Part 29
In den beginne was het een nieuwe oplaaiïng van geestdrift. De oude stad, die zich achtergesteld voelde, maakte gemeene zaak met haar pastoor, nu al het geld, al het leven dreigde te stroomen naar de nieuwe stad, die om de Basilica uit den grond opschoot. De gemeenteraad voteerde een som van honderd duizend francs, die ongelukkigerwijze echter pas gestort zou worden, wanneer de kerk onder de kap zou staan. Reeds had abbé Peyramale de plannen van den architect, een, zooals hij gewild had, zeer grandioos ontwerp, aanvaard en onderhandeld met een aannemer te Chartres, die zich verbond de kerk in drie of vier jaar te bouwen, indien de beloofde stortingen regelmatig geschiedden. Overtuigd, dat de giften ongetwijfeld van alle kanten zouden blijven toestroomen, waagde hij de zaak zonder eenige ongerustheid; hij was moedig tot op het vermetele af, rekende er vast op, dat de hemel hem niet in den steek laten zou. Hij meende zelfs zeker te zijn van den steun van den nieuwen bisschop, Mgr. Jourdan, die, na den eersten steen gezegend te hebben, een toespraak hield, waarin hij de noodzakelijkheid en het verdienstelijke van het werk erkende. Het scheen, dat pater Sempé zich er met zijn gewone nederigheid bij neergelegd en de rampzalige concurrentie, die hem tot deelen dwong, aanvaard had, want hij deed alsof hij zich geheel wijdde aan de administratie van de Grot en had zelfs in de Basilica een offerblok voor de nieuwe, in aanbouw zijnde kerk laten plaatsen.
Daarna begon de heimelijke, verbitterde strijd opnieuw. Abbé Peyramale, die een zeer slecht administrateur was, juichte en jubelde, toen hij zijn kerk zoo snel groot zag worden. Het werk werd met bekwamen spoed uitgevoerd en hij wilde niets liever, overtuigd als hij was, dat de Heilige Maagd betalen zou. Hij was dan ook met stomheid geslagen, toen hij eindelijk bemerkte, dat de giften niet zoo meer toestroomden, dat het geld der geloovigen niet meer tot hem kwam, alsof in het verborgen iemand de bron afgeleid had. De dag kwam, waarop hij de beloofde betalingen niet storten kon. Er had een handige worging plaats gehad, die hij later pas volkomen begreep. Blijkbaar had pater Sempé ook den nieuwen bisschop geheel voor de Grot weten te winnen. Men vertelde zelfs, dat er in de verschillende diocesen vertrouwelijke circulaires verspreid waren met de aanmaning, om geen geld meer voor de parochie te verzenden. De vraatzuchtige Grot, de onverzadelijke Grot wilde alles, verslond alles; ja het kwam zoo ver, dat biljetten van vijfhonderd francs, die in het offerblok geworpen waren, achtergehouden werden: men plunderde het offerblok, bestal de parochie. Maar de pastoor hield in zijn hartstocht voor de grooter wordende kerk, die als het ware zijn dochter was, heldhaftig stand, zou er zijn bloed voor gegeven hebben. Hij had eerst het contract gesloten op naam van het parochiaal vermogen; daarna, toen hij niet wist, hoe hij betalen moest, op zijn eigen naam. Hij leefde nog slechts voor zijn kerk en putte zich uit in heroïsche inspanning. Van de vierhonderd duizend francs, die beloofd waren, had hij er slechts tweehonderd duizend kunnen betalen, terwijl de gemeente hardnekkig weigerde de gevoteerde honderd duizend francs te storten, zoolang de kerk niet onder de kap stond. Dit ging zeer duidelijk tegen de belangen der stad in. Naar men beweerde, werkte pater Sempé in het geheim alles tegen. Plotseling triompheerde hij: het werk werd gestaakt.
Van dat oogenblik af trad de doodsstrijd in. Pastoor Peyramale, die breedgeschouderde bergreus met zijn leeuwenkop, wankelde, in zijn hart getroffen, en sloeg neer als een door den bliksem verpletterde eik. Hij moest het bed houden en stond niet meer op. Allerlei verhalen deden de rondte, men vertelde dat pater Sempé getracht had onder het een of andere vrome voorwendsel in de pastorie binnen te komen, om te zien, of zijn gevreesde tegenstander wel degelijk doodelijk gewond was; en men vertelde erbij, dat men hem uit de ziekenkamer, waar zijn aanwezigheid een ergernis was, had moeten wegjagen. En toen de pastoor, overwonnen en overstelpt door bitterheid, gestorven was, kon men pater Sempé zien triompheeren bij de begrafenis, waarvan men hem niet verwijderd had durven houden. Men beweerde, dat hij daarbij een afzichtelijke vreugde aan den dag gelegd had en dat zijn gezicht straalde van zijn triomf.
