Part 20
Dan gaf de keizer, de gebieder, zich over. Hij was toen te Biarritz, dagelijks werd hij op de hoogte gehouden over die zaak der verschijningen, waarmede alle Parijsche bladen zich bezighielden; want de vervolging zou niet volmaakt geweest zijn, indien de inkt der Voltairiaansche journalisten er zich niet mede bemoeid had. En terwijl zijn minister, zijn prefect, zijn commissaris van politie zich afmatten voor het gezond verstand en de goede orde, bewaarde de keizer zijn diep stilzwijgen van wakend droomer, dat niemand ooit doorgrond had. Dagelijks kwamen er petities; en hij zweeg. Bisschoppen waren met hem komen spreken, hooge personnages, hooge dames uit zijn omgeving namen hem ter zijde; en hij zweeg. Eén onafgebroken gevecht werd geleverd om zijn beslissing, eenerzijds de geloovigen of eenvoudigen des geestes vol herschenschimmen, die zich hartstochtelijk voor het mysterieuze interesseerden; anderszijds de ongeloovigen, de regeeringspersonen, die al deze overdrijvingen der phantasie met leede oogen aanzagen; en hij zweeg. Plotseling sprak hij in zijn bedeesd besluit. Het gerucht liep, dat de smeekbeden der keizerin hem tot een beslissing gebracht hadden. Ongetwijfeld had zij ingegrepen, maar het voornaamste was toch, dat in den keizer zijn oude humanitaire droom was opgeleefd, zijn oprecht medelijden met de onterfden teruggekomen was. Evenmin als de bisschop, wilde hij de poort der illusie sluiten voor de ongelukkigen door het impopulaire besluit van den prefect, waarbij verboden werd uit de heilige bron te gaan drinken, te handhaven. En hij zond een telegraphisch bevel het staketsel af te breken, opdat de bron vrij zoude zijn.
Dat was het Hosanna! Dat was de triomf. Onder tromgeroffel en trompetgeschal werd het nieuwe besluit op de pleinen te Lourdes voorgelezen. De commissaris van politie moest in hoogst eigen persoon tot het wegnemen van het staketsel overgaan. Evenals de prefect werd hij verplaatst. Van alle kanten stroomden de menschen toe en in de Grot werd de eeredienst geregeld. Een kreet van goddelijke vreugde steeg op: God had overwonnen. God? Neen, helaas! Maar de menschelijke ellende, de eeuwige behoefte aan de leugen, de hoop van den verdoemde, die, om heil en redding te vinden, zich overgeeft aan de handen van een onzichtbare almacht, die, sterker dan de natuur, alleen in staat is de onverbiddelijke natuurwetten te verbreken. En ook nog had overwonnen het souverein medelijden van de herders der kudden, den bisschop en den keizer, die in hun groote barmhartigheid den grooten zieken kinderen hun fetisch lieten, die de meesten troostte en sommigen zelfs wel genas.
In het midden van November begon de bisschoppelijke commissie met het haar opgedragen onderzoek. Zij ondervroeg Bernadette nog eenmaal en bestudeerde een groot aantal wonderen. Toch hield zij slechts dertig genezingen, waaraan absoluut niet te twijfelen viel, over. Mgr. Laurence beweerde nu overtuigd te zijn. Toch gaf hij nog een bewijs van zijn uiterste voorzichtigheid: hij wachtte nog drie jaar vóór hij in een mandement verklaarde, dat de Heilige Maagd werkelijk in de Grot van Massabielle verschenen was en daarna verschillende wonderen hadden plaats gegrepen. Hij had uit naam van het bisdom, van de stad Lourdes de Grot met het uitgestrekte omliggende terrein gekocht.
Vervolgens werden er verschillende werken uitgevoerd, eerst op bescheiden voet, maar weldra belangrijkere al naar mate het geld van de geheele Christenheid toestroomde. Men richtte de Grot in en sloot hem af met een hek. De Gave werd achterwaarts in een nieuwe bedding geleid, om breede toegangswegen, gazons, lanen en boulevards te kunnen aanleggen. Eindelijk begon de kerk, die de Heilige Maagd gevraagd had, de Basilica op den top van de rots zelf uit den grond te verrijzen. Van af den eersten steek der spade leidde de pastoor van Lourdes, abbé Peyramale, alles met een buitengewonen geloofsijver, want de strijd had van hem den vurigsten, den oprechtsten geloovige van het werk gemaakt. Op zijn ietwat ruw-vaderlijke manier was hij begonnen Bernadette te vereeren; hij gaf zich met lichaam en ziel aan de uitvoering der bevelen, die hij door den mond van deze onschuldige van den hemel ontvangen had. Hij wijdde al zijn krachten aan den bouw, wilde, dat alles mooi en grootsch was, de Koningin der Engelen, die zich verwaardigd had dit hoekje der bergen te bezoeken, waardig.
