Part 24
"En wanneer ik u vertel, mijnheer, wat ze van onze arme stad gemaakt hebben! Veertig jaar geleden waren onze meisjes hier heel zedig, dat verzeker ik u. Ik herinner me nog heel goed, dat, wanneer, in mijn jonge jaren, een jonge man eens wat wilde uithalen, er hier hoogstens drie of vier van die vrouwspersonen waren, om hem te bevredigen, zoodat ik op kermisdagen de mannen queue zag maken voor haar deur, zoo waar als ik hier sta!... De tijden zijn wel veranderd, de zeden zijn dezelfde niet meer! Tegenwoordig doen bijna alle meisjes niets dan kaarsen en bouquetten verkoopen; enfin, u zult wel gezien hebben, hoe zij de voorbijgangers aanklampen en hun haar koopwaar opdringen. Het is een schandaal zulke brutale wijven! Zij verdienen veel, geven zich over aan luiheid, doen 's winters in afwachting van het volgend seizoen der bedevaarten, absoluut niets. En ik beloof u, dat tegenwoordig jongens, die een grapje uit willen halen, niet ver behoeven te loopen... Voeg daarbij de wisselende en verdachte bevolking, waarmede we, zoodra de eerste mooie dagen er zijn, overstroomd worden, koetsiers, marskramers, kroeghouders, een heel gemeen nomadenvolk, dat naar vuilheid en ontucht stinkt, dan hebt u een beeld van de eerbare, nieuwe stad, die ze ons met de menigten, die naar hun Grot en hun Basilica komen, geschonken hebben!"
Zeer onder den indruk had Pierre zijn courant laten zakken. Hij luisterde aandachtig, zag nu voor het eerst de twee Lourdes: het oude, in zijn kalme eenzaamheid zoo eerbare en vrome Lourdes en het nieuwe verdorven Lourdes, gedemoraliseerd door zooveel millioenen, zooveel bij elkaar gebedelde en opgehoopte rijkdommen, door den wassenden stroom van vreemdelingen, die de stad in looppas doortrokken, door de fatale vervuiling der opeenhooping, door de besmetting van slechte voorbeelden. Welk een ommekeer, als men terugdacht aan de onschuldige Bernadette, die neerknielde voor de primitieve, woeste grot, aan het naïeve geloof, aan de reine geestdrift der eerste arbeiders van het werk! Hadden zij die vergiftiging van het land door de hebzucht en het vuil der menschen gewild? De volkeren behoefden slechts te komen om de pest te doen uitbreken!
Toen Cazaban zag, dat Pierre luisterde, maakte hij nog een laatste dreigend gebaar, als om dat vergiftigende bijgeloof weg te vagen. Dan borstelde hij zwijgend het haar van mijnheer de Guersaint.
"Als het u blieft, mijnheer!"
Toen eerst begon de architect over het rijtuig. De kapper maakte eerst bezwaar, beweerde, dat zij naar zijn broer in de gemeentewei moesten gaan. Maar ten slotte stemde hij toch toe de bestelling op zich te nemen. Een landauer met twee paarden naar Gavarnie kostte vijftig francs. Maar blij, omdat hij zooveel had kunnen praten en gevleid als een fatsoenlijk man behandeld te worden, sloeg hij tien francs af. Ze waren met hun vieren, dat was dus tien francs per persoon. Ze kwamen overeen om 's nachts tegen drie uur te vertrekken, zoodat ze Maandagavond weer vroegtijdig terug zouden zijn.
"Het rijtuig staat om drie uur voor het Hôtel des Apparitions," herhaalde Cazaban op zijn nadrukkelijke manier. "U kunt op mij rekenen, mijnheer!"
Hij spitste zijn ooren. Het gerinkel met borden in de kamer ernaast hield maar niet op. Men at er nog altijd, zooals overal, met de vraatzucht, die van het eene einde van de stad naar het andere woedde. Er werd nog om brood geroepen.