Eindelijk was hij dan bevrijd van den eenigen man, die hem hinderpalen in den weg kon leggen, voor wiens wettelijke autoriteit hij bang was. Hij zou niet langer meer gedwongen kunnen worden om met iemand te deelen, nu de twee groote arbeiders van Notre-Dame de Lourdes uit den weg geruimd waren: Bernadette in het klooster, abbé Peyramale onder den grond. De Grot was nu maar alleen van hem, de giften kwamen alleen naar hem; naar zijn goeddunken zou hij het budget van achthonderd duizend francs, waarover hij jaarlijks beschikte, kunnen gebruiken. Nu zou hij de reusachtige werken voltooien, die van de Basilica een wereld op zichzelf zou maken; zou hij medewerken aan de opbloei van de nieuwe stad, om de oude nog meer te isoleeren, haar te verbannen achter haar rots als een onbeteekenende parochie, die wegzonk in de schittering van haar almachtige buurvrouw. Dat was het definitieve koningschap, al het geld en alle heerschappij.
Toch was de nieuwe parochiekerk, hoewel het werk gestaakt was en zij in haar omheining van planken sliep, voor meer dan de helft afgebouwd, tot aan de gewelven der benedenvleugels. Zij stond daar nog altijd als een bedreiging, voor het geval de stad haar op den een of anderen dag zou willen voltooien. Hij moest haar volkomen dooden, er een onherstelbare ruïne van maken. Het heimelijke werk werd dus voortgezet, een wonder van wreedheid en langzame vernietiging. In de eerste plaats werd de nieuwe pastoor, een zwakkeling, zoozeer door pater Sempé ingepalmd, dat hij zelfs niet eens meer de aan de parochie gerichte geldzendingen openmaakte: alle aangeteekende brieven werden direct naar de paters gebracht. Vervolgens werd de voor de nieuwe kerk uitgekozen plaats aan een strenge kritiek onderworpen en liet men door den architect van het diocees een rapport opmaken, waarin verklaard werd, dat de oude kerk nog solide en voor de behoeften van den eeredienst volkomen toereikend was. Maar vooral wendde men zijn invloed op den bisschop aan, wees men hem op het onaangename van de geldelijke moeilijkheden met den aannemer. Peyramale werd nu als een onbesuisde stijfkop voorgesteld, een soort krankzinnige, wiens ongekende ijver den godsdienst bijna gecompromitteerd had. En vergetende, dat hij den eersten steen gezegend had, vaardigde de bisschop een herderlijk schrijven uit om de kerk van de deelneming aan de sacramenten uit te sluiten met verbod daarin een religieuzen dienst te celebreeren.
Dit was de genadeslag. Eindelooze processen waren er het gevolg van: de aannemer, die van de vijfhonderd duizend francs uitgevoerde werken er slechts tweehonderd duizend ontvangen had, sprak den erfgenaam van den pastoor, het parochiaal vermogen en de stad aan, daar deze laatste steeds bleef weigeren de door haar gevoteerde honderd duizend francs te betalen. Eerst verklaarde de prefectuurraad zich onbevoegd van de zaak kennis te nemen, dan veroordeelde hij, nadat de Raad van State de zaak naar hem teruggewezen had, de stad de honderdduizend francs te betalen en den erfgenaam de kerk te voltooien, terwijl hij verklaarde, dat het parochiaal vermogen buiten het geding stond. Maar er werd appèl aangeteekend bij den Raad van State, die het arrest vernietigde, en, nu zelf uitspraak doende, het parochiaal vermogen of bij gebreke daarvan den erfgenaam veroordeelde tot betaling van den aannemer. Doch daar geen van beide tot betalen in staat was, bleef de zaak daarbij.
Deze processen hadden vijftien jaar geduurd. Daar de stad er eindelijk in toegestemd had hem honderd duizend francs te geven, was men aan den aannemer nog slechts tweehonderd duizend francs schuldig. Doch allerlei kosten en de interest op interest hadden deze som zoo opgevoerd, dat zij bijna zeshonderd duizend francs bedroeg; en daar men aan den anderen kant het voor de voltooiïng van de kerk noodige bedrag op vierhonderd duizend francs schatte, was er dus een millioen noodig om de jonge ruïne van een zekere vernietiging te redden. Van dien dag af konden de paters rustig slapen; zij hadden haar vermoord, de kerk was nu eveneens dood.
