Part 23
Inderdaad kwam een geestelijke voorbij, een nauwlijks ontbolsterde boer, met een beenig lichaam en een dik, grof gebouwd hoofd. In zijn ondoorzichtige oogen was niets te lezen, zijn verweerd gezicht had een aardachtigen tint behouden, den rosachtigen en doffen weerschijn van den grond. Mgr. Laurence had indertijd wel een zeer verstandige keus gedaan, toen hij de organisatie en de exploitatie der Grot toevertrouwde aan deze taaie en eerzuchtige missionarissen van Garaison, bijna allen zonen der bergen, die hartstochtelijk hun geboortegrond liefhebben.
Met hun vijven gingen zij over het plateau de la Merlasse en liepen den breeden boulevard af, die zich links om de helling slingert en op de avenue de la Grotte uitkomt. Het was reeds over éénen, maar het dejeuneeren duurde in de geheele, van menschen overstroomde stad nog steeds voort: de vijftienduizend pelgrims en nieuwsgierigen hadden nog niet allen een plaatsje aan tafel kunnen vinden. Pierre, die in het hotel de table-d'hôte vol achtergelaten en zooeven de leden der Hospitalité dicht op elkaar gedrongen had zien zitten eten in de "popote", vond nu weer andere tafeltjes, steeds meer tafeltjes. Overal at men en at men. Maar hier in de open lucht, aan de beide kanten van den boulevard, bestormden de kleine luiden de tafels, die op de trottoirs neergezet waren, eenvoudige lange planken op schragen met twee rijen banken onder een kleine linnen tent. Men verkocht er bouillon, melk en koffie van twee sous per kop. De broodjes, die in hooge manden lagen, kostten ook twee sous. Aan de stokken, die de tent ondersteunden, hingen saucijsjes, hammen en worst. Sommigen van deze openlucht-restaurateurs bakten aardappelen, terwijl anderen porties vleesch met uien bakten.
Een bijtende rook en een scherpe stank stegen, vermengd met het stof, dat de voortdurend voorbijslenterende wandelaars deden opdwarrelen, naar de zon op. Voor ieder van die eettenten wachtten geduldig lange rijen menschen, die elkaar van lieverlede opvolgden op de banken langs de met wasdoek bedekte planken, waarop in de breedte nauwelijks voor twee soepborden plaats was. Allen haastten zich en aten gulzig in den geeuwhonger van hun moeheid, die onverzadigbare eetlust, welke groote moreele schokken altijd geven. Het dier eischte zijn rechten op, propte zich vol na de uitputting der eindelooze gebeden en het verblijf in den hemel der legende, waarin het zijn lichamelijke behoeften vergeten had. Het was onder dien schitterenden hemel van dien mooien Zondag een echt kermisveld, de gulzigheid van een vroolijk volk, één levensvreugde ondanks de afzichtelijke ziekten en de te spaarzame wonderen.
"Zij eten, zij amuseeren zich, wat zal je ervan zeggen?" zeide Gérard, die de gedachten van het gezelschap, dat hij rondleidde, raadde.
"Ach!" antwoordde Pierre, "het komt hun toe, de arme stakkerds!"
Deze wraak, die de natuur nam, trof hem diep. Maar toen zij weer onder aan den boulevard waren op den weg naar de Grot, werd hij door de opdringerigheid van de troepen kaarsen- en bloemenverkoopsters, die de voorbijgangers op de meest onbeschaamde manier lastig vielen, hoogst onaangenaam getroffen. Het waren voor het grootste gedeelte jonge vrouwen, blootshoofds of het hoofd met een zakdoek bedekt en die een buitengewone brutaliteit aan den dag legden; waarvoor de ouderen echter slechts weinig onder deden. Allen droegen een groot pak kaarsen onder haar arm, zwaaiden degene, die zij te koop aanboden, in de lucht en drukten haar koopwaar den wandelaars bijna in de handen.
"Mijnheer, mevrouw, koop een kaars van mij, dat zal u geluk aanbrengen!"
Een heer, die door drie van de jongsten omringd en heen en weer getrokken werd, verloor bijna de slippen van zijn jas. Met de bloemen was het hetzelfde liedje, groote, ronde, ruw met touw vastgebonden bouquetten, die wel bloemkoolen geleken.
"Een bouquet, mevrouw, een bouquet voor de Heilige Maagd."
