Part 18
Maar hij kon daar niet langer blijven. De hitte werd zoo, dat het zweet van de gezichten stroomde. Dr. Bonamy dicteerde aan een der seminaristen het resultaat van het onderzoek van la Grivotte, terwijl pater Dargelès, die op de uitdrukkingen lette, hem tusschenbeide iets influisterde, om hem een zin te laten veranderen. Het lawaai om hen heen bleef aanhouden, de discussie der doktoren liep nu over technische punten, die voor het onderhavige geval van geen enkel belang waren. Men kon tusschen die planken muren geen adem meer halen. Het kleine blonde heertje uit Parijs, de invloedrijke schrijver, was weggegaan, ontevreden geen echt wonder gezien te hebben.
"Laten we gaan, ik kan het hier niet meer uithouden, ik word onpasselijk," zeide Pierre tegen dr. Chassaigne.
Zij gingen tegelijk met la Grivotte, die door dr. Bonamy weggezonden werd. Dadelijk bij de deur stieten zij op een dichte menigte, die zich verdrong, om de door het wonder genezene te zien. Het nieuws van het wonder had zich blijkbaar reeds verbreid, het was een strijd wie de uitverkorene het eerst zou naderen, vragen, aanraken. En zij kon met haar vuurroode wangen, haar fonkelende oogen en haar dansenden gang niet anders antwoorden dan:
"Ik ben genezen... Ik ben genezen..."
Geroep overstemde haar; zij werd in den wervelstroom der menigte opgenomen en medegevoerd. Een oogenblik verloor men haar uit het oog, alsof zij onder water geraakt was, doch dan kwam zij plotseling weer boven, vlak bij Pierre en den dokter, die zich uit het gedrang trachtten te bevrijden. Zij hadden den Commandeur gevonden, van wien het een manie geworden was naar den vijver en naar de Grot te gaan, om zich boos te kunnen maken. In een nauwsluitende jas leunde hij op zijn wandelstok met zilveren knop, terwijl hij een weinig trok met zijn linkerbeen, dat na zijn tweede beroerte wat stijf gebleven was. Zijn gezicht werd vuurrood en zijn oogen schoten vlammen, toen la Grivotte hem op zij stiet en te midden van het ontketende enthousiasme der menigte uitriep:
"Ik ben genezen!... Ik ben genezen!"
Door een plotselinge woede aangegrepen, schreeuwde hij: "Des te erger voor jou, meid!"
De woorden verwekten een luid gelach, want men kende hem, vergaf hem zijn maniak-achtigen hartstocht voor den dood. Maar toen hij verward begon te stamelen en zeide, dat het om medelijden mede te krijgen was, wanneer je nog langer wilde leven, als je niet mooi was en geen fortuin hadt, en dat het meisje liever had moeten bidden dadelijk te sterven, toen begon men toch een vijandige houding tegen hem aan te nemen. Tot zijn geluk kwam juist abbé Judaine voorbij, die hem uit zijn minder aangename positie redde door hem mede te nemen.
"Houd je mond toch! Het is een schandaal... Waarom kom je toch in opstand tegen de goedheid van God, die zich dikwijls zoo genadig betoont voor onze ellenden, door ze te verlichten?... Je moest zelf op je knieën vallen en hem smeeken je je been terug te geven en je nog tien jaar te laten leven."
Toen stikte de Commandeur bijna van woede.
"Wat, ik vragen mij nog tien jaar te laten leven, ik, die den dag, dat ik in mijn kist lig, als den mooisten van mijn leven beschouw! Ik even gemeen, even laf zijn als die duizenden zieken, die ik hier in een minne vrees voor den dood zie voorbijtrekken, in hun zwakheid hun schandelijken hartstocht voor het leven uitbrullend! Neen, dan zou ik op mezelf moeten spuwen!... Laat mij maar crepeeren, en direct ook! Het zal zoo heerlijk zijn niet meer te bestaan!"
