Part 16
Men had mijnheer Sabathier weggevoerd; er waren geen andere zieken meer dan de kleine Gustave, die half ontkleed op een stoel vergeten was. De lakens van de baar werden weggetrokken, het lijk van den man werd zichtbaar, stijf reeds, als ingeschrompeld en vermagerd, de groote oogen, die zich niet sluiten wilden, wijd open. Maar men moest hem ontkleeden, want hij had zijn kleeren nog aan: dit vreeselijke werk deed de helpers een oogenblik aarzelen. Pierre zag, dat markies de Salmon-Roquebert, die zich met zooveel toewijding aan de levenden gaf, ter zijde was gaan staan en ook neerknielde, om het lijk niet aan behoeven te raken. Hij volgde zijn voorbeeld en knielde, om zich een houding te geven, naast hem neer.
Langzamerhand geraakte pater Massias in geestdrift en bad met zoo luide stem, dat zij die van zijn superieur, pater Fourcade, overstemde.
"Heer, geef ons onzen broeder terug!... Heer, doe het tot Uw roem!"
Reeds had een der helpers zich vermand de broek van den man uit te trekken, maar de beenen gaven niet mede, het lijk moest opgelicht worden; de andere helper, die de oude jas losknoopte, maakte half fluisterend de opmerking, dat het eenvoudiger zou zijn alles met een schaar los te knippen, anders zou men nooit klaar komen.
Berthaud kwam vlug naar hem toe. Hij had even baron Suire geraadpleegd. In den grond van zijn hart keurde hij, als ervaren man, het af, dat pater Fourcade een dergelijk avontuur beproefd had. Maar het was nu niet mogelijk meer de zaak geen voortgang te doen hebben; de menigte wachtte, smeekte sedert den ochtend den hemel. Het was het verstandigst de zaak zoo spoedig mogelijk en met den grootst mogelijken eerbied voor den doode tot een einde te brengen. Berthaud vond het dan ook beter, om hem geheel gekleed onder te dompelen dan met hem te sollen tot hij ontkleed zou zijn. Het zou nog altijd vroeg genoeg zijn om hem van kleeren te doen verwisselen, wanneer hij tot het leven terugkeerde; was dat niet het geval, wat kwam het er dan eigenlijk op aan? Vlug zeide hij dat alles tegen de mannen, waarna hij hen hielp riemen onder de dijen en de schouders van den man te doen.
Pater Fourcade had met een hoofdknikje zijn toestemming gegeven, terwijl pater Massias