Wanneer de dame ontsnapte, hoorde zij gesmoorde verwenschingen achter zich. De handel, de schaamtelooze handel drong zich op die wijze tot aan den ingang van de Grot aan de pelgrims op. Niet genoeg, dat hij zich triomphantelijk in alle winkels installeerde, die, dicht op elkaar gedrongen, iedere straat in een bazar herschiepen, neen hij liep de straten af, versperde den weg en reed op handkarren rozenkransen, medailles, beelden, vrome plaatjes rond. Van alle kanten kocht men, kocht men bijna evenveel als men at, om een souvenir van deze heilige kermis mede te nemen. En de levendige noot, de vroolijkheid in deze hebzucht, in dit gedrang van marskramers vormden nog de door de menigte heen vliegende jongens, die den Journal de la Grotte verkochten. Hun schelle stem verscheurde de ooren:
"De Journal de la Grotte! Het laatste nummer! Twee sous! De Journal de la Grotte!"
Te midden van het gedrang van de steeds heen en weer stroomende menschenmassa's geraakte het vijftal van elkaar. Raymonde en Gérard bleven achter. Beiden waren in een glimlachende intimiteit zacht gaan praten. Madame Désagneaux moest blijven stilstaan en hen roepen:
"Loopt toch wat door, we zullen je nog kwijt raken."
Toen zij wat dichterbij kwamen, hoorde Pierre het jonge meisje zeggen:
"Mama heeft het zoo druk! Praat u met haar voor ons vertrek!"
En Gérard antwoordde:
"Afgesproken. U maakt mij heel gelukkig, mademoiselle."
Het huwelijk was dus gedurende deze bekoorlijke wandeling tusschen de wonderwerken van Lourdes veroverd en beklonken. Zij, geheel alleen, had overwonnen, en hij had eindelijk, toen hij haar aan zijn arm zoo vroolijk en verstandig voelde, een besluit genomen.
Maar mijnheer de Guersaint, die opgekeken had, riep uit:
"Zijn dat daarboven op het balkon die rijke menschen niet, die met ons gereisd hebben, u weet wel, die zieke jonge vrouw met haar man en haar zuster?"
Hij bedoelde de Dieulafay's; en inderdaad zaten zij op het balcon van het appartement, dat zij in een nieuw huis, dat uitzag op de grasperken van de Rozenkranskerk, gehuurd hadden. Zij bewoonden hier de eerste étage, welke met al den luxe, dien Lourdes had kunnen verschaffen, tapijten en gordijnen, gemeubeld was, terwijl zij bovendien nog een groot personeel van dienstboden naar Lourdes vooruit gezonden hadden. Met het mooie weer had men de zieke, die in een grooten fauteuil lag, naar buiten gereden. Zij had een peignoir van kant aan. Haar man, als altijd in een gekleede jas, stond rechts van haar, terwijl haar zuster in een prachtige, licht-mauve japon, links van haar zat en zich dikwijls glimlachend over haar heen boog, om te praten, zonder echter ooit antwoord te krijgen.
"O," zeide de kleine madame Désagneaux: "ik heb dikwijls over madame Jousseur, die jonge vrouw in het mauve, hooren spreken. Zij is de vrouw van een diplomaat, die haar, ondanks haar groote schoonheid, veronachtzaamt; verleden jaar is er veel gepraat over een hartstocht, dien zij voor een jongen, in Parijsche kringen wel bekenden kolonel opgevat had. Maar de Katholieke salons beweren, dat zij dien, dank zij den godsdienst, overwonnen heeft."
Allen keken naar haar op.
"En te denken," ging zij voort, "dat haar zuster, de zieke, haar levend evenbeeld geweest is. Zelfs had zij een veel zachteren trek van goedheid en opgewektheid in haar gelaat... En kijk nu eens, het is bijna een doode, niets meer dan vel over been, die men bijna niet durft te verleggen. Een vreeselijk ongelukkig schepsel!"
Raymonde vertelde, dat madame Dieulafay, die nauwlijks drie jaar getrouwd was, al haar juweelen medegebracht had, om die aan Notre-Dame de Lourdes te schenken; Gérard bevestigde deze bijzonderheid en wist bovendien nog, dat de juweelen 's morgens aan de schatkamer der Basilica gegeven waren, om niet te spreken van een gouden, in edelsteenen gevatte lantaarn en een groote, voor de armen bestemde som gelds. Maar de Heilige Maagd had zich blijkbaar nog niet laten verteederen; de zieke scheen eerder achteruit te gaan.