Hij was nu weer dicht bij dr. Chassaigne en Pierre, die zich eindelijk bij den oever van den Gave uit het gedrang hadden kunnen vrijmaken. Hij begon tegen den dokter, dien hij dikwijls sprak:
"Hebben ze zooeven niet geprobeerd een man in het leven terug te roepen! Ze hebben het me daarnet verteld, ik dacht dat ik stikken zou... Begrijpt u nu zoo iets, dokter? Een man, die het geluk had dood te zijn en dien zij zich de vrijheid genomen hebben in hun water te dompelen in de misdadige hoop hem te doen herleven! Maar als het hun gelukt was, als hun water dien ongelukkige weer in het leven geroepen had--je weet immers nooit wat er in deze potsierlijke wereld gebeuren kan--gelooft u dan niet, dat de man groot gelijk zou hebben, als hij dien lijken-opflikkers zijn woede in hun gezicht gespuwd had?... Had die doode hun gevraagd hem weer op te wekken? Het minste wat je toch doet in zulke gevallen is de menschen raadplegen... Stel je voor, dat ze met mij zoo'n grap zouden uithalen, als ik eenmaal eindelijk mijn langen slaap slaap! Ik zou ze leeren. "Bemoei je met je eigen bemoeisels!" Wat zou ik een haast maken, om weer uit te knijpen."
Hij was in zijn opwinding zoo komisch, dat abt Judaine en de dokter een glimlach niet konden onderdrukken. Maar Pierre bleef ernstig. De rilling, die hem doorhuiverde, maakte hem koud. Waren het niet de radelooze verwenschingen van Lazarus, die hij daareven gehoord had? Dikwijls had hij zich ingebeeld, dat Lazarus, toen hij uit het graf verrees, Jezus toeriep: "O, Heer, waarom hebt gij mij in dit verschrikkelijke leven teruggeroepen? Ik sliep zoo heerlijk den eeuwigen, droomloozen slaap, ik genoot eindelijk in de verrukkingen van het niet zoo'n heerlijke rust. Ik had al de ellenden en al de smarten gekend, de ontrouw en de valsche hoop, rampen en ziekten; ik had aan het lijden mijn vreeselijke schuld van een levende betaald, want ik was geboren zonder te weten waarom, ik had geleefd zonder te weten waarom; en nu, Heer, laat gij mij mijn schuld dubbel betalen door mij te veroordeelen mijn straftijd nog eens te beginnen... Heb ik dan zoo'n onverzoenbare zonde begaan, dat u mij zoo wreed straft? Wat toch is dat herleven anders dan iederen dag weer iets van zijn vleesch te voelen afsterven, dan verstand te bezitten, alleen maar om te twijfelen, dan een wil te hebben, alleen om niets te vermogen, dan een liefderijk gemoed te bezitten, alleen om zijn smarten te beweenen? En het was uit; ik had den moeilijken stap naar den dood gedaan, ik had die zóó vreeselijke seconde, dat zij voldoende is om het heele leven te vergiftigen, achter den rug. Ik had gevoeld, hoe het zweet van den doodsstrijd mijn voorhoofd nat maakte, hoe het bloed uit mijn aderen wegvloeide, hoe de adem in een laatsten hik mij ontvlood. Wilt u dan, dat ik die verschrikking tweemaal leer kennen; wilt u dan, dat ik tweemaal sterf en dat mijn menschelijke ellende die van alle anderen overtreft?... O, Heer, laat het dan dadelijk gebeuren. O, ik smeek u, doe dat andere groote wonder, leg mij weer in dat graf en laat mij weer insluimeren, zonder dat ik in mijn eeuwigen onderbroken slaap lijden moet. O, heb genade en leg mij niet de kwelling op nogmaals te moeten leven, die vreeselijke kwelling, waartoe u nog geen een enkel ander wezen hebt durven veroordeelen. Ik heb u altijd liefgehad en gediend, maak van mij nu niet het vreeselijkste voorbeeld van uw toorn, dat alle geslachten schrik zou aanjagen. Wees goed en genadig, Heer, geef mij den slaap terug, dien ik zoo ruimschoots verdiend heb, laat mij weer insluimeren in de zaligheid van uw niets."
Intusschen had abbé Judaine den Commandeur, dien hij eindelijk wat had kunnen kalmeeren, meegetroond; Pierre drukte dr. Chassaigne de hand, daar hij zich herinnerde, dat hij Marie beloofd had haar om vijf uur te zullen halen. Toen hij eindelijk naar de Grot terugkeerde, zag hij abbé des Hermoises in een druk gesprek met mijnheer de Guersaint, die, opgeknapt door een goeden slaap, pas uit zijn hotel gekomen was. Beiden bewonderden de buitengewone schoonheid, die de extase van het geloof aan sommige vrouwen geeft, en praatten over hun plan, om een uitstapje naar het keteldal van Gavarnie te maken.
