Part 22
Hoe hij het ook probeerde, hij kon zijn vreugde niet inhouden. Hij twijfelde er niet meer aan, of hij zou zijn geheimste wenschen, zelfs die, welke hij zichzelf niet bekennen durfde, in vervulling zien gaan. Aan de abrikozentaart werd groote eer bewezen, Gustave kreeg verlof er een klein stukje van te eten.
"Het is verwonderlijk," zeide mijnheer de Guersaint, die nog een kop koffie genomen had, tegen Pierre, "het is verwonderlijk, dat je hier niet meer zieken ziet. Al die menschen hier schijnen een flinke eetlust te hebben."
Intusschen had hij behalve Gustave, die als een klein kuikentje kruimeltjes at, ontdekt, dat er tusschen twee vrouwen, waarvan er een ongetwijfeld een kankerlijdster was, een man met een groot kropgezwel aan de table-d'hôte zat. Verderop was een zoo mager en bleek meisje, dat men wel aannemen moest, dat zij een teringlijdster was. Tegenover haar zat een idiote vrouw, die, gesteund door twee bloedverwanten, binnengekomen was en nu, met wezenlooze oogen starend, met haar lepel zat te eten, waarbij zij het grootste gedeelte op haar servet morste. Misschien waren er ook nog andere zieken, die men te midden van dat lawaaierige, druk etende gezelschap niet opmerkte, zieken, die door de reis opgewonden waren en nu aten, alsof zij in geen jaren gegeten hadden. De abrikozentaart, de kaas en de vruchten verdwenen naar binnen, en in de groote wanorde der couverts bleef niets meer over dan de jus- en wijnvlekken, die zich op het tafellaken uitbreidden.
Het was bijna twaalf uur.
"We gaan zeker dadelijk naar de Grot terug?" vroeg mijnheer Vigneron.
Men hoorde trouwens niets anders dan: "Naar de Grot! Naar de Grot!" De volle monden haastten zich, keerden terug naar de gebeden en de lofzangen.
"Nu we toch den heelen middag voor ons hebben," zeide mijnheer de Guersaint weer, "zou ik je wel willen voorstellen de stad eens te gaan bekijken, dan kan ik tegelijk zien een rijtuig te krijgen voor mijn uitstapje naar Gavarnie, waar mijn dochter zoo op staat."
Pierre, die het vreeselijk benauwd had, was blij de eetzaal te kunnen verlaten. In den vestibule haalde hij verruimd adem. Maar daar hoopte zich een nieuwe troep gasten op, die, in afwachting van een plaats, queue maakte; men betwistte elkaar de kleine tafeltjes; het minste open gaatje aan de table-d'hôte was onmiddellijk weer bezet. Een uur lang nog zou de bestorming aanhouden, het menu defileeren en naar binnen geslokt worden, te midden van het geschuur der kaken, van de steeds benauwder wordende warmte en de toenemende walging.
"Pardon, ik moet nog even naar boven," zeide Pierre; "ik heb mijn beurs vergeten."
Boven in de stilte van de trap en de verlaten gangen hoorde hij, toen hij bij de deur van zijn kamer kwam, een zacht geluid. In het vertrek ernaast klonk een kirrend lachje, dat op den te harden stoot met een vork gevolgd was. Dan kwam ongrijpbaar, meer vermoed dan inderdaad gehoord, de zucht van een kus, het beven van lippen, die zich op andere lippen drukten, om ze te doen zwijgen. De ongetrouwde mijnheer dejeuneerde ook.
II.
Buiten liepen Pierre en mijnheer de Guersaint langzaam te midden van den steeds aangroeienden stroom der Zondagsmenigte. De hemel was helderblauw, de zon zette de stad in vlammen; in de lucht was een feestelijke vroolijkheid, de levendige vroolijkheid, die op groote marktdagen heerscht, welke het leven van een geheel volk in het volle daglicht plaatsen. Toen zij het stampvolle trottoir der avenue de la Grotte afgeloopen waren, werden zij op den hoek van het plateau de la Merlasse tegengehouden, zoo stroomde de menigte tusschen het onophoudelijk heen en weer rijden der rijtuigen terug.
"We behoeven ons niet te haasten," zeide mijnheer de Guersaint. "Ik wou naar de place du Marcadal in de oude stad, want het kamermeisje heeft mij verteld, dat daar een kapper woont, wiens broer goedkoop rijtuigen verhuurt... Heb je lust om mee te gaan?"
