De drie steden: Lourdes

Part 26

Chapter 263,782 wordsPublic domain

Hij keek op en herkende baron Suire, den directeur van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut. Blijkbaar had die welwillende en eenvoudige man sympathie voor hem opgevat. Hij nam de uitnoodiging aan en volgde hem in de Grot, die geheel leeg was. Zelfs deed de baron het hek, waarvan hij een sleutel had, achter hen dicht.

"Ziet u, mijnheer de abbé, dit is het uur, dat men zich hier werkelijk gelukkig gevoelt. Wanneer ik enkele dagen in Lourdes kom doorbrengen, ga ik zelden voor het aanbreken van den dag naar bed, omdat ik gewoon ben hier den nacht door te brengen... Er is dan niemand meer, je bent er heelemaal alleen, en niet waar, je voelt je dan als het ware thuis bij de Heilige Maagd!"

Hij glimlachte goedhartig en nam als oud bezoeker, die weliswaar door ouderdom wat verzwakt is, maar vol liefde bleef voor het bekoorlijke hoekje, de honneurs van de Grot waar. Overigens toonde hij zich ondanks zijn groote vroomheid volstrekt niet gegeneerd, praatte hij, gaf hij uitleggingen met de vertrouwelijkheid van een man, die weet, dat hij met den hemel op vriendschappelijken voet staat.

"O, u kijkt naar de kaarsen... Er branden er dag en nacht bijna tweehonderd tegelijk; dat maakt dan de Grot ten slotte warm... 's Winters is het hier zelfs warm!"

Inderdaad kreeg Pierre het in de lauwwarme uitwaseming der kaarsen benauwd. Verblind door het felle licht, keek hij naar den grooten kandelaar in het midden, die in den vorm van een driehoekige pyramide geheel met kleine kaarsjes bezet was. Op den achtergrond stonden in een rechten kandelaar, die bijna gelijk met den grond was, dikke kaarsen, die, ongelijk van grootte en sommige zoo dik als een dij, als het ware een rij orgelpijpen vormden. Verder stonden hier en daar op de rotsen nog enkele andere kandelaars, in den vorm van zware kroonluchters, verspreid. Het gewelf der Grot daalde naar links, het gesteente was er als gebakken en zwart gekleurd door die eeuwige brandende vlammen, welke het sedert jaren verhitten. Onafgebroken viel een regen van was als een bijna onzichtbare sneeuw neer; de voetstukken der kandelaars dropen ervan en namen door het steeds dikker wordende stof een witte kleur aan; de geheele rots was ermede overtrokken en voelde vet aan; vooral de bodem was met zoo'n dikke vetlaag bedekt, dat er ongelukken waren gebeurd en men er een soort rietmatten had moeten overleggen, om het vallen te voorkomen.

"Ziet u die dikke daar?" vroeg baron Suire voorkomend. "Dat zijn de duurste: ze kosten zestig francs, maar ze branden dan ook een maand lang... De allerkleinste, die van vijf sous, duren maar drie uur... Oh, wij gaan er niet spaarzaam mee om, maar toch komen we er nooit te kort. Kijk, daar staan nog twee manden vol. Ze hebben zeker nog geen tijd gehad die naar het magazijn te brengen."

Vervolgens legde hij Pierre uit wat er verder in de Grot stond: een met een hoes overdekt harmonium; een soort kast met groote laden, waar de gewijde gewaden bewaard werden; banken en stoelen voor het kleine bevoorrechte publiek, dat gedurende de ceremoniën in de Grot toegelaten werd, en ten slotte een mooi, met gegraveerde zilveren platen ingelegd, beweegbaar altaar, een geschenk van een voorname dame, dat men echter uit vrees, dat de vocht het zou bederven, alleen maar gedurende de rijke bedevaarten durfde gebruiken.

Pierre voelde zich door het gebabbel van den voorkomenden man eenigszins geërgerd. Zijn godsdienstige ontroering verloor daardoor grootendeels haar bekoring. Bij het binnengaan der Grot had hij ondanks zijn gebrek aan geloof een zekere onrust, een soort zielerilling gevoeld, alsof het mysterie hem eindelijk onthuld zou worden. Het was iets angstigs en weldadig aandoend tevens. Hij zag dingen, die hem tot diep in zijn ziel ontroerden: bloemruikers, die tot bergen opgestapeld aan de voeten der Heilige Maagd lagen, kinderlijke geloftegiften, kleine beschimmelde schoentjes, een klein stalen borstharnasje, een voor een pop passende kruk, die wel een stukje speelgoed leek.

Onder den natuurlijken spitsboog, waar de Heilige Maagd aan Bernadette verschenen was, was op de plek, waar de pelgrims de rozenkransen en de medailles, die zij wilden laten wijden, wreven, de rots uitgesleten en glad geworden. Millioenen vurige lippen hadden zich er met zulk een geloofskracht op gedrukt, dat het gesteente verkalkt, zwart geaderd en glanzend als marmer geworden was.

Maar Pierre bleef staan voor een soort kuil, waarin een groote menigte brieven en allerlei papieren opgestapeld lagen.

"Dat zou ik bijna vergeten," begon de baron weer, "en eigenlijk is dit het interessantste. Dit zijn de brieven, die de geloovigen dagelijks door het hek in de Grot werpen. Wij rapen ze op en leggen ze daar neer. 's Winters is het voor mij dan een aardigheid om ze te sorteeren... Zooals u begrijpen zult, kunnen we ze niet verbranden, zonder ze open te maken, want ze bevatten dikwijls geld, tien of twintig sous, en vooral postzegels."

Hij woelde in de brieven, haalde er op goed geluk een paar uit, liet Pierre de adressen zien en maakte ze dan open om ze te lezen. Bijna alle waren het brieven van arme, onontwikkelde menschen, de adressen luidden meestal in groote, onregelmatige letters: "Aan Notre-Dame de Lourdes." Vele bevatten in oncorrecte zinnen vragen of dankbetuigingen in een allerverschrikkelijke orthographie, doch dikwijls kon men moeilijk iets aandoenlijkers denken dan de natuur dier vragen, de genezing van een klein broertje, het winnen van een proces, een minnaar, dien men behouden, een huwelijk, dat men graag sluiten wou. Andere brieven hadden een boozen toon, kapittelden de Heilige Maagd, dat zij niet de beleefdheid gehad had den eersten brief door de vervulling van de wenschen van den onderteekenaar te beantwoorden.

Dan waren er nog andere in netter schrift en met goed loopende zinnen, welke bekentenissen en vurige smeekbeden bevatten--brieven van vrouwen, die aan de Koningin des Hemels schreven wat zij in de donkerte van den biechtstoel niet aan een priester durfden vertellen. De laatste enveloppe, die zij openden, bevatte slechts een portret: een meisje zond haar beeltenis aan Notre-Dame de Lourdes met de opdracht: "Aan mijn goede Moeder." In het kort was dit de dagelijksche post van een zeer machtige Koningin, die smeekbeden en vertrouwelijke mededeelingen ontving en met gunstbewijzen en weldaden antwoorden moest. De tien- en twintig-sous-stukken waren, naïef, eenvoudige liefdesbewijzen, om haar te vermurwen, terwijl de postzegels slechts voor meerder gemak gezonden werden, wanneer zij tenminste geen zuivere onschuld waren, zooals in den brief van een boerin, die er een postcriptum aan toegevoegd had, waarin zij schreef, dat zij een postzegel insloot voor antwoord.

"Ik verzeker u," zeide de baron, "dat er onder deze brieven heel goede en minder dwaze zijn dan u denken zoudt... Drie jaar lang heb ik zeer interessante brieven gevonden van een dame, die niets doen kon, of zij moest het aan de Heilige Maagd vertellen. Het was een getrouwde vrouw en zij koesterde een allergevaarlijksten hartstocht voor een vriend van haar man... Welnu, mijnheer de abbé, zij heeft dien overwonnen; de Heilige Maagd heeft haar geantwoord door haar de wapenrusting van haar kuischheid te zenden, de goddelijke kracht om aan haar hart weerstand te bieden..."

Doch hij viel zichzelf in de rede:

"Maar kom toch hier zitten, mijnheer de abbé. U zult eens zien, hoe lekker het hier is!"

Pierre ging naast hem zitten op de bank links, daar waar de rots lager wordt. Het was er inderdaad een heerlijk hoekje om te rusten. Geen van beiden sprak meer, een diepe stilte heerschte, toen Pierre eensklaps achter zich een onbestemd gemurmel hoorde, een fijne, kristalheldere stem, die uit het onzienlijke scheen te komen. Hij maakte een beweging, die baron Suire dadelijk begreep.

"Dat is de bron, die u hoort. Zij bevindt zich in den grond achter dat traliewerk... Wilt u haar zien?"

En zonder Pierre's antwoord af te wachten had hij zich reeds gebukt om een der luiken, die haar beschermden, weg te nemen, waarbij hij Pierre tevens uitlegde, dat men haar zoo afsloot, uit vrees, dat de vrijdenkers er vergif in zouden komen werpen. Deze onbegrijpelijke inval verbijsterde den priester een oogenblik; doch ten slotte stelde hij haar maar op rekening van den baron, die toch zoo iets kinderlijks over zich had.

Intusschen had deze heel veel moeite met het letterslot, dat maar niet wilde opengaan.

"Vreemd," mompelde hij, "het woord is Rome en ik weet zeker, dat het niet veranderd is... De vocht bederft hier ook alles. Wij zijn verplicht na twee jaar de krukken, die in stof vallen, te vernieuwen... Licht u eens even bij met een kaars!"

Toen Pierre hem met een kaars, die hij uit een der kandelaars nam, had bijgelicht, slaagde hij er eindelijk in het koperen, door kopergroen uitgebeten slot open te maken. Het getralied luik draaide en de bron werd zichtbaar. Het was, in een breuk van de rots, een op een bed van kiezelzand langzaam stroomend water, dat helder en zonder opbruising opborrelde; het scheen over een vrij groote uitgestrektheid te komen. De baron vertelde nog, dat men het, om het naar de bron te leiden, in met cement bedekte buizen gekanaliseerd had. Zelfs bekende hij, dat men achter de vijvers een reservoir had moeten graven, om daarin 's nachts het water op te vangen, want de geringe door de bron geleverde hoeveelheid zou niet voldoende geweest zijn voor de dagelijksche behoeften.

"Wilt u het proeven?" bood de baron plotseling aan. "Hier, waar het uit den grond komt, is het nog beter."

Pierre antwoordde niet; hij keek maar naar dat kalme, dat onschuldige water, dat zich in het flikkerende kaarslicht met gouden weerschijn vlamde. Wasdroppels vielen erin en brachten er door de trillingen, die zij veroorzaakten, wat leven in. Hij dacht aan al het geheimzinnige, dat het van de verre helling der bergen meevoerde.

"Drink u toch een glas!"

De baron had een glas, dat daar altijd hing, gevuld en de priester moest het uitdrinken. Het was goed zuiver water, van dat doorschijnende, frissche water, zooals het van alle hooge Pyrenaeën-plateaux komt.

Nadat het letterslot weer gesloten was, gingen zij beiden weer op de eikenhouten bank zitten. Achter zich bleef Pierre voortdurend de bron als het tjilpen van een verscholen vogeltje hooren. Intusschen vertelde de baron over de Grot gedurende de verschillende jaargetijden in een aandoenlijk gebabbel vol kinderlijke bijzonderheden.

De zomer was slechts het ruwe seizoen, de kermisdrukte van de groote bedevaarten, het luidruchtige gedoe van duizenden samengestroomde pelgrims, die tegelijk baden en schreeuwden. Maar in den herfst begonnen de regens te vallen, de zondvloedachtige regens, die soms dagen achtereen op den drempel van de Grot neerkletsten; dan kwamen de bedevaarten uit verre landen, Indiërs, Maleiers, Chineezen zelfs, kleine, stille en extatische groepjes, die op een teeken der missionarissen in de modder neerknielden. Uit Frankrijk zelf zond Bretagne van alle oude provincies de vroomste pelgrims, geheele parochiën, waarin de mannen even talrijk waren als de vrouwen en wier godvruchtig gedrag en eenvoudig geloof wel geschikt waren om de wereld te stichten. Dan kwam de winter, December met zijn vreeselijke koude en zijn dichten sneeuwval, die de bergwegen versperde. In dien tijd namen de families haar intrek in de verlaten hotels, begaven de geloovigen zich toch iederen ochtend naar de Grot, vooral zij, die de stilte liefhadden en in de teedere intimiteit der eenzaamheid met de Heilige Maagd spreken wilden. Zoo waren er eenigen, die niemand kende, die zich alleen vertoonden, wanneer zij zeker waren, dat zij alleen neerknielden en als ijverzuchtige minnaars, alleen de Heilige Maagd liefhebben konden, om, bij de eerste nadering der menigte, schuw weer te vertrekken.

En hoe lieflijk was de Grot bij slecht winterweer! In den regen, in den wind, in de sneeuw behield zij haar vlammenglans. Zelfs gedurende de woeste stormnachten, wanneer er geen levende ziel was, lichtte zij òp in de ledige duisternis, brandde zij als een liefdegloed, die niet uit te blusschen is. De baron vertelde, dat hij gedurende de hevige sneeuwstormen van het vorige jaar heele middagen doorgebracht had op de bank, waarop hij nu zat. Er heerschte dan in de Grot, hoewel zij op het Noorden lag en er nooit een zonnestraal in doordrong, een weldadig aandoende warmte. Ongetwijfeld was de voortdurend door de kaarsen verhitte rots een verklaring voor die milde zachtheid, maar kon men bovendien niet gelooven aan een bekoorlijke weldaad der Heilige Maagd, die daar een eeuwige April heerschen deed. De kleine vogeltjes vergisten er zich dan ook nooit in, alle vinken uit den omtrek zochten er, wanneer de sneeuw hun pootjes verstijfde, hun toevlucht en fladderden in den klimop om het heilige beeld. En dan eindelijk ontwaakte de lente, stuwde de Gave met donderend geweld de gesmolten sneeuw voort, groenden de boomen weer onder den drang van het opschietende sap, terwijl de terugkeerende pelgrimscharen zich luidruchtig van de fonkelende Grot meester maakten, waaruit zij de kleine vogeltjes van den hemel verjoegen.

"Ja, ja," herhaalde baron Suire langzaam, "ik heb hier in mijn eentje heel wat heerlijke winterdagen doorgebracht. Ik zag slechts één vrouw, die daar tegen het hek neerknielde, om niet nat te worden in de sneeuw. Zij was nog heel jong, vijf-en-twintig misschien, en heel mooi, een brunette met prachtige blauwe oogen. Zij zeide niets, scheen zelfs niet te bidden, bleef daar maar uren lang met een eindeloos droef gelaat geknield liggen... Ik weet niet wie zij was, nooit heb ik haar teruggezien."

Hij hield op met praten en toen Pierre, zich verbazend over dat zwijgen, twee minuten later naar hem keek, zag hij, dat de baron in slaap gevallen was. Zijn handen over zijn buik gevouwen, zijn kin op zijn borst, sliep hij, met een flauw glimlachje om zijn mond, den gerusten slaap van een kind. Ongetwijfeld had hij, toen hij vertelde, dat hij hier den nacht doorbracht, bedoeld, dat hij er als een gelukkig oud man zijn eersten slaap kwam doen, waarin de engelen hem bezochten.

Toen genoot Pierre eerst goed van de bekoring der eenzaamheid. Het was werkelijk zoo, een zoet gevoel doordrong in dit rotshoekje de ziel. Het ontstond uit den eenigszins benauwenden geur van de was, uit den extatischen roes, waarin men te midden van de schittering der kaarsen verviel. Hij onderscheidde niet duidelijk meer de krukken boven in het gewelf, noch de geloftegiften, noch het altaar met gegraveerd zilver, noch het met een hoes overdekte harmonium. Langzaam aan maakte een bedwelming zich van hem meester, een steeds grooter wordende vernieling van zijn geheele wezen. Vooral had hij hier op den bodem van het ongelooflijke en bovennatuurlijke het goddelijke gevoel ver van de levende wereld te zijn, alsof het eenvoudige ijzeren hek de slagboom van het oneindige geworden was.

Een licht geruisch links van hem deed hem opschrikken. Het was de bron, die steeds maar voortstroomde, voortstroomde met haar vogelgetjilp. O, wat zou hij graag op zijn knieën gevallen zijn, geloofd hebben aan het wonder, de zekerheid bezeten hebben, dat dit goddelijke water slechts uit de rots ontsprongen was ter genezing van de lijdende menschheid! Was hij hier niet gekomen om zich te verootmoedigen, om de Heilige Maagd te smeeken hem het geloof der kleine kinderen terug te geven? Waarom bad hij haar dan niet, smeekte hij haar niet, dat zij hem het koninklijk geschenk der genade schenken zou? Hij voelde zich nog benauwder worden, de kaarsen verblindden hem, alsof hij een flauwte nabij was. En dan kwam plotseling de gedachte in hem op, dat hij in de groote vrijheid, die de priesters te Lourdes genoten, twee dagen verzuimd had de mis te lezen. Hij bevond zich dus in een staat van zonde, misschien was dat het gewicht, dat zoo zwaar op zijn hart drukte. En deze gedachte werd voor hem zoo'n kwelling, dat hij moest opstaan en weggaan. Zacht stiet hij het hek open en liet baron Suire slapen op zijn bank.

Half opgericht op haar ellebogen, en haar door extase verheerlijkt gelaat naar de Heilige Maagd gewend, had Marie zich in haar wagentje niet bewogen.

"Heb je het niet koud, Marie?"

Zij gaf hem geen antwoord. Hij bevoelde haar handen, vond die lauwwarm en zacht, maar toch licht bevend.

"Je rilt toch niet van de koude, Marie?"

Toen zeide zij met een stem, die zacht was als een ademtocht:

"Neen, neen, laat mij met rust, ik ben zoo gelukkig. Ik zal haar zien, ik voel het... O, welk een zaligheid!"

Toen trok hij den omslagdoek wat hooger en ging, door een onuitsprekelijke onrust aangegrepen, de duisternis in. Toen hij uit het felle licht der Grot kwam, was het een nacht, zwart als inkt, een uit donkerte bestaand niets, waarin hij op goed geluk af ronddwaalde. Dan geraakten zijn oogen eraan gewend; hij was weer bij den Gave en volgde nu den oever, een door groote boomen beschaduwde allée, waarin de frissche donkerte weer terugkwam. Die zoo kalmeerende duisternis en frischheid schonken hem verlichting. Het eenige wat hem nog verbaasde was dat hij niet neergeknield lag, dat hij niet gebeden had, zooals Marie bad, met algeheele overgave van zijn ziel. Wat was toch die inwendige belemmering? Vanwaar kwam toch dat hardnekkige verzet, dat hem belette zich af te laten glijden naar het geloof, zelfs nu zijn overspannen wezen naar algeheele overgave smachtte? Hij begreep wel, dat zijn verstand alleen ertegen in verzet kwam; en hij bevond zich nu in een toestand, waarin hij dat vraatzuchtige verstand, dat aan zijn leven knaagde, dat hem belette gelukkig te zijn, gelukkig als de onwetenden en armen van geest, had willen dooden.

Misschien zou hij, als hij een wonder gezien had, den wil om te gelooven bezeten hebben. Zou hij, wanneer hij Marie bijvoorbeeld plotseling had zien opstaan en hem tegemoet loopen, niet, eindelijk overwonnen, op zijn knieën neergevallen zijn? Dit beeld, dat hij zich maakte van een geredde, van een genezen Marie, wond hem zoo op, dat hij met bevende, naar den met sterren bezaaiden hemel opgeheven armen staan bleef. Lieve God, welke een diepe en mysterieuse, met balsemgeuren doortrilde en milde nacht! En welk een vreugde daalde zegenend neer in die hoop op voor eeuwig weergekomen gezondheid, op eeuwige liefde, welke, evenals de lente, steeds weer opnieuw herboren werd! Dan ging hij weer verder, liep de allée tot het einde af. Maar zijn twijfel begon weer: wanneer men een wonder verlangt, om te gelooven, dan beteekent dit, dat men niet in staat is te gelooven. God behoeft het bewijs van Zijn bestaan niet te leveren. En ook weer maakte de onbehaaglijke gedachte zich van hem meester, dat God, zoolang hij zijn plicht als priester niet gedaan had door de mis te lezen, hem niet verhooren zou. Waarom ging hij niet onmiddellijk naar de Rozenkranskerk, waar de altaren van middernacht tot 's middags ter beschikking stonden van de tijdelijk te Lourdes verblijf houdende priesters? Hij sloeg een tweede allée in en was nu weer onder de boomen op het lommerrijke plekje, vanwaar hij met Marie de processie voorbij had zien trekken. Geen licht meer, een zee van donkerte, zonder grenzen.