Van dat oogenblik af zag Pierre nog slechts die jonge vrouw op het weelderig ingerichte balkon, dat ondanks haar grooten rijkdom zoo beklagenswaardige schepsel, dat troonde boven de feestende menigte in Lourdes, dat vroolijk was en lachte onder den mooien Zondagshemel. De twee haar zoo dierbaren, die zoo liefderijk voor haar zorgden, de zuster, die haar succes als aangebeden vrouw der wereld, en de man, die zijn bank, welker millioenen naar de vier windstreken der aarde rolden, verlaten had, droegen door hun onberispelijke verschijning niet weinig bij tot den pijnlijken indruk, welken deze groep, dien zij daar in de hoogte boven alle hoofden neerziende in het wondermooie dal vormden, maakte. Voor Pierre bestonden nog slechts deze drie menschen, die zoo oneindig rijk en zoo oneindig arm waren.
Maar de vijf wandelaars, die daar zoo midden op de avenue bleven staan, liepen ieder oogenblik kans verpletterd te worden. Telkens weer kwamen er nieuwe rijtuigen over de breede wegen, vooral landauers, met vier paarden bespannen, die in volle vaart reden en wier belletjes vroolijk rinkelden. Het waren touristen, badgasten uit Pau, Barèges en Cauterets, die, verrukt door het mooie weer en opgewekt door den snellen rit door de bergen, uit nieuwsgierigheid hierheen kwamen; zij bleven slechts enkele uren, liepen in hun strandtoiletten naar de Grot en naar de Basilica en vertrokken dan weer lachend en blij dat alles gezien te hebben. Families in lichte zomerdracht, gezelschappen jonge vrouwen met veelkleurige parasols, zwermden zoo tusschen de grijze en kleurlooze menigte pelgrims door en maakten het geheel nog meer tot een kermisgewoel, waar de beau monde wel zoo vriendelijk is zich te komen vermaken.
Plotseling riep madame Désagneaux uit:
"Wat, ben jij het, Berthe?"
En zij omhelsde een groote, bekoorlijke brunette, die met drie andere opgewekte en druk doende jonge dames uit een landauer stapte. Het was dadelijk een door elkaar gepraat, een gelach, één blijdschap elkaar zoo toevallig te ontmoeten.
"We zijn in Cauterets, beste meid! En nou zijn we, zooals iedereen, met ons vieren hierheen gekomen. Is je man bij je?"
"Wel neen, die is in Trouville, dat weet je toch ook wel. Donderdag ga ik weer naar hen toe."
"O ja, dat is waar ook!" zeide de groote brunette, die er nog echt als een jonge, aardige wildzang uitzag. "Ik vergat heelemaal, dat je met de bedevaart meekomt... En vertel eens..."
Zij begon fluisterend te praten, om Raymonde, die er glimlachend bij stond.
"Vertel eens... heb je de kleine baby, die zoo lang uitblijft, aan de Heilige Maagd gevraagd?"
Madame Désagneaux kreeg een kleur en fluisterde haar in het oor:
"Zeker, al twee jaar, en ik verzeker je, dat ik het knap vervelend vind nog niets te zien komen... Maar ditmaal geloof ik, dat het er is. Neen, lach nu niet, ik heb vanochtend, toen ik in de Grot bad, beslist iets gevoeld!"
Doch nu werd het lachen haar ook te machtig; allen riepen nu weer door elkaar en hadden een uitgelaten pleizier. Onmiddellijk bood zij de anderen aan haar rond te leiden, met de belofte haar binnen twee uur alles te laten zien.
"Ga jij met ons mee, Raymonde. Je moeder zal zich heusch niet ongerust maken."
Zij drukten Pierre en mijnheer de Guersaint de hand. Ook Gérard nam met een teederen handdruk afscheid van het jonge meisje, zijn oogen diep in de hare, als om zich definitief te verbinden. Dan verwijderden de zes dames zich in de richting van de Grot, vol levensvreugd en den bekoorlijken charme van haar jeugd met zich dragend.
Toen Gérard, die weer dienst moest doen, op zijn beurt afscheid genomen had, zeide mijnheer de Guersaint tegen Pierre:
"En onze kapper op de place du Marcadal? Ik moet toch naar hem toe... Je gaat zeker wel mee?"
"Natuurlijk. Nu Marie ons niet noodig heeft, ben ik tot uw beschikking."
