Part 27
Hij had de Rozenkranskerk reeds bij dag gezien; en dadelijk had hij de kerk leelijk gevonden, die de architect, belemmerd door de tegen de rots stootende ligging, rond en te laag had moeten bouwen, met haar groote, door vierkante zuilen gedragen koepel. Het ergste echter was, dat zij, ondanks den archaïschen Byzantijnschen bouwtrant, ieder religieus karakter miste. Zonder het geheimzinnige en het mystieke leek zij veel op een nieuwe korenhal, die door den koepel en de met ramen voorziene deuren hel verlicht werd. Bovendien was zij nog niet af, de ornamenteele versiering ontbrak nog geheel, groote stukken kale muur, waartegen de altaren gebouwd waren, hadden geen andere versiering dan rozen van gekleurd papier of armzalige geloftegiften; dit alles werkte niet weinig mede om haar te doen gelijken op een groote wachtkamer met een tegelvloer, die, wanneer het regende, nat werd. Het voorloopige hoofdaltaar was van beschilderd hout. Ontelbare rijen banken vulden het schip, banken als uit een armhuis, waarop men ieder uur kon gaan zitten, want dag en nacht bleef de Rozenkranskerk voor de pelgrims open staan. Evenals de Abri was dit een stal, waarin God zijn armen ontving.
Toen Pierre de kerk binnentrad, kreeg hij opnieuw den indruk van een voor iedereen toegankelijke halle. Maar het te schelle daglicht overstroomde nu niet meer de kale wanden; de kaarsen, die altijd door op de altaren brandden, plekten nu als sterren in de vage, onder de gewelven in slaap gevallen duisternis. Te middernacht was er met een buitengewone praal een hoogmis gecelebreerd in de pracht der lichten, der gezangen, der met goud bestikte gewaden en der brandende wierookvaten; van al dezen heerlijken lichtglans was op elk der vijftien altaren niets overgebleven dan de reglementaire, voor het begin van de mis noodige kaarsen. Van af middernacht begonnen de missen, om eerst tegen den middag op te houden. Alleen in de Rozenkranskerk werden er in die twaalf uur een kleine vierhonderd gelezen. Voor geheel Lourdes, dat ongeveer vijftig altaren had, steeg dat aantal gelezen missen tot meer dan tweeduizend per dag. En de toevloed van priesters was zóó groot, dat sommigen slechts met moeite hun plicht vervullen konden en uren lang wachten moesten voor zij een altaar vrij vonden. Pierre was verbaasd, toen hij zag, hoe in dezen nacht de altaren in de halve duisternis als het ware belegerd werden en rijen priesters geduldig hun beurt afwachtten, terwijl de celebreerende geestelijken de Latijnsche zinnen met groote teekenen des kruises afroffelden. De meesten waren zoo uitgeput van moeheid, dat zij op den grond gingen zitten en sommigen, door de inspanning overwonnen, bij elkaar op de treden van het altaar in slaap gevallen waren in de verwachting, dat de koster hen wel zou wekken.
Een oogenblik liep hij besluiteloos rond. Zou hij wachten, zooals de anderen? Maar wat hij zag hield hem terug. Voor alle altaren, bij alle missen, verdrong zich een menigte pelgrims, die haastig met een soort vraatzuchtigen geloofsijver het avondmaal vierden. De hostievazen vulden en ledigden zich onafgebroken, de handen der priesters werden moe van het uitreiken van het brood des levens. Opnieuw werd Pierre met verbazing geslagen, nog nooit had hij een plek op deze aarde zoo met goddelijk bloed besprenkeld gezien, nooit een plek, vanwaar het geloof in zulk een vlucht der zielen omhoog steeg. Het was als een terugkeer naar de heroïsche tijden der Kerk, toen de volkeren onder denzelfden ademtocht van lichtgeloovigheid en in den angst van hun onwetendheid, die zich voor hun geluk geheel aan den Almachtigen God overgaf, neerknielden. Hij had zich acht of negen eeuwen terug kunnen wanen, in de tijden van groote, algemeene vroomheid, toen men het einde der wereld nabij dacht.
Al de eenvoudigen van geest, de geheele schare, die de hoogmis had bijgewoond, was op de banken blijven zitten, voelde zich in Gods huis even behagelijk als in hun eigen. Velen hunner hadden geen onderkomen. Was de kerk niet hun huis, het toevluchtsoord, waar nacht en dag de vertroosting op hen wachtte? Zij, die niet wisten, waar zij moesten slapen, die zelfs in den "Abri" geen plaats hadden kunnen vinden, gingen de Rozenkranskerk binnen en legden zich op een bank neer of strekten zich op den vloer uit. Anderen, die wel een bed hadden, bleven uit vreugde, om een geheelen nacht te kunnen doorbrengen in dit Godshuis vol mooie droomen.
Tot het aanbreken van den dag bleef die opeenhooping, dat pêle-mêle aanhouden: alle rijen banken waren bezet, in alle hoeken lagen achter de pilaren slapenden; mannen, vrouwen en kinderen zaten met hun rug tegen elkaar, terwijl hun hoofd op den schouder van hun buurman viel en hun adem zich in onschuldige rust vermengde; men scheen een plotseling door slaap overweldigde en ter aarde geworpen heilige schare, een toevallig in een nachtverblijf voor dakloozen veranderde kerk te zien, waarvan de deur wijd openstond voor den mooien Augustusnacht en die alle in duisternis wandelenden, de goeden en de slechten, de moeden en de verlorenen binnenkomen liet. Van alle kanten, op ieder altaar, rinkelden zonder ophouden de belletjes ten teeken dat de hostie opgeheven werd; ieder oogenblik stonden uit de menigte slapende groepen geloovigen op, die het avondmaal vieren gingen en zich dan weer voegden bij de kudde zonder naam en zonder herder, die in het halfdonker als in een schaamte-bedekkenden sluier verborgen lag.
Besluiteloos en onrustig bleef Pierre tusschen die groepen doordwalen, toen een oude priester, die op de trappen van een altaar zat, hem wenkte. Twee uur lang zat hij daar reeds te wachten en nu zijn beurt eindelijk kwam, voelde hij zich door zoo'n zwakheid aangegrepen, dat hij uit vrees zijn mis niet te kunnen beëindigen, liever zijn plaats aan een ander afstond. Blijkbaar had de aanblik van den gekwelden, in de donkerte verloren Pierre hem ontroerd. Hij wees hem de sacristie, wachtte nog tot hij terug was met het misgewaad en de kelk, en viel dan op een der nabij staande banken in een diepen slaap. Pierre las toen zijn mis, zooals hij die te Parijs las, als een eerlijk man, die zijn beroepsplicht vervult. Hij bewaarde den uiterlijken schijn van een oprecht geloof. Maar niets ontroerde hem, niets van wat hij meende te kunnen verwachten van de twee dagen, die hij in koortsachtige opwinding doorgebracht had, niets van de vreemde en verbijsterende omgeving, waarin hij sedert den vorigen dag leefde, deed zijn hart smelten. Hij hoopte, dat op het oogenblik der communie, waarin het goddelijke mysterie zich voltrekt, een heftige gemoedsbeweging hem neer zou werpen, dat hij voor den geopenden hemel in het aangezicht voor God, in de genade zou worden ondergedompeld.
Maar niets van dat alles gebeurde, zijn ijskoud hart klopte niet eens luider, hij zeide tot het einde toe de gewone woorden, maakte met de machinale beroepsmatige onberispelijkheid de voorgeschreven bewegingen. Ondanks zijn oprecht pogen kwam hardnekkig steeds weer de gedachte terug, dat de sacristie voor een zoo groot aantal missen toch eigenlijk te klein was. Hoe zouden de kerkbewaarders de gewijde gewaden kunnen leveren? Die gedachte hield zijn geest met dwaze halsstarrigheid vast.
Tot zijn verbazing merkte Pierre eensklaps, dat hij weer buiten was. Opnieuw liep hij in den nacht, een nacht, die hem nog zwarter, nog stiller, nog onmetelijker scheen. De stad was dood; geen enkel lichtje schitterde. Hoorbaar alleen nog was het murmelen van den Gave, dat zijn aan het geluid gewend geraakte ooren echter niet meer hoorden. Daar vlamde plotseling de Grot voor hem op en verlichtte de duisternis met zijn eeuwigen, als liefde onuitbluschbaren gloed. Onbewust was hij erheen gegaan, ongetwijfeld erheen gebracht door de gedachte aan Marie. Het liep tegen drieën, de banken waren zoo goed als leeg, nog slechts een twintigtal menschen waren er, donkere gestalten, onduidelijke groepen van knielenden en in slaap gevallen extatici, die in een goddelijke verdooving geraakt waren. Men kreeg den indruk alsof de nacht, naarmate hij ouder werd, de schaduwen verdicht en de Grot in een droomverte gebracht had. Men was verzwolgen in een heerlijke moeheid, ook het onmetelijke landschap sliep, terwijl de stem der onzichtbare wateren was als de ademhaling zelf van dien slaap, waarin de Heilige Maagd, geheel wit en in een stralenkrans van kaarsen glimlachte. En tusschen die enkele bewustelooze vrouwen lag madame Maze nog steeds met gevouwen handen en gebogen hoofd op haar knieën, zóó klein, dat zij één geworden scheen te zijn met haar vurig gebed.