"Pardon," zeide Cazaban vlug; "mijn gasten hebben me noodig."
En met zijn handen nog vet van de kam, snelde hij weg. Daar de deur even open bleef, zag Pierre aan de wanden der huiskamer, tot zijn verbazing godsdienstige platen hangen, met name een afbeelding van de Grot. Ongetwijfeld hing de kapper die alleen maar gedurende de bedevaarten op, om zijn gasten een pleizier te doen.
Het was tegen drieën. Toen Pierre en mijnheer de Guersaint weer buiten kwamen, hoorden zij tot hun verwondering hoe het gelui van verschillende klokken de lucht vervulde. Op den eersten klank van het Vesperkleppen der Basilica had de parochiekerk juist geantwoord, en nu voegden zich de kloosters een voor een bij het toenemend gelui. De kristalheldere klok van de Karmelieten paarde zich aan de ernstig-diepe van de Onbevlekte Ontvangenis; en al de vroolijke klokken der zusters van Nevers en de Dominicanessen klepten tegelijk. Op mooie feestdagen streken zoo van den vroegen morgen tot den laten avond vluchten van klokken met breede vleugels over de daken van Lourdes. Er was moeilijk iets vroolijkers denkbaar dan dat welluidende gezang onder den wijden blauwen hemel, boven deze vraatzuchtige stad, die eindelijk gedejeuneerd had en nu haar spijsvertering in de zon koesteren.
III.
Zoodra de avond gevallen was, werd Marie in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs ongeduldig, want zij wist van madame de Jonquière, dat baron Suire van pater Fourcade verlof voor haar gekregen had, om den nacht voor de Grot door te brengen. Iedere minuut vroeg zij zuster Hyacinthe:
"Zuster, is het nog geen negen uur?"
"Wel neen, kindlief, het is net half negen!... Hier heb je een dikke wollen omslagdoek, die je met het aanbreken van den dag om moet doen, want de Gave is vlak bij en de ochtenden zijn in dit bergland frisch."
De geheele zaal benijdde haar. Een heelen nacht voor de Grot te mogen bidden was de onuitsprekelijke vreugde, de opperste zaligheid. Men zeide, dat de uitverkorenen in den grooten vrede van de duisternis zeker de Heilige Maagd zagen. Maar men moest veel protectie hebben, om een dergelijke gunst te verkrijgen. De paters stonden haar niet graag toe, omdat er zieken gestorven waren, als in haar extase ingeslapen.
"Je zult morgenochtend, voor je hier terugkomt, in de Grot het Avondmaal vieren, is het niet, kindlief?" vroeg zuster Hyacinthe.
Het sloeg negen uur. Zou Pierre, die altijd zoo juist op tijd was, haar vergeten? Men vertelde haar nu van de fakkelprocessie, die zij van het begin tot het einde zou zien, als zij dadelijk wegging. Iederen avond werden de plechtigheden met een dergelijke processie besloten; maar die op Zondag was altijd de mooiste, en er werd verteld, dat de processie van dien avond zoo buitengewoon schitterend zou zijn, als men er maar zelden een zag. Meer dan dertigduizend pelgrims, ieder met een kaars in de hand, zouden eraan deelnemen. De wonderen van den nachtelijken hemel zouden zich openen, de sterren op aarde nederdalen. De zieken jammerden, dat het zoo vreeselijk was aan je bed gekluisterd te zijn en niets van die wonderdingen te kunnen zien.
"Kindlief," kwam madame de Jonquière zeggen, "daar zijn je vader en mijnheer de abbé!"
Marie straalde van vreugde en had het lange wachten al vergeten.
"O Pierre, laten we toch gauw gaan, laten we toch gauw gaan," drong zij aan.