Door de alleeën van de groote grasperken, die zich voor de Rozenkranskerk uitstrekten, kwamen zij op de nieuwe brug. Daar ontmoetten zij abbé des Hermoises, die twee uit Tarbes gekomen jonge dames rondleidde. Met zijn galant air van mondain priester liep hij tusschen haar in en liet haar Lourdes zien, waarbij hij het vermeed haar in aanraking te brengen met de leelijke kanten ervan, de armen, de zieken, den geheelen stank van diepe menschelijke ellende, die er op dezen mooien, zonnigen dag bijna uit verdwenen was.
Bij de eerste woorden van mijnheer de Guersaint, die hem aansprak over het huren van een rijtuig voor het uitstapje naar Gavarnie, scheen hij bang te worden zijn bekoorlijk gezelschap te moeten verlaten.
"Zooals u wilt, waarde heer. Wees zoo goed en belast u met die dingen, en u hebt volkomen gelijk, zoo goedkoop mogelijk, want twee niet zoo heel rijke geestelijken willen ook mee. We zullen met ons vieren zijn... En doe mij het genoegen mij vanavond het uur van vertrek te laten weten."
Dan ging hij weer naar zijn dames en nam ze mee naar de Grot, daarbij de schaduwrijke, frissche en voor verliefde paartjes zoo stille allée, die langs den Gave loopt, volgend.
Pierre had zich, moede tegen de borstwering van de nieuwe brug leunend, op den achtergrond gehouden. Voor het eerst viel hem het buitengewoon groote aantal priesters onder de menigte op. Ontelbare zag hij er over de brug gaan. Alle soorten kwamen langs hem heen: de correcte priesters, die met de bedevaart meegekomen waren en die men aan hun zelfvertrouwen en hun schoone soutanes herkende; de arme plattelandsgeestelijken, meer bedeesd, slecht gekleed, die geen offer ontzien hadden hierheen te komen en nu angstig-verschrikt door de straten liepen; eindelijk de zwerm van wereldlijke geestelijken, die, men niet wist vanwaar, naar Lourdes gekomen waren en daar een volkomen vrijheid genoten, zonder dat het zelfs mogelijk was na te gaan, of zij iederen ochtend hun mis lazen. En deze vrijheid vonden zij blijkbaar zoo aangenaam, dat de groote meerderheid zich, zooals abbé des Hermoises, hier met vacantie bevond, bevrijd van iederen plicht en blij, dank zij de groote menigte, waarin zij als het ware verdwenen, als gewone menschen te kunnen leven.
En vanaf den jongen, goed verzorgden en geparfumeerden vicaris tot aan den ouden priester met vuile soutane en afgeloopen schoenen, was de geheele soort vertegenwoordigd: dikke, vette, magere, groote en kleine; zij, die het geloof hier bracht en die van ijver brandden; zij, die eenvoudig als rechtschapen menschen hun plicht kwamen doen; zij ten slotte, die intrigreerden en alleen uit een verstandige politiek hier waren. Pierre bleef bedaard onder den stroom van priesters, die langs hem kwamen, ieder met een eigen doel, die allen naar de Grot gingen, zooals men gaat naar een plicht, naar een geloof, naar een vermakelijkheid of naar een corvée. Hij zag er een, heel klein, mager en donker, met een uitgesproken Italiaansch uiterlijk, wiens schitterende oogen het plan van Lourdes schenen op te nemen als een van die spionnen, welke vóór de verovering het land afloopen; hij zag er een, zwaarlijvig, met een vaderlijk voorkomen, hijgend van het vele eten en die bij een arme zieke vrouw stil bleef staan en haar honderd sous in de hand drukte.
Mijnheer de Guersaint kwam weer naar hem toe.
"We behoeven alleen nog maar den boulevard en de rue Basse te loopen," zeide hij.
Pierre volgde hem, zonder te antwoorden. Ook hij had nu de soutane op zijn schouders gevoeld en nog nooit had hij haar zoo licht gedragen als nu te midden van het gedrang der pelgrims. Hij leefde in een soort verdooving en onbewustheid, ondanks het onbehaaglijke gevoel, dat bij het aanschouwen der dingen, die hij zag, steeds grooter werd, nog altijd hopend op den bliksemstraal, die het geloof in hem weer zou doen ontvonken. De aangroeiende stroom van geestelijken hinderde hem nu niet meer, hij vond een broederlijk gevoel voor hen terug: hoeveel van hen vervulden, zonder te gelooven, evenals hij eerlijk hun zending als herders en troosters.