Zoodra mijnheer de Guersaint echter vernam, dat Marie zonder resultaat een eerste bad genomen had, ging hij onmiddellijk met Pierre mede. Zij vonden het jonge meisje nog steeds in dezelfde pijnlijke verdooving, strak starend naar de Heilige Maagd, die haar niet verhoord had. Zij antwoordde niet op de liefdevolle woorden van haar vader; zij keek hem alleen maar aan met haar groote, diep-droeve oogen, die zij dan weer richtte op het marmeren, in den glans der kaarsen witte beeld. En terwijl Pierre stond te wachten, om haar naar het Hôpital terug te rijden, was mijnheer de Guersaint neergeknield. Eerst bad hij vurig voor het herstel van zijn dochter. Dan smeekte hij voor zichzelf de genade af een compagnon te vinden, die hem het millioen zou geven, dat noodig was voor zijn studies over bestuurbare ballons.
V.
's Avonds tegen elf uur kwam Pierre, die mijnheer de Guersaint in zijn kamer in het Hôtel des Apparitions alleen liet, op het denkbeeld, alvorens zelf zich ter ruste te begeven, nog even naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs te gaan. Hij had Marie zoo wanhopig en zoo volhardend in een schuw zwijgen achtergelaten, dat hij zich ongerust maakte. En nadat hij madame de Jonquière even aan de deur van de zaal Sainte-Honorine had laten komen, werd zijn ongerustheid nog grooter, want de berichten waren allesbehalve goed: de directrice vertelde hem, dat het jonge meisje nog geen woord gezegd had, niemand wilde antwoorden en zelfs weigerde te eten. Zij stond er dan ook op, dat Pierre binnenkwam. De vrouwenzalen waren 's nachts wel voor mannen gesloten; maar een priester is geen man.
"Zij houdt slechts van u, zij zal slechts naar u luisteren. Kom toch binnen, ga bij haar bed zitten en wacht hier op abbé Judaine. Die zou tegen één uur de communie komen toedienen aan de ergste zieken, die niet meer getransporteerd kunnen worden en zoodra het dag is, eten. U zoudt hem kunnen helpen."
Pierre volgde madame de Jonquière en ging aan het bed van Marie zitten.
"Kindlief, ik breng iemand mee, die veel van je houdt... Je zult nu zeker wel verstandig worden en eens met hem praten."
Toen de zieke Pierre zag, keek zij hem echter met een uitdrukking van verbitterd lijden aan; haar trekken waren hard.
"Wil je, dat hij je wat voorleest, één van die mooie verhalen, die troost geven, zooals hij er een in den wagon gedaan heeft? Maar daar heb je misschien nu geen lust in. Enfin, straks zullen we wel verder zien... Ik laat je nu maar met hem alleen, en ik weet zeker, dat je dadelijk heel lief zal zijn."
Vergeefs praatte Pierre zacht met haar en zeide haar alles wat zijn liefdevolle toegenegenheid voor haar hem ingaf; hij smeekte haar zich niet zoo over te geven aan haar wanhoop. Wanneer de Heilige Maagd haar niet den eersten dag genezen had, dan was dat alleen, omdat zij haar voor het een of ander eclatante wonder uitverkoren had. Maar zij had haar hoofd afgewend, zij scheen zelfs niet naar hem te luisteren, om haar mond lag een bittere trek, haar vertoornde oogen staarden in het niet. Hij moest wel zwijgen; keek nu de zaal rond.
Het was een afschuwlijk schouwspel. Nog nooit was hij zoo onpasselijk geworden van een walging, die medelijden en afschuw in hem opwekten. Het middagmaal was reeds lang gebruikt, maar nog steeds lagen er porties op de lakens; en tot aan het lichten van den nieuwen dag waren er, die nog aten, terwijl anderen lagen te jammeren of smeekten, dat men ze omdraaide of op den pot zette. Naarmate het later werd, maakte een soort ijlkoorts zich van allen meester.