De klokken van de Basilica luiden een jubellied, pater Sempé heerschte. Als overwinnaar was hij uit den reuzenstrijd te voorschijn gekomen, uit dezen strijd met het mes, waarin men steenen gedood had, na in de schaduw der sacristieën een man vermoord te hebben. En het koppige, bekrompen Lourdes moest er leelijk voor bloeden, dat het zijn pastoor, die uit liefde voor zijn parochie gestorven was, niet beter gesteund had, want van af dat oogenblik bloeide en groeide de nieuwe stad ten koste van de oude. Al het geld ging naar de eerste, de paters der Grot sloegen uit alles geld, werden vennooten in hotels en kaarsenwinkels, verkochten het bronwater, hoewel het hun volgens een uitdrukkelijke bepaling in het contract met de gemeente ten strengste verboden was waarin ook handel te drijven. Het geheele land ging zedelijk ten gronde, de triomf der Grot had een zoo groote winzucht, zoo'n brandende koorts om te bezitten en te genieten met zich gebracht, dat onder den plasregen der millioenen een buitengewoon zedenbederf zich van dag tot dag uitbreidde en het Bethlehem van Bernadette in Sodom en Gomorrha veranderde. Pater Sempé voleindigde den triomf van God te midden van de menschelijke ontaarding en de verwoesting der zielen. Reusachtige bouwwerken rezen uit den grond op, vijf of zes millioen reeds waren uitgegeven, alles had men geofferd aan dien absoluten wil om de parochie op zijde te schuiven, teneinde de geheele prooi voor zich te houden.
De machtige, zoo kostbare hellingen waren slechts aangelegd om den wensch van de Heilige Maagd, die gevraagd had, dat men in processie naar de Grot zou gaan, op slinksche wijze te ontduiken. Van de Basilica langs de linkerhelling naar beneden en langs de rechterhelling er weer naar toe gaan, was geen processie, maar een eenvoudige rondgang. Maar de paters waren erin geslaagd, dat men van hen uitging, om bij hen terug te keeren; op die wijze waren zij de eenige eigenaars, de rijke bezitters, die den geheelen oogst binnenhaalden. Pastoor Peyramale lag in de crypt van zijn onvoltooid gebleven kerkruïne begraven. Bernadette had haar doodsstrijd ver weg in een klooster gestreden en sliep nu ook onder den grafsteen van een kapel.
Een diepe stilte heerschte, toen dr. Chassaigne zijn lang verhaal geëindigd had. Dan stond hij moeilijk op.
"Kom jongen, het zal dadelijk tien uur slaan en ik wil, dat je wat gaat rusten... Laten we teruggaan."
Zwijgend volgde Pierre hem. In een vlugger tempo gingen zij naar de stad terug.
"Ja," begon de dokter weer, "er hebben daar schandelijke ongerechtigheden plaats gegrepen. Maar wat zal ik je zeggen? De mensch bederft de mooiste dingen... En je kunt je niet voorstellen hoe verschrikkelijk treurig al die dingen zijn, die ik je daarnet verteld heb. Dat moet je zien en met je vinger aanraken. Wil je vanavond eens met me naar de kamer van Bernadette en de onvoltooide kerk van abbé Peyramale gaan?"
"Zeker, heel graag!"
"Nu, kom dan na de processie van vier uur bij de Basilica, dan zal ik zorgen daar te zijn."
Ieder in zijn eigen overpeinzingen verdiept, spraken zij niet meer.
Rechts van hen stroomde nu de Gave in een diepe kloof, een soort inkerving, waarin hij zich stortte en als tusschen het struikgewas verdween. Soms echter zag men weer een stuk van zijn matzilveren waterspiegel. Verderop maakte hij een plotselinge kromming en stroomde hij breed over een vlakte. Blijkbaar veranderde hij daar dikwijls van bedding, want de uit zand en kiezel bestaande grond was in alle richtingen uitgehold. De zon begon reeds te branden hoog aan den hemel, waarin het lichte blauw van het eene einde van den onmetelijken circus der bergen naar het andere donkerder werd.
Bij de kromming van den weg rees Lourdes, hoewel nog in de verte, weer voor de oogen van Pierre en dr. Chassaigne op. Onder den schitterenden ochtendhemel teekende de stad, onder den sluier van opdwarrelend gouden en purperen stof, met haar huizen en haar monumenten, die bij iederen stap duidelijker werden, zich wit tegen den horizont af. Zonder een woord te zeggen wees de dokter met een breed en droevig gebaar naar die zich zoo uitbreidende stad, als wilde hij haar als getuige oproepen voor wat hij zooeven gezegd had.
Reeds zag men den op dit uur nog zwakken gloed van de Grot tusschen het groene loof. Vervolgens strekten de reusachtige bouwwerken zich voor hen uit, de kade van gehouwen steen langs de geheele lengte van den Gave, waaraan men een andere bedding had moeten geven; de nieuwe brug, die de pas aangelegde tuinen met den onlangs in gebruik genomen boulevard verbond; de reusachtige hellingen, de massieve Rozenkranskerk, de slanke Basilica, die met een fiere gratie boven alles uitstak. Op dezen afstand zag men van de nieuwe stad slechts een gewemel van witte gevels, een geflikker van nieuwe dakpannen, de groote kloosters, de groote hotels, de rijke stad, die als door een wonder uit den ouden, armen grond opgeschoten was, terwijl achter de rotsmassa, waarop zich de instortende muren van het Kasteel en profil afteekenden, hier en daar de nederige daken der oude stad zich vertoonden, een warreling van door den tijd aangevreten, bang zich tegen elkaar aandrukkende daakjes. En als achtergrond tegen deze bezwering van het leven van heden en van gisteren rezen onder de glorie der eeuwige zon de Kleine Gers en de Groote Gers op en versperden den horizont met hun kale hellingen, die de schuin vallende zonnestralen geel en rose streepten.
Dr. Chassaigne bracht Pierre tot aan het Hôtel des Apparitions; daar eerst nam hij afscheid van hem, na hem nog eerst even herinnerd te hebben aan hun afspraak voor dien avond. Het was nog geen elf uur. Hoewel hij plotseling door moeheid overweldigd werd, dwong hij zich, alvorens naar bed te gaan, nog eerst te eten, want hij voelde, dat de behoefte daaraan een van de voornaamste redenen van zijn zwakheid was. Gelukkig vond hij aan de table-d'hôte nog een plaats vrij; met open oogen slapend, at hij zonder dat hij wist, wat hem voorgezet werd, dan ging hij naar boven en wierp zich op zijn bed, na eerst het kamermeisje gezegd te hebben hem om drie uur te wekken.
Maar zoodra hij lag, belette de koortsachtige opwinding, waarin hij verkeerde, hem zijn oogen dicht te doen. Een paar handschoenen, die hij in de kamer ernaast had zien liggen, deed hem plotseling denken aan mijnheer de Guersaint, die voor het aanbreken van den dag naar Gavarnie gegaan was en eerst 's avonds terug zou komen. Welk een heerlijke gave toch die onbezorgdheid! Hij met zijn door moeheid gebroken ledematen en zijn bekommerden geest voelde zich diep-treurig. Alles scheen samen te spannen tegen zijn wil om het geloof van zijn jeugd terug te krijgen. De tragische geschiedenis van pastoor Peyramale had het verzet, dat de levensloop van Bernadette, uitverkorene en martelares, in hem gewekt had, nog aangewakkerd. Zou de waarheid, die hij te Lourdes was komen zoeken, in plaats van hem zijn geloof terug te geven, hem ertoe brengen de onwetendheid en de lichtgeloovigheid nog meer te haten, hem de bittere zekerheid geven, dat de mensch met zijn verstand alleen staat op deze wereld?
Eindelijk viel hij in een sluimering. Maar droombeelden fladderden voortdurend door zijn onrustigen slaap. Hij zag Lourdes, bedorven door het geld, als een plaats van ontaarding en zedenbederf, als een uitgestrekte bazar, waarin alles te koop was, missen en zielen. Hij zag pastoor Peyramale begraven te midden van de ruïnen van zijn kerk tusschen de brandnetels, die de ondankbaarheid gezaaid had. En hij kwam eerst tot rust, genoot eerst de zaligheid van het niet-meer-zijn, toen een laatste, bleek en jammervol visioen verdwenen was, dat van Bernadette te Nevers, neergeknield in een donker hoekje en droomend van haar werk daar in de verte, dat zij nooit aanschouwen zou.
VIERDE DAG
I.