De eerste godsdienstige plechtigheid had eerst zes jaar na de verschijningen plaats op den dag, dat men met groote pracht en praal in de Grot een beeld der Heilige Maagd plaatste op de plek, waar zij het eerst verschenen was. Dien ochtend had Lourdes zich bij prachtig weer in feestdos gestoken; alle klokken luidden. Vijf jaar later, in 1869, werd de eerste mis gelezen in de crypt der Basilica, wier spits nog niet af was. De geschenken werden steeds talrijker, een stroom van goud vloeide naar de Grot, een geheele stad schoot uit den grond op. Dat was de voltooiïng der stichting van den nieuwen godsdienst. De wensch om te genezen genas, de dorst naar het wonder bewerkte het wonder. Een God van medelijden en hoop kwam voort uit het lijden der menschheid, uit die behoefte aan troostende illusie, welke door alle menschengeslachten heen, de wondervolle paradijzen van het hiernamaals geschapen heeft, waarin een almacht gerechtigheid oefent en het eeuwige geluk uitdeelt.
De zieken van de zaal Sainte-Honorine zagen dan ook in de overwinning der Grot slechts den triomf van de hoop op genezing. En langs de bedden streek een rilling van vreugde, toen Pierre, wiens hart door al die arme, naar zekerheid smachtende gezichten geroerd werd, herhaalde:
"God had overwonnen, en sedert dien dag hebben de wonderen niet opgehouden."
Hij legde het boekje neer. Abbé Judaine kwam binnen, de communie zou beginnen. Maar Marie, bij wie de koorts van het geloof weer opkwam, en wier handen brandden, boog zich naar hem toe.
"Vriendlief," fluisterde zij, "bewijs mij den grooten dienst de bekentenis van mijn schuld aan te hooren en mij absolutie te geven. Ik heb God gelasterd en ben in een staat van doodzonde. Als jij me niet helpt, zal ik de heilige hostie niet kunnen ontvangen, en ik heb zoo'n behoefte aan troost en opbeuring!"
De jonge priester weigerde met een gebaar. Nooit had hij deze vriendin, de eenige vrouw, die hij in haar vroolijke en gezonde jeugdjaren lief gehad en begeerd had, de biecht willen afnemen. Maar zij drong aan.
"Ik smeek je erom. Je zult daardoor medewerken aan het wonder van mijn genezing."
Hij gaf toe, hoorde haar schuldbelijdenis aan, de bekentenis van den goddeloozen opstand van haar lijden tegen de Heilige Maagd, die doof gebleven was voor haar smeekbeden; dan gaf hij haar met de sacramenteele woorden de absolutie.
Reeds had abbé Judaine de hostievaas op een klein tafeltje tusschen twee brandende waskaarsen, twee sombere sterren in het halfdonker der zaal, gezet. Men had de ramen eindelijk wijd opengezet, zoo ondragelijk was de stank van die lijdende lichamen en die opgehoopte lompen geworden; maar er kwam geen frissche lucht binnen: de nauwe, donkere binnenplaats leek wel een gloeiende mijnput. Pierre bood zich aan als misdienaar en zeide het Confiteor. Dan hief de aalmoezenier in zijn miskleed, na het Misereatur en het Indulgentiam uitgesproken te hebben, de hostievaas op:
"Ziet het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt!"
Ieder der vrouwen, die vol ongeduld de communie verwachtten, zooals de stervende het leven verwacht van een nieuwe drank, die maar uitblijft, herhaalde driemaal met gesloten mond de acte van deemoediging: "Heer, ik ben niet waardig, dat Gij ingaat in mijn lichaam, spreek echter slechts één woord, en mijn ziel zal genezen worden!" Abbé Judaine was intusschen, gevolgd door Pierre, zijn tocht langs de ziekbedden begonnen, terwijl madame de Jonquière en zuster Hyacinthe, beiden met een kaars in de hand, met hen meeliepen.