Dadelijk was Pierre naar Marie gegaan: Hij huiverde en vermoedde, dat zij het bij het naderen van den ochtend koud krijgen zou.
"Marie, sla je doek toch wat meer om! Wil je dan nog meer lijden?"
Hij trok den omslagdoek, die afgegleden was, wat hooger en trachtte dien onder haar kin vast te maken.
"Je hebt het koud, Marie. Je handen zijn als ijs."
Zij antwoordde niet, zat nog in dezelfde houding als twee uur geleden, toen hij wegging. Met haar ellebogen op de randen van het wagentje leunend, richtte zij zich op, haar verheerlijkt en van hemelsche vreugde stralend gelaat in eenzelfden geestdrift naar de Heilige Maagd toegewend. Haar lippen bewogen, zonder dat er een klank uitkwam. Misschien zette zij een mysterievol gesprek voort in het land der verrukking, in den wakenden droom, dien zij, sedert zij zich daar bevond, had. Hij sprak nog herhaalde malen tegen haar, maar zij antwoordde hem nog steeds niet. Eindelijk prevelde zij uit zichzelf met een stem, die als uit een verre verte klonk:
"O, Pierre, wat ben ik gelukkig! Ik heb haar gezien en haar voor jou gebeden, en zij heeft mij toegelachen en me met een zacht hoofdknikje te kennen gegeven, dat zij mij hoorde en verhoorde... Zij heeft niet tegen mij gesproken, Pierre, maar ik heb begrepen, wat zij mij zeide. Vanmiddag om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament voorbij komt, zal ik genezen worden."
Geschokt hoorde hij haar aan. Had zij met open oogen geslapen? Had zij in haar droom de marmeren Heilige Maagd niet zien knikken en glimlachen? Een rilling doorhuiverde hem bij de gedachte, dat dit reine kind voor hem gebeden had. Hij liep tot aan het hek, viel op zijn knieën en stamelde: "Marie, Marie!" zonder te weten of die hartekreet uitging naar de Heilige Maagd of naar de aangebeden vriendin van zijn jeugd. Dan bleef hij vernietigd liggen in afwachting der genade.
Eindelooze minuten verliepen. Ditmaal was het de bovenmenschelijke poging; het wachten op het wonder, dat hij voor zichzelf was komen zoeken, de plotselinge openbaring, de bliksemstraal, die zijn twijfel vernietigen, hem het geloof der armen van geest teruggeven, hem weer jong maken zou. Hij gaf zich over met zijn geheele ziel, hij zou gewild hebben, dat een onbeperkte kracht zijn wezen vernietigde en herschiep. Maar evenals daareven gedurende zijn mis, hoorde hij in zich niets dan een onbegrensd zwijgen, voelde hij niets dan een bodemlooze leegte. Niets greep in, zijn vertwijfelend hart scheen op te houden met kloppen. En hoe hij ook trachtte te bidden en zijn gedachten tot het uiterste te concentreeren op die machtige, voor de armen zoo goede H. Maagd, zijn geest werd heroverd door de buitenwereld, door nietswaardige bijzonderheden. Aan den anderen kant van het hek in de Grot had hij baron Suire weer gezien, de handen gevouwen op zijn buik, zijn gelukkigen slaap verder slapend. Ook andere dingen trokken zijn aandacht: de bloemruikers aan de voeten der Maagd, de als in een hemelbrievenbus daar neergeworpen brieven, de ragfijne kant van was, die om de vlam der dikke kaarsen bleef staan en deze omgaf als met een rijken goudsmidsarbeid van uitgeslagen zilver. Dan droomde hij, zonder eenig duidelijk verband, weer over zijn kindsheid, kwam de gestalte van zijn broer Guillaume hem zeer duidelijk voor den geest. Sedert den dood van hun moeder had hij hem niet teruggezien. Hij wist alleen, dat hij een zeer afgezonderd leven leidde, zich in het kleine huisje, waarin hij met een huishoudster en twee honden woonde, geheel aan zijn studie wijdend; en hij zou niets meer van hem geweten hebben, als hij niet onlangs in verband met een revolutionairen aanslag zijn naam in de couranten gelezen had. Men zeide, dat hij zich in het bijzonder interesseerde voor ontplofbare stoffen en dat hij omging met de leiders van de meest vooruitstrevende partijen.
