De drie steden: Lourdes

Part 3

Chapter 33,776 wordsPublic domain

Toen dacht Pierre aan de andere wagons van den trein, van dezen witten trein, die de ernstigste zieken vervoerde: alle rolden zij voort vol van hetzelfde lijden, met hun driehonderd zieken en vijfhonderd bedevaartgangers. Toen dacht hij aan de andere treinen, welke eveneens dien ochtend uit Parijs vertrokken, aan den grijzen en den blauwen trein, die eerder gegaan waren, aan den groenen, den gelen, den rosen, den oranjekleurigen trein, die alle nog volgen moesten. Van het een einde der lijn naar het andere raasden de treinen ieder uur weg. En hij dacht aan de andere treinen nog, die denzelfden dag uit Orleans, uit Le Mans, uit Poitiers, uit Bordeaux, uit Marseille, uit Carcassonne vertrokken. Frankrijk werd op datzelfde uur in alle richtingen door dergelijke treinen doorploegd, die zich alle spoedden naar de Heilige Grot en dertig duizend zieken en pelgrims aan de voeten der Heilige Maagd brachten. En hij bedacht, dat een zelfde menschenstroom ook andere dagen van het jaar naar die plek golfde, dat er geen week voorbijging, waarin Lourdes geen bedevaart zag aankomen, dat niet Frankrijk alleen zich daarheen op weg begaf, maar geheel Europa, ja de geheele wereld, dat in sommige jaren van bijzonder groote godsvrucht, driehonderd duizend, ja zelfs wel vijfhonderd duizend zieken en bedevaartgangers samengekomen waren.

Pierre meende die rollende treinen te hooren, die treinen, welke van overal alle samenkwamen bij dezelfde rotsgrot, waarin kaarsen brandden. Alle rolden zij ratelend voort te midden van smartkreten en het opstijgen van vrome liederen. Het waren de rijdende hospitalen vol wanhopige zieken, het was de wilde jacht van menschelijke ellende naar hoop op genezing, een brandend verlangen naar verlichting en troost bij het toenemend lijden en onder de bedreiging van den snel naderenden dood. Zij rolden, zij rolden steeds door, zij rolden zonder ophouden, de ellende van deze wereld met zich voerend, op weg naar een goddelijke illusie, de gezondheid der zieken en de troosteresse der bedroefden.

En Pierre's hart vloeide over van een groot medelijden, de menschelijke religie bij zoovele kwalen, bij zoovele tranen, die den zwakken en hulpeloozen mensch verteren.

Hij voelde zich tot stervens toe droef; een oplaaiende barmhartigheid brandde in hem als het onuitbluschbaar vuur van een broederlijke liefde voor alle dingen en voor alle schepselen.

Toen zij om half elf het station Saint-Pierre-des-Corps verlieten, gaf zuster Hyacinthe opnieuw een teeken; en men bad den derden Rozenkrans, de vijf glorierijke mysteriën: de Opstanding van Onzen Heer, de Hemelvaart van Onzen Heer, de Uitstorting des Heiligen Geestes, de Hemelvaart van de Zeer Heilige Maagd, de Kroning der Zeer Heilige Maagd. Dan hieven zij het lied van Bernadette aan, de eindelooze weeklacht van zestig coupletten, waarin steeds het "wees gegroet" als refrein terugkeerde, een zacht wiegen, een langzame obsessie, die zich langzamerhand van het geheele wezen meester maakt en ten slotte in een extatischen slaap doet wegzinken in de heerlijke verwachting van het wonder.

II.

Nu reden zij door de groene weiden van Poitou, en abbé Pierre, die naar buiten zat te staren, zag de boomen voorbijvliegen, die hij langzamerhand ophield te onderscheiden. Een kerktoren verdween reeds weer voor men hem goed en wel gezien had: alle pelgrims maakten het teeken des kruises. Ze zouden pas om vijf minuten over halfeen in Poitiers zijn; zonder ophouden reed de trein voort in de toenemende afmatting van den onweerzwangeren dag. De jonge priester, die in een diep gepeins verzonken was, hoorde het zingen nog slechts als het in slaap wiegende, langzame deinen van de zee.

Het was een vergeten van het tegenwoordige oogenblik, een ontwaken van het verleden, dat zijn geheele wezen in beslag nam. Hij ging in zijn herinneringen terug zoo ver als hij gaan kon. Hij zag het huis in Neuilly terug, waarin hij geboren was, waarin hij nu nog woonde, het huisje van vrede en arbeid met zijn mooien tuin, waarin enkele boomen stonden; slechts een levende haag en een omheining van struiken scheidden hem van den tuin van het huis ernaast, dat precies als het zijne was. Hij was drie, vier jaar misschien, en hij zag hoe op een zomermiddag zijn vader, zijn moeder en zijn oudere broer in de schaduw van een grooten kastanjeboom zaten te ontbijten. Zijn vader, Michel Froment, had geen bijzonder opvallend gezicht, hij zag hem slechts vaag en onbestemd voor zich, den beroemden scheikundige, die lid van het Instituut was en zich opsloot in zijn laboratorium, dat hij hier in deze afgelegen streek had laten bouwen. Maar zijn broer, den veertienjarigen Guillaume, die juist dien ochtend met vacantie thuis gekomen was, zag hij heel duidelijk voor zich en vooral zijn moeder, zoo zacht, zoo kalm met haar oogen vol ontroerenden deemoed. Later had hij de zorgen en den kommer van deze godvruchtige ziel leeren kennen, van deze vroom-geloovige, die uit achting en dankbaarheid erin toegestemd had te trouwen met een ongeloovige, die vijftien jaar ouder was dan zij en aan haar familie groote diensten bewezen had. Hij, een "nakomertje", was geboren, toen zijn vader reeds bijna vijftig was, en had zijn moeder niet anders gekend dan als een deemoedige vrouw, onderworpen aan haar man, dien zij hartstochtelijk had leeren liefhebben met de vreeselijke marteling te weten, dat hij verdoemd was. En plotseling rees een andere herinnering in hem op, de verschrikkelijke herinnering aan den dag, dat zijn vader gestorven was, gedood door het ongelukkig springen van een retort. Hij was toen vijf jaar, maar hij herinnerde zich nog de kleinste bijzonderheden, den kreet van zijn moeder, toen zij te midden van de puinhoopen het verminkte lichaam vond, haar schrik, haar jammeren, haar gebeden bij de gedachte, dat God den voor eeuwig verdoemden goddelooze met zijn bliksem vernietigd had. Daar zij zijn papieren en boeken niet durfde verbranden, had zij eenvoudig de studeerkamer, welke daarna door niemand meer betreden werd, gesloten. Van dat oogenblik af had het beeld der hel haar niet meer losgelaten, had zij nog slechts één gedachte gehad: zich geheel meester te maken van haar jongsten zoon, hem streng geloovig op te voeden, hem tot het zoenoffer voor zijn vader te maken. Haar oudste zoon Guillaume, die het lyceum bezocht en reeds geheel onder den invloed van de denkbeelden der eeuw stond, was haar reeds ontgroeid, maar hij, Pierre, de jongste, zou het huis niet verlaten, zou onderwijs krijgen van een geestelijke; en haar stille droom, haar vurige hoop was hem zelf eens priester te zien, er getuige van te zijn, dat hij zijn eerste mis las.

Een ander levendig beeld tusschen groene, met zonnestralen doorplekte takken rees voor zijn geestesoog op. Pierre zag plotseling Marie de Guersaint, zooals hij haar op een morgen door een gat in de haag, die de twee aan elkaar grenzende bezittingen scheidde, gezien had. Mijnheer de Guersaint, van kleinen Normandischen adel, was een architect, die zich graag voor uitvinder uitgaf en toen juist bezig was met het bouwen van arbeiderssteden met kerk en school: een groote, slecht overwogen onderneming, waarin hij met zijn gewone onstuimigheid en zijn onberadenheid van mislukt kunstenaar zijn vermogen van driehonderd duizend francs op het spel zette. Dezelfde vrome godsvrucht had madame de Guersaint en madame Froment samengebracht; maar de eerste was een vastberaden, flinke vrouw, die met ijzeren vuist het huishouden bestuurde en verhinderde, dat de catastrophe te groot werd; zij voedde haar twee dochters, Blanche en Marie streng godsdienstig op, de oudste was reeds ernstig als zij zelf, terwijl de jongste, ofschoon ook heel vroom, toch ook van spel en vroolijkheid hield in haar uitgelaten levensvreugde, die zich ook in haar heerlijk, helder lachen openbaarde. Van jongs af aan speelden Pierre en Marie samen, onophoudelijk kropen zij door de haag, steeds waren de families bij elkaar. Op dien mooien, zonnigen ochtend, waarop hij haar weer zag, zooals zij de takken van de haag uit elkaar boog, was zij reeds tien jaar. Hij was toen zestien en zou den volgenden Dinsdag naar het seminarie gaan. Nooit nog had hij haar zoo mooi gevonden. Haar goudblonde lokken waren zoo lang, dat zij, wanneer ze loshingen, haar geheel bedekten. Hij zag ook haar gezichtje van toen tot in de kleinste bijzonderheden terug: haar ronde wangen, haar blauwe oogen, haar roode lippen, maar vooral haar als sneeuw glanzende huid. Zij was vroolijk en stralend als de zon, een verblindende verschijning; en zij had tranen in haar oogen, want zij wist maar al te goed, dat hij gauw weg zou gaan. Samen waren zij achter in den tuin in de schaduw van de haag gaan zitten. Hun vingers waren ineengestrengeld; zij voelden zich zoo bedroefd. Toch hadden zij elkaar bij hun spelen nooit iets plechtig beloofd, zoo volmaakt onschuldig waren hun zielen nog. Maar op den avond voor zijn vertrek konden zij hun liefde niet verzwijgen, spraken zij erover zonder het te begrijpen, zwoeren zij altijd aan elkaar te zullen denken en elkander eenmaal terug te zullen vinden, zooals men elkaar in den hemel terugvindt, en volmaakt gelukkig te zijn. Dan hadden zij elkaar in hun armen gedrukt, elkaar, onder het schreien van heete tranen, op de wangen gekust. Het was een heerlijke herinnering, die Pierre steeds en overal met zich gedragen had, die hij na zoo vele jaren en na zoovele smartelijke verzakingen nog steeds in zich voelde leven.

Een hevige schok wekte hem uit zijn overpeinzingen. Hij keek den wagon rond en zag in onduidelijke omtrekken de lijdende schepsels: madame Maze, onbeweeglijk, door haar smart vernietigd; de kleine Rose zacht kreunend op den schoot van hare moeder, la Grivotte benauwd door een heesche hoestbui. Even trad de vroolijke gestalte van zuster Hyacinthe met haar witte schort en haar wit kapje op den voorgrond. Het was nog steeds de moeilijke reis met den straal van goddelijke hoop daar in de verte als doel. Dan verdween langzamerhand alles weer in een nevel, die uit het verre verleden oprees; bleef nog slechts over het in slaap wiegende zingen van onduidelijke droomstemmen, die òpklonken uit het onzienlijke.

Van dat oogenblik af was Pierre op het seminarie. Duidelijk stonden de klassen, de speelplaats met haar boomen, hem nog voor den geest. Maar plotseling zag hij, als in een spiegel, niets meer dan de gestalte van den jongen man, die hij toenmaals was; en hij nam haar op, ontleedde haar als de gestalte van een vreemde. Groot en slank, had hij een lang gezicht met een sterk ontwikkeld voorhoofd, hoog en recht als een toren, terwijl zijn dunne kaken uitliepen in een zeer spitsen kin. Hij scheen één en al hersenen te zijn; alleen zijn ietwat groote mond had iets teers behouden. Wanneer zijn ernstig gezicht zich wat ontspande, dan verrieden zijn mond en zijn oogen een eindelooze teederheid, een ongestilden honger om lief te hebben, zich te geven en te leven. Onmiddellijk echter kwam de intellectueele hartstocht terug, die, welke hem verteerde met een begeerte om te begrijpen en te weten. Slechts met verwondering kon hij aan dien seminarietijd terug denken. Hoe had hij toch zoo lang die strenge leer van blind geloof kunnen aanvaarden, hoe had hij steeds zonder onderzoek alles maar in goed vertrouwen kunnen aannemen? Men had een volledige prijsgeving van zijn gezond verstand geëischt, en hij had er zich toe gedwongen, was erin geslaagd het martelende verlangen naar waarheid in zich te verstikken. Ongetwijfeld was hij verteederd door de tranen van zijn moeder, voelde hij slechts in zich de begeerte om haar het gedroomde geluk te geven. Thans echter kwam hem voor den geest, hoe in dien tijd toch wel oproerige gedachten in hem opgerezen waren; vond hij in zijn geheugen nachten terug, waarin hij meer geweend dan geslapen had, zonder dat hij wist waarom, nachten, bevolkt met onbestemde beelden, waarin het vrije en manlijke leven van buiten doordrong, waarin onophoudelijk het beeld van Marie hem verscheen, zooals hij haar een ochtend gezien had, stralend en badend in tranen, hem kussend in volle overgave. Dat alleen was thans overgebleven, de jaren van zijn religieuze studiën met hun eentonige lessen, met hun onveranderlijk blijvende geestelijke oefeningen en ceremoniën verdwenen alle in een nevel, in een onbestemd half-donker, dat vervuld was met een doodsche stilte.

Dan gingen hem, toen ze in volle vaart een station voorbijgereden waren, in het oorverdoovend lawaai van den rit, een menigte dingen in bonte volgorde aan zijn geestesoog voorbij. Hij zag een groote, eenzame, afgesloten ruimte; hij meende er zich terug te zien op twintigjarigen leeftijd. Zijn droom was echter niet duidelijk meer. Een vrij ernstige ziekte, die hem in zijn studies een heel eind achteruitzette, had hem genoodzaakt naar buiten te gaan. In langen tijd had hij Marie niet gezien, tweemaal was hij met vacantie in Neuilly geweest zonder haar te ontmoeten, want zij was bijna altijd op reis. Hij wist, dat haar gezondheid slecht was tengevolge van een val van haar paard op dertienjarigen leeftijd juist op het oogenblik, dat zij vrouw worden zou; in haar wanhoop ging haar moeder, gehoor gevend aan de tegenstrijdige raadgevingen der geneesheeren, ieder jaar met haar naar een andere badplaats. Toen had hij den zwaren slag vernomen, die haar getroffen had, den plotselingen dood van die zoo strenge, maar voor de haren zoo onmisbare moeder: een longontsteking, die zij op een avondwandeling in la Bourboule gekregen had, toen zij haar mantel uitgetrokken had, om hem Marie, die daar voor een kuur was, om te doen, had haar in vijf dagen weggerukt. Haar vader had zijn van verdriet half waanzinnige dochter en het lijk moeten komen halen. Het ergste was, dat na het overlijden van de moeder, de zaken steeds slechter gingen in de handen van den architect, die, zonder te rekenen, zijn vermogen in den afgrond van zijn ondernemingen wierp. Marie kon niet meer van haar rustbed opstaan, zoodat slechts Blanche overbleef om het huis te bestieren, doch deze werd zelf geheel in beslag genomen door haar laatste examens, die zij wilde doen, om diploma's te halen, daar zij heel goed inzag, dat er een tijd komen zou, waarin zij zelf haar brood moest verdienen.

Plotseling kwam Pierre een duidelijk beeld voor den geest, dat zich uit die massa verwarde, half vergeten feiten losmaakte. Het was gedurende een vacantie, die hij voor zijn gezondheid had moeten nemen. Hij was toen vier-en-twintig jaar, maar in zijn studie wat achter, daar hij pas de vier laagste geestelijke ordeningen ontvangen had; na zijn terugkeer zou hij onmiddellijk het sub-diaconaat krijgen, wat hem voor altijd door een onverbreekbaren eed binden zou. Heel duidelijk voor oogen stond hem het tooneel in den kleinen tuin van de Guersaints te Neuilly, waarin hij vroeger zoo dikwijls gespeeld had. De ruststoel van Marie was onder de hooge boomen dicht bij de haag gerold; zij waren alleen te midden van den droefgeestig stemmenden vrede van den herfstmiddag, hij zag Marie in zwaren rouw half uitgestrekt met haar verlamde beenen liggen, terwijl hij, ook in het zwart, reeds in soutane, op een leunstoel naast haar zat. Al vijf jaar lang was zij nu reeds lijdende. Nu, op haar achttiende jaar, zag zij er bleek en mager uit, zonder dat zij echter opgehouden had aanbiddelijk te zijn met haar koninklijke lokkenpracht, die de ziekte spaarde. Hij meende reeds te weten, dat zij altijd verlamd blijven zou, dat zij veroordeeld was nooit vrouw te worden, daar haar geslachtsleven door dien val gestoord was. De geneesheeren, die het onderling niet eens waren, hadden haar opgegeven. In ieder geval vertelde zij hem alles op dien droeven namiddag, toen de verdorde bladeren op hen neervielen. Maar haar woorden herinnerde hij zich niet, wel echter haar droevig glimlachje, haar jong, nog zoo bekoorlijk gezichtje, dat echter reeds de bittere trekken had van hen, die het leven opgegeven hebben. Toen had hij begrepen, dat zij dacht aan den reeds zoo ver achter hen liggenden dag, dat zij op deze zelfde plaats achter de met zonnestralen doorplekte haag afscheid genomen hadden, aan hun tranen, aan hun kussen, aan hun belofte om elkaar eens in de zekerheid van hun geluk terug te zullen vinden. Zij vonden elkaar terug, maar waartoe diende dat nu? Zij toch was reeds als dood en hij zou straks afsterven van het leven van deze wereld. Nu de geneesheeren verklaard hadden, dat zij nooit vrouw zou zijn, nooit echtgenoote, nooit moeder, nu kon hij er ook wel afstand van doen man te zijn, geheel opgaan in God, aan wien zijn moeder hem gewijd had. En hij voelde nog de zoete bitterheid van deze laatste ontmoeting, Marie pijnlijk glimlachend over hun vroegere hinderpalen, hem sprekend over het geluk, dat hij zeker vinden zou in den dienst van God, zoo ontroerd bij die gedachte, dat zij hem had doen beloven haar uit te noodigen, om er getuige van te zijn, als hij zijn eerste mis las.

Bij het station Sainte-Maure rukte een lawaai in den wagon Pierre weer even uit zijn overpeinzingen. Hij dacht aan een ongeluk, aan een nieuwe bezwijming. Maar de smartelijke gezichten, die hij zag, waren nog dezelfde, toonden dezelfde pijnlijke uitdrukking, hetzelfde angstige wachten op de goddelijke hulp, die zoo langzaam kwam. Mijnheer Sabathier trachtte vergeefs zijn beenen in een makkelijke houding te brengen, broeder Isidore kreunde aan één stuk door zachtjes als een stervend kind, terwijl madame Vêtu, ten prooi aan een hevigen aanval, ineenkromp van pijn en, haar lippen op elkaar geklemd en haar gezicht vertrokken, zelfs geen adem meer haalde. Het lawaai was veroorzaakt door madame de Jonquière, die bij het schoonmaken van een kom, de waterkan had laten vallen. En ondanks haar martelende pijnen had dit de zieken aan het lachen gemaakt evenals eenvoudige zielen, die door het lijden kindsch worden. Onmiddellijk liet zuster Hyacinthe, die ze met het grootste recht haar kinderen noemde, kinderen, die zij met één enkel woord gehoorzamen deed, hen weer den Rozenkrans afbidden, in afwachting van het Angelus, dat volgens het vastgestelde programma te Châtellerault gebeden zou worden. De Ave's volgden elkaar op, het was nog slechts een dof gemurmel, dat verloren ging in het knarsen der koppelstangen en het lawaai der wielen.

Pierre was zes-en-twintig en priester. Enkele dagen vóór zijn wijding waren nog laat bedenkingen bij hem opgekomen, het heimelijke bewustzijn, dat hij zich verbond zonder nauwkeurig zelf-onderzoek. Maar hij had het met opzet nagelaten, hij leefde in de verdooving van zijn beslissing, daar hij meende met één bijlslag al wat in hem aan den mensch herinnerde, gedood te hebben. Zijn vleesch was afgestorven met zijn onschuldigen jeugdroman, dat blanke jonge meisje met haar goudblonde haren, dat hij nog slechts voor zich zag op haar ziekbed, het vleesch afgestorven als het zijne. Vervolgens had hij zijn gezond verstand ten offer gebracht, wat hij toen voor heel makkelijk hield, daar hij hoopte, dat het voldoende zou zijn te willen, om niet meer te denken. Ook was het te laat, hij kon op het laatste oogenblik niet terug; en ook al voelde hij zich in het uur, dat hij den laatsten plechtigen eed uitsprak, bevangen door een geheime vrees, door een onbestemde, smartelijke spijt, toch had hij alles vergeten, was hij goddelijk beloond voor zijn offer, toen hij zijn moeder de zoo lang verwachte groote vreugde gaf haar zijn eerste mis te hooren lezen. Hij zag haar nog, zijn arme moeder in de kleine kerk te Neuilly, die zij zelf gekozen had, de kerk, waarin de uitvaartdiensten voor zijn vader gehouden waren, hij zag haar nog, zooals zij op dien kouden Novemberochtend bijna alleen in de sombere kapel met haar gelaat in haar handen geknield lag en lang weende, terwijl hij de hostie ophief. Daar had zij haar laatste geluk gekend, want zij leefde eenzaam en alleen: haar oudsten zoon, die, andere denkbeelden toegedaan, alle betrekkingen met zijn familie had afgebroken, sedert zijn broer besloten had priester te worden, zag zij niet meer. Men vertelde, dat Guillaume, evenals zijn vader een talentvol scheikundige, maar beneden zijn stand geraakt en opgaande in revolutionnaire droombeelden, een klein huisje in de buitenwijken van Parijs bewoonde, waar hij zich geheel wijdde aan gevaarlijke studiën van springmiddelen; terwijl men er ook nog bij wist te vertellen, wat iederen band tusschen hem en zijn zoo vrome moeder verbroken had, dat hij in vrije liefde leefde met een vrouw, die hij ergens "opgeduikeld" had. In geen drie jaar had Pierre, die in zijn jonge jaren van Guillaume als van een vaderlijken, goeden en vroolijken vriend gehouden had, hem meer gezien.

Dan voelde hij zijn hart pijnlijk samenkrimpen: hij zag zijne moeder dood terug. Ook hier een plotseling sterven, een ziekte van nauwlijks drie dagen, een plotselinge dood, zooals bij madame de Guersaint. Op een avond, toen hij als een krankzinnige rondgeloopen had, om een dokter te vinden, had hij haar bij zijn terugkomst dood, onbeweeglijk, bleek gevonden; op zijn lippen voelde hij nog steeds de ijskoude aanraking van haar lippen. Van de rest herinnerde hij zich niets meer, niets van het waken bij de doode, niets van de voorbereidselen, niets van de begrafenis. Dat alles was verdwenen in het duister van zijn wezenloosheid, een zoo woest verdriet, dat hij er bijna aan gestorven was. Na den terugkeer van het kerkhof rilde hij van de koorts, een slijmkoorts, die hem drie weken lang tusschen leven en dood had doen zweven.

Zijn broeder was hem komen verplegen; daarna had Guillaume zich bezig gehouden met de regeling van de erfenis, hem het huis en een kleine rente overlatend, terwijl hij zelf zijn deel in contanten nam; vervolgens was hij, toen hij zag, dat zijn broer buiten gevaar was, weer weggegaan en naar zijn verborgen hoek teruggekeerd. Maar welk een langzaam herstel in dat eenzame verlaten huis! Pierre had niets gedaan, om Guillaume terug te houden, want hij begreep, dat er een afgrond tusschen hen gaapte. In den beginne had hij onder die eenzaamheid geleden. Doch later was zij hem lief geworden in de groote stilte der kamer, die niet door geluiden van buiten gestoord werd, en onder de vredige schaduw van den kleinen tuin, waarin hij geheele dagen zitten kon, zonder een levende ziel te zien. Zijn geliefkoosd toevluchtsoord was het oude laboratorium, de werkkamer van zijn vader, dat zijn moeder twintig jaar lang zorgvuldig gesloten gehouden had, als om er het verleden van ongeloof en verdoemenis in op te sluiten. Misschien zou zij, ondanks haar zachtmoedigheid en haar eerbiedige vereering voor den doode, er ten slotte toch toe zijn overgegaan, om de boeken en de papieren te vernietigen, indien de dood haar niet was komen overvallen. Pierre had de kamer goed laten luchten, het bureau en de boekenkast laten afstoffen, had den grooten lederen fauteuil tot den zijne gemaakt en bracht er heerlijke uren in door; door zijn ziekte als wedergeboren en zich opnieuw in zijn jeugd teruggebracht voelend, genoot hij van het lezen der boeken, die hem in handen kwamen, als van een zeldzaam intellectueel genot.