De drie steden: Lourdes

Part 19

Chapter 193,690 wordsPublic domain

Terwijl hij zoo voortging, zag Pierre, hoe de ware geschiedenis met een onweerstaanbare kracht voor hem oprees. Hij ging nog wat in de geschiedenis terug en vond Bernadette weer terug op het oogenblik van de eerste verschijningen. Zij was zoo rein, zoo kinderlijk-oprecht, zoo aanbiddelijk van onschuld en goede trouw in haar lijden. Zij was de helderziende, de heilige, wier gelaat in de oogenblikken van extase een uitdrukking van bovenmenschelijke schoonheid kreeg: haar voorhoofd straalde, haar trekken schenen verheerlijkt te worden, haar oogen baadden in licht, terwijl de half geopende mond van liefde brandde. Haar geheele persoon was dan vol van een verheven majesteit, zij maakte langzame en verheven teekenen des kruises, die als het ware den geheelen horizont omvatten. De aangrenzende dalen, de dorpen, de steden spraken over niets dan over Bernadette. En hoewel de Heilige Maagd zich nog niet bekend gemaakt had, herkende men haar, zeide men: "Dat is de Heilige Maagd!" Den eersten marktdag kwamen er zooveel menschen, dat Lourdes wel overstroomd leek. Allen wilden het gebenedijde kind zien, de uitverkorene van de Koningin der Engelen, die zoo mooi werd, wanneer de hemelen zich voor haar verrukte oogen openden. Iederen ochtend werd de menigte aan den oever van den Gave grooter; duizenden verdrongen er zich om toch maar niets van het schouwspel te verliezen. Zoodra Bernadette zich vertoonde, liep een geprevel door de schare: "Daar is de heilige, de heilige, de heilige!" Men snelde naar haar toe, kuste haar kleeren. Zij was de Messias, de eeuwige Messias, dien de volkeren verwachten en naar wien door alle eeuwen heen alle geslachten smachten. En steeds weer herhaalde zich hetzelfde: een openbaring der Maagd aan een herderin; een stem, die de wereld vermaande tot boetedoening; een bron, die ontsprong; wonderen, die de in steeds grooter getale samenstroomende menigte met verbazing sloegen en verrukten.

O, die eerste wonderen van Lourdes! Welk een heerlijke lentebloesempracht van troost in het hart der ellendigen, die door armoede en ziekte verteerd werden! Het genezen oog van den ouden Bourriette; de jonge Bouhohorts, in het koude water weer tot het leven teruggeroepen; dooven, die weer hoorden; lammen, die weer liepen; en zoovele anderen, Blaise Maumus, Bernade Soubies, Auguste Bordes, Blaisette Soupenne, Benoite Cazeaux, die van de ergste ziekten verlost werden, vormden het onderwerp van eindelooze gesprekken, verlevendigden de hoop weer van allen, die geestelijk of lichamelijk leden. Donderdag, den vierden Maart, den laatsten dag van de door de Heilige Maagd verlangde bezoeken, waren er meer dan twintigduizend personen voor de Grot, was het geheele gebergte afgedaald. En die ontzaglijke menigte vond daar waarnaar zij hongerde: het voedsel van het goddelijke, het feestmaal van het wonderbaarlijke, genoeg van het onmogelijke, om haar geloof te bevredigen aan een hoogere macht, die zich verwaardigde zich in te laten met de armen, die op opzienbarende wijze ingreep in de ellendige toestanden hier op aarde, om er een weinig gerechtigheid en goedheid te brengen. De roep der goddelijke liefde weerklonk, de onzichtbare en hulpvaardige hand strekte zich uit, verbond de eeuwige wonde der menschheid. O, met welk een onverwoestbare kracht schoot deze droom, dien ieder geslacht op zijn beurt opnieuw droomde, weer wortel bij de onterfden, zoodra hij een gunstigen, door de omstandigheden voorbereiden bodem gevonden had. En misschien hadden in geen eeuwen de feiten zich zoo samengevoegd, om, zooals in Lourdes, den mystieken haard van het geloof te doen ontvlammen.