Waarom dacht hij nu aan hem in dit oord van extase, te midden van het mystieke licht der kaarsen, en nog wel zooals hij hem vroeger gekend had als goed broeder, die zich liefdevol verzette tegen alle lijden? Vol smartelijk verdriet over die verloren broederliefde, kon hij een oogenblik dat beeld niet van zich afzetten. Dan kwam hij, wederom zonder eenigen overgang, opnieuw tot zichzelf terug: hij begreep, dat hij daar uren lang zou kunnen blijven liggen zonder dat het geloof terugkwam. Toch voelde hij een laatste hoop in zich levend worden, de gedachte, dat hij ongetwijfeld zou gelooven, wanneer de Heilige Maagd het groote wonder deed om Marie te genezen. Het was als een laatste uitstel, dat hij zichzelf gaf, een afspraak, die hij maakte met het geloof dienzelfden dag om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament zou voorbijgedragen worden, zooals zij gezegd had. Onmiddellijk hield zijn angst op; door uitputting gebroken en door een onoverwinlijke slaperigheid overmeesterd, bleef hij echter op zijn knieën liggen.
De uren verliepen, de Grot bleef nog steeds haar glans van een chapelle ardente in de duisternis uitstralen, waarvan de weerkaatsing zelfs de gevels der kloosters op de naburige heuvels nog wit kleurde. Maar Pierre zag haar langzamerhand verbleeken; verwonderd en met een koude rilling werd hij wakker: de dag brak aan in een met groote, loodkleurige wolken bedekten hemel. Hij begreep dadelijk, dat een van die in de berglanden zoo plotseling optredende onweersbuien uit het Zuiden opkwam. Reeds rommelde verre donder, terwijl windvlagen de wegen veegden. Misschien had hij ook geslapen, want hij zag baron Suire niet meer, dien hij zich niet herinneren kon weg te hebben zien gaan. Er waren nog hoogstens tien personen voor de Grot, onder wie hij madame Maze met het hoofd tusschen haar handen nog herkende. Maar toen zij merkte, dat het dag was en men haar zag, stond zij op en verdween langs het smalle voetpad, dat naar het klooster der Blauwe Zusters leidde.
Ongerust, ging Pierre tegen Marie zeggen, dat zij niet langer moest blijven, als zij niet de kans wilde loopen doornat te worden.
"Ik zal je naar het Hôpital terugbrengen."
Zij weigerde en smeekte:
"Neen, neen, ik wacht op de mis, ik heb beloofd hier het avondmaal te vieren... Maak je niet bezorgd over mij en ga naar je hotel om te slapen. Je weet heel goed, dat gesloten wagens de zieken komen halen, als het regent."
Zij bleef halsstarrig volhouden, terwijl hij verzekerde, dat hij niet naar bed wilde gaan. Inderdaad werd 's ochtends heel vroeg een mis gelezen in de Grot en het was voor de pelgrims een groote vreugde daar na een langen nacht van zalige verrukking in de glorie van de opgaande zon het avondmaal te kunnen vieren. Juist toen er dikke droppels begonnen te vallen, kwam een priester in kazuifel, vergezeld door twee misdienaars, waarvan een, om de miskelk te beschermen, een witzijden, met goud geborduurde parapluie boven den geestelijke hield.
Pierre, die het wagentje tegen het hek gereden had, om Marie onder het afdak van de rots, waarheen ook de weinige andere aanwezigen gevlucht waren, tegen den regen te beschermen, had juist gezien hoe het jonge meisje de hostie met een gloeiende geestdrift ontving, toen zijn aandacht getrokken werd door een jammervol schouwspel, dat zijn hart verscheurde.
In den zondvloedachtigen regen, die nu in dichte en dikke droppels neerkletterde, had hij madame Vincent gezien, die op haar uitgestrekte armen de kleine Rose, wier dierbare, smartelijke last zij nog steeds droeg, aan de Heilige Maagd voorhield. Toen zij niet in den Abri, waar over het voortdurende huilen en kreunen van het kindje geklaagd was, had kunnen blijven, had zij meer dan twee uur lang wanhopig en half waanzinnig met dit jammervolle vleesch van haar vleesch, dat zij, zonder het wezenlijk verlichting te kunnen schenken, tegen haar borst drukte, in de donkerte rondgezworven. Zij wist niet welken weg zij gevolgd, onder welke boomen zij gedwaald had; haar geheele wezen was in opstand tegen het onrechtvaardige lijden, dat een zoo zwak, zoo rein wezentje, dat nog niet gezondigd kon hebben, zoo hardvochtig trof. Was het geen schande, dat die tangen der ziekte nu al weken lang zonder ophouden dat arme wichtje, wier lijden zij niet kon verzachten, knepen en martelden. Zij droeg het, zij wiegde het onophoudelijk heen en weer, liep er als een razende mee over de wegen in de halsstarrige hoop, dat zij het eindelijk in slaap krijgen, eindelijk dat gekreun, dat haar hart als in stukken reet, zou doen bedaren. En plotseling was zij nu, uitgeput en zelf in doodsstrijd over den doodsstrijd van haar kindje, terechtgekomen voor de Grot aan de voeten der Heilige Maagd, die wonderen wrocht en vergaf en genas.
"O, Heilige Maagd, wonderbare Moeder, genees haar!... O, Heilige Maagd, Moeder der goddelijke genade, genees haar!"
Zij was op haar knieën gevallen, strekte nog altijd haar stervend kind uit op haar bevende armen in een extatische hoop, die haar geheel doortrilde. De regen, dien zij niet op haar hielen voelde, kletterde achter haar neer als een overstroomende bergrivier, terwijl hevige donderslagen de bergen dreunen deden. Een oogenblik dacht zij, dat zij verhoord was: Rose had een lichten schok gehad, alsof zij door den aartsengel bezocht was. Haar oogjes en haar mondje stonden open, haar gezichtje was doodsbleek; zij had nog even zwakjes adem gehaald; zij huilde niet meer.
"O, Heilige Maagd, Moeder van den Verlosser, genees haar!... O Maagd, almachtige Moeder, genees haar..."
Maar zij voelde, dat haar kindje op haar uitgestrekte armen nog lichter geworden was. En nu schrok zij, maakte zij zich angstig het niet meer te kunnen hooren kreunen, het zoo bleek te zien met haar open oogjes en haar open mondje, zonder adem te halen. Waarom glimlachte het niet, als het genezen was? Plotseling een luide, hartverscheurende gil, de gil van de moeder, die den donder in het steeds zwaarder wordende onweer overschreeuwde. Haar kindje was dood. Zij ging rechtop staan en keerde haar rug naar die doove Maagd, die de kinderen sterven liet. Dan vloog zij weer weg in den neerkletterenden slagregen, niet wetend waarheen, nog steeds het arme kleine lichaampje, dat zij al zooveel dagen en zooveel nachten gedragen had, op haar armen wiegende. De bliksem sloeg in en spleet als met een reusachtigen bijlslag een der vlak bij staande boomen met een luid gekraak van versplinterde en gebroken takken.
Pierre was madame Vincent nagevlogen om haar te steunen en te troosten. Maar hij kon haar niet volgen, verloor haar dadelijk achter het donkere regengordijn uit het gezicht. Toen hij terugkwam, was de mis bijna geëindigd; de regen viel minder dicht; ten slotte kon de geestelijke onder de witzijden, met goud geborduurde parapluie vertrekken, terwijl een soort omnibus op de enkele zieken stond te wachten, om ze naar het Hôpital terug te brengen.
Marie drukte de twee handen van Pierre.
"O, wat ben ik gelukkig!... Kom me niet halen voor drie uur vanmiddag."
Alleen gebleven in den regen, die, fijner nu, vallen bleef, ging Pierre de Grot binnen en op de bank dicht bij de bron zitten. Hij wilde niet naar bed gaan, want in de zenuwoverspanning, waarin hij sedert den vorigen dag verkeerde, was hij ondanks zijn groote moeheid bang voor den slaap. De dood der kleine Rose had hem in een nog koortsachtiger toestand gebracht; hij kon de gedachte van die gemartelde moeder, die met het lijk van haar kindje over de modderige wegen rondzwierf, niet van zich afzetten. Welke waren toch de redenen, die de Heilige Maagd tot een besluit brachten? Het bevreemdde hem, waarom zij een keus kon doen, hij zou willen weten hoe haar hart als Godsmoeder er toe besluiten kon slechts tien zieken op de honderd te genezen, die tien procent wonderen, waarvan dr. Bonamy de statistiek opgemaakt had. Reeds den vorigen avond had hij zich afgevraagd welke hij uitverkoren zou hebben, als hij de macht had er tien te redden. Een vreeselijke macht, een afschuwlijke keuze, waartoe hij niet den moed gehad zou hebben. Waarom deze, waarom gene niet? Waar was de rechtvaardigheid? Waar de goedheid? Rees niet uit de harten de kreet op de oneindige macht te willen zijn en hun allen te genezen? En de Heilige Maagd scheen hem wreed toe, slecht onderricht, even hardvochtig en onverschillig als de gevoellooze natuur, die het leven en den dood verdeelt op goed geluk af, volgens wetten, die de mensch niet kent.
De regen hield op. Pierre zat daar al twee uur, toen hij pas voelde, dat zijn voeten nat waren. Hij keek op en zag tot zijn groote verbazing, dat de bron door het traliewerk der luiken stroomde. Reeds stond de bodem van de Grot onder water, dat onder de banken stond en tot aan de borstwering van den Gave liep. De laatste onweersbuien hadden de bronnen in den omtrek doen zwellen. En hij bedacht, dat die bron, hoe wonderdadig zij ook zijn mocht, aan de wetten van andere bronnen onderworpen was, want zij stond ongetwijfeld in verbinding met natuurlijke reservoirs, waarin het regenwater doordrong en zich ophoopte. En hij ging weg, om niet tot zijn enkels toe nat te worden.
V.
Pierre liep voort; hij had behoefte aan frissche lucht, zijn hoofd was zoo zwaar, dat hij zijn hoed afgezet had, om zijn brandend voorhoofd af te koelen. Ondanks zijn moeheid van dezen verschrikkelijken, in waken doorgebrachten nacht, dacht hij aan geen slaap; hij werd staande gehouden door het verzet en den opstand van zijn geheele wezen, dat niet tot kalmte kwam. Het sloeg acht uur en hij liep op goed geluk af in de heerlijk stralende ochtendzon, die schitterde in een wolkenloozen hemel, welken het onweer van het stof van den Zondag schoon gewasschen scheen te hebben.
Maar plotseling keek hij op, om te zien, waar hij was, en tot zijn verbazing merkte hij, dat hij een heel eind geloopen had en zich beneden het station dicht bij het gemeenteziekenhuis bevond. Bij een tweesprong aarzelde hij welken weg hij in zou slaan, toen een hand vriendschappelijk op zijn schouder gelegd werd.
"Waar moet jij op dit uur naar toe?"
Het was dr. Chassaigne, geheel in het zwart gekleed en zijn gestalte hoog oprichtend.
"Ben je verdwaald? Wil ik je den weg wijzen?"
"Neen, dank u!" antwoordde Pierre eenigszins verward. "Ik heb met de jonge zieke, die mij zoo na aan het hart ligt, den nacht in de Grot doorgebracht, en ik voel mij nu innerlijk zoo opgewonden en van streek, dat ik wat ben gaan wandelen om weer wat kalmer te worden voor ik in mijn hotel nog wat slapen ga."
De dokter bleef hem aankijken en las heel duidelijk in hem zijn verschrikkelijken strijd, zijn wanhoop, niet te kunnen gelooven, al het smartelijke lijden om zijn nuttelooze poging.
"Arme jongen!" prevelde hij.
En dan op vaderlijken toon:
"Nu je toch aan het wandelen bent, vindt je het zeker wel goed, dat we samen een wandeling maken! Ik kwam juist van dezen kant, langs den Gave. Ga mee, dan zal je op den terugweg eens zien, hoe mooi de horizont is."
Iederen ochtend wandelde hij, steeds alleen, twee uur, om zijn verdriet wat te verzetten. Eerst ging hij onmiddellijk nadat hij opgestaan was, op het kerkhof neerknielen op het graf van zijn vrouw en van zijn dochter, dat hij in alle jaargetijden met bloemen versierde. Dan liep hij de wegen af, nam zijn tranen mede en ging niet naar huis om te dejeuneeren voor hij zoo moe was, dat hij niet meer loopen kon.