De zuster wees de zieken aan, die de communie moesten ontvangen, dan boog de priester zich over haar heen en legde, eenigszins op goed geluk af, onder het prevelen van Latijnsche woorden, de hostie op haar tong. Allen richtten zich op met wijd-geopende, schitterende oogen te midden van de door een al te haastige inrichting van de zaal ontstane wanorde. Toch moest men er nog twee, die vast sliepen, wakker maken. Velen kreunden, zonder zich ervan bewust te zijn, begonnen, zoodra zij God ontvangen hadden, weer te kreunen. Achter in de zaal bleef het rochelen van de vrouw, die men niet zag, nog steeds aanhouden. Men kon zich moeilijker iets melancholiekers denken dan die kleine stoet in het half-donker, waarin de twee gele lichten van de brandende kaarsen als sterren plekten.
Het gezicht van Marie, die weer in extase verzonken was, leek wel een goddelijke verschijning. Aan la Grivotte, die 's ochtends in de Rozenkranskerk de heilige communie ontvangen moest, werd de heilige hostie geweigerd, hoewel zij hongerde naar het brood des levens; madame Vêtu had in een hik de hostie op haar zwarte tong ontvangen. Thans was Marie aan de beurt, onder het bleeke licht der kaarsen zoo mooi tusschen haar blonde haren, met haar wijd geopende oogen, haar door het geloof verheerlijkte trekken, die allen bewonderden. Zij vierde het avondmaal met groote innigheid, de hemel daalde zichtbaar neer in haar arm, jong, tot een zoo physieke ellende vermagerd lichaam. Een oogenblik hield zij Pierre met haar hand terug.
"O, lieve vriend, zij zal mij genezen, zij heeft het mij gezegd.... Ga wat rust nemen. Ik zal ook lekker slapen gaan!"
Toen hij met abbé Judaine wegging, zag hij de kleine madame Désagneaux languit liggen in den fauteuil, waarin zij van vermoeidheid neergevallen was. Niets had haar wakker kunnen maken. Het was half twee. Madame de Jonquière, geholpen door zuster Hyacinthe, liep nog steeds heen en weer, draaide de zieken om, verschoonde en verbond ze. Maar toch was er eenige kalmte in de zaal gekomen, sedert Bernadette er met haar bekoring door gekomen was. De kleine schim der helderziende dwaalde thans triomphantelijk rond tusschen de bedden, nu zij haar werk gedaan had door aan iedere onterfde, iedere wanhopige van deze aarde een stukje van den hemel te geven. En terwijl allen langzamerhand in slaap gleden, zagen zij, hoe zij, ook zoo ziekelijk en zoo zwak, zich voorover boog en haar glimlachend kuste.
DERDE DAG
I.
Op dien mooien, warmen, helderen Augustusochtend was mijnheer de Guersaint reeds om zeven uur op en gekleed in een der twee kamertjes, die hij het geluk gehad had nog te kunnen huren op de derde verdieping van het Hôtel des Apparitions in de rue de la Grotte. Hij was om elf uur naar bed gegaan en nu heerlijk uitgerust wakker geworden; onmiddellijk ging hij naar het kamertje van Pierre. Maar deze, die pas om twee uur met door slapeloosheid verhit bloed in het hotel gekomen was, had eerst tegen het aanbreken van den dag den slaap kunnen vatten en sliep nog. Zijn over een stoel geworpen soutane en zijn andere overal verspreid liggende kleeren verrieden zijn moeheid en zijn opwinding.
"Wat is dat, luilak?" riep mijnheer de Guersaint vroolijk. "Hoor jij de klokken niet luien?"
Pierre schrok wakker, kon niet dadelijk dit kleine, door het zonlicht overstroomde hotelkamertje thuis brengen. Inderdaad drong door het open gebleven raam het vroolijk gelui der klokken naar binnen, het was alsof de geheele stad in haar geluk luide.
"We zullen nooit voor acht uur in het Hôpital kunnen zijn, om Marie te halen, want we zullen toch zeker eerst ontbijten."
"Natuurlijk, bestel dadelijk twee kop chocolade. Ik sta onmiddellijk op en heb niet veel tijd noodig om mij aan te kleeden."