Mijnheer de Guersaint begon weer, maar nu wat luider:
"Je weet toch, dat deze boulevard nieuw is? Wat ze hier in de laatste twintig jaar gebouwd hebben, is niet te gelooven! Er staat waarachtig een heele nieuwe stad!"
Rechts van hen, achter de huizen, stroomde de Lapaca. Uit nieuwsgierigheid gingen zij een klein straatje in en stieten daar op oude, typische gebouwen, die langs het kleine beekje stonden. Verscheidene ouderwetsche molens rijden er hun raderen naast elkaar. Men wees hen dien, welken Mgr. Laurence na de verschijningen aan Bernadette's ouders gegeven had. Ook liet men hun een klein huisje bezichtigen, waarin, naar beweerd werd, Bernadette gewoond zou hebben, toen de Soubirous uit de rue des Petits-Fossés daarheen verhuisd waren; het jonge meisje, dat toen reeds bij de zusters van Nevers was, zal er wel niet veel geweest zijn. Eindelijk kwamen zij door de rue Basse op de place du Marcadal.
Dit was een lang, driehoekig plein, het drukste en mooiste van de oude stad en waar de café's, de apotheken en de mooie winkels stonden. Van al deze viel er dadelijk een, lichtgroen geschilderd en met hooge ramen, en waarboven een groot uithangbord met, in gouden letters, de woorden: "Cazaban, coiffeur" hing, in het oog.
Mijnheer de Guersaint en Pierre gingen naar binnen. Doch er was niemand in den scheersalon, zoodat zij moesten wachten. Een verschrikkelijk gerinkel van vorken kwam uit het vertrek ernaast, de huiskamer, die nu in een table-d'hôte herschapen was en waar, hoewel het reeds twee uur was, een tiental personen zaten te dejeuneeren. De middag was een heel eind reeds verstreken en nog at men steeds van het eene eind van de stad naar het andere. Evenals alle andere huiseigenaars in de stad, onverschillig hoe hun godsdienstige overtuigingen waren, verhuurde Cazaban gedurende het seizoen der bedevaarten zijn eigen kamer en huiskamer, om zijn toevlucht te zoeken in den kelder, waar hij met zijn huisgezin at, sliep en samenhokte in een gat zonder lucht van drie vierkante meter. Het was een rage om overal geld uit te slaan, de bevolking verdween als die van een veroverde stad, liet aan de pelgrims tot de bedden van vrouwen en kinderen, deed hen aan hun tafels zitten en van hun borden eten.
"Is er niemand?" riep mijnheer de Guersaint.
Eindelijk verscheen een klein mannetje, het type van een levendigen, beenigen Pyrenaeër met een lang gezicht, vooruitspringende kaakbeenderen, een door de zon verbranden tint met roode vlekken. Zijn groote, schitterende oogen stonden nooit stil; en over zijn geheele magere gezicht liep een rilling, een onafgebroken overvloed van gebaren en woorden.
"Mijnheer wenscht zeker geschoren te worden. Ik vraag mijnheer excuus, maar mijn bediende is uit en ik zat daar bij mijn gasten... Als mijnheer wil gaan zitten, dan zal ik hem onmiddellijk helpen."
En Cazaban, zich verwaardigend zelf te helpen, kreeg de zeep en zette het mes aan. Hij keek ongerust naar de soutane van Pierre, die, zonder een woord te zeggen, een courant was gaan zitten lezen.
Er heerschte een stilte. Maar dat kon Cazaban niet lang uithouden; en terwijl hij de kin van zijn klant inzeepte, begon hij:
"Stel u voor, mijnheer, dat mijn gasten zoo lang in de Grot gebleven zijn, dat ze nu pas dejeuneeren. U hoort het zeker wel. Ik was uit beleefdheid bij hen gebleven. Maar ik mag mijn klanten ook niet laten loopen, nietwaar? Je moet het iedereen naar den zin zien te maken."
Toen begon mijnheer de Guersaint, die ook graag een praatje maakte, hem te vragen.
"Dus u verhuurt aan pelgrims?"
"Ja, mijnheer, dat doen we allemaal," antwoordde de kapper eenvoudig. "Dat is nu eenmaal de gewoonte."
"En gaat u met hen mee naar de Grot?"
Cazaban kwam dadelijk tegen dat vermoeden op, en terwijl hij het scheermes in de lucht hield, zeide hij vol waardigheid.