Zij droegen haar naar beneden en de priester duwde het kleine wagentje voort, dat zacht voortrolde onder den met sterren bezaaiden hemel, terwijl mijnheer de Guersaint naast haar liep. Het was een wondermooie nacht zonder maan, een donkerblauw fluweel met diamanten bestikt; de zachte lucht was heerlijk, een lauwwarm bad van zuivere lucht, doorbalsemd met den geur der bergen. Veel pelgrims verdrongen zich in de straat in de richting der Grot; doch de menigte was stil en in zichzelf gekeerd, zonder de rumoerige kermisdrukte van den dag. Bij het plateau de la Merlasse breidde de duisternis zich uit, kwam men onder den onmetelijken hemel in het schaduwmeer der grasperken en groote boomen, waaruit men links alleen de slanke, witte spits der Basilica zag oprijzen.
Pierre werd bij het zien van de menschenmassa, die, naarmate zij de Grot naderden, compacter werd, eenigszins ongerust. Op de place du Rosaire kon men nog slechts met moeite loopen.
"Er is geen denken aan, om bij de Grot te komen," zeide hij en bleef stilstaan. "Het beste zou zijn een allée achter den "Abri des pèlerins" in te slaan en daar te wachten."
Maar Marie wilde met alle geweld het vertrek der processie zien.
"Laten we probeeren bij den Gave te komen, Pierre. Ik kan het dan uit de verte zien, ik behoef er niet zoo dicht bij te zijn."
Mijnheer de Guersaint, die even graag wilde kijken als zij, drong ook aan.
"Maak je maar niet ongerust, ik zal achter haar gaan staan en zorgen, dat niemand haar stooten kan."
Pierre moest nu het wagentje trekken. Hij had een kwartier noodig om onder een der bogen van de rechtsche helling te komen, zoo verdrong zich daar de menigte. Dan sloeg hij eenigszins schuins af en was eindelijk op de kade aan den oever van den Gave, waar alle kijkers op het trottoir stonden; hij kon nog een vijftig meter verder komen en liet dan het wagentje stilstaan tegen de borstwering zelf, bijna vlak tegenover de Grot.
"Is het hier goed?"
"Ja, ja, dank je wel! Maar ik moet zitten, dan kan ik nog beter zien."
Mijnheer de Guersaint richtte haar op en klom dan zelf op de steenen bank, die langs de geheele kade loopt. Een groote menigte nieuwsgierigen stond daar dicht opeengehoopt als op avonden, dat er vuurwerk afgestoken werd. Allen gingen op hun teenen staan en rekten hun hals uit. Ook Pierre was vol belangstelling, ofschoon je nog niet veel bijzonders zag.
Er moesten daar dertigduizend personen zijn, en nog steeds stroomde het menschen. Allen droegen in hun hand een kaars, gewikkeld in een soort peperhuis van wit papier, waarop in blauw een afbeelding van de Notre-Dame de Lourdes gedrukt was. Maar die kaarsen waren nog niet aangestoken. Boven de deinende zee van hoofden zag men slechts de helder blinkende Grot, die den hellen gloed als van een ijzergieterij uitstraalde. Een dof gezoem steeg op, men hoorde zuchten, die alleen reeds den indruk maakten, dat daar duizenden opeengedrongen stonden in de diepte der duisternis, hun adem inhoudend, op en neer bewegend als een levend, steeds grooter wordend laken. Er waren er onder de boomen aan den anderen kant van de Grot, in de diepten van de donkerte, die men zelfs niet vermoedde. Eindelijk begon het met enkele kaarsen, die hier en daar opvlamden; plotselinge vonken, die op goed geluk af de duisternis doorboorden. Het aantal nam snel toe: eilandjes van sterren vormden zich, terwijl op andere punten strepen, melkwegen te midden van de sterrenbeelden vloeiden. Dat waren de dertigduizend kaarsen, die allengs een voor een aangestoken werden, den fellen gloed der Grot uitdoofden en van het eene einde van den boulevard naar het andere de kleine gele vlammen van een reusachtig bekken met gloeiende kolen voortwentelden.