"Ik," riep Pierre uit, "ik vind alles goed."
"Prachtig! Dan zal ik me tegelijk even laten scheren!"
Zij kwamen op de place du Rosaire voor de grasperken, die zich tot den Gave uitstrekken, toen een nieuwe ontmoeting hen weer stil deed staan. Madame Désagneaux en Raymonde de Jonquière stonden daar vroolijk met Gérard de Peyrelongue te praten. Beiden hadden zij lichte japonnetjes, dunne strand-japonnetjes, aan en haar wit zijden parasols schitterden in de volle zon. Zij vormden daar een aardig groepje, een leuk hoekje van mondain gebabbel met frisch, jong gelach.
"Neen, neen!" herhaalde madame Désagneaux; "wij kunnen uw "popote" niet zoo bezoeken, terwijl al uw vrienden aan het eten zijn."
Gérard drong zeer galant aan en wendde zich daarbij vooral tot Raymonde, wier eenigszins vol gezicht dien dag door een stralenden charme van gezondheid verhelderd werd.
"Maar het is heusch heel interessant om te zien en u zult schitterend ontvangen worden... U kunt u gerust aan mij toevertrouwen, mademoiselle, en bovendien zullen wij er zeker mijn neef Berthaud vinden, die het zich tot een groote eer zal rekenen om de honneurs in onze installatie waar te nemen."
Raymonde glimlachte en zeide met haar levendige oogen, dat zij wel wilde. Op dat oogenblik gingen mijnheer de Guersaint en Pierre de dames begroeten. Onmiddellijk werden zij op de hoogte gebracht. "Popote" noemden zij een soort restaurant, een soort table-d'hôte, die de leden der Hospitalité de Notre Dame de Salut, de brancarddragers en zij, die in de Grot, bij de vijvers en in de ziekenhuizen, behulpzaam waren, opgericht hadden, om gemeenschappelijk en goedkoop te eten. Daar verschillende van hen niet rijk waren, omdat de Hospitalité leden telde onder alle klassen, waren zij overeengekomen, om drie goede maaltijden te gebruiken tegen een storting van drie francs daags; daarvan hielden zij dan nog eten over, dat zij onder de armen verdeelden. Maar zij bestuurden alles zelf, kochten zelf de levensmiddelen en huurden een kok en een paar jongens, terwijl zij er niet tegen op zagen zelf een handje mede te helpen om het lokaal in orde te houden.
"Dat moet heel interessant zijn," riep mijnheer de Guersaint uit. "Dat zou ik wel eens graag willen zien, als wij tenminste niet te veel zijn."
Toen stemde ook madame Désagneaux toe.
"Nu we met een troepje gaan, wil ik ook wel. Ik was bang, dat het niet passen zou."
En toen zij lachte, begonnen al de anderen ook te lachen. Zij had den arm van mijnheer de Guersaint aangenomen, terwijl Pierre, die werkelijk sympathie voelde voor het opgewekte vrouwtje, dat zoo bekoorlijk was met haar blonde kroesharen en haar melkblanken tint, links van haar liep.
Achter hen kwam Raymonde aan den arm van Gérard, met wien zij met haar ernstig stemmetje als een heel verstandig jongmeisje, dat er nog zoo zorgeloos-jeugdig uitzag, liep te praten. En nu zij eindelijk den zoo lang gedroomden echtgenoot in haar nabijheid had, nam zij zich ernstig voor hem ditmaal te veroveren. Zij bedwelmde hem dan ook met haar geur van mooi, gezond meisje en wekte tevens zijn bewondering door haar verstand van het huishouden en haar spaarzaamheid in kleine dingen, want zij liet hem bijzonderheden vertellen over hun inkoopen en toonde hem aan, dat zij hun uitgaven nog meer konden beperken.
"U bent zeker heel moe?" vroeg mijnheer de Guersaint aan madame Désagneaux.
Zij protesteerde onmiddellijk in edele woede.
"Wel neen! Stel u voor, dat ik vannacht in het Hôpital van moeheid in een fauteuil neergevallen ben. En toen zijn de dames zoo lief geweest mij te laten slapen."
Opnieuw begon men te lachen. Maar zij bleef woedend.
"Zoodat ik acht uur achter elkaar als een blok geslapen heb. En ik had me nog al voorgenomen den heelen nacht te waken."