Maar heel enkelen sliepen rustig, sommigen lagen uitgekleed onder de dekens, maar de meesten eenvoudig er bovenop uitgestrekt; het was zoo moeilijk haar uit te kleeden, dat zij zelfs gedurende de vijf dagen, die de bedevaart duurde, niet verschoond werden. In het halfdonker leek de zaal nog voller: de vijftien bedden, die langs de muren stonden, de zeven matrassen, die in den hoofddoorgang gelegd waren, andere, die er later nog waren bijgevoegd, een ophooping van tallooze lompen, waartusschen de bagage, de oude manden, de kisten, de valiezen opgestapeld stonden. Men wist niet meer waar men zijn voet moest zetten. Twee walmende lantaarns verlichtten ternauwernood dit kampement van stervenden; ondanks de twee half openstaande ramen, waardoor trouwens slechts de zwoele warmte van den Augustusnacht binnenkwam, was de stank ondragelijk. Schimmen en gillen bevolkten deze hel in den nachtelijken doodsangst van zooveel lijden.
Pierre herkende Raymonde, die, nu haar dienst afgeloopen was, nog even haar moeder een zoen kwam geven, voor zij ging slapen in een der voor de zusters gereserveerde dakkamertjes. Madame de Jonquière, die haar taak als directrice zeer ernstig opnam, deed die drie nachten geen oog dicht. Zij had wel een fauteuil, waarin zij makkelijk kon liggen, maar zij kon er geen oogenblik in gaan zitten, zonder onmiddellijk weer gestoord te worden. Overigens werd zij dapper bijgestaan door de kleine madame Désagneaux, die zich zoo vol toewijding aan haar taak gaf, dat zuster Hyacinthe haar lachend gevraagd had: "Waarom wordt u geen pleegzuster?" Waarop zij eenigszins verschrikt en verbaasd geantwoord had: "Dat gaat niet, ik ben getrouwd en ben dol op mijn man!" Madame Volmar had zich niet meer laten zien. Men vertelde, dat zij zoo'n vreeselijke hoofdpijn had, dat zij naar bed had moeten gaan, wat madame Désagneaux verontwaardigd had doen vragen, waarom je hierheen kwam, om zieken te verplegen, als je zelf zoo zwak was. Maar langzamerhand begon zij zich ook geradbraakt aan armen en beenen te voelen, hoewel zij het zich zelf niet wilde bekennen en bij de minste klacht dadelijk bereid was om te helpen. Zij, die in haar appartementen te Parijs liever een knecht gescheld zou hebben dan zelf een lamp te verzetten, liep hier rond met potten en kannen, ledigde kommen, richtte de zieken op, terwijl madame de Jonquière een kussen achter haar schoof. Doch om elf uur kon zij niet meer. Zij was zoo onvoorzichtig zich even uit te strekken in den fauteuil en sliep toen dadelijk in. Haar aardig kopje met de mooie, blonde, weerspannige haren was op haar schouder afgezakt. En noch het gejammer, noch het roepen, noch eenig ander geluid kon haar wakker maken.
Zachtjes was madame de Jonquière weer naar den jongen priester gekomen en zeide tegen hem:
"Ik had er wel aan gedacht om mijnheer Ferrand, u weet wel den dokter, te laten halen; misschien had hij het arme kind wat kunnen geven om te kalmeeren, maar hij is beneden bezig met broeder Isidore. En bovendien we laten hier niemand geneeskundig behandelen, wij komen hier slechts, om onze lieve zieken in de handen der Heilige Maagd te leggen."
Zuster Hyacinthe, die dezen nacht met de directrice wilde waken, voegde zich bij hen.
"Ik kom zoo juist uit de mannenzaal; ik had mijnheer Sabathier een paar sinaasappelen beloofd. Het is mijnheer Ferrand gelukt broeder Isidore weer tot het leven terug te roepen... Wilt u misschien, dat ik hem even ga halen?"
Maar Pierre verzette zich ertegen.
"Wel neen, Marie zal wel verstandig zijn. Ik zal haar wel kalmeeren."
Maar Marie bleef nog steeds hardnekkig zwijgen. Een van de twee lantaarns hing vlak bij haar bed, en Pierre zag heel duidelijk haar mager gezicht, waarin geen spier vertrok. In het bed ernaast zag hij het hoofd van Elise Rouquet, die in een diepen slaap verzonken was. Zij lag zonder sluier met haar gezicht naar boven, waarin de afzichtelijke wond toch bleef toetrekken. Links van zich zag hij de uitgeputte madame Vêtu, die, geschokt als zij werd door een onophoudelijk reutelen, den slaap niet vatten kon. Hij zeide een paar bemoedigende woorden tot haar. Zij dankte hem met een hoofdknikje en voegde er zwakjes aan toe:
"Er hebben vandaag verschillende genezingen plaats gehad, dat maakt me zoo gelukkig."
La Grivotte, die aan het voeteneinde van het bed op een matras lag, hield maar niet op, zich in haar drukke opgewondenheid op te richten en tegen ieder, die kwam, te herhalen:
"Ik ben genezen!... Ik ben genezen!"
En zij vertelde, dat zij een halve kip verorberd had, zij, die in geen twee maanden gegeten had. Daarna had zij bijna twee uur lang medegeloopen in de fakkelprocessie. Zij zou zeker tot vroeg in den ochtend gedanst hebben, als de Heilige Maagd een bal gegeven had.
"Ik ben genezen, o, heelemaal genezen!"
En met een kinderlijke vroolijkheid, met een glimlachende zelfverzaking kon madame Vêtu nog zeggen:
"De Heilige Maagd heeft er goed aan gedaan, deze te genezen, die zoo arm is. Dat maakt mij gelukkiger dan wanneer ik het zelf was. Ik heb immers mijn winkel en kan nog best wat wachten... Ieder op zijn beurt, ieder op zijn beurt!"
Bijna allen toonden die Christelijke liefde, die ongelooflijke blijdschap over de genezing van anderen. Slechts hoogst zelden waren zij jaloersch, allen gaven zich over aan een soort gelukkige epidemie, de aanstekelijke hoop den volgenden dag ook genezen te worden, als de Heilige Maagd het wilde. Je moest haar niet verdrietig maken, je niet ongeduldig betoonen, want zij had er natuurlijk haar goede redenen voor, wist waarom zij liever met deze dan met gene begon. De ergste zieken baden dan ook, in die broederschap van lijden en hoop, voor haar, die naast haar lagen. Ieder nieuw wonder was een onderpand voor het volgende. Onwrikbaar kwam haar geloof steeds weer boven. Men vertelde de geschiedenis van een verlamd boerenmeisje, dat met een buitengewone wilskracht in de Grot eenige passen geloopen had. In het Hôpital teruggekeerd, had zij zich weer naar beneden laten brengen, daar zij naar de voeten van Notre-Dame de Lourdes wilde teruggaan, maar op de helft van den weg was zij hijgend en doodsbleek neergevallen. Op een brancard had men haar toen weer naar het Hôpital teruggebracht, waar zij gestorven was; genezen, zeiden degenen, die in de zaal naast haar lagen. Ieder op zijn beurt, de Heilige Maagd vergat geen van haar geliefde dochters, indien het tenminste niet in haar bedoeling lag een van haar uitverkorenen onmiddellijk de genade van het paradijs deelachtig te doen worden.
Plotseling, juist toen Pierre zich over haar heen boog, om nogmaals te vragen, of hij haar wat wilde voorlezen, barstte Marie in een wild snikken uit. Zij had haar hoofd laten neervallen op den schouder van haar vriend en zeide hem met een zachte, maar angstaanjagende stem te midden van de vage schaduwen dier vreeselijke zaal haar woede. Het was bij haar, iets, wat zoo zelden voorkomt, een verliezen van het geloof, een plotseling wegzinken van den moed, een opstand van het lijdende schepsel, dat niet langer wachten kan. Ja, het werd bij haar een godslastering.
"Neen, neen, zij is slecht, zij is onrechtvaardig. Ik was er zoo zeker van, dat zij mij vandaag zou verhooren, en ik had haar zoo gesmeekt! Nooit zal ik genezen, nu deze eerste dag ten einde loopt. Het was een Zaterdag, ik was zoo overtuigd, dat zij mij op een Zaterdag genezen zou... O, Pierre, ik wilde niet meer spreken, belet mij om te spreken, want mijn hart is zóó vol, dat ik te veel zeggen zou!"
In een broederlijke omarming had hij haar hoofd tegen zich aangedrukt, trachtte dien kreet van haar verzet te smoren.
"Marie, zwijg toch! Ze mogen je niet hooren... Jij, zoo vroom! Wil je dan al deze zielen ergeren?"
Maar zij kon niet zwijgen.
"Ik zou stikken, ik moet spreken... Ik heb haar niet meer lief, ik geloof niet meer in haar. Alles wat men hier vertelt zijn leugens: er is niets, zij bestaat zelfs niet; zij luistert immers niet, als je haar roept en als je weent. Als je alles eens wist, wat ik tot haar gezegd heb... Neem me mee, dan kan ik op straat sterven, waar de voorbijgangers ten minste medelijden zullen hebben met mijn lijden."
Haar stem was allengs zwakker geworden, stamelend als een kind viel zij op haar kussen terug.
"En niemand houdt ook van me. Vader was er zelfs niet. En jij, arme jongen, hadt me ook in den steek gelaten. Toen ik zag, dat een ander mij naar den vijver reed, voelde ik in mijn hart zoo'n bittere koude. Ja, die koude van den twijfel, dien ik in Parijs zoo dikwijls gevoeld heb. Een ding is zeker: dat zij mij niet genezen heeft, komt, omdat ik getwijfeld heb. Ik zal slecht gebeden hebben, ik ben niet heilig genoeg..."
De godslasteringen hadden reeds opgehouden, zij vond reeds verontschuldigingen voor den hemel. Maar haar gezicht bleef verbitterd in dien strijd tegen de hoogere macht, die zij zoo lief gehad en gebeden had, maar die haar niet verhoord had. Wanneer er een enkele maal zoo'n aanval van woede losbrak en het in de bedden tot dergelijke opstanden tegen God, tot wanhoop en snikken, ja zelfs tot vloeken kwam, dan trokken de dames en de zusters, eenigszins schuw en bang, eenvoudig de gordijnen dicht. De genade had zich teruggetrokken en men moest wachten, tot zij terugkeerde. Dan trad langzamerhand een kalmte in en na enkele uren was alles te midden van de diepe, treurige stilte gestorven.
"Blijf toch kalm, blijf toch kalm, ik smeek het je," zeide Pierre, die zag, dat een andere crisis, een van twijfel aan zich zelf, van angst de goddelijke genade onwaardig te zijn, zich van Marie dreigde meester te maken.
Ook zuster Hyacinthe was bij haar bed komen staan.
"Maar je zult straks de heilige communie niet kunnen ontvangen, kindlief, als je in zoo'n opgewonden toestand blijft. En waarom wil je niet, dat mijnheer de abbé je wat voorleest, nu wij het ook goed vinden?"
Zij maakte een moe gebaar als om te zeggen, dat zij het goed vond en onmiddellijk haalde Pierre uit het valies, dat aan het voeteneinde van het bed stond, het kleine boekje met blauwen omslag, waarin zoo naïef de geschiedenis van Bernadette verteld werd. Maar evenmin als den vorigen nacht in den voortrollenden trein hield hij zich aan den besnoeiden tekst van het boekje, maar improviseerde hij, waarbij hij de feiten op zijn wijze weergaf, terwijl de denker en de analyst in hem geen weerstand bieden konden aan de verleiding om de waarheid te herstellen, deze legende, wier eeuwig wonder tot de genezing der zieken medewerkte, meer menschelijk te maken. En weldra richtten zich van alle matrassen naast hem vrouwen op, die het vervolg van het verhaal wilden hooren, want het smachtend verlangen naar de communie belette bijna allen om te slapen.
Zoo verhief Pierre, zittend in het bleeke schijnsel van de lantaarn, die boven hem hing, langzamerhand zijn stem, om zich voor de geheele zaal verstaanbaar te maken.
"Dadelijk na de eerste wonderen begonnen de vervolgingen. Bernadette werd als een leugenaarster en een krankzinnige behandeld, en men dreigde haar in de gevangenis te zetten. Abbé Peyramale, pastoor van Lourdes en monseigneur Laurence, bisschop van Tarbes, benevens de geheele geestelijkheid hielden zich op den achtergrond en wachtten met de grootste voorzichtigheid de dingen af, terwijl de burgerlijke autoriteiten, de prefect, de officier van justitie, de burgemeester, de commissaris van politie zich in hun overmatigen ijver tot betreurenswaardige excessen tegen den godsdienst lieten verleiden..."