Weer kreeg Pierre een aanval van zwakte en werktuigelijk ging hij, als had hij tijd willen winnen, den Abri des pèlerins binnen. De deuren waren open blijven staan, zonder echter voldoende lucht te brengen in het groote, met menschen gevulde vertrek. Zoodra hij binnenkwam, sloeg de zware warmte der opgehoopte lichamen, de dikke en bedorven lucht der ademhalingen en uitwasemingen hem op zijn keel. De walmende lampen verspreidden zoo'n zwak licht, dat hij oppassen moest niet op de overal liggende ledematen te loopen; want de versperring was zóó groot, dat velen, die geen plaats op de banken hadden kunnen vinden, zich maar neergelegd hadden op de vochtige, met fluimen en etensrestjes bevuilde tegels. Het was een namelooze dooreenmengeling, mannen, vrouwen, priesters lagen door elkaar, zooals het toeval ze neergeworpen had. Uitgeput van vermoeienis sliepen zij, als vernietigd, met open monden. Een groot aantal zat met den rug tegen den muur en het hoofd heen en weer slingerend op de borst, te snorken.

Anderen weer waren van de banken gevallen, een jong meisje lag dwars over een ouden plattelandspriester, die, rustig als een kind slapend, tegen de engelen glimlachte. Het was een stal, waarin de armen van de straat binnengingen en dien zij als een onderkomen, dat de fortuin hun gaf, eerden. Daar waren zij, die op dezen mooien feestavond geen dak boven zich hadden en nu, hier gestrand, broederlijk arm in arm ingeslapen waren. Sommigen echter vonden in hun koortsachtige opwinding geen rust, maar lagen te woelen of stonden weer op om den inhoud van hun mand op te eten. Weer anderen zag men met groote open oogen roerloos in het duister liggen staren. Droomgillen of lijdenskreten klonken te midden van het gesnork op. Een medelijden, een diep, beklemmend medelijden boezemde die troep ongelukkigen, welke daar in hun smerige lompen op en door elkaar lagen, in, terwijl ongetwijfeld hun reine, kleine zielen elders, in het blauwe land van hun mystieken droom zweefden.

Pierre begon zich onpasselijk te gevoelen en wilde weggaan, toen een zwak, maar aanhoudend gekreun zijn aandacht trok, en op dezelfde plaats en in dezelfde houding nog zag hij madame Vincent, die de kleine Rose op haar schoot wiegde.

"O, mijnheer de abbé," fluisterde zij, "zij is nu bijna een uur geleden wakker geworden en van dat oogenblik af heeft zij aan één stuk door gehuild. ... En toch heb ik heusch geen vinger bewogen, want ik was zoo blij haar te zien slapen."

De priester had zich gebukt om naar de kleine, die zelfs geen kracht meer had om haar oogleden op te slaan, te kijken. Het kreunen kwam als de ademhaling zelf uit haar mond, en zij zag zóó bleek, dat hij rilde, want hij voelde den dood komen.

"Lieve God, wat moet ik nu beginnen?" ging de gemartelde moeder, wier krachten uitgeput waren, voort. "Dat kan zoo niet langer, ik kan dat huilen niet meer aanhooren... Als u eens wist wat ik al niet tegen haar gezegd heb: "Mijn schatje, mijn engeltje, mijn lammetje, huil toch niet, wees maar zoet, de Heilige Maagd zal je beter maken!" En zij huilt maar steeds door!"

Zij snikte het uit, dikke tranen vielen op het gezicht van het kind, dat maar niet ophield met kreunen.

"Als het dag was, zou ik allang uit dit vertrek weg zijn, te meer, omdat het kind de anderen hindert ook. Een oude dame is al boos geworden... Maar ik ben bang, dat het te koud voor haar is; en waar zou ik bovendien in den nacht heen moeten?... O, Heilige Maagd, heb toch medelijden met ons!"

Tot tranen toe bewogen, drukte Pierre een kus op de blonde haren van Rose; dan snelde hij, om niet met de smarten-moeder in snikken uit te barsten, weg en ging, als was hij vastbesloten om den dood te overwinnen, regelrecht naar de Rozenkranskerk.