Eindelijk kon zij haar lachen ook niet meer bedwingen.
"Een mooie ziekenverpleegster, hé?... Die arme madame de Jonquière heeft nu tot het begin van den dag gewaakt. Ik heb daareven getracht haar over te halen met ons mee te gaan, maar zij wilde niet."
Raymonde, die het gehoord had, verhief haar stem:
"O, die arme mama, ze kon bijna niet meer staan. Ik heb haar gedwongen wat naar bed te gaan, en haar verzekerd, dat zij gerust kon slapen, dat alles goed marcheeren zou."
En zij wierp Gérard een lachenden blik toe. Hij meende zelfs een onmerkbaren druk van haar frisschen, ronden arm te voelen, dien hij in den zijne hield, alsof zij te kennen wilde geven, dat zij het prettig vond zoo alleen met hem te zijn en zij, zonder door iemand gestoord te worden, hun kleine aangelegenheden konden regelen. Hij vond het verrukkelijk, en hij vertelde haar, waarom hij dien dag niet met zijn kameraden gegeten had. Een familie, die hij goed kende, was vandaag vertrokken en had hem van tien uur af aan het buffet van het station uitgenoodigd, zoodat hij pas na het vertrek van den trein van half één vrij geweest was.
"Hoort u wel hoe vroolijk zij zijn?" vroeg hij.
Ze waren vlak bij de "popote" en hoorden inderdaad het luide lachen van jongelui, dat uit een groepje boomen kwam, waaronder het oude uit gips en zink opgerichte gebouw zich verborg, waarin zij de "popote" ondergebracht hadden. Eerst liet hij hen de keuken doorgaan, een groote, goed ingerichte ruimte, waarin een groot fornuis en een lange tafel stonden en een aantal reusachtige pannen aan den muur hingen. Hij wees hen erop, dat de kok, een dikke, vroolijke kerel, ook het roode kruis op zijn witte jas droeg, want hij nam deel aan de bedevaart. Dan deed hij een deur open en bracht hen in de gemeenschappelijke zaal.
Het was een lange zaal, waar een dubbele rij eenvoudige vuurhouten tafels naast elkaar stond. Behalve een andere tafel voor de overgeschoten spijzen en café-stoelen met zittingen van stroo waren er geen andere meubelen. Maar de witgekalkte muren en de glimmend roode vloer leken in deze gewilde kaalheid van een monnikenrefectorium zeer zindelijk. Doch wat vooral bij het eerste binnenkomen al aangenaam aandeed was de kinderlijke vroolijkheid, die er heerschte: honderdvijftig gasten van alle leeftijden zaten er met een heerlijke eetlust te eten, te schreeuwen, te zingen en te applaudiseeren. Een weinig voorkomende broederzin verbond hen, die van overal, uit alle standen, uit alle klassen, uit alle provincies saamgekomen waren. Velen kenden elkaar niet, zaten ieder jaar gedurende drie dagen naast elkaar, leefden als broeders, vertrokken weer en hoorden dan het verdere gedeelte van het jaar niets meer van elkaar. Er stak een eigenaardige bekoring in, om elkaar in de uitoefening der barmhartigheid terug te vinden in die drie dagen van groote inspanning, maar ook van jongensachtige vreugde met elkaar te leven; het deed eenigszins denken aan een buitenzijn van groote, aan zichzelf overgelaten jongens, die zich gelukkig voelen, wanneer zij diensten bewijzen en lachen kunnen. En alles, de eenvoudige maaltijden, de trots voor zich zelf te zorgen, te eten wat ze zelf gekocht en gekookt hadden, droeg bij tot de algemeene vroolijkheid.
"U ziet," zeide Gérard, "dat we niet melancholiek zijn ondanks het harde werk, dat wij doen. De Hospitalité telt meer dan driehonderd leden, maar er zijn er hier thans niet meer dan honderdvijftig, want we eten in twee ploegen, om den dienst in de Grot en in de ziekenhuizen te vergemakkelijken."
Het zien van het kleine groepje bezoekers, die op den drempel waren blijven staan, scheen de vroolijkheid verdubbeld te hebben. Berthaud, de leider der brancarddragers, die aan het hoofd der tafel zat, stond op, om de dames te begroeten.
"Maar het ruikt hier heel lekker!" riep madame Désagneaux op haar onbezonnen manier uit. "Inviteert u ons niet om morgen eens van uw keuken te komen proeven?"
