die er met een hart vol liefde en geloof kwamen. Maar bijna allen waren even zeer onder den indruk en voelden zich in dien zwoelen wasgeur benauwd door de zware tabernakellucht, die zich onder de rots verzamelde, terwijl zij, uit vrees op de ijzeren roosters uit te glijden, naar hun voeten keken. Velen wisten niet meer, wat zij doen moesten, bogen niet voor het altaar, keken maar rond naar alles met de kinderlijke onrust van onverschilligen, die in het onbekende inwendige van een heiligdom verdwaald zijn. Maar de vromen maakten het teeken des kruises, wierpen dikwijls een brief in de Grot, legden bloemruikers en kaarsen neder, kusten de rots aan de voeten der Heilige Maagd, of wreven daartegen rozenkransen, medailles en andere dergelijke dingen, welke door die aanraking alleen reeds gewijd werden. En het défilé ging door, zonder ophouden door, dagen, maanden, jaren lang; het leek alsof de geheele wereld in dat rotshoekje kwam, alle menschelijke ellende, alle menschelijk lijden scheen er achter elkaar door te trekken en in dien gehypnotiseerden, aanstekelijken rondgang naar het geluk te komen zoeken.
Toen Berthaud geconstateerd had, dat overal nu alles geregeld en ordelijk zijn gang ging, liep hij als eenvoudig toeschouwer rond om zijn mannen te controleeren. Het eenige, waar hij zich ongerust over bleef maken, was de processie van vier uur, gedurende welke zich steeds zulk een razende opgewondenheid openbaarde, dat er steeds ongelukken te duchten waren. En deze laatste dag beloofde, te oordeelen naar de huivering van een overspannen geloof, die hij reeds uit de menigte voelde opkomen, een der ergste te zullen worden. De opwinding steeg tot haar hoogste punt; alles werkte samen: de koortsachtige reis, de obsessie van dezelfde steeds weer herhaalde liederen, dezelfde hardnekkig volgehouden godsdienstige oefeningen, de onophoudelijke gesprekken over de wonderen en de steeds op den goddelijken vlammengloed der Grot gerichte idée fixe. Vele pelgrims hadden in geen drie nachten geslapen, waren in een toestand van door visioenen bezocht waken gekomen, liepen in een droom, die haar opwinding nog meer aanwakkerde. Geen rust werd hun gelaten, de onophoudelijke gebeden waren als een zweep, die hun zielen striemde. Nooit hielden de aanroepingen der Heilige Maagd op, de eene priester na den anderen beklom den kansel, schreeuwde het algemeene lijden uit, leidde de wanhopige smeekbeden der menigte gedurende den geheelen tijd, dat de zieken zaten voor het witte marmeren beeld, dat met gevouwen handen en ten hemel gerichte blikken glimlachte.
Op dat oogenblik werden de oefeningen van uit den wit-steenen kansel, die rechts van de Grot tegen de rots stond, geleid door een priester uit Toulouse, dien Berthaud kende en naar wien hij een oogenblik met een goedkeurend knikje bleef staan luisteren. Het was een dikke man met een brouwende stem en beroemd door zijn oratorische successen. Overigens bestond hier de geheele welsprekendheid in sterke longen, in een heftige manier om den zin, den kreet, die de menigte herhalen moest, uit te stooten, want het was niet veel meer dan een door Avé's en Pater's onderbroken geschreeuw.
De priester, die den rozenkrans afgebeden had, trachtte zich op zijn korte beenen grooter te maken en begon nu, de inspiratie van het oogenblik volgend, aan de litanieën.
"Maria, wij hebben u lief!"
En de menigte herhaalde met zachter, verlegen en gebroken stem:
"Maria, wij hebben u lief!"
En nu hield het niet meer op. De stem van den priester klonk luid, de stem der menigte herhaalde in een smartelijk stamelen:
"Maria, gij zijt onze eenige hoop!"
"Maria, gij zijt onze eenige hoop!"
"Reine Maagd, maak ons reiner onder de reinen!"
"Reine Maagd, maak ons reiner onder de reinen!"
"Heilige Maagd, red onze zieken!"
"Heilige Maagd, red onze zieken!"
Soms, wanneer zijn fantasie even te kort schoot, of hij een kreet nog dieper in de ziel der menigte wilde doen dringen, herhaalde hij dien driemaal, terwijl de schare, volgzaam, hem eveneens driemaal herhaalde, huiverend onder de prikkeling van die hardnekkige jammerklacht, die haar opwinding nog meer deed toenemen.
De litanie duurde voort en Berthaud keerde naar de Grot terug. Zij, die in de Grot zelf defileerden, kregen, zoodra zij tegenover de zieken kwamen, een buitengewoon schouwspel te zien. De geheele groote ruimte tusschen de touwen was gevuld door de duizend à twaalfhonderd zieken, die met de nationale bedevaart medegekomen waren en onder den wijden blauwen hemel en op dezen schitterenden dag het hartbeklemmendste mengelmoes vormden, dat men zich denken kan. De drie ziekenhuizen hadden hun zalen van verschrikking geledigd. Het verst weg zag men het eerst op de banken hen, die nog zitten konden. Toch waren velen nog in kussens gestopt; leunden anderen tegen elkaar aan, waarbij de sterksten de zwaksten steunden. Vervolgens lagen voor de Grot zelf de zieken uitgestrekt; de steenen verdwenen onder die jammerlijke golf, dien grooten, stilstaanden poel van ellende en verschrikking. Er was daar een onbeschrijflijke opeenhooping van wagentjes, draagbaren en matrassen. Sommigen richtten zich in hun kleine karretjes, die veel op doodkisten geleken, op en staken dan boven de anderen, die gewoon op den grond lagen, uit. Er waren er die, gekleed, zich eenvoudig op het geruite linnen van hun matrassen hadden uitgestrekt. Anderen had men in hun beddegoed gebracht, zoodat men niets zag dan hun hoofd en hun magere handen, die buiten de dekens uitstaken. Slechts weinige bedden waren zindelijk. Enkele hagelwitte kussens, als een laatste bewijs van ijdelheid met borduurwerk voorzien, staken scherp af tegen de vuile ellende der andere, tegen de uitgepakte lompen, de versleten dekens, de met vlekken bezoedelde lakens. En dat alles was op elkaar geschoven, opgestapeld al naar gelang het gekomen was: vrouwen, mannen, kinderen, priesters, gekleeden en ongekleeden lagen in het verblindend helle daglicht schots en scheef door elkaar heen.