"O, Pierre, hoe mooi!" fluisterde Marie. "Precies de herrijzenis der nederigen, der kleine arme zielen, die weer wakker worden en schitteren."
"Prachtig, prachtig!" viel mijnheer de Guersaint haar in een opwelling van zijn kunstenaarsgeestdrift bij. "Kijk eens naar die twee lijnen, die elkaar snijden en een kruis vormen."
Pierre was zeer getroffen door wat Marie gezegd had. Zoo was het; die zwakke vlammetjes, nauwlijks lichtende puntjes, bescheiden als een deemoedig volk, en wier groot aantal een glans uitmaakte en een zonneschittering vormde. Telkens weer kwamen er nieuwe te voorschijn, verder weg en als verdwaald.
"O," prevelde hij, "dat daar heelemaal alleen, in de verte en zoo dansend... Zie je, Marie, hoe het aan komt drijven en zich langzaam in het groote vuurmeer verliezen gaat."
Men zag nu weer duidelijk als op klaarlichten dag. De van onder af belichte boomen lieten hun intens groen loof zien als geschilderde boomen op coulissen. Boven het golvende kolenbekken bleven de banieren, sprekend-duidelijk met haar geborduurde heiligen en zijden snoeren, onbeweeglijk. En de fel-helle weerkaatsing steeg langs de rots naar de Basilica op, welker spits nu scherp-wit afstak tegen den donker-zwarten hemel, terwijl aan de overzijde van den Gave de heuvels ook òp-lichtten met de witte gevels van hun kloosters tusschen het somber-groene loof.
Er was nog een oogenblik onzekerheid. Het vlammenmeer, waarin ieder brandend pitje een golfje was, deinde zijn sterrengeflonker voort, scheen op het punt te breken, om samen te vloeien tot een rivier. Dan fladderden hoogop de banieren, begon er beweging te komen.
"Wat," riep mijnheer de Guersaint uit, "komen ze nu niet hier langs?"
Toen legde Pierre, die op de hoogte was, uit, dat de processie eerst den met groote kosten langs den beboschten heuvel aangelegden zigzagweg volgde. Dan draaide zij om de Basilica heen, alvorens langs de rechtsche helling weer naar beneden te gaan en door de tuinen haar weg te vervolgen.
"Kijk, je ziet de eerste kaarsen reeds door het groen naar boven gaan."
Het was als uit een Duizend-en-een-Nacht-sprookje. Kleine bevende lichtjes maakten zich los uit den grooten, vurigen haard en verhieven zich in een zachte vlucht langzaam in de hoogte, zonder dat men iets kon onderscheiden, dat ze aan de aarde vasthield. Het bewoog zich als gouden zonnestofjes in de duisternis. Weldra was het overgegaan in een schuin vallende straal, die zich dan plotseling scherp om een hoek terugboog, en er ontstond een nieuwe straal, die zich op zijn beurt ook weer kromde. Eindelijk was de geheele heuvel door één vlammenzigzag doorgroefd, die denken deed aan bliksemstralen, zooals men die op plaatjes uit den zwarten hemel schieten ziet. Maar het lichtende spoor ging niet uit, steeds gleden de kleine vlammetjes met dezelfde zachte, langzame beweging voort. Soms echter ontstond plotseling een verduistering, wanneer de processie achter een boomgroep voorbijtrok. Maar even verder brandden de kaarsen dan weer, zetten haar tocht langs ingewikkelde, telkens weer onderbroken en opnieuw herstelde zigzaglijnen naar den hemel voort. Dan kwam een oogenblik, dat zij, boven op den heuvel gekomen, niet langer stegen en bij de laatste kromming van den weg verdwenen.
In de menigte klonk het:
"Nu draaien ze om de Basilica heen."
"O, het duurt nog wel een twintig minuten, voor ze naar beneden komen."