"Neen, de dames niet!" antwoordde Berthaud lachend. "Maar als de heeren morgen onze gasten willen zijn, dan zullen ze ons daarmee een groot pleizier doen."
Met één oogopslag had hij de goede verstandhouding tusschen Gérard en Raymonde opgemerkt; hij was er zeer mee ingenomen, want hij zou graag een huwelijk tusschen die twee zien.
"Is dat markies de Salmon-Roquebert niet," vroeg het jonge meisje, "daar tusschen die twee jongelui, die je voor winkelbedienden zoudt houden?"
"Het zijn inderdaad de zoons van een klein papierhandelaartje uit Tarbes," antwoordde Berthaud. ..."En de andere is uw buurman uit de rue de Lille, de eigenaar van dat koninklijke hotel en een der rijkste mannen van Frankrijk... Kijk eens, hoe hij van onzen schapenragout smult!"
Het was inderdaad zoo. De markies met zijn millioenen scheen zich heel gelukkig te gevoelen voor zijn drie francs per dag te eten en democratisch aan tafel te zitten met kleine middenstanders, ja zelfs werklieden, die hem op straat niet zouden hebben durven groeten. Was dit toevallig naast elkaar zitten eten niet de sociale gemeenschap in volle Christelijke liefde? Hij had dien ochtend des te meer trek, omdat hij in de vijvers een zestig zieken, al de afzichtelijke kwalen der treurige menschheid, had helpen baden. En om zich heen kon hij de verwezenlijking der evangelische gemeenschap zien; maar zonder twijfel was zij daarom zoo aantrekkelijk en vroolijk, omdat zij slechts drie dagen duurde.
Mijnheer de Guersaint kon, hoewel hij pas gedejeuneerd had, de verleiding niet weerstaan eens van den schapenragout te proeven. Intusschen herinnerde Pierre, die baron Suire, den directeur der Hospitalité, gewichtig op en neer zag wandelen, alsof hij zich tot taak gesteld had op alles, zelfs op de wijze, waarop zijn personeel zich voedde, toezicht te houden, zich plotseling den vurigen wensch van Marie om den nacht voor de Grot door te brengen; en hij dacht, dat de baron de daarvoor noodige toestemming wel zou kunnen geven.
"Zeker," zeide hij ernstig, "wij staan dat soms toe, maar het is altijd een teer iets! U kunt mij beslist verzekeren, niet waar, dat het jonge meisje niet teringachtig is?... Welnu, omdat u zegt, dat zij er zoo op staat, zal ik het met pater Fourcade in orde brengen en madame de Jonquière laten weten, dat u haar komt halen."
Ondanks het air, dat hij zich gaf onmisbaar en met de zwaarste verantwoordelijkheden belast te zijn, was hij in den grond der zaak een goedhartig man. Op zijn beurt ging hij naar de bezoekers toe en vertelde hun tot in de kleinste bijzonderheden alles omtrent de inrichting der Hospitalité: de gemeenschappelijk uitgesproken ochtendgebeden, de vergaderingen van den raad van bestuur, die tweemaal daags gehouden en ook bijgewoond werden door de hoofden van dienst, de paters en enkele andere geestelijken. Men vierde zoo dikwijls mogelijk het Heilig Avondmaal. Dan volgden er allerlei gecompliceerde bezigheden, het was steeds een buitengewoon groote wisseling van personeel, in het kort een heele wereld, die met vaste hand bestuurd moest worden. Hij sprak als een generaal, die ieder jaar een groote overwinning op den geest der eeuw behaalt, en hij zond Berthaud weg om verder te eten, daar hij er op stond zelf de dames uitgeleide te doen tot aan het met zand bestrooide en door mooie boomen beschaduwde plein.
"Heel interessant, heel interessant!" herhaalde madame Désagneaux. "Wij zijn u zeer dankbaar voor uw groote welwillendheid!"
"Integendeel, madame, het was mij een zeer groot genoegen in de gelegenheid gesteld te worden u mijn klein volkje te laten zien!"
Gérard had Raymonde geen oogenblik verlaten. Mijnheer de Guersaint en Pierre hadden elkaar reeds een paar maal aangekeken, of zij nu niet eindelijk naar de place du Marcadal zouden gaan, toen madame Désagneaux zich plotseling herinnerde, dat een vriendin haar opgedragen had haar een flesch Lourdes-water op te zenden. Zij vroeg aan Gérard, hoe zij dat het beste doen kon.
"Als u mij misschien weer als gids wilt aannemen," zeide hij. "En als de heeren er niets op tegen hebben mede te gaan, zal ik u eerst het magazijn laten zien, waarin men de flesschen vult, die dan toegekurkt, in doozen verpakt en verzonden worden. Het is heel interessant."
Onmiddellijk stemde mijnheer de Guersaint toe. Met hun vijven gingen zij weer verder, madame Désagneaux tusschen den architect en den priester, terwijl Raymonde en Gérard voorop gingen. De menigte werd in den brandenden zonneschijn steeds grooter; de place du Rosaire was vol van een drukke en lanterfanterende massa, als was het een volksfeest.
De werkplaats was er vlak bij, links, onder één der bogen. Het was een reeks van drie zeer eenvoudige vertrekken. In het eerste werden op de meest eenvoudige wijze de flesschen gevuld: een klein zinken, groen geverfd tonnetje, dat aan een miniatuur sproeiwagentje deed denken, kwam, door een man gesleept, vol uit de Grot: daaruit vulde men dan heel eenvoudig met behulp van een kraan stuk voor stuk de flesschen van wit glas zonder dat de werkman er steeds op lette, dat er geen water wegstroomde. Op den grond stond dan ook steeds een vrij groote plas. De flesschen droegen geen etiquette; de loodcapsules over de mooie, eerste kwaliteit kurken hadden echter een opschrift, dat de herkomst aangaf, terwijl er verder, waarschijnlijk om het water goed te conserveeren, loodwit overheen gestreken werd. De twee andere vertrekken dienden voor verpakking, echte emballeurs-werkplaatsen met de daarbij behoorende werktafels, gereedschappen en spaanders. Men maakte er voornamelijk doozen voor een of twee flesschen, heel aardige bewerkte doozen, waarin de flesschen op een bed van fijne spaandersnippers lagen. Het geheel leek veel op de expeditiemagazijnen van bloemen te Nice of van ingelegde vruchten te Grasse.
Gérard gaf nog eenige uitleggingen.
"U ziet, het water komt regelrecht uit de Grot, wat de misplaatste grappen, die rondgaan, geheel den kop indrukt. Er gebeurt niets bijzonders; alles gaat even natuurlijk en geschiedt in het volle daglicht... Bovendien doe ik u opmerken, dat de paters niet, zooals men hun verwijt, het water verkoopen. Een volle flesch kost, als u die hier koopt, twintig centimes, den prijs van het glas. Als u ze laat verzenden, komen er natuurlijk de emballage- en expeditiekosten bij en betaalt u een franc zeventig... Bovendien staat het u vrij alle kannen en anderszins, die u meebrengt, te vullen."
Pierre berekende, dat op dit punt de winst der paters niet zoo heel groot kon zijn; want zij verdienden bijna alleen op de doozen en op de flesschen, die hun, bij duizendtallen genomen, zeker geen twintig centimes kostten. Maar madame Désagneaux en Raymonde voelden, evenals mijnheer de Guersaint met zijn levendige phantasie, een groote teleurstelling bij het zien van dat kleine groene tonnetje, de met loodwit bestreken capsules en de hoopen spaanders om de werktafels. Zij hadden er zich ceremoniën bij voorgesteld, een zekeren ritus, om het wonderwater in de flesschen te doen, priesters in heilige kleeren, die het zegenden, terwijl zuivere kinderstemmen in koor zongen. En Pierre dacht ten slotte bij het zien van dit gewone bottelen en emballeeren aan de werkzame kracht van het geloof. Wanneer een dezer flesschen heel ver weg in de kamer van een zieke komt, wanneer men haar uitpakt en hij op zijn knieën valt, wanneer hij door het zien en drinken van dit heldere water wordt opgezweept tot een extase, die zelfs de genezing van zijn kwaal bewerken kan, dan is daarvoor zeker een groote sprong in het rijk der almachtige illusie noodig.
"En," riep Gérard uit, toen zij weggingen, "wilt u nu nog eerst, voor wij naar de administratie gaan, het kaarsenmagazijn zien?"
Hij wachtte niet eens op hun antwoord, doch nam hen mede naar de overzijde van de place du Rosaire, waarmede hij eigenlijk geen ander doel had dan Raymonde aangenaam bezig te houden. In werkelijkheid was het schouwspel, dat het kaarsenmagazijn bood, nog minder stichtelijk dan dat van de emballage-werkplaatsen, waar zij juist uitkwamen. Het lag onder een der rechtsche booggewelven en bestond uit een soort kelder, een soort diepe opslagplaats, die door houten staketsels in groote vakken verdeeld werd. In die vakken was de vreemdsoortigste voorraad kaarsen, naar de grootte uitgezocht en gerangschikt, opgestapeld. Het te veel aan kaarsen, welke aan de Grot geschonken werden, sliep hier; iederen dag waren deze zoo talrijk, dat speciale wagentjes, waarin de pelgrims ze nederlegden, meermalen hun inhoud in die vakken moesten leeg gaan storten en dan weer terugkeerden om gevuld te worden. De stelregel was, dat iedere geofferde kaars aan de voeten der Heilige Maagd moest branden, doch er waren er te veel; al brandden er dag en nacht tweehonderd van iedere grootte en dikte, nooit zou men erin slagen deze verschrikkelijke voorraden, die onophoudelijk grooter werden, uit te putten. Het gerucht liep, dat de paters zich genoodzaakt zagen de was weer te verkoopen. Sommige vrienden der Grot erkenden zelfs met een zekeren trots, dat de opbrengst uit de kaarsen voldoende geweest zou zijn om de geheele zaak aan den gang te houden.
De hoeveelheid alleen deed Raymonde en madame Désagneaux verstomd staan. Wat een kaarsen! Wat een kaarsen! De kleine vooral, die van tien sous tot één francs, waren in een ontelbaar aantal opgestapeld. Mijnheer de Guersaint, die cijfers verlangde, had zich in een statistiek verdiept, waarin hij den weg kwijt raakte. Pierre keek zwijgend naar dezen stapel was, geschonken om ter eere Gods in de open lucht verbrand te worden; en hoewel hij geen utilarist [13] was, ofschoon hij de weelde van het genot en van de illusoire bevredigingen, welke voor den mensch even onontbeerlijk zijn als brood, begreep, kon hij toch de gedachte niet van zich afzetten aan de talrijke aalmoezen, welke men van het geld voor al die om in rook op te gaan bestemde was had kunnen geven.
"En de flesch, die ik verzenden moet?" vroeg madame Désagneaux.
"Wij gaan nu naar het bureau," antwoordde Gérard. "Een quaestie van vijf minuten."
Zij moesten de place du Rosaire weer over en de trap op, die naar de Basilica leidt. Het bureau lag links boven, dicht bij den ingang van den weg naar den Calvariënberg. Het was een eenvoudig gebouw, niet veel meer dan een houten hut, door regen en wind beschadigd, met een uithangbord, waarop te lezen stond: "Zich hier aan te melden voor missen, giften en broederschappen. Verzending van Lourdeswater. Abonnementen op de Annales de N. D. de Lourdes." Hoeveel millioenen waren reeds door dit armzalige bureau gegaan, dat nog uit den tijd afkomstig scheen, toen men nauwlijks de grondslagen voor de Basilica legde!
Nieuwsgierig gingen zij allen naar binnen. Maar zij zagen slechts één loket. Madame Désagneaux moest zich bukken, om het adres van haar vriendin te geven; en toen zij één francs zeventig gestort had, kreeg zij een reçu, een klein stukje papier, zooals op de stations de goederenbeambte afgeeft.
Weer buiten gekomen, wees Gérard op een groot gebouw, dat een paar honderd meter verder lag.
"Dat is de woning van de paters der Grot."
"Maar je ziet ze nooit," zeide Pierre.
De jonge man keek hem een oogenblik verbaasd aan, zonder te antwoorden. Dan:
"Je ziet ze nooit, omdat zij alles, de Grot en de rest, gedurende de nationale bedevaart aan de paters van Maria Hemelvaart overlaten."
Pierre nam het gebouw, dat op een versterkt slot geleek, op. De ramen waren gesloten, zoodat men denken zou, dat het leeg stond. Maar toch kwam alles daaruit, keerde alles er weer naar terug. En de jonge priester meende de stille, maar vreeselijke beweging van een hark te hooren, die zich over het geheele dorp uitstrekte, het samengestroomde volk samenharkte en het goud en het bloed der menigte naar de paters bracht.
"Maar kijk, ze laten zich toch wel zien. Daar heb je juist den eerwaarden pater rector Capdebarthe," zeide Gérard op fluisterenden toon.