Toen hij alleen was, sprong Pierre, ondanks zijn stijve ledematen, die hem pijn deden, dadelijk uit zijn bed. Hij had zijn gezicht nog in de kom, om zich in het koude water op te frisschen, toen mijnheer de Guersaint, die niet alleen blijven kon, alweer terug kwam.
"Ik heb het besteld, ze zullen het boven brengen... O, dit hotel! Heb je den heelemaal in het wit gekleeden en zoo deftigen eigenaar, mijnheer Majesté, in zijn bureau gezien? Het schijnt, dat het hotel overvol is, nog nooit hebben ze zooveel menschen gehad... Het is me dan ook een heidensch kabaal. Driemaal hebben ze me vannacht wakker gemaakt. Ik begrijp niet, wat ze in de kamer naast de mijne uitspoken: daarnet nog werd er tegen den muur gestooten, en daarna hoorde ik fluisteren en zuchten."
Hij viel zichzelf in de rede, om te vragen:
"Heb jij goed geslapen?"
"Heelemaal niet," antwoordde Pierre. "Ik was doodop van moeheid en het was me niet mogelijk een oog dicht te doen. Zeker door al dat lawaai, waarvan u spreekt."
Op zijn beurt sprak hij nu over de dunne beschotten, het propvolle hotel, dat onder den last van al die menschen, die men erin ophoopte, kraakte. Den heelen nacht door had hij onverklaarbare schokken gehoord, woest loopen in de gang, zware stappen en zware stemmen, die, je wist niet waarvandaan, opstegen; ongerekend nog het steunen der zieken en het hoesten, het verschrikkelijke hoesten, dat van alle kanten uit de muren scheen te komen. Blijkbaar kwamen er den geheelen nacht door menschen thuis en liepen dan weer uit, stonden op en gingen weer naar bed, want men vroeg niet meer naar uren, leefde in het ongeregelde van hartstochtelijke opwindingen.
"En hoe was het gisterenavond met Marie?" vroeg mijnheer de Guersaint weer.
"Veel beter," zeide de priester. "Na een vreeselijken aanval van wanhoop heeft zij al haar moed en al haar geloof weer teruggevonden."
Er volgde een korte stilte.
"O, ik maak me heelemaal niet ongerust," begon de vader weer met zijn rustig optimisme. "Je zult zien, dat het goed afloopen zal... Ik ben in den zevenden hemel... Ik had van de Heilige Maagd haar bijstand voor mijn eigen zaken ook afgesmeekt, je weet wel, mijn groote uitvinding van de bestuurbare ballons. En wil je wel gelooven, dat zij mij hare genade reeds getoond heeft? Ja, waarachtig, gisterenavond heeft abbé des Hermoises mij aangeboden te Toulouse een geldschieter voor mij te vinden, een schatrijken vriend van hem, die zich voor de werktuigkunde interesseert. Ik heb er dadelijk den vinger Gods in gezien."
Hij lachte zijn gewoon kinderlijk lachje. Dan voegde hij eraan toe:
"Een charmante man, die abbé des Hermoises! Ik zal toch eens informeeren, of wij samen niet voor een koopje dat uitstapje naar het keteldal van Gavarnie kunnen maken."
Pierre, die alles, het hotel en de rest, betalen wilde, moedigde hem aan.
"Natuurlijk moet u die gelegenheid om de bergen te bezoeken niet ongebruikt voorbij laten gaan, nu u er zoo naar verlangt. Uw dochter zal gelukkig zijn, als zij weet, dat u gelukkig bent."
Maar zij werden gestoord; een kamermeisje bracht hun de twee koppen chocolade met kadetjes op een met een servet bedekt blad; daar zij de deur open had laten staan, kon men een gedeelte van de gang in de lengte zien.
"Zoo, wordt de kamer van mijn buurman al gedaan?" vroeg mijnheer de Guersaint nieuwsgierig. "Hij is getrouwd, niet?"
Het kamermeisje keek verbaasd.
"Wel neen, hij is heelemaal alleen!"
"Wat, heelemaal alleen? En den heelen nacht heb ik hem hooren loopen. En vanmorgen werd er gepraat en gefluisterd!"
"Dat kan niet; hij is heelemaal alleen... Daar net is hij naar beneden gegaan, nadat hij eerst order gegeven had, dat men onmiddellijk zijn kamer schoon moest maken. En hij heeft maar één kamer met een groote kast in de muur, waarvan hij den sleutel meegenomen heeft... Daar bewaart hij zeker zijn geld in."