Een nieuwe godsdienst begon zich te grondvesten, en onmiddellijk kwamen de vervolgingen los, want de godsdiensten gedijen slechts onder martelingen en verzet. Evenals vroeger te Jeruzalem, toen het gerucht zich verspreidde, dat wonderen opbloeiden onder de stappen van den verwachten Verlosser, geraakten ook hier de burgerlijke autoriteiten in opwinding, de officier van justitie, de vrederechter, de burgemeester en vooral de prefect van Tarbes. Deze was toevallig een streng geloovig Katholiek, een rechtschapen man, die zijn godsdienstige plichten steeds waarnam, maar bovendien een echte bestuursambtenaar, een hartstochtelijk verdediger van de goede orde, een verklaard tegenstander van alle fanatisme, waaruit oproer en godsdienstige ontaarding voortvloeit. Te Lourdes had hij onder zijn bevelen een commissaris van politie, die den zeer begrijpelijken wensch koesterde zijn gaven van helder doorzicht te bewijzen.

En zoo begon de strijd: den eersten Vastenzondag, vlak na de eerste verschijningen, liet deze commissaris Bernadette voor zich komen, om haar te ondervragen. Vergeefs trad hij in den beginne liefderijk, dan opvliegend en dreigend op: hij kreeg van het meisje steeds dezelfde antwoorden. De geschiedenis, die zij met de langzamerhand toegenomen bijzonderheden vertelde, had zich van lieverlede onherroepelijk in haar kinderlijk brein vastgezet. En bij deze arme hysterica was dat geen leugen; het was een onbewust opgedrongen gedachte, een ongeneeslijk gebrek aan wilskracht om zich los te maken van de eerste hallucinatie. Het ongelukkige kind, het lieve, zachte kind! Van dat oogenblik af was zij voor het leven verloren, werd zij gekruisigd door haar idée fixe, waaruit men haar slechts zou hebben kunnen losrukken door haar in een andere omgeving te brengen, door haar terug te geven aan de vrije buitenlucht in een streek van licht en menschenliefde! Maar zij was de uitverkorene, zij had de Heilige Maagd gezien, daarom zou zij haar geheele leven lijden en ten slotte sterven.

Pierre, die Bernadette zoo goed begreep en aan haar nagedachtenis een broederlijk medelijden, de warme toegenegenheid, die men voor een menschelijke heilige, een eenvoudig, rechtschapen en in de marteling voor haar geloof bekoorlijk wezen heeft, bewaarde, kon zijn ontroering niet verbergen: zijn oogen waren vochtig, zijn stem beefde. Marie, die tot dusverre met haar door verzet hard gelaat, strak voor zich uit had liggen staren, maakte nu een gebaar van medelijden.

"De arme kleine," prevelde zij, "zoo alleen tegen die magistraten, en zoo onschuldig, zoo fier, zoo zeker van haar zaak!"

Uit alle bedden steeg dezelfde lijdende sympathie op. De hel van deze zaal in haar nachtelijke ellende, met haar vergiftigde atmosfeer, haar opeenhooping van smartelijke ziekbedden, haar spookachtig heen en weer geloop van door moeheid uitgeputte zusters, scheen verlicht te worden door een glans van goddelijke liefde. Arme, arme Bernadette! Allen waren verontwaardigd over de vervolgingen, die zij, om de werkelijkheid van haar visioen te verdedigen, had moeten verduren.

Voortgaande, vertelde Pierre wat Bernadette te lijden had gehad. Na het verhoor door den commissaris had zij nog voor de chambre du Tribunal moeten verschijnen. De geheele magistratuur wilde haar met alle geweld tot een herroeping dwingen. Maar het hardnekkig vasthouden aan haar droom was sterker dan al de redeneeringen van al de burgerlijke overheden te zamen. Twee doktoren, door den prefect gezonden, om haar te onderzoeken, concludeerden te goeder trouw, zooals trouwens ieder geneesheer gedaan zou hebben, tot zenuwstoringen, waarvan het asthma een zekere aanwijzing was en die onder bepaalde omstandigheden hallucinaties in het leven hadden kunnen roepen. Op die conclusie was zij bijna in een ziekenhuis te Tarbes opgesloten. Maar men durfde haar niet uit Lourdes te verwijderen, bang als men was voor de volksverbittering. Een bisschop was gekomen om zich voor haar op zijn knieën te werpen. Dames wilden haar genade met goud koopen. Steeds grooter wordende scharen van geloovigen overstelpten haar met bezoeken. Zij had een toevlucht gezocht bij de zusters van Nevers, die de zieken in het gemeentelijke ziekenhuis verpleegden; daar had zij haar eerste communie gedaan, daar leerde zij met moeite lezen en schrijven. Daar de Heilige Maagd haar slechts voor het geluk van anderen uitverkoren scheen te hebben en haar zelf niet van haar chronische benauwdheden genas, besloot men haar naar de zoo nabij gelegen baden van Cauterets te brengen, die haar echter in het geheel geen goed deden.

