De drie steden: Lourdes

Part 25

Chapter 253,944 wordsPublic domain

Eerst weigerde hij, dan gaf hij echter, niet in staat aan den drang van zijn verlangen weerstand te bieden, toe. Hij moest zich haasten, vlug de grasperken overloopen.

"Blijf hier onder de boomen op mij wachten. Ik zal je wel vertellen, wat ik boven gezien heb."

Pierre en Marie bleven alleen in dit donkere, eenzame hoekje, doorbalsemd met rozengeur, zonder dat er één enkele roos in de nabijheid was. Zij spraken niet, keken naar de processie, die zacht en ononderbroken naar beneden gleed.

Het was als een dubbele rij levende sterren, die, aan den linkerhoek van de Basilica opkomend, nu de monumentale helling volgde, welker ronding zij duidelijk afteekende. Op dezen afstand kon men nog steeds de pelgrims, die de kaarsen droegen, niet zien; het waren slechts wandelende, gedisciplineerde lichtjes, die in de donkerte rechte lijnen trokken. De bouwwerken zelf bleven onder den donkerblauwen nachthemel vaag, werden nauwlijks door een verdichting van de duisternis aangegeven. Maar langzamerhand lichtten, naarmate het aantal kaarsen grooter werd, de architectonische lijnen òp, de slanke spitsbogen der Basilica, de cyclopische gewelven der hellingen, de zware, samengedrukte gevel der Rozenkranskerk. Met den ononderbroken stroom van helle vonken, die rustig voortkabbelde op de hardnekkige manier van een buiten haar oever getreden rivier, die door niets meer tegengehouden wordt, kwam als het ware een morgenrood, een lichtende wolk, die steeds grooter werd en eindelijk den geheelen horizont in haar glans laadde.

"Kijk toch eens Pierre, kijk toch eens!" riep Marie in haar kinderlijke blijdschap. "Dat houdt maar niet op, steeds komen er meer."

Inderdaad duurde daar omhoog het plotselinge verschijnen van kleine lichtjes met een mechanische regelmatigheid voort, alsof een onuitputtelijk hemelsche bron dat zonnestof uitgestort had. Het hoofd der processie had ter hoogte van de gekroonde Heilige Maagd de tuinen bereikt, zoodat de dubbele vlammenlijn nog slechts den omtrek van het dak der Rozenkranskerk en van de groote trap afteekende. Doch de nadering der menigte maakte zich voelbaar door een onrust in de lucht, een levenden, van verre komenden ademtocht; vooral de stemmen klonken sterker, de litanie van Bernadette zwol aan tot het gebruis van een opkomenden vloed, die het refrein: "Ave, ave, ave Maria!" in een rhythmisch gewieg steeds hooger en hooger stijgen deed.

"O, dat refrein!" prevelde Pierre, "het dringt je tot in je huid door. Straks gaat mijn heele lichaam het nog zingen."

Weer liet Marie haar zacht kinderlachje hooren.

"Ja, dat is zoo, het volgt mij ook overal; vannacht heb ik het in mijn slaap ook gehoord. En vanavond ook weer, het is als wiegt het mij boven de aarde."

Dan viel zij zichzelf in de rede:

"Daar zijn ze aan den onderkant van het perk, vlak tegenover ons."

Nu volgde de processie de lange rechtsche allée en kwam, na om het Croix des Bretons heen gekropen te hebben, langs de andere rechtsche laan terug. Ze hadden meer dan een kwartier noodig, om deze beweging uit te voeren. Nu vormde de dubbele lijn twee lange strepen evenwijdige lichtjes, waarboven een triomphantelijke zonnefiguur uitstak. Maar het blijvende-mooie was het ononderbroken kronkelen van die vuurslang, wier gouden ringen zoo zacht over den zwarten grond kropen en zich in het oneindige verlengden, zonder dat het reusachtige zich ontrollende lichaam ooit scheen te eindigen. Verschillende malen had er blijkbaar ergens een opstopping plaats; de lijnen bogen zich dan als zouden zij breken, maar de orde was spoedig weer hersteld, waarna het naar beneden glijden met langzame regelmatigheid opnieuw begon. Een melkweg met zijn beving van werelden was van uit den hooge neergevallen en zette op aarde zijn sterrenreidans voort. Een blauw licht sijpelde naar beneden, er bestond niets meer dan de hemel, de gebouwen en de boomen namen in den geheimzinnigen glans der duizenden kaarsen, wier aantal steeds grooter werd, droomvormen aan.