Zij bleef praten, terwijl zij de twee koppen chocolade op de tafel zette.
"Het is een heele deftige mijnheer... Het vorige jaar had hij een van de afzonderlijk liggende zomerhuisjes, die mijnheer Majesté in de straat hiernaast verhuurd. Maar van het jaar was hij te laat en heeft hij zich tot zijn groote spijt tevreden moeten stellen met deze kamer... Daar hij niet met Jan en alleman wil eten, laat hij zijn diner boven brengen. Nou, hij drinkt een goed wijntje!"
"Dan begrijp ik het al!" zeide mijnheer de Guersaint vroolijk. "Hij zal gisterenavond in zijn eentje een beetje te goed gedineerd hebben."
Pierre had nieuwsgierig geluisterd.
"En logeeren naast mij niet twee dames met een mijnheer en een kind op krukken?"
"Ja, mijnheer de abbé, ik ken ze heel goed... De tante, madame Chaise, heeft een van de kamers, terwijl mijnheer en mevrouw Vigneron met hun zoon Gustave de andere hebben... Het is al voor het tweede jaar, dat ze komen. Ook heel deftige lui!"
Inderdaad had Pierre gemeend 's nachts de stem van mijnheer Vigneron, die blijkbaar last van de warmte had, te herkennen. Het meisje, eenmaal op haar praatstoel, vertelde nu verder welke andere logés er op deze verdieping waren: links, een geestelijke, een moeder met drie dochters, een oud getrouwd paar; rechts, nog een ongetrouwd heer, een dame alleen, en een heele familie met vijf kleine kinderen. Het hotel was tot onder de dakpannen vol. De kamermeisjes, die haar kamertjes aan de logé's hadden afgestaan, sliepen allen bij elkaar in het waschhuis. Gisterennacht had men op de portalen van iedere verdieping kermisbedden opgeslagen. Zelfs had een geestelijke, omdat er nergens anders plaats meer was, op een biljart moeten slapen.
Toen het kamermeisje eindelijk weg was en de heeren ontbeten hadden, ging mijnheer de Guersaint, die erg op reinheid stond, weer naar zijn eigen kamer, om zijn handen te wasschen. Pierre ging, aangetrokken door het heerlijke zonnetje buiten, even op het kleine balcon staan. Alle kamers der zesde verdieping hadden aan dien kant van het hotel een balcon, dat met een balustrade van uitgesneden hout voorzien was. Maar tot zijn groote verbazing zag hij, dat op een balcon ernaast, dat behoorde tot de door den ongetrouwden heer gehuurde kamer, een vrouw, in wie hij madame Volmar herkende, even haar hoofd naar buiten stak. Er was geen twijfel aan of zij was het met haar lang gezicht, haar fijnbesneden trekken, haar groote mooie oogen, die wel gloeiende kolen geleken, waarover soms als een sluier, een vlammige weerschijn kwam, die ze scheen uit te dooven. Toen zij hem herkende, sprong zij van schrik terug. En hij zelf ook ging, verlegen, in zijn kamer terug. Onmiddellijk begreep hij alles: de mijnheer had niets anders kunnen huren dan deze kamer en verborg daarin zijn maîtresse voor aller oogen door haar, terwijl de kamer gedaan werd, in de groote muurkast op te sluiten; samen aten zij het middagmaal, dat boven gebracht werd, en dronken uit hetzelfde glas; ook de geluiden van 's nachts waren nu te verklaren. Op die wijze waren het voor haar in dit afgesloten vertrek drie dagen van volkomen gevangenschap in dollen hartstocht.
Blijkbaar had zij, toen de kamer opgeruimd was, het gewaagd de kast van binnen weer open te maken en even haar hoofd naar buiten te steken, om te zien, of haar vriend nog niet terugkwam. Daarom had men haar dus niet in het ziekenhuis gezien, waar de kleine madame Désagneaux telkens naar haar vroeg. Pierre stond onbeweeglijk, zijn hart kromp ineen en hij verzonk in een onrustige droomerij, terwijl hij nadacht over het bestaan van deze vrouw, die hij kende, aan de marteling van haar huwlijksleven tusschen een barsche schoonmoeder en een onwaardig echtgenoot, en dan aan deze drie enkele dagen van volkomen vrijheid per jaar, dit hooge oplaaien van de liefdesvlam, onder het heiligschennend voorwendsel te Lourdes God te willen dienen. Tranen, die hij zichzelf niet verklaren kon, tranen, die uit het diepst van zijn innerlijk wezen, uit zijn vrijwillige kuischheid opstegen, vulden in een gevoel van eindelooze droefheid zijn oogen.