"Ja, mevrouw, ze zijn met hun dertigduizenden; er gaat nog wel een uur mee heen, voor de laatsten van de Grot vertrekken."
Zoodra de processie zich in beweging gezet had, had zich uit het doffe gegons een kerklied losgemaakt. Het was de litanie van Bernadette, de zesmaal tien coupletten, waarin het "wees gegroet" als een obsessie telkens weer terugkeerde. Waren de zestig strophen uitgezongen, dan begon men opnieuw. Aldoor klonk onophoudelijk en wiegend het "Ave, ave, ave Maria!", dat den geest verdoofde, de ledematen radbraakte, langzamerhand die duizenden wezens in een wakenden droomslaap bracht, waarin zij het paradijs als een visioen voor zich zagen. 's Nachts, als zij sliepen, had het bed de schommelende beweging, zongen zij ze nog.
"Blijven we hier?" vroeg mijnheer de Guersaint, die gauw genoeg van iets had. "Het is nu verder precies hetzelfde."
En ook Marie, die de gesprekken in de menigte gehoord had, zeide:
"Je hebt gelijk, Pierre. Het zou beter zijn als wij onder de boomen gingen staan. Ik zou zoo graag alles willen zien."
"Zeker," antwoordde Pierre; "wij zullen een plaatsje zoeken, waar je alles zien kunt. Het zal alleen een heele toer zijn, om nu hier vandaan te komen."
Inderdaad had de dichte menigte nieuwsgierigen hen als het ware ingemetseld. Pierre moest zich langzaam en voorzichtig een weg banen, terwijl hij een klein plaatsje voor een zieke vroeg. Marie keerde zich telkens om en trachtte nog eenmaal voor de Grot den vlammenden waterspiegel te zien, het meer met zijn kleine flikker-fonkelende golfjes, waaruit tot in het oneindige de processie wegstroomde, zonder dat het leeg scheen te worden. Mijnheer de Guersaint liep achter het wagentje, om het tegen het dringen der menigte te beschermen.
Eindelijk waren zij buiten het gedrang en stonden nu op een verlaten plekje dicht bij een der booggewelven, waar zij even ruimer konden ademhalen. Men hoorde daar niets dan de uit de verte klinkende litanie met haar hardnekkig refrein; zag de weerkaatsing der kaarsen slechts als een soort lichtende wolk, die van den kant der Basilica langzaam aangedreven kwam.
"De beste plaats zouden we hebben, als we den Calvariënberg opgingen. Een kamermeisje heeft het me vanochtend nog gezegd. Het moet van uit de hoogte een feeëriek gezicht zijn."
Doch daar viel niet aan te denken, daar waren te veel bezwaren aan verbonden.
"Hoe zouden we met het wagentje de hoogte op kunnen komen?" vroeg Pierre. "En bovendien zou in het pikdonker en in het gedrang het naar beneden komen veel te gevaarlijk zijn."
Marie zelf wilde liever in de tuinen onder de boomen, waar het zoo heerlijk was, blijven. Dus gingen zij weer verder en kwamen tegenover de groote gekroonde Heilige Maagd op de Esplanade uit. Het beeld was met gekleurde glazen verlicht, die het met een stralenkrans van blauwe en gele lampions tot een kermis-aureool maakten. Ondanks zijn vroomheid vond mijnheer de Guersaint dit afschuwlijk smakeloos.
"Kijk!" zeide Marie, "bij dat boschje daar zouden we een uitstekend plaatsje hebben!"
Zij wees naar een dicht boschje struiken naast den "Abri des pèlerins". Het was inderdaad een uitstekend plekje, want vandaar af zou men de processie langs de linkerhelling naar beneden kunnen zien komen en haar door de grasperken in haar dubbele evenwijdige beweging van gaan en komen tot de nieuwe brug kunnen volgen. Bovendien gaf de nabijheid van den Gave aan het bladerengewelf een heerlijke koelte. Niemand bevond zich daar nog; in de dichte schaduw van de groote platanen langs de allée genoten zij van een oneindigen vrede.