Marie stiet een zucht van ademlooze bewondering uit; zij kon er geen woorden voor vinden, herhaalde maar steeds:

"Wat is het mooi, lieve God, wat is het mooi!... Kijk toch eens, Pierre, hoe mooi het is!"

Maar sedert de processie op enkele passen van hen verwijderd voorbij hen trok, was het niet meer een rhythmische loop van sterren, die door geen hand gedragen werden. In de lichtwolk onderscheidden zij thans de lichamen, herkenden zij in het voorbijgaan nu en dan de pelgrims, die de kaarsen vasthielden. Eerst kwam la Grivotte, die ondanks het late uur aan de processie had willen deelnemen; zij overdreef haar genezing, beweerde steeds weer, dat zij zich nooit beter gevoeld had en behield in den frisschen avond, die haar rillen deed, haar overspannen, dansende manier van loopen. Dan kwamen de Vignerons, de vader voorop, met zijn kaars hoog in de lucht, gevolgd door madame Vigneron en madame Chaise, die haar uitgeputte beenen voortsleepten, terwijl de kleine Gustave, wiens rechterhand met kaarsvet overdekt was, met zijn kruk het zand stampte. Alle zieken, die loopen konden, waren er: ook Elise Rouquet, die met haar ontbloot rood gezicht als een verdoemde mede liep. Velen lachten; de het vorige jaar door het wonder genezen kleine Sophie Couteau speelde met haar kaars als met een stok. Hoofden volgden steeds weer op hoofden; voornamelijk waren het vrouwen, de meesten akelig alledaagsch, enkelen met een trotsche houding, die je een seconde even vluchtig zag en welke dan weer in de phantastische verlichting onderdoken. Eindigen wilde het niet: steeds kwamen er weer anderen, onder wie zij nog een heel bescheiden schim opmerkten, madame Maze, die zij zeker niet herkend zouden hebben, als zij niet even haar bleek, door tranen overstroomd gelaat opgeheven had.

"Kijk," zeide Pierre tegen Marie, "daar zijn de eerste lichtjes der processie op de place du Rosaire, en ik ben er zeker van, dat de helft der pelgrims nog voor de Grot staat."

Marie keek op en inderdaad zag zij in de hoogte bij den linkerhoek der Basilica regelmatig en zonder ophouden nieuwe lichtjes opduiken met een soort mechanische beweging, die nooit scheen op te houden.

"Ach," zeide zij, "wat een belaste en beladen zielen. Ieder van die kleine vlammetjes is immers een ziel, die lijdt en zich bevrijdt?"

Pierre moest zich over haar heen buigen om haar te kunnen verstaan, want de litanie van Bernadette verdoofde hen, nu de stroom zoo vlak langs hen vloeide. De stemmen klonken in een steeds grooter wordende zinsverbijstering, de strophen werden langzamerhand door elkaar gezongen, ieder deel der processie hief het zijne aan met stemmen als van bezetenen, die zichzelf niet meer verstonden. Het was een eindeloos, verward geschreeuw, het razende geschreeuw van een menigte, die door haar geloofsijver geheel bedwelmd wordt. En steeds weer kwam het refrein, het Ave, ave, ave Maria! terug en klonk met zijn rhythme, dat was als een krankzinnig makende obsessie, boven alles uit.

Tot hun verbazing zagen Pierre en Marie opeens mijnheer de Guersaint voor zich staan.

"Ach, kinderen, ik wilde me daarboven niet verlaten, en ben tweemaal door de processie heengeloopen om hier te komen... Maar wat een gezicht! Het is werkelijk het eerste moois, dat ik zie, sedert ik hier ben!"

En hij begon hun de processie te beschrijven, zooals hij die van af den Calvariënberg gezien had.

"Stel je een tweeden hemel hier beneden voor, welke den glans van dien hierboven weerkaatst, maar een hemel, die heelemaal door één enkel, reusachtig sterrenbeeld ingenomen wordt. En dat sterrengewemel schijnt zich heel ver in donkere diepten te verliezen. De vuurstroom is precies een monstrans, ja, een echte monstrans, waarvan de voet gevormd wordt door de hellingen, de schacht door de twee evenwijdige alleeën en de hostie door het ronde grasperk, dat ze bekroont. Het is een monstrans van brandend goud, die diep in de duisternis met een voortdurend fonkelen van wandelende sterren opvlamt. Je ziet niets dan dien reusachtigen en grootschen monstrans... Waarachtig, ik heb nog nooit zoo iets buitengewoons gezien!"