"Nou, ben je klaar?" riep mijnheer de Guersaint, die met zijn handschoenen aan weer binnenkwam.
"Ja, ja, we gaan!" zeide Pierre, die, terwijl hij zijn hoed zocht, zich omkeerde, om zijn tranen af te vegen.
Toen zij weggingen, hoorden zij links van zich een brommende stem, welke zij als die van mijnheer Vigneron herkenden, die hardop zijn ochtendgebed deed. Op de gang hadden zij een ontmoeting, die hen interesseerde: zij kwamen n.l. een flinken, eenigszins gezetten heer van een veertig jaar met bakkebaarden tegen. Hij liep wat gebogen en zoo gauw, dat zij zijn gezicht niet konden zien. In zijn hand had hij een zorgvuldig omwikkeld pakje. Hij stak den sleutel in het slot, opende de deur en verdween zacht en geruischloos als een schim.
Mijnheer de Guersaint keek om.
"Kijk, daar heb je den ongetrouwden mijnheer. Hij heeft zeker op de markt wat lekkers gekocht."
Pierre deed alsof hij het niet hoorde, want hij vond mijnheer de Guersaint te lichtzinnig, om hem ten opzichte van een geheim, dat niet het zijne was, in vertrouwen te nemen. Bovendien voelde hij een verlegenheid, een soort kuischen schrik in zich opkomen bij het denkbeeld aan die wrekende bevrediging van vleeschelijke lusten te midden van de mystieke extase, waardoor hij zich omringd voelde.
Juist op het oogenblik, dat de zieken naar beneden gebracht werden, om ze naar de Grot te rijden, kwamen zij bij het Hôpital. Zij troffen Marie, die goed geslapen had, in een opgewekte stemming aan. Zij gaf haar vader een zoen en, toen zij hoorde, dat hij nog niet tot zijn uitstapje naar Gavarnie besloten was, een standje. Als hij niet ging, zou hij haar een groot verdriet doen. Bovendien zou zij, zooals zij met haar uitgerust en glimlachend gezichtje zeide, toch vandaag niet genezen worden. Eindelijk verzocht zij Pierre dringend te trachten verlof voor haar te krijgen, om den volgenden nacht voor de Grot te mogen doorbrengen: dit was een gunst, die door allen vurig gewenscht, doch slechts zelden aan enkele bevoorrechten toegestaan werd. Pierre, die er zich, ongerust als hij zich maakte over haar gezondheid, wanneer zij zoo'n heelen nacht in de open lucht zou doorbrengen, eerst tegen verzette, moest, toen hij plotseling een trek van groote teleurstelling op haar gezicht zag komen, wel beloven het te zullen doen. Ongetwijfeld dacht zij, dat de Heilige Maagd haar slechts onder vier oogen in den onbeperkten vrede van de duisternis, zou aanhooren. Dien ochtend voelde zij zich, na de mis in de Grot gehoord te hebben, zoo verloren gaan onder de vele zieken, dat zij onder voorwendsel, dat haar oogen zoo'n pijn deden van het felle gaslicht, reeds om tien uur naar het Hôpital teruggebracht wilde worden.
Toen haar vader en de priester haar weer in de zaal Sainte-Honorine gedragen hadden, gaf zij hun voor den verderen dag verlof.
"Neen, je behoeft me niet te komen halen, ik ga vanmiddag niet naar de Grot terug, het is onnoodig... Maar vanavond om negen uur breng je me ernaar toe, niet waar, Pierre? Dat is afgesproken, je hebt me je woord gegeven!"
Hij beloofde, dat hij zou trachten verlof te krijgen, dat hij het, als het noodig was, aan pater Fourcade zelf zou vragen.
"Tot vanavond dan, lieveling!" zeide op zijn beurt mijnheer de Guersaint, terwijl hij haar een zoen gaf.
Zij lieten haar alleen, rustig liggend, met haar groote, peinzende en glimlachende oogen in het niet starend.