Mijnheer de Guersaint ging op zijn teenen staan, ongeduldig als hij was, om de eerste kaarsen van achter de Basilica te voorschijn te zien komen.
"Er is nog niets te zien," mompelde hij. "Enfin, dan ga ik maar even op het gras zitten. Ik ben doodop."
Dan maakte hij zich ongerust over zijn dochter.
"Wil ik je wat omslaan? Het is heel frisch hier!"
"Neen, vader, dank u wel, ik heb het heelemaal niet koud. Ik ben zoo gelukkig. In geen tijd heb ik zoo heerlijk adem kunnen halen!... Er moeten hier rozen zijn, ruikt u dien heerlijken geur niet?"
En zich tot Pierre wendend:
"Waar staan die rozen toch, lieve vriend? Zie je ze niet?"
Toen mijnheer de Guersaint naast het wagentje zat, ging Pierre kijken, of er in de nabijheid geen bed met rozen was. Maar vergeefs zocht hij in de donkere grasperken; hij vond niets dan een dichten, groenen plantengroei. Toen hij, teruggaande, langs den "Abri des pèlerins" kwam, ging hij uit nieuwsgierigheid naar binnen.
Het was een groot vertrek met een hooge zoldering, waarin aan beide kanten het licht door breede ramen naar binnen viel. Met zijn steenen vloer en zijn kale muren had het geen andere meubelen dan banken, die her en der verspreid stonden. Geen tafel, geen plank, zoodat de daklooze pelgrims, die genoodzaakt waren daar hun toevlucht te zoeken, hun manden, hun pakjes en hun valiezen opgehoopt hadden in de aldus in bagagekasten herschapen vensternissen. Het vertrek was leeg: alle arme pelgrims waren blijkbaar naar de processie. Hoewel de deur wijd open stond, heerschte er een ondraaglijke stank; de muren waren doordrenkt met ellende, de vloertegels vuil, vochtig ondanks den mooien zonnedag, nat van fluimen, vet en gemorsten wijn. Men deed er alles, men sliep er, at er in een opeenhooping van vuile lichamen en lompen.
Pierre zeide tot zichzelf, dat de heerlijke rozengeur moeilijk van daar komen kon. Toch liep hij het vertrek, dat door vier walmende lantaarns verlicht werd, rond in de meening dat het geheel verlaten was, toen hij tot zijn verbazing tegen den linkermuur een vage gestalte zag, een in het zwart gekleede vrouw, die een wit pakje op haar schoot hield. Zij was geheel alleen in deze eenzaamheid en zat onbeweeglijk met starre oogen voor zich uit te staren.
Hij ging naar haar toe en herkende toen madame Vincent, die hem met een gebroken stem toefluisterde:
"Ja, Rose heeft vandaag zoo geleden! Van den vroegen morgen af heeft zij aan één stuk door gekreund... En nu zij een paar uur geleden in slaap gevallen is, durf ik mij niet te verroeren, omdat ik bang ben, dat zij anders wakker wordt en weer pijn krijgt."
Zij bleef onbeweeglijk zitten, een martelares van een moeder, die reeds maanden lang haar kind zoo hield in de hardnekkige hoop het te genezen. Zij had het op haar armen naar Lourdes gebracht, droeg het daar rond, suste het in slaap op haar armen, daar zij geen kamer, zelfs geen ziekenhuisbed had.
"Gaat het dan niet beter met de kleine?" vroeg Pierre, wiens hart bloedde.
"Neen, mijnheer de abbé, ik geloof het niet."
"Maar," zeide hij, "u zit toch heel ongemakkelijk op die bank. Men had moeite moeten doen om u niet zoo op straat te laten blijven. Men zou uw kind ongetwijfeld ergens opgenomen hebben."