"Nooit, mijnheer, nooit! In geen vijf jaar heb ik een voet gezet in de nieuwe stad, die zij daar bouwen."
Hij hield zich nog in en keek opnieuw naar de soutane van Pierre, die achter de courant schuil ging; ook het roode kruis op de jas van mijnheer de Guersaint maakte hem voorzichtig. Maar zijn tong kon hij toch niet beheerschen.
"Kijk u eens, mijnheer; meeningen zijn vrij; ik eerbiedig de uwe, maar ik voor mij moet van al die goocheltoeren niets hebben. En dat heb ik nooit onder stoelen of banken gestoken... Onder het keizerrijk, mijnheer, was ik al republikein en vrijdenker. We waren dat in dien tijd in de heele stad maar met ons vieren. Ja, daar ga ik trotsch op!"
Hij was nu met de linkerwang begonnen; hij triompheerde. Van dat oogenblik af stroomde er een onuitputtelijke zondvloed van woorden over zijn lippen. Hij begon met de bezwaren, die Majesté tegen de paters van de Grot had uitgesproken; den handel in religieuze artikelen, de oneerlijke concurrentie, die zij den kooplieden, den hoteliers en den kamerverhuurders aandeden. Ook hij koesterde een bitteren haat tegen de Blauwe Zusters der Onbevlekte Ontvangenis, want zij hadden hem twee oude dames, die ieder jaar drie weken te Lourdes kwamen, afgetroggeld. Vooral voelde men in hem echter den langzamerhand opgehoopten, nu overvloeienden wrok van de oude stad tegen de nieuwe, die zoo snel aan de andere zijde van het Kasteel opgeschoten stad, die rijke stad met huizen zoo groot als paleizen, waarheen al het verkeer, al het geld, al de weelde stroomde, zoodat zij steeds weer grooter en rijker werd, terwijl de oudste, de oorspronkelijke arme bergstad met haar kleine, verlaten straatjes, waarin het gras groeide, in doodsstrijd verkeerde. Toch werd de strijd voortgezet, de oude stad wilde niet sterven, trachtte haar ondankbare, jongere zuster tot deeling te dwingen door zelf ook pelgrims te huisvesten en winkels te openen; maar de winkels kregen alleen klanten, als zij dicht bij de Grot waren, terwijl eveneens alleen maar de arme pelgrims er zoo ver vandaan wilden logeeren. Deze ongelijke strijd vergrootte de breuk, maakte twee onverzoenlijke vijandinnen van de hooge en van de lage stad, die elkaar met onophoudelijke intriges trachten te verslinden.
"Neen, mij zullen zij in hun grot niet zien!" begon Cazaban weer woedend. "Het is een schandaal, zooals zij de menschen met hun Grot voor den gek houden en telkens wat anders probeeren. Een dergelijke afgoderij, een zoo brutaal bijgeloof in de negentiende eeuw!... Vraag hun eens, of zij in de laatste twintig jaar ooit één zieke uit de stad genezen hebben? En er loopen toch genoeg lammen in onze straten. In den beginne hadden de menschen van hier tenminste nog voordeel van de eerste wonderen. Maar het schijnt, dat sedert lang hun wonderwater voor ons alle kracht verloren heeft: wij zijn er te dicht bij, je moet van ver weg komen, als je wilt, dat het helpt! Het is waarachtig te gek! Neen, hoor, voor geen honderd francs krijgt u mij daarheen!"
Het onbeweeglijk blijven zitten van Pierre scheen hem te irriteeren. Hij was nu aan de rechterwang begonnen en trok nu van leer tegen de paters der Onbevlekte Ontvangenis, wier schraapzucht de eenige oorzaak van de twist was. Die paters, die op hun eigen grond woonden, omdat zij van de gemeente de terreinen, waarop zij wilden bouwen, gekocht hadden, hielden zich niet eens aan het met de stad gesloten contract, waarbij zij zich verbonden hadden geen handel te drijven, geen water en geen religieuze artikelen te verkoopen. Iederen dag zou men hun een proces kunnen aandoen. Maar zij lachten erom, zij voelden zich zoo sterk, dat zij geen enkel geschenk meer aan de parochie lieten komen en dat al het geld zich ophoopte en in een stroom naar de Grot en de Basilica vloeide.
Openhartig-naïef riep Cazaban:
"En als zij nu nog maar wilden deelen!"
Dan, toen mijnheer de Guersaint zich gewasschen had en weer was gaan zitten: