Part 28
Pierre had met een gebaar toegestemd. Naast elkaar liepen zij nu, zonder een woord te zeggen, den hellenden weg af. Dien ochtend scheen de dokter meer terneergeslagen dan gewoonlijk, alsof het gesprek met zijn lieve dooden zijn hart nog meer had doen bloeden. Het was of de adelaarsneus in zijn bleek, door witte haren omraamd gelaat gezakt was, terwijl tranen zijne oogen vochtig maakten. En het was zoo heerlijk, zoo zacht in de volle zon op dien prachtigen ochtend! Nu volgde de weg den loop van den Gave op den rechteroever aan de overzijde van de nieuwe stad. Ze zagen de tuinen, de hellingen, de Basilica. Dan vertoonde zich tegenover hen de Grot met haar eeuwigen gloed van kaarsen, die door het volle daglicht verbleekt werd.
Dr. Chassaigne had opgekeken en maakte het teeken des kruises. Eerst begreep Pierre het niet. Maar toen hij op zijn beurt de Grot gezien had, keek hij verbaasd zijn ouden vriend aan en kwam dezelfde verwondering weer in hem op over dezen man van wetenschap, dezen godloochenaar en materialist, dien de smart verpletterd had en die nu geloofde en in de vreugdevolle verwachting leefde in een ander leven zijn lieve, zoo beweende dooden terug te zien. Het hart had het verstand overwonnen; de oude, alleen gebleven man leefde nog slechts van de illusie om te herleven in het paradijs, waar men elkaar terugvindt. En de gedruktheid van den jongen priester werd er des te grooter door. Moest hij dan wachten tot hij oud geworden was en een dergelijke smart ondervonden had, voor hij eindelijk een toevlucht in het geloof zou vinden.
Zij bleven doorloopen en verwijderden zich langs den Gave steeds verder van de stad. Zij werden door die heldere, tusschen met boomen beplante oevers over kiezelsteentjes voortkabbelende golfjes als het ware gewiegd. Steeds nog zwegen zij, ieder verzonken in zijn eigen leed.
Dan vroeg Pierre plotseling:
"En Bernadette, hebt u Bernadette gekend?"
De dokter keek op.
"Bernadette... Ja, ik heb haar eens gezien, in later tijd."
Een oogenblik viel hij in zijn zwijgen terug, dan begon hij:
"Begrijp me nu eens goed, jongen. In 1858, in den tijd der verschijningen, was ik als jong dokter van dertig jaar een vijand van al het bovennatuurlijke en dacht er nauwlijks aan naar mijn bergen terug te keeren, om naar een vrouw, die visioenen had, te gaan kijken ... Maar vijf of zes jaar later, omstreeks 1864, was ik hier in de buurt en heb toen uit nieuwsgierigheid een bezoek gebracht aan Bernadette, die toen nog bij de Blauwe Zusters was."
Pierre herinnerde zich, dat zijn wensch om zijn enquête over Lourdes te voltooien, een der redenen van zijn reis naar Lourdes was. En wie wist of de genade hem niet ten deel zou vallen door dat nederige en aanbiddelijke meisje, zoodra hij overtuigd zou zijn van de zending van goddelijke vergiffenis, die zij op aarde vervuld had. Misschien zou het voldoende zijn haar beter te leeren kennen, om de zekerheid te erlangen, dat zij inderdaad de heilige en de uitverkorene was.
"Vertel mij alles wat u van haar weet," verzocht hij dringend.
Een flauw glimlachje speelde om de lippen van den dokter. Hij begreep, wilde deze door twijfel getroffen priesterziel zoo gaarne tot kalmte brengen.
"Graag, arme jongen! Ik zou het zoo heerlijk vinden als ik er wat toe bijdragen kon, om het licht in je te doen worden... Je hebt gelijk, dat je Bernadette lief hebt, dat kan je redden; want ik heb sedert die gebeurtenissen, die nu reeds zoo ver achter ons schijnen te liggen, nagedacht en ik moet je eerlijk zeggen, dat ik nooit een zoo goed en zoo bekoorlijk wezen ontmoet heb."
Op den langzamen rhythmus van hun pas, op den mooien, bezonden weg en in den heerlijken ochtend vertelde de dokter hem van zijn bezoek aan Bernadette in 1864. Zij was toen juist twintig jaar, zes jaar vroeger was de Heilige Maagd aan haar verschenen. Zij verbaasde hem door haar eenvoudige manieren, door haar groote bescheidenheid. De zusters van Nevers, die haar hadden leeren lezen, hielden haar bij zich in het ziekenhuis, om haar tegen de publieke nieuwsgierigheid te beschermen. Zij had daar haar bezigheden en hielp de zusters in minderwaardige werkjes, maar zij was zóó dikwijls ziek, dat zij weken achtereen het bed moest houden. Vooral was de dokter getroffen door haar prachtige, onschuldige, vrijmoedige, kinderlijk-reine oogen. Het verder gedeelte van haar gezicht was reeds oud, haar tint vaal, haar trekken grof; als men haar zag, leek zij precies een eenvoudig dienstmeisje, klein, mager en slap. Haar vroomheid was groot gebleven, maar zij had niet dat extatische, dat dwepende, dat men bij haar vermoed zou hebben; integendeel, zij had een meer positieven geest zonder vluchten in het onzienlijke; bijna altijd was zij met het een of ander brei- of borduurwerkje bezig. In één woord het was een doodgewoon schepseltje en geleek in geen enkel opzicht op de groote, hartstochtelijke aanbidsters van Christus. Nooit had zij meer een visioen gehad en nooit sprak zij uit zichzelf over de achttien verschijningen, die over haar leven beslist hadden. Men moest er haar naar vragen. Dan antwoordde zij kort en trachtte weer zoo gauw mogelijk het gesprek af te breken, daar zij niet graag over die dingen sprak. Wanneer men verder aandrong en haar naar den aard van de drie geheimen vroeg, die haar door God toevertrouwd waren, zweeg zij en wendde haar oogen af. Het was onmogelijk haar met zichzelf in tegenspraak te brengen, steeds bleven de bijzonderheden, die zij gaf, gelijk aan haar eerste lezing, ja zij scheen dezelfde woorden met dezelfde stembuigingen precies te herhalen.
"Ik heb haar een geheelen middag onder handen genomen," ging de dokter voort, "maar nooit is zij ook maar een lettergreep afgeweken. Het was verbijsterend, om uit je vel te springen... Ik zweer je, dat zij niet loog, dat zij nooit gelogen heeft, omdat zij niet liegen kon."
Pierre waagde het de opmerking te maken:
"Maar gelooft u niet aan een wilsziekte, dokter? Staat het niet vast, dat sommige gedegenereerden en speciaal jonge meisjes, die een droom, een hallucinatie of het een of ander iets, dat op haar phantasie werkt, gehad hebben, zich daarvan niet kunnen losmaken, vooral wanneer zij in het milieu, waarin de verschijnselen zich voorgedaan hebben, blijven? De in een klooster opgesloten, de alleen in haar idée fixe levende Bernadette, bleef er natuurlijk hardnekkig aan vasthouden."
Weer speelde het flauwe glimlachje om de lippen van den dokter, en met een groot, onbestemd gebaar zeide hij:
"Nou vraag je me te veel, jongen! Je weet, dat ik maar een arme oude kerel ben, die heel weinig trotsch is op zijn wetenschap en geen pretentie meer heeft om iets te verklaren... O zeker, ik ken dat beroemde voorbeeld van een jong meisje, dat zich bij haar ouders zou hebben laten verhongeren, daar zij zich verbeeldde een maagziekte te hebben, maar dat, zoodra men haar in een andere omgeving gebracht had, begon te eten. Maar wat zal ik je zeggen? Dat is maar één feit en er zijn er zoo vele, die ermede in tegenspraak zijn!"
Een oogenblik zwegen zij. Op den weg hoorde men niets dan den regelmatigen rhythmus van hun stappen. Dan ging de dokter voort:
"Overigens is het volkomen waar, dat Bernadette de wereld meed, dat zij zich slechts gelukkig gevoelde in een klein eenzaam hoekje. Nooit heeft zij, voor zoover men weet, een vertrouwde vriendin of iemand, voor wie zij een bijzondere toegenegenheid koesterde, gehad. Zij was jegens allen even zacht en vriendelijk, alleen voelde zij zich bijzonder aangetrokken tot kinderen... En daar ondanks alles de dokter in mij niet heelemaal gestorven is, wil ik je heel graag bekennen, dat ik mij dikwijls met eenige ongerustheid heb afgevraagd, of zij ook geestelijk een maagd gebleven is, zooals zij zeker lichamelijk een maagd geweest is. Het is zeer goed mogelijk, want bedenk, dat zij steeds hartstochtloos en zwak geweest is, dikwijls weken achtereen te bed lag, zonder nog te spreken van de onschuldige omgeving, waarin zij eerst te Bartrès en later in het klooster opgegroeid is. Toch is er een twijfel in mij opgekomen, toen ik hoorde hoeveel belang zij stelde in het door de zusters van Nevers op den weg, dien we nu loopen, gebouwde Weeshuis. Men neemt daarin de arme kleine meisjes op, om ze te beschermen tegen het kwaad, dat zij op straat leeren. Maar dat zij er op stond, dat het zoo groot mogelijk werd, zoodat het alle schapen, die in gevaar waren, kon bevatten, zou dat niet het gevolg kunnen zijn van het feit, dat zij zich herinnerde zelf blootvoets rondgezworven te hebben en nog rilde bij de gedachte wat er van haar had kunnen worden zonder de hulp der Heilige Maagd?"
Hij vertelde verder van de menigten, die samenstroomden om Bernadette te zien en te vereeren. Dat was voor haar altijd een vreeselijk inspannend iets. Geen dag ging er voorbij, zonder dat er een groote menigte bezoekers kwam. Uit alle streken van Frankrijk, uit het buitenland zelfs stroomden zij samen, zoodat men ten slotte de nieuwsgierigen van haar verwijderd moest houden en alleen de ware geloovigen, de geestelijken, de voornamen, die men niet aan de deur afschepen kon, bij haar toeliet. Steeds was er een non aanwezig, om haar van al te groote indiscreties te vrijwaren, want het regende vragen en men putte haar kracht uit door haar steeds weer haar verhaal te laten opzeggen. Dames uit de hoogste kringen wierpen zich aan haar voeten, kusten haar kleed, zouden een stuk ervan als een reliquie hebben willen medenemen. Zij moest haar rozenkrans verdedigen, die allen, in haar extase, haar smeekten te verkoopen, voor zeer hoogen prijs. Een markiezin trachtte haar over te halen door haar een anderen te geven, dien zij medegebracht had, een met een gouden kruis en waarvan de kralen uit fijne paarlen bestonden. Velen hoopten, dat zij in haar tegenwoordigheid een wonder zou doen; men bracht haar kinderen om ze aan te raken, men vroeg haar raad omtrent ziekten, men trachtte haar invloed, dien zij ongetwijfeld op de Heilige Maagd hebben moest, te koopen. Groote sommen werden haar aangeboden; men zou haar, op het geringste teeken van haar, dat zij een koningin wilde zijn, opgesmukt met edelgesteenten en met een gouden kroon gekroond, met koninklijke geschenken overladen hebben. De kleine luiden bleven geknield op den drempel liggen, de grooten der aarde verdrongen zich om haar heen en zouden er een eer in gesteld hebben haar als eere-geleide te mogen dienen. Zelfs werd er verteld, dat een van hen, een mooi en rijke vorst, haar op een mooien, zonnigen Aprildag ten huwelijk was komen vragen.
"Maar," viel Pierre hem in de rede, "wat mij altijd bevreemd en onaangenaam aangedaan heeft, is, dat zij op haar twee-en-twintigste jaar uit Lourdes is vertrokken, die plotselinge verdwijning, dat zich opsluiten in het klooster van den Heiligen Gildard te Nevers, waar zij nooit meer uitgekomen is... Gaf dat geen voedsel aan de valsche geruchten, dat zij krankzinnig was? Geeft men daardoor geen vat aan het vermoeden, dat men haar deed verdwijnen uit vrees voor een indiscretie harerzijds, van een onbedachtzaam woord, dat het geheim van een lang bedrog zou verraden hebben? En om het ruwe woord maar te gebruiken, ik wil u eerlijk bekennen, dat ook ik geloof, dat men haar geëscamoteerd [14] heeft."
De dokter schudde zijn hoofd.
"Neen, neen, beste jongen, in deze heele aangelegenheid is geen sprake van een van te voren in de duisternis voorbereid melodrama, dat daarna door min of meer ingewijde acteurs gespeeld zou zijn. De dingen hebben zich uit zichzelf door de kracht der feiten ontwikkeld; wel zijn ze altijd zeer verward en moeilijk te ontleden geweest... Zoo is het bijvoorbeeld zeker, dat Bernadette zelf het eerst den wensch uitgesproken heeft Lourdes te verlaten. De voortdurende bezoeken vermoeiden haar; zij voelde zich niet op haar gemak te midden van die lawaaierige vereeringen. Zij verlangde slechts een eenzaam hoekje, waarin zij in vrede kon leven, en in haar onbaatzuchtigheid dreef zij haar menschenschuwheid dikwijls zoover, dat zij het geld, dat men haar voor het een of ander vroom doel, een mis te laten lezen of een kaars te laten branden, gaf, wegwierp. Nooit nam zij iets voor zichzelf aan, noch voor haar familie, die altijd even arm gebleven is. Bij zoo'n fierheid en bij zulk een natuurlijken eenvoud is het heel goed te begrijpen, dat zij verlangde de wereld te verlaten, zich af te zonderen, om zich op een goeden dood voor te bereiden... Haar werk was afgeloopen: zij had die wonderlijke beweging aan den gang gebracht, zonder zelf eigenlijk te weten waarom en hoe. Zij was nu niet noodig meer, anderen leidden de zaken en verzekerden den triomf der Grot."
"Laten we aannemen, dat zij uit eigen beweging gegaan is," zeide Pierre. "Maar wat een verlichting voor degenen, over wie u het zooeven hadt, voor hen, die van dat oogenblik, over den regen van millioenen, die uit de geheele wereld begon te vallen, heer en meester geweest zijn."
"O, ik beweer volstrekt niet, dat men haar tegengehouden heeft," riep de dokter uit. "Eerlijk gezegd, geloof ik, dat men er haar wel toe aangespoord zal hebben. Zij begon ten slotte lastig te worden; niet, dat men bang was voor vertrouwelijke mededeelingen harerzijds, maar zij was geen decoratieve figuur, schuw tot in het overdrevene en heel dikwijls bedlegerig. En bovendien, hoe weinig plaats zij ook te Lourdes innam, hoe meegaande zij ook altijd was, zij was en bleef een macht; zij trok de menigte en was daardoor in zekeren zin een concurrente van de Grot. Voor den roem van de Grot was het gewenscht, dat Bernadette op den achtergrond kwam en niet veel meer dan een legende werd... Dat waren ongetwijfeld de redenen, die den bisschop van Tarbes, Mgr. Laurence, er toe brachten het vertrek te verhaasten. Men beging daarbij echter de fout te beweren, dat het de bedoeling was haar aan wereldsche verleidingen te onttrekken, alsof men bang had moeten zijn, dat zij de zonde van hoogmoed had kunnen begaan door zich over te geven aan de ijdelheid en behagen te scheppen in den roep van heiligheid, waarvan de geheele Christenheid weerklonk. Daarmede deed men haar een groot onrecht aan, want zij was niet tot hoogmoed in staat, evenmin als tot een leugen: nooit heeft er een eenvoudiger, meer bescheiden kind geleefd."
Hij wond zich op en geraakte in geestdrift. Doch dan werd hij plotseling weer kalm en speelde het flauwe glimlachje weer om zijn lippen.
"Het is zoo, ik houd van haar; hoe meer ik aan haar dacht, des te meer ben ik van haar gaan houden... Maar nu moet je niet denken, Pierre, dat het geloof mij heelemaal ongevoelig gemaakt heeft. Al twijfel ik tegenwoordig niet meer aan een hiernamaals, al voel ik de behoefte en den drang in mij om aan een ander, beter en rechtvaardiger leven te gelooven, toch weet ik heel goed, dat hier op aarde de menschen er ook nog zijn; en of zij nu een pij of een soutane dragen, hun leven is dikwijls afschuwlijk moeilijk."
Weer volgde er een stilte. Dan ging hij voort:
"Ik wil je iets vertellen, dat mij maar niet los wil laten... Neem aan, dat Bernadette niet dat eenvoudige, menschenschuwe kind was, dat zij een intrigante en heerschzuchtig was, maak van haar een veroveraarster en een leidster van volkeren; en tracht je dan voor te stellen wat er in dat geval gebeurd zou zijn... Ongetwijfeld zouden de Grot en de Basilica dan aan haar toebehooren. Wij zouden haar bij de ceremoniën met een gouden mijter onder een baldakijn zien tronen. Zij zou de wonderen uitdeelen, haar kleine hand met een gebaar als van een souvereine de scharen naar den hemel leiden. Zij zou stralen als de Heilige, als de uitverkorene, als de eenige, die de godheid van aangezicht tot aangezicht gezien heeft. En per slot van rekening zou dat niet meer dan billijk zijn; zij zou dan het succes kennen, na de moeite doorstaan te hebben, en genieten van haar werk... Terwijl zij nu om den tuin geleid en beroofd van alles is. De wonderbare oogsten, die zij gezaaid heeft, werden door anderen binnengehaald. Gedurende de twaalf jaar, die zij, neergeknield in het duister, in het klooster van den H. Gildard geleefd heeft, waren er hier triompheerende, in gouden gewaden gekleede priesters, die dankgebeden zongen en kerken en gedenkteekenen, gebouwd met millioenen, zegenden. Zij alleen heeft ontbroken bij den triomf van het nieuwe geloof, welks stichtster zij was... Je zult zeggen, dat zij slechts gedroomd heeft. Maar wat een mooie droom dan toch, die een heele wereld in rep en roer gebracht heeft, maar waaruit zij, het lieve kind, nooit ontwaakt is!"
Zij bleven staan en gingen, alsvorens naar de stad terug te keeren, een oogenblik op een rots zitten. Voor hen stuwde de op dit punt vrij diepe Gave zijn blauwe, donker gevlamde golfjes voort, terwijl hij verder op breed over een bed van groote kiezelsteenen stroomde en niet veel meer was dan wit schuim, licht als sneeuw. Een frissche lucht streek in den gouden regen der zon van de bergen.
Het hooren van dit verhaal van Bernadette's exploitatie en vernedering had een nieuw verzet in Pierre wakker geroepen; naar den grond starend dacht hij na over de onrechtvaardige natuur, over de wet, die wil, dat de sterke den zwakke verscheurt.
Dan keek hij weer op.
"Abbé Peyramale hebt u zeker ook wel gekend?"
Er kwam een glans in de oogen van den dokter. Opgewekt klonk zijn antwoord:
"Waarachtig, een rechtschapen en eerlijke kerel, een heilige, een apostel! Met Bernadette is hij de groote man van Notre-Dame de Lourdes geweest. Evenals zij heeft hij er vreeselijk door geleden; evenals zij is hij eraan gestorven. Men weet niets en begrijpt niets van het drama, dat zich hier afgespeeld heeft, als men die geschiedenis niet kent."
Uitvoerig vertelde hij haar nu. Ten tijde der verschijningen was abbé Peyramale pastoor te Lourdes. Het was een groote, breedgeschouderde man met een breeden leeuwenkop, een echte zoon van het land met een helder verstand, eerlijk en oprecht, maar soms wat opvliegend en heerschzuchtig. Hij scheen als geschapen om te strijden, was een vijand van alle overdreven kwezelarij en vervulde zijn ambt met een breeden blik. In den beginne stond hij dan ook eenigszins wantrouwend tegenover de verhalen van Bernadette, weigerde hij ze te gelooven, ondervroeg haar, eischte bewijzen. Eerst later, toen de wind des geloofs onweerstaanbaar werd, de meest weerspannigen tegen den grond wierp en de menigten met zich meesleepte, boog ook hij zich; voornamelijk toch was het zijn liefde voor de armen en verdrukten, die in opstand kwam, toen hij zag, dat men dreigde Bernadette gevangen te zetten: de burgerlijke autoriteiten vervolgden een van zijn schapen, zijn herderlijk hart ontwaakte, met al zijn vurigen hartstocht van rechtvaardigheid en gerechtigheid begon hij haar te verdedigen. Bovendien had ook de bekoring van het kind haar uitwerking op hem niet gemist, hij voelde, dat zij zoo oprecht en waarheidlievend was, dat hij blindelings in haar begon te gelooven, haar lief te hebben, zooals iedereen haar liefhad. Waarom het wonder, dat toch overal in de Heilige Boeken voorkomt, hier niet aan te nemen? Hoe verstandig en voorzichtig hij ook mocht zijn, het stond niet aan een dienaar van den godsdienst den vrijgeest uit te hangen, terwijl geheele volkeren zich op hun knieën wierpen en de Kerk aan den vooravond van een nieuwen en grooten triomf scheen te staan. Ongerekend nog, dat de menschenleider, die in hem was, de man van groote plannen en de bouwer eindelijk zijn weg gevonden had, het groote veld, waarop hij zou kunnen handelen, de groote taak, waaraan hij zich met zijn onstuimigen geestdrift en zijn behoefte om te overwinnen geheel geven kon.
Van dat oogenblik af had abbé Peyramale nog slechts één gedachte: de bevelen, die de Heilige Maagd Bernadette opgedragen had aan hem over te brengen, uit te voeren. Hij hield het toezicht op de inrichting der Grot; een hek werd geplaatst, het water der bron gekanaliseerd, aardwerken uitgevoerd om de toegangen vrij te maken. Maar voor alles had de Heilige Maagd geëischt, dat er een kapel gebouwd zou worden; en hij wilde een kerk, een triomphantelijke basilica. Hij zag ver in de toekomst, liet de architecten niet met rust, eischte van hen paleizen, die de Koningin des hemels waardig waren; en dat alles deed hij in een oprecht vertrouwen op de geestdriftige hulp van de geheele Christenheid. Trouwens de giften stroomden toe, het regende goud uit de verst verwijderde parochiën, een gouden regen, die steeds dichter vallen zou en nooit ophouden. Dat waren zijn gelukkige jaren: steeds kon men hem vinden onder de werklieden, die hij met een vriendelijk lachje tot spoed aanzette, altijd bereid om zelf het houweel en den troffel ter hand te nemen in zijn haast om zijn droom verwezenlijkt te zien. Maar weldra kwam de tijd der beproeving: hij werd ziek, en toen den 4den April 1864 de eerste processie uit zijn parochiekerk zich naar de Grot begaf, een processie van zestigduizend pelgrims, die zich tusschen een ontzaglijke menigte voortbewoog, verkeerde hij in doodsgevaar.
Den dag, dat abbé Peyramale, voor de eerste maal van den dood gered, weer van zijn ziekbed opstond, was hij afgezet. Reeds had de bisschop, Mgr. Laurence, hem, om zijn zware taak wat te verlichten, een hulp gegeven, een van zijn vroegere secretarissen, pater Sempé, dien hij tot rector van de missionarissen van Garaison, een door hem gestichte inrichting, benoemd had. Pater Sempé was een klein, mager mannetje, oogenschijnlijk onbaatzuchtig en buitengewoon nederig, maar innerlijk vol eerzucht. In den beginne had hij zich bij zijn taak gehouden, den pastoor van Lourdes als een trouw ondergeschikte geholpen, zich bemoeid met alles, waarin hij hem helpen kon, zich op de hoogte gesteld van alles, met de heimelijke bedoeling zich onmisbaar te maken. Onmiddellijk had hij begrepen, welk een prachtige belegging de Grot zou worden, welke rijke inkomsten men er met eenige handigheid uit zou kunnen trekken. Hij verliet het bisschoppelijk paleis niet meer, had den bisschop, een zeer materialistisch, practisch man, die veel geld noodig had, voor zich gewonnen. Op die wijze slaagde hij erin, toen abbé Peyramale ziek werd, het geheele domein der Grot, met het bestuur waarvan hij belast werd, aan het hoofd van enkele paters der Onbevlekte Ontvangenis, tot wier overste de bisschop hem benoemde, voor goed af te scheiden van de parochie te Lourdes.
Weldra begon de strijd, een van die verbitterde gevechten op leven en dood, zooals zij onder de geestelijke discipline zoo dikwijls voorkomen. Een reden tot een breuk bestond, een slagveld, waarop men spoedig met millioenen strijden zou: de bouw van een nieuwe parochiekerk, grooter en waardiger dan de bestaande oude kerk, die sedert het toestroomen der geloovigen te klein gebleken was. Het was trouwens een oud lievelingsdenkbeeld van abbé Peyramale, die de bevelen der Heilige Maagd stipt uitvoeren wilde. Van de Grot sprekende, had zij gezegd: "Men moet in processie daarheen trekken". En hij had altijd de pelgrims uit de stad zien trekken, waarheen zij, zooals dat in den beginne altijd gebeurd was, 's avonds moesten terugkeeren. Men had dus een centrum, een verzamelplaats noodig, en hij had zich als zoodanig een prachtige kerk, een kathedraal van reusachtige afmetingen, die een geheel volk bevatten kon, gedroomd. Met zijn bouwlustig temperament en als hartstochtelijk arbeider des hemels zag hij haar al uit den grond oprijzen, haar klokketoren, dreunend van gelui, in het felle zonlicht omhoog steken. Het was ook zijn huis, dat hij wilde bouwen, zijn daad van geloof en aanbidding, de tempel, waarin hij de opperpriester zijn zou, waarin hij, tegenover het werk, waaruit men hem ontzet had, zou triompheeren met de zoete herinnering aan Bernadette. Natuurlijk was bij de groote bitterheid, die hij over zijn afzetting voelde, deze nieuwe parochiekerk een soort revanche, zijn deel aan den roem, een manier om zijn strijdlust bot te kunnen vieren, een teeken van de koorts, die hem verteerde, sedert hij zelfs opgehouden had naar de Grot te gaan.