"Och, waar zou dat goed voor zijn, mijnheer de abbé? Zij ligt heel goed op mijn schoot. En bovendien zou men haar toch niet altijd zoo bij me gelaten hebben... Neen, ik heb haar maar liever bij me, dat zal haar ten slotte nog redden, geloof ik."
Twee dikke tranen vielen over haar onbeweeglijk gezicht. Dan ging zij voort:
"Ik ben niet zonder geld. Ik had dertig sous, toen ik van Parijs wegging, en ik heb er nu nog tien over... Ik heb aan brood voldoende en die arme stumperd hier kan zelfs geen melk verdragen... Ik kom nog wel toe tot we weer weggaan, en als zij beter wordt, o, dan zullen wij rijk zijn, rijk, rijk!"
Zij boog zich voorover en keek in het flikkerende licht naar het bleeke gezichtje van Rose, wier lippen door haar zwakke ademhaling half geopend werden.
"Kijk u eens, hoe zij slaapt!... De Heilige Maagd zal medelijden met haar hebben en haar beter maken, niet waar, mijnheer de abbé? We hebben nog wel maar één dag, maar ik wil niet wanhopen; ik zal den heelen nacht hier blijven bidden... Morgen zal het geschieden, ze moet nog tot morgen blijven leven."
Een oneindig medelijden maakte zich meester van Pierre, die, uit vrees, dat ook hij anders in tranen zou uitbarsten, wegging.
"Ja, ja, arme vrouw, blijf hopen."
En hij liet haar alleen achter in de groote, ledige, stinkende zaal, tusschen de door elkaar gegooide banken, zóó onbeweeglijk in haar smartelijke moederliefde, dat zij haar adem inhield, uit vrees, dat het piepen van haar borst de kleine zieke wakker zou maken. Geradbraakt bad zij, met gesloten mond, vurig.
Toen Pierre weer bij Marie terug was, vroeg zij hem dadelijk:
"En zijn er rozen in den omtrek?"
Hij wilde haar blijde stemming niet bederven door haar te vertellen, wat hij gezien had.
"Neen, ik heb in alle perken rondgekeken, maar er zijn geen rozen."
"Vreemd," zeide zij peinzend. "De geur is zoo zacht en tegelijk zoo doordringend... Je ruikt het toch zeker ook wel? Nou net is hij weer zoo buitengewoon sterk, alsof alle rozen van het paradijs om ons in den nacht ontbloeien."
Doch een uitroep van haar vader viel haar in de rede. Mijnheer de Guersaint was weer gaan staan, toen hij boven aan de hellingen, links van de Basilica, lichtende punten verschijnen zag.
"Daar heb je ze eindelijk!"
Inderdaad werd het hoofd der processie zichtbaar. Onmiddellijk vermenigvuldigden overal de lichtende punten zich en verlengden zich tot een dubbele, golvende lijn. De duisternis overstroomde alles; het was als geschiedde dit alles heel hoog, als kwam het uit de zwarte diepten van het onbekende. En terzelfdertijd begon het gezang, de litanie, die als een obsessie was, weer; maar zij bleef zoo ver, zoo licht, dat het scheen, alsof zij niet meer was dan het zachte suizen, dat in de boomen den naderenden stormwind aankondigt.
"Ik heb het wel gezegd," prevelde mijnheer de Guersaint, "je moet op den Calvariënberg staan, om alles te zien."
Halsstarrig en stijfhoofdig als een kind kwam hij weer op zijn eerste denkbeeld terug, en jammerde, dat ze juist de slechtste plaats uitgekozen hadden.
"Maar waarom gaat u dan den Calvariënberg niet op, vader? Het is nog tijd genoeg... Pierre zal bij mij blijven."
En met een droef glimlachje voegde zij eraan toe:
"Trouwens, niemand zal me schaken."