Onmiddellijk na haar terugkeer te Lourdes begon de kwelling van verhooren en van aanbidding door een geheel volk opnieuw in nog erger mate, zoodat zij een afschuw van de wereld kreeg. Het was nu voor goed uit: zij kon nu geen vroolijk kind meer zijn; geen jong meisje worden, dat droomt van een echtgenoot; geen jonge vrouw, die de wangen van mollige kinderen kust. Zij had de Heilige Maagd gezien, zij was de uitverkorene en de martelares. De Heilige Maagd, zeiden de geloovigen, had haar slechts drie geheimen toevertrouwd en haar aldus gewapend met die driedubbele wapenrusting, om haar te midden van haar beproevingen te steunen.

Lang had de geestelijkheid, zelf vol twijfel en ongerustheid, zich van het uitspreken van een oordeel onthouden. De pastoor van Lourdes, abbé Peyramale, was een ruw, maar buitengewoon goed, rechtschapen en verwonderlijk energiek man, wanneer hij meende op den rechten weg te zijn. De eerste maal, dat hij Bernadette bij zich kreeg, ontving hij bijna even ruw als de commissaris van politie dit te Bartrès opgevoede kind, dat men nog niet op de leering gezien had; hij weigerde haar verhaal te gelooven en beval haar met eenige ironie de Vrouwe te bidden vóór alles de wilde rozenstruik, die aan haar voeten stond, te doen ontluiken, wat de Vrouwe niet deed. Dat hij later als een goede herder, die zijn kudde verdedigt, het kind onder zijn bescherming nam, was alleen, omdat, toen de vervolgingen begonnen, men erover dacht dat ziekelijke meisje met haar zoo heldere en vrijmoedige oogen gevangen te nemen. En bovendien waarom zou hij het wonder blijven ontkennen, nadat hij er als voorzichtig priester, die weinig lust heeft den godsdienst in een verdacht avontuur te werpen, slechts aan getwijfeld had? De Heilige Boeken staan vol wonderen, het geheele dogma is op het mysterie gebaseerd.

Vanaf dat oogenblik verzette, in de oogen van een priester, niets er zich tegen, dat de Heilige Maagd dit godvruchtige kind belast had met de opdracht voor hem, om een kerk te bouwen, waar de geloovigen zich in processie heen zouden begeven. Op die wijze begon hij Bernadette om haar charme lief te krijgen en te verdedigen, ook al hield hij zich, in afwachting van de beslissing van zijn bisschop, bescheiden op den achtergrond.

Deze bisschop, Mgr. Laurence, scheen zich in zijn paleis te Tarbes achter driedubbele grendels opgesloten te hebben en bewaarde, alsof er te Lourdes niets gebeurde, dat hem kon interesseeren, het meest volmaakte stilzwijgen. Hij had aan zijn geestelijkheid strenge bevelen gegeven, en geen priester had zich nog onder de groote scharen, die geheele dagen voor de Grot doorbrachten, laten zien. Hij wachtte; hij liet in administratieve circulaires den prefect weten, dat de burgerlijke overheid in overeenstemming met de geestelijke overheid was. In den grond der zaak geloofde hij blijkbaar niet aan de verschijningen, zag hij daarin, evenals de geneesheeren, slechts de hallucinaties van een ziekelijk kind. De gebeurtenis, die het geheele land in beweging bracht, was echter belangrijk genoeg, om het van dag tot dag nauwkeurig te laten onderzoeken, en de wijze, waarop hij er zoo langen tijd zoo'n geringe belangstelling voor toonde, bewijst hoe weinig geloof hij aan het beweerde wonder sloeg. Zijn eenige zorg was de Kerk niet te compromitteeren met een geschiedenis die voorbestemd was slecht te eindigen. Mgr. Laurence, een zeer vroom man met een koel en nuchter verstand, had voor het bestuur van zijn diocese een groote dosis gezond verstand medegebracht. De ongeduldigen en de vurige ijveraars gaven hem toendertijd den bijnaam van "Heilige Thomas", omdat hij in zijn twijfel bleef volharden tot den dag, dat hij door de feiten gedwongen werd. Hij weigerde te hooren en te zien, vast besloten niet toe te geven dan wanneer de godsdienst er niets meer bij verliezen kon.

Maar de vervolgingen werden ernstiger en scherper. De minister van Eeredienst, die op de hoogte gebracht was, eischte, dat alle wanordelijkheden zouden ophouden, waarop de prefect de toegangen tot de Grot door militairen had laten bezetten. Reeds hadden de geloofsijver der getrouwen en de dankbaarheid der genezenen die met bloemvazen versierd. Men wierp geldstukken in de Grot, geschenken voor de Heilige Maagd stroomden toe. Ook waren er reeds primitieve inrichtingen gemaakt: steenhouwers hadden een soort reservoir uitgehouwen, om het wonderwater op te vangen; anderen ruimden de groote rotsblokken weg en schiepen op die wijze een toegang langs den heuvel. En tegenover den steeds aangroeienden stroom der menigte nam de prefect, na van Bernadette's inhechtenisneming te hebben afgezien, het ernstige en bedenkelijke besluit om den toegang tot de Grot door een zwaar staketsel af te sluiten.

Er hadden zich ergerlijke dingen voorgedaan: kinderen beweerden den duivel gezien te hebben; sommigen maakten zich daarbij aan leugens schuldig, anderen deden het onder den invloed van ziekelijke hallucinaties, die veroorzaakt werden door zenuwstoringen, welke als een besmettelijke ziekte om zich heen grepen. Maar wat een werk bracht de opruiming van de Grot met zich. De commissaris kon eerst tegen den avond een meisje vinden, dat hem een kar wilde verhuren; twee uren later brak dat meisje bij een val een rib. Eveneens werd den volgenden dag een man, die een bijl geleend had, door een steen een voet verpletterd. Eerst bij het invallen der schemering kon de commissaris onder het hoongelach der menigte de bloempotten, de enkele brandende kaarsen, de geldstukken en de zilveren harten, die in het zand lagen, medenemen. De menschen balden hun vuisten, scholden hem tusschen hun tanden uit voor dief en moordenaar. Dan werden de palen van het staketsel geslagen, de planken vastgespijkerd, een heel bouwwerk, dat het mysterie afsloot, den toegang tot het onbekende versperde en het wonder gevangen zette. En de burgerlijke overheden waren zoo naïef om te gelooven, dat het nu uit was, dat die enkele planken de armen, die dorstten naar illusie en hoop, zouden tegenhouden.

Zoodra de nieuwe godsdienst in den ban gedaan en door de wet als een misdaad vervolgd werd, laaide hij met een onuitbluschbare vlam in de zielen op. De geloovigen bleven in nog grooter getale komen, knielden op eenigen afstand van de Grot neder en snikten bij het zien van den hun verboden hemel. De zieken, de zieken vooral, aan wie een barbaarsch besluit genezing ontnam, stroomden ondanks het verbod toe, kropen door gaten, klommen, allen gedreven door de vurige begeerte om water te stelen, over alle hindernissen. Wat, er was daar wonderdadig water, dat het gezicht teruggaf aan de blinden, lammen weder deed loopen, alle ziekten onmiddellijk verlichtte, en nu waren er hooggeplaatste ambtenaren, wreed genoeg om dat water achter slot en grendel te zetten, opdat het niet langer de armen zou genezen? Het was monsterachtig wreed! Een kreet van vervloeking rees op uit het arme volk, uit de onterfden, die om te leven evenveel behoefte hadden aan het wonderbaarlijke als aan brood.

Volgens het overheidsbesluit moest tegen de overtreders proces-verbaal worden opgemaakt, en zoo zag men voor de rechtbank een rij van oude vrouwen en kreupele mannen trekken, die beschuldigd werden uit de levensbron geput te hebben. Zij stamelden, smeekten en begrepen het niet, wanneer ze een geldboete kregen. Maar buiten knorde en gromde de menigte, steeds grooter werd de volkswoede tegen die magistraten, die zoo hardvochtig waren voor de ellende hier beneden, die heeren zonder erbarmen, die eerst allen rijkdom aan zichzelf getrokken hadden en nu den armen zelfs hun droom van het hiernamaals, hun geloof, dat een hoogere en meedoogende macht zich met moederlijke liefde hun lot aantrok, niet gunden. Op een triesten morgen begaf zich een troep ellendigen en zieken naar den burgemeester; zij knielden neer op het plein en bezwoeren hem snikkend de Grot weer te laten openen; en wat zij zeiden was zoo ontroerend, dat iedereen weende.

Een moeder liet haar halfdood kind zien; moest men dat zoo in haar armen laten sterven, terwijl er een bron was, die de kinderen van andere moeders van den dood gered had? Een blinde wees op zijn omfloerste oogen, een bleeke, klierachtige jongen liet zijn beenwonden zien, een verlamde vrouw trachtte haar kromme handen te vouwen; wilde men hun dood, weigerde men hun de laatste goddelijke kans om te leven, nu de menschelijke wetenschap hen in den steek liet? En even groot was de verontwaardiging der geloovigen, van hen, die overtuigd waren, dat in de duisternis van hun droef bestaan een hoekje van den hemel opengegaan was, die er tegen op kwamen, dat men hun die hersenschimmige vreugde ontnam, de laatste troost in hun menschelijk en maatschappelijk lijden, om te gelooven, dat de Heilige Maagd eindelijk neergedaald was om hun het oneindige erbarmen van haar tusschenkomst te brengen. De burgemeester had niets kunnen beloven, en de menigte was weenend teruggegaan, bereid tot rebellie, als onder den invloed van een groote onrechtvaardigheid, van een dwaze wreedheid tegenover de kleine luiden en de eenvoudigen van geest, die de Hemel wreken zou.

Ettelijke maanden lang duurde de strijd. Het was een buitengewoon schouwspel die mannen van gezond verstand, den minister, den prefect, den commissaris van politie, allen ongetwijfeld door de beste bedoelingen bezield, zich te zien verzetten tegen de steeds aangroeiende menigte radeloozen, die niet wilden, dat men de poort van den droom voor hen sloot. De overheid eischte orde en rust, eerbied voor een verstandigen godsdienst en den triomf van het verstand, terwijl het volk in zijn overspannen begeerte naar heil in deze en in de wereld hiernamaals medegesleept werd door zijn drang naar geluk. O, niet meer te lijden, de gelijkheid van het geluk te veroveren, slechts leven onder de bescherming van een rechtvaardige en algoede Moeder, slechts sterven, om in den hemel weer te ontwaken! En noodzakelijkerwijze moest die brandende begeerte der scharen, die heilige waan van algemeen geluk en algemeene vreugde de starre opvatting wegvagen van een goed geregelde maatschappij, waarin de epidemisch terugkeerende aanvallen van religieuze hallucinaties als aanslagen op de rust van gezonde geesten veroordeeld worden.

Op dat oogenblik kwam de zaal Sainte-Honorine in opstand. Weer moest Pierre een oogenblik zijn verhaal onderbreken door de half gesmoorde uitroepen, die den commissaris voor Satan en Herodes uitmaakten. La Grivotte had zich op haar matras opgericht en stotterde:

"De monsters!... En de goede Heilige Maagd, die mij genezen heeft!"

Madame Vêtu, die ondanks haar onbewuste zekerheid, dat zij sterven zou, toch weer door hoop bezield werd, maakte zich woedend bij het denkbeeld, dat, als de prefect de overwinning behaald had, de Grot thans niet bestaan zou.

"Dan zouden er geen bedevaarten zijn, zouden wij hier niet zijn, zouden er niet ieder jaar honderden genezen!"

Een benauwdheid deed haar half stikken; zuster Hyacinthe moest haar komen oprichten. Madame de Jonquière maakte van de onderbreking gebruik, om aan een jonge vrouw, die aan ruggemergstering leed, den pot te geven. Twee andere vrouwen, die door de ondraaglijke hitte niet in haar bed konden blijven, liepen met kleine, zachte pasjes als witte schimmen in de walmende donkerte heen en weer; van het eind der zaal kwam uit de duisternis een moeilijke ademhaling, die het geheele verhaal van Pierre met een reutelend geluid begeleid had. Alleen Elise Rouquet sliep rustig; zij lag op haar rug en liet haar afzichtelijke wonde, die aan het opdrogen was, zien.

Het was kwart over twaalf; ieder oogenblik kon abbé Judaine binnenkomen voor de communie. De genade keerde weer in het hart van Marie terug; zij was nu overtuigd, dat de schuld bij haar lag, bij haar, die, toen zij in den vijver afdaalde, getwijfeld had, of de Heilige Maagd haar wel genezen zou. En zij had berouw over haar opstand als over een misdaad; zou zij ooit vergiffenis kunnen krijgen? Haar bleek gelaat was tusschen haar mooie, blonde haar weggezonken, haar oogen stonden vol tranen en zij keek Pierre met een wanhopige droefheid aan.

"O, vriendlief, wat ben ik slecht geweest! Toen ik naar de uit trots begane misdaden van dien prefect en de andere overheidspersonen luisterde, heb ik mijn schuld begrepen... Je moet gelooven, Pierre, er bestaat geen geluk buiten geloof en liefde."

Toen Pierre wilde ophouden, kwamen allen daartegen in verzet, eischten het vervolg. En Pierre moest beloven, dat hij zou vertellen tot den triomf der Grot.

Het staketsel versperde nog steeds den toegang, men moest heimelijk in den nacht komen, als men wilde bidden en een flesch gestolen water medenemen. Intusschen werd de vrees voor oproer steeds grooter, men vertelde, dat al de dorpen uit het gebergte naar beneden zouden komen om God te bevrijden. Het was de levée en masse der kleine luiden, een zoo onweerstaanbare drang van dorstenden naar het wonder, dat het eenvoudige gezonde verstand, de eenvoudige goede orde op het punt stond als kaf voor den wind weggevaagd te worden. Mgr. Laurence in zijn bisschoppelijk paleis te Tarbes was de eerste die zich overgeven moest. Al zijn gereserveerdheid, al zijn twijfel was niet bestand tegen de volksbeweging. Vijf volle maanden had hij zich op den achtergrond kunnen houden, zijn geestelijkheid kunnen beletten de geloovigen naar de Grot te volgen, de Kerk kunnen verdedigen tegen den storm van bijgeloof. Maar waartoe diende het nog verder te strijden? Hij voelde, dat de ellende van zijn schare geloovigen zoo groot was, dat hij er zich bij nederlegde hun den afgodendienst te geven, waarnaar zij zoo smachtten.

Maar toch vaardigde hij uit een restje van voorzichtigheid een bevel uit, waarbij een commissie benoemd werd, die een onderzoek moest instellen: dat was de aanvaarding van het wonder op korter of langer termijn. Kan men niet begrijpen, wat een moeite het Mgr. Laurence, een man van gezonde denkbeelden en helder verstand, kostte om dat bevel te onderteekenen? Hij moest neerknielen in zijn bidvertrek en God, den beheerscher der wereld, smeeken hem voor te schrijven, wat hij doen moest. Hij geloofde niet aan de verschijningen, had een hoogere, meer intellectueele opvatting omtrent manifestaties der godheid. Maar was het niet barmhartig en liefderijk aan de bezwaren van zijn verstand en aan zijn fijnere opvatting van godsvereering het zwijgen op te leggen tegenover de noodzakelijkheid om het brood der leugen, dat de arme menschheid noodig heeft om gelukkig te kunnen leven, uit te reiken.

"O, mijn God, vergeef mij, indien ik U laat afdalen van den troon van Uw eeuwige macht, waarop Gij gezeten zijt, wanneer ik U verneder tot dit kinderlijke spel met nuttelooze wonderen. Maar, o, mijn God, zij lijden zoo, zij hongeren zóó naar het wonderbaarlijke en naar sprookjes, om hun levenssmart te verzachten. Gij zelf zoudt, indien zij Uw schapen waren, helpen hen te misleiden. Laten zij op deze wereld getroost worden, ook al moet de idee van Uw goddelijkheid daarbij lijden!"

En zoo had de bisschop in tranen het offer aan zijn God gebracht in zijn herderlijke liefde voor de ellendige menschelijke kudde.