Hij zwaaide zijn armen heen en weer, was buiten zichzelf van artistieke ontroering.

"Vadertje," zeide Marie liefdevol, "nu u toch hier bent, moest u maar naar het hotel teruggaan, om nog wat te slapen. Het is nu bijna elf en morgenochtend om drie uur moet u weer weg."

En om hem over te halen, voegde zij er aan toe:

"Ik vind het zoo prettig, dat u dat uitstapje gaat maken... Maar zorg, dat u morgenavond vroegtijdig terug bent, want u zult zien, u zult zien..."

Zij durfde haar vaste overtuiging, dat zij genezen zou, niet uitspreken.

"Je hebt gelijk, ik ga nu maar naar bed," zeide mijnheer de Guersaint gekalmeerd. "Nu Pierre bij je is, ben ik niet ongerust."

"Maar," riep zij uit, "ik wil niet, dat Pierre vannacht bij mij blijft. Wanneer hij mij straks naar de Grot gebracht heeft, komt hij weer bij u... Ik heb niemand noodig, de eerste de beste brancarddrager zal mij morgenochtend wel naar het Hôpital brengen."

Pierre zweeg eerst even. Dan, eenvoudig:

"Neen, neen, Marie, ik blijf... Ik zal, evenals jij, den nacht in de Grot doorbrengen."

Zij wilde aandringen, boos worden. Maar hij had het zoo zacht gezegd, zij had in zijn woorden een zoo smartelijk verlangen naar geluk gevoeld, dat zij, tot in het diepst van haar ziel geroerd, haar woorden terugdrong.

"Enfin, kinderen," begon haar vader weer, "dat moeten jullie samen maar uitvechten, jullie bent verstandig genoeg. En nu goeden nacht, maakt je over mij maar geen zorg."

Hij gaf zijn dochter een paar hartelijke kussen, drukte de beide handen van den priester; ging dan weg en verdween in de dichte rijen der processie, waar hij opnieuw doorheen moest.

Nu waren zij alleen in hun donker en eenzaam hoekje onder de groote boomen; zij nog altijd achter in haar wagentje zittend, hij geknield in het gras en met zijn elleboog leunend op een der wielen. Het was aanbiddelijk mooi: het voorbijtrekken der kaarsen duurde voort, terwijl zij zich door het groot aantal bochten, dat zij maakten, tot één groote massa ophoopten. Wat hem vooral aangenaam trof was dat er van het kermisgedoe van overdag niets meer over Lourdes was blijven hangen. Het was, alsof van de bergen een zuiverende wind neergestreken was, die den sterken etensgeur, de vraatzuchtige Zondagsvreugde, al dat gloeiend en vergiftigd kermisstof, die om de stad hingen, weggevaagd had. Nu breidde zich nog slechts een eindelooze hemel met reine sterren over hen uit; de koelte van den Gave verkwikte hen, de zuchtende briesjes droegen geuren van wilde bloemen aan. De oneindigheid van het mysterie ging op in den onbeperkten vrede van den nacht, en van de zware stoffelijke wereld bleef niets over dan die kleine vlammetjes der kaarsen, welke Marie zooeven vergeleken had met lijdende zielen, welke op het punt staan zich te bevrijden. Een weldadige rust, die hem met een oneindige hoop vervulde, kwam over hem. Sedert hij daar was, verdwenen langzamerhand de kwetsende herinneringen van den namiddag, de gulzige vraatzucht, het onbeschaamde schacheren in wat heilig zijn moest, de moreel achteruitgegane en tot prostitutie vervallen oude stad uit zijn geest, om hem geheel te doen opgaan in die goddelijke verkwikking, in dien zoo wondermooien nacht, waarin zijn geheele ziel zich onderdompelde als in een bad der herrijzenis.

Marie, zelf ook door een oneindige teederheid vervuld, prevelde:

"Wat zou Blanche gelukkig zijn, als zij al die heerlijkheden zien kon!"

Zij dacht aan haar zuster, die te Parijs achtergebleven was en zich daar aftobde met het geven van lessen. Maar dit eenvoudige woord, het noemen van den naam van haar zuster, over wie zij sedert haar komst te Lourdes niet gesproken had en die nu plotseling voor haar herinnering oprees, was voldoende om het geheele verleden voor hun geest op te roepen.

Zonder te spreken, doorleefden Marie en Pierre nog eenmaal hun kindertijd, hun spelen van vroeger in de twee aan elkaar grenzende, slechts door een levende haag gescheiden tuintjes. Dan kwam de scheiding, toen hij naar het seminarie ging en zij hem, heete tranen schreiend, op de wangen kuste met de belofte hem nooit te zullen vergeten. Jaren verstreken, en zij vonden elkaar terug, voor eeuwig gescheiden: hij priester, zij aan het ziekbed gekluisterd zonder eenige hoop ooit vrouw te worden. Dat was hun heele geschiedenis, een vurige, zichzelf lang onbewust gebleven liefde, dan een breuk, alsof zij gestorven waren, hoewel zij naast elkander leefden. Nu zagen zij de armzalige woning terug, die de oudste zuster door haar lessen wat behaaglijk trachtte te maken, die armzalige woning, waaruit zij naar Lourdes vertrokken waren na veel strijd en veel beraad: zijn twijfel en haar hartstochtelijk geloof, dat ten slotte overwonnen had. Het was werkelijk heerlijk elkaar zoo alleen weer te vinden in dit donkere hoekje, in dezen wondermooien nacht, waarin op aarde evenveel sterren waren als in den hemel.

Marie had tot nog toe haar kleine kinderzieltje bewaard, een sneeuwwitte ziel, zooals haar vader zeide, een goede, reine ziel. Op haar dertiende jaar door haar ziekte aangetast, was zij niet ouder geworden. Nu, op haar drie-entwintigste, was zij nog altijd dertien, een kinderlijk, in zichzelf gekeerd zieltje gebleven. Men zag het aan haar hartstochtlooze oogen, aan haar verstrooide gelaatsuitdrukking, aan haar onrustig zoekenden blik, aan haar onvermogen om iets anders te willen. Geen vrouweziel was onschuldiger dan de hare, die, achterlijk gebleven als zij was, de ziel van een groot, zedig meisje was, bij wie de ontwakende hartstocht zich met een innigen kus op de wangen tevreden stelt. Zij had geen anderen roman gehad dan het afscheid, dat zij weenend van haar vriend genomen had, en dat was gedurende tien jaar voldoende om haar hart geheel te vullen.

In de eindelooze dagen, die zij op haar ziekbed doorgebracht had, was zij nooit verder in dien droom gegaan, dan dat hij, als zij gezond gebleven was, ongetwijfeld nooit priester geworden zou zijn, om met haar te kunnen leven. Nooit las zij een roman. De vrome boeken, die zij hebben mocht, hielden in haar de geestdrift voor een bovennatuurlijke liefde wakker. Zelfs de geluiden van buiten stierven weg aan de deur van de kamer, waar zij als in een klooster leefde; vroeger, toen men haar van het eene einde van Frankrijk naar het andere, van de eene boeteplaats naar de andere bracht, ging zij door de menigte als een slaapwandelaarster, die niets hoort en niets ziet, doch geheel beheerscht wordt door de idée fixe, dat zij reddeloos verloren was. Vandaar die onschuld en kinderlijkheid, dat aanbiddelijke meisje des lijdens, dat, opgegroeid met haar armzalig lichaam, in haar hart niets bewaarde dan de onbewuste liefde van haar dertien jaar.

Marie's hand zocht in de duisternis die van Pierre, en toen zij deze, die de hare tegemoet kwam, vond, hield zij die lang en innig vast. Welk een vreugde! Nooit hadden zij een zoo reine en zoo volmaakte vreugde gesmaakt, als nu zij hier samen ver van de wereld in die onbeperkte bekoring van de duisternis en het mysterie waren. Om hen heen was slechts de rondedans der sterren. Het in slaap wiegende gezang zelf was als de duizeling, die hen op vleugelen medevoerde. Marie wist, dat zij den volgenden dag genezen zou worden, wanneer zij een nacht van godsdienstige extase in de Grot doorgebracht had: het was voor haar een absolute zekerheid, dat de Heilige Maagd haar zou verhooren, dat zij haar vermurwen zou, wanneer zij zich van aangezicht tot aangezicht met haar bevond, om haar te smeeken. En zij begreep heel goed wat Pierre ermede bedoelde, toen hij den wensch uitgesproken had ook den nacht voor de Grot door te brengen. Was hij niet besloten een allerlaatste poging te wagen om zijn geloof terug te krijgen, neer te knielen als een klein kind, om de Heilige Maagd te smeeken hem zijn geloof terug te geven. Nu nog, zonder dat zij behoefden te spreken, herhaalden hun in elkaar liggende handen die dingen. Zij beloofden elkaar voor elkander te bidden; zij vergaten zichzelf zoozeer dat de een in de ander geheel opging met een zoo vurigen wensch voor hun genezing, voor hun wederzijdsch geluk, dat zij op dat oogenblik even den grond aanraakten der liefde, die zich geeft en zich opoffert. Het was een hemelsche genieting.

"O," prevelde Pierre, "die blauwe nacht, die eindelooze duisternis, welke al het leelijke van menschen en dingen wegvaagt, die wijde weldadige vrede, waarin ik mijn twijfel zou willen in slaap wiegen..."

Zijn stem begaf hem. En op haar beurt zeide Marie heel zacht:

"En de rozen, die heerlijke rozengeur... Ruik jij ze niet, Pierre? Waar zijn ze toch, dat jij ze niet gezien hebt?"

"Ja, ja, ik ruik ze, maar er zijn geen rozen. Ik zou ze zeker gevonden hebben, want ik heb goed gezocht."

"Hoe kan je zeggen, dat er geen rozen zijn, waar zij de lucht om ons heen doorbalsemen en wij als het ware baden in haar geur? Op sommige oogenblikken is hij zoo sterk, dat ik mij bijna bezwijmen voel van de vreugde hem te mogen inademen!"

"Neen, neen, ik zweer het je, ik heb overal gekeken, er zijn geen rozen. Of wel zij moeten onzichtbaar zijn of het gras zelf, dat wij met onze voeten vertrappen, die groote boomen, die ons omringen, of haar geur stijgt op uit de aarde, uit de rivier hier vlak bij, uit de bosschen en uit de bergen."

Zij zwegen een oogenblik. Dan begonnen zij weer op denzelfden fluisterenden toon:

"Wat ruiken zij heerlijk, Pierre! Het lijkt wel, of onze in elkaar liggende handen ook een rozenruiker zijn."

"Ja, zij rieken heerlijk lekker. En nu is het, alsof die geur uit jou opstijgt, Marie, alsof de rozen opbloeien uit jouw haren."

Zij spraken niet meer. De processie trok nog steeds voorbij, steeds nog kwamen helle vonken van achter de Basilica, die als uit een onuitputtelijke bron uit de duisternis opborrelden. De eindelooze stroom der kleine, wandelende vlammen groefde in zijn dubbelen kringloop de duisternis met een vurig lint. Maar het mooiste schouwspel zag men op de place du Rosaire, waar het hoofd der processie, zijn langzame zwenking volhoudend, zich in een steeds nauwer wordenden kring draaide, die de van moeheid half geradbraakte pelgrims ten slotte duizelig maakte en hun gezang tot iets als verbittering deed stijgen. Weldra was deze kring niet meer dan een brandende kern, de kern van een nevelvlek, waaromheen het vurige lint, dat geen einde scheen te nemen, zich langzaam oprolde; en steeds breidde die kern zich uit, werd een vijver, dan een meer. De heele wijde place du Rosaire veranderde in een brandende zee, die haar kleine fonkel-golfjes voortrolde in den wervelstroom van dezen nooit stilstaanden draaikolk. Een dageraad-weerschijn deed de Basilica òplichten. Ter zijde zag men slechts enkele verdwaalde kaarsen alleen wandelen als glimwormen, die met behulp van hun klein lantaarntje hun weg zochten.

Een deel der processie was blijkbaar op den Calvariënberg verdwaald, want ook daar in de hoogte bewogen zich in de open lucht sterren. Eindelijk kwam er een oogenblik, dat de laatste kaarsen verschenen, de grasperken omtrokken en uitstroomden in de vlammenzee, waarin zij verdronken. Dertigduizend kaarsen brandden daar, steeds nog in kringen ronddraaiend en hun gloed aanwakkerend onder den wijden rustigen hemel, waarin de sterren verbleekten. Een lichtdamp steeg op met het gezang, waarvan de obsessie was blijven voortduren. En het dreunen der stemmen, de Ave, ave, ave Maria! waren als het geknetter zelf der vlammende harten, die zich uitputten in gebeden, om de lichamen te genezen en de zielen te redden.

Een voor een waren de kaarsen uitgegaan; de nacht viel weer als onbeperkt heerscher donker en mild neer, toen Pierre en Marie merkten, dat zij daar nog hand in hand onder het mysterie der boomen verborgen waren. In de verte, in het donkere Lourdes, vroegen nog slechts enkele verdwaalde pelgrims den weg, om hun bed terug te vinden. Ritselingen streken door de donkerte, alles wat rondsluipt en den slaap zoekt op het einde van feestdagen. Maar zij vergaten tijd en omgeving, bewogen zich nog steeds niet, onuitsprekelijk gelukkig, in den geur der onzichtbare rozen.

IV.

Pierre reed het wagentje van Marie voor de Grot en plaatste het zoo dicht mogelijk bij het hek. Het middernachtelijk uur had reeds geslagen; er waren nog een honderd menschen, enkelen zittend op banken, de meesten echter op hun knieën en geheel opgaand in het gebed. De door kaarsen verlichte Grot vlamde als een chapelle ardente, zonder dat men er iets anders onderscheiden kon dan het als sterren fonkelende stof, waarin in zijn nis het beeld der Heilige Maagd wit als een droom oprees. Het afvallend groen der bloemruikers nam een smaragdglans aan, de duizend krukken, die het gewelf bekleedden, geleken op een onontwarbaar net van dood hout, dat op het punt stond weer uit te botten. De nacht werd door die felle schittering nog zwarter gemaakt; de omgeving was weggezonken in een dikke donkerte, waarin niets meer was, geen muren, geen boomen. Alleen de onafgebroken murmelende stem van den Gave werd gehoord onder den wijden, donkeren, van onweer zwangeren hemel.

"Zit je zoo goed, Marie?" vroeg Pierre zacht-vriendelijk. "Heb je het niet koud?"

Zij had even gerild. Maar het was slechts van een klein zuchtje, dat de Grot haar scheen toe te waaien.

"Neen, neen, heelemaal niet! Leg alleen die omslagdoek over mijn knieën... Dank je wel, Pierre, en maak je nu verder niet bezorgd over mij; ik heb niemand meer noodig, nu ik bij haar ben..."

Haar stem begaf haar; zij geraakte reeds in extase: haar handen vouwden zich, haar blikken staarden strak naar het witte beeld, op haar arm uitgeteerd gezicht lag een trek van zalige verheerlijking.

Toch bleef Pierre nog enkele minuten. Hij had haar in den omslagdoek willen wikkelen, want hij zag haar kleine, magere handjes beven. Maar hij was bang haar misnoegen op te wekken en stopte haar alleen maar als een kind goed toe, terwijl zij, met haar ellebogen op de beide randen van het wagentje leunend, hem niet eens meer zag.

Vlak bij hem stond een bank; hij was er, om stil in zichzelf te bidden, juist op gaan zitten, toen zijn blik viel op een vrouw, die in de donkerte geknield lag. Zij was in het zwart gekleed en hield zich zoo bescheiden op den achtergrond, dat hij haar eerst niet opgemerkt had, zoo zeer scheen zij één geworden te zijn met de duisternis. Dan kwam het vermoeden in hem op, dat het madame Maze was. En hij herinnerde zich den brief, dien zij in den loop van den dag ontvangen had. Hij kreeg medelijden met haar, hij voelde de verlatenheid van deze eenzame, die geen lichamelijke ziekte om te genezen had, maar aan de Heilige Maagd alleen vroeg het leed van haar hart te verzachten door haar ontrouwen echtgenoot te bekeeren. De brief had blijkbaar een hardvochtig antwoord bevat, want met haar diep gebogen gelaat scheen zij in haar vernedering van arm, gepijnigd en mishandeld schepseltje niets meer te zijn. Slechts in de nachtelijke stilte vertoefde zij hier gaarne, voelde zij zich gelukkig, om hier uren lang te kunnen weenen, haar martelaarschap te kunnen ondergaan, den terugkeer van de verdwenen liefkoozingen te kunnen smeeken, zonder dat iemand haar smartelijk geheim vermoedde. Haar lippen bewogen zich zelfs niet; het was haar gemarteld hart, dat bad en zoo vurig zijn deel aan liefde en geluk opeischte.

O, die onleschbare dorst naar geluk, welke al deze gewonden naar lichaam en naar ziel hier bracht! Ook Pierre voelde hoe die dorst zijn keel droog maakte en een vurige begeerte in hem deed ontstaan die te lesschen. Hij had zich op zijn knieën willen werpen, de goddelijke hulp willen afsmeeken met het deemoedig geloof van die vrouw. Maar zijn ledematen waren als gebonden en woorden vinden kon hij niet. Het was een verlichting voor hem, toen een hand zachtjes zijn schouder aanraakte.

"Ga met mij mee, mijnheer de abbé, als u de Grot niet kent. Ik zal u er heen brengen, het is er zoo heerlijk op dit uur."