En alle ziekten waren vertegenwoordigd: het geheele défilé, dat tweemaal per dag uit de hospitalen door het verbijsterde Lourdes trok. Door een eczeem weggevreten hoofden, met uitslag bedekte voorhoofden; neuzen en monden, die de elephantiasis tot gedrochtelijke snuiten gemaakt had; als waterzakken opgeblazen waterzuchtigen; rheumatieklijders met verdraaide handen en als met lompen volgepropte zakken opgeblazen voeten; een waterhoofd, dat door zijn vreeselijke zwaarte achterover hing; van koorts rillende, door dysenterie uitgeputte, lijkkleurige, broodmagere teringlijdsters; misvormde heupen; omgekeerde armen; scheefgegroeide halzen; arme gemartelde wezens, onbeweeglijk in de houding van tragische ledepoppen; ongelukkige rhachitische meisjes, die haar waskleurigen tint, haar magere, door koude tumoren aangevreten hals lieten zien; gele, wezenlooze vrouwen in de pijnlijke verstijving van ongelukkigen, die de kanker doet wegteren; anderen, doodsbleek en zich niet bewegen durvend uit vrees voor een schok van de gezwellen, wier benauwende beklemming haar bijna stikken deed; dooven, die niets hoorden en toch zongen; blinden, die urenlang staarden naar het beeld der Maagd, dat zij niet zien konden. Ook was er nog de kindsche, idiote vrouw, wier neus door den een of anderen tumor weggevreten was, en die met haar leegen, zwarten mond haar verschrikkelijken lach lachte; ook was er nog de epileptica, die doodsbleek was en wie het schuim op den mond stond van haar laatsten aanval.
Maar ziekte noch lijden hadden hier eenige beteekenis meer, sedert zij, zittend of liggend, hun oogen op de Grot gevestigd hielden. De arme, uitgeteerde, aardkleurige gezichten werden verheerlijkt, begonnen te branden van hoop. Door gewrichtsrheumatiek stijve handen vouwden zich, zware oogleden vonden nog de kracht zich te openen; zwakke, toonlooze stemmen herleefden bij de aanroepingen van den priester. In den beginne was het niet meer dan onduidelijk gestamel, als zachte zuchtjes, die hier en daar uit de menigte òpwoeien. Dan steeg de kreet op, zwol aan, sleepte de menigte zelf van het eene einde van het reusachtige plein naar het andere mede.
"Maria, ontvangen zonder zonde, bid voor ons!" schreeuwde de priester met zijn donderende stem.
En de zieken en de pelgrims herhaalden al luider en luider:
"Maria, ontvangen zonder zonde, bid voor ons!"
Dan volgde in steeds sneller tempo:
"Reine Moeder, kuische Moeder, uw kinderen liggen aan uw voeten!"
"Koningin der Engelen, zeg één woord en onze zieken worden genezen!"
"Koningin der Engelen, zeg één woord en onze zieken worden genezen!"
Mijnheer Sabathier zat op de tweede rij naast den kansel. Hij had er zich vroeg heen laten brengen, daar hij een goed plaatsje wilde hebben en als oud bezoeker der Grot de beste hoekjes kende. Bovendien scheen het hem van groot belang om zoo dicht mogelijk in de nabijheid der Heilige Maagd te zijn, alsof zij er behoefte aan had haar getrouwe geloovigen te zien, om ze niet te vergeten. Sedert de zeven jaar, dat hij kwam, voedde hij slechts deze hoop: haar aandacht te trekken, haar eindelijk te vermurven, zijn genezing te verkrijgen, zoo niet naar keuze, dan toch naar ancienniteit. Daartoe had hij slechts geduld noodig, zonder dat de vastheid van zijn geloof ook maar in het minst geschokt werd. Maar als arm berustend man, die het een beetje moe werd telkens uitgesteld te worden, liet hij zich dikwijls afleiden. Hij had weten te bewerken, dat zijn vrouw bij hem bleef; zij zat nu op een vouwstoeltje naast hem; hij vond het prettig met haar te praten en haar deelgenoote te maken van zijn overpeinzingen.
"Licht mij een weinig in de hoogte... Ik glijd naar beneden en zit niet goed."
Hij zat in zijn broek en in een grof wollen jas op een matras en leunde met zijn rug tegen een omgevallen stoel.
"Is het nu beter?" vroeg madame Sabathier.
"Ja, ja!"
Dan werd zijn aandacht getrokken door broeder Isidore, dien men ten slotte toch naar de Grot gebracht had en die nu op een matras naast hem lag; de deken had hij tot zijn kin opgetrokken; alleen zijn handen lagen gevouwen op het laken.
"De arme kerel!... Het is heel onvoorzichtig, maar de Heilige Maagd is zoo machtig, wanneer zij wil."