Met haar rug tegen de kussens leunend was Marie dien ochtend in het Hôpital des Notre-Dame des Douleurs op haar bed blijven zitten. Nu zij den geheelen nacht in de Grot had doorgebracht, wilde zij er zich niet weer heen laten rijden. Toen madame de Jonquière een der kussens, dat naar beneden gegleden was, wat op kwam trekken, vroeg zij:
"Welke dag is het vandaag, madame?"
"Maandag, kindlief."
"O ja, dat is waar ook! Je weet heusch niet meer, hoe je leeft... En bovendien voel ik me zoo gelukkig! Vandaag zal de Heilige Maagd mij genezen."
Een hemelsch glimlachje speelde op haar gezicht als van een wakende droomster; haar oogen staarden in het verre niet; zij ging zoo geheel op in haar idée fixe, dat zij in de verte niets zag dan de zekere verwezenlijking van haar hoop. De zaal Sainte-Honorine was langzamerhand leeg geworden, alle zieken waren naar de Grot gegaan, alleen madame Vêtu was, stervend, op het bed naast haar achtergebleven. Maar zij zag haar zelfs niet, zij vond de plotselinge vredige kalmte, die om haar ontstaan was, zoo heerlijk. Men had een der ramen, die op de binnenplaats uitkwamen, open gezet; de stralende ochtendzon viel in een breeden straal naar binnen, waarvan het gouden stof precies op haar lakens danste en op haar witte handen speelde. Het was zoo heerlijk, nu die 's nachts zoo lugubere zaal met haar opeenhooping van pijnlijk-smartelijke ziekbedden, met haar stank, met gekerm van nachtmerries, plotseling door de zon verlicht en door de ochtendlucht verfrischt werd.
"Waarom probeer je niet wat te slapen?" vroeg madame de Jonquière moederlijk bezorgd. "Je moet dood op zijn van zoo'n heelen nacht waken!"
"Maar ik ben heelemaal niet moe, ik heb geen slaap... Slapen, neen, dat zou ik nu niet graag doen, want dan zou ik niet weten, dat ik beter word."
Madame de Jonquière moest om die woorden lachen.
"Maar waarom heb je dan niet naar de Grot willen gaan? Je zult je hier alleen in bed zoo vervelen!"
"Ik ben niet alleen madame, zij is bij me!"
En terwijl zij zich het visioen weer voor den geest riep, vouwde zij in haar extase haar handen.
"U weet toch, dat ik haar vannacht gezien heb en dat zij mij toeknikte en tegen mij geglimlacht heeft. Ik heb haar goed begrepen en heel goed haar stem gehoord, hoewel zij haar lippen niet opendeed. Om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament voorbijgedragen wordt, zal ik genezen worden."
Madame de Jonquière wilde haar wat kalmeeren; zij maakte zich eenigszins ongerust over dit soort somnambulisme, waarin zij haar zag. Maar de zieke herhaalde:
"Neen, heusch niet, ik voel me niet slechter, ik wacht... Maar u begrijpt, mevrouw, dat ik vanochtend niet naar de Grot behoef te gaan, nu ik met haar voor vanmiddag vier uur afgesproken heb."
En fluisterend voegde zij haar toe:
"Om halfvier zal Pierre me komen halen, en om vier uur ben ik beter."
Langzaam kroop de zon langs haar bloote, doorschijnende, ziekelijk magere armen, terwijl haar prachtige blonde haren, die over haar schouders afgleden, een uitvloeiïng zelf van het hemellichaam schenen, die haar geheel omgaf. Op de binnenplaats zong een vogel, waardoor de huiverige stilte der zaal wat opgevroolijkt werd. Blijkbaar speelde er ook een kind, dat men echter niet zag, want nu en dan liet zich een zacht gelach in de heerlijke stille, lauwe lucht hooren.
"Slaap dan maar niet, als je geen slaap hebt," zeide madame de Jonquière, "maar wees nou verstandig en blijf kalm liggen, dan rust je in ieder geval goed uit."
In het bed ernaast lag madame Vêtu te sterven. Uit vrees, dat zij onderweg den laatsten adem uit zou blazen, had men haar niet naar de Grot durven brengen. Sinds eenige oogenblikken lag zij met haar oogen dicht, en zuster Hyacinthe, die haar zoo zag liggen, wenkte madame Désagneaux. Beiden bogen zij zich nu over de stervende heen en keken met stijgende ongerustheid naar haar. Haar gelaat was nog geler geworden, het had nu een modderachtige kleur; de oogkassen waren dieper geworden, haar lippen schenen steeds meer te vermageren. Een reutelen, een zachte, verpestende, door den kanker, die haar maag opvrat, vergiftigde ademhaling. Plotseling sloeg zij haar oogleden op; zij schrok, toen zij die twee gezichten over het hare gebogen zag. Naderde de dood, dat men haar zoo aankeek? Een eindelooze droefheid, een hopeloos verlangen om te blijven leven kwam in haar oogen. Maar tot een heftig verzet kwam het niet, zij had de macht niet meer om zich te verzetten; maar hoe vreeselijk was het haar winkel, haar gewoonten, haar man te hebben verlaten, om zoo ver te moeten sterven! De verschrikkelijke marteling van zoo'n reis te verduren, overdag te bidden, 's nachts te bidden en dan niet verhoord worden, sterven, terwijl anderen genazen!
Zij kon slechts stamelen:
"Ik heb zoo'n pijn, ik heb zoo'n pijn... Ik smeek u, doe ten minste iets, zorg, dat ik niet zoo'n pijn heb!"
De kleine madame Désagneaux met haar knap, melkblank kroeskopje was geheel van streek. Zij was het niet gewend bij doodsstrijden aanwezig te zijn, zij zou, zooals zij zich uitdrukte, de helft van haar hart willen geven, om die arme vrouw te redden. Zij richtte zich weer op en begon met zuster Hyacinthe, die ook tot tranen toe ontroerd was, maar reeds berustte nu zij wist, dat de vrouw een goeden dood zou sterven, te praten. Was er werkelijk niets meer aan te doen? Kon men niets meer probeeren, zooals de stervende gevraagd had? Twee uur geleden had abbé Judaine haar het laatste oliesel gegeven en het avondmaal toegediend. Zij had nu de hulp van den hemel, de eenige, waar zij nog op rekenen kon, nu zij sedert lang niets meer van de menschen verwachtte.
"Neen, neen, wij moeten het probeeren!" riep madame Désagneaux uit.
En zij ging madame de Jonquière, die bij Marie zat, halen.
"Hoort u niet, hoe vreeselijk die ongelukkige lijdt. Zuster Hyacinthe beweert, dat zij hoogstens nog een paar uur te leven heeft. Maar wij kunnen haar niet zoo laten kermen... Er zijn toch kalmeerende middelen. Waarom kan die jonge dokter niet eens komen?"
"Zeker, waarom niet?" antwoordde de directrice. "Dadelijk!"
In de ziekenzalen dacht men nooit aan den geneesheer. De gedachte, om hem te roepen, kwam eerst in de dames op, wanneer een der zieken in een heftigen aanval lag te gillen van pijn.
Zuster Hyacinthe zelf verwonderde er zich over, dat zij niet aan Ferrand gedacht had, hoewel zij wist, dat hij in de kamer ernaast was, en vroeg:
"Wil ik mijnheer Ferrand even halen, madame?"
"Ja, graag, en breng hem gauw hier!"
Toen de zuster weg was, liet madame de Jonquière zich door madame Désagneaux helpen, om het hoofd van de stervende wat op te richten, daar zij dacht, dat dit haar wat verlichting geven zou. Toevallig waren deze twee dames dien ochtend alleen, alle anderen waren weg om haar godsdienstige plichten te vervullen of voor particuliere aangelegenheden. Achter in de groote, ledige zaal, met haar zachten vrede, waarin de zon zoo heerlijk warm scheen, hoorde men niets dan nu en dan het zachte gelach van het kind, dat men niet zag.
"Maakt Sophie al dat leven?" vroeg de directrice, die een beetje zenuwachtig was door de catastrophe, die zij voorzag, plotseling.
Zij liep naar het einde der zaal; het was inderdaad Sophie Couteau, de wonderdadig genezene van het vorige jaar, die achter een bed op den grond zat en hoewel ze al veertien jaar was, zich amuseerde met het maken van een pop uit lappen. Zij praatte ermee, zij ging zoo in haar spel op, dat zij van harte lachte.
"Sta recht, jongejuffrouw! Dans eens een polka! Een, twee! Dans en spring en zoen wie je wilt!"
Maar madame de Jonquière kwam naar haar toe.
"Kindlief, een van onze zieken heeft vreeselijk veel pijn... Je moet niet zoo hard lachen!"
"Ik wist het heusch niet, madame."
Zij was opgestaan en hield, ernstig nu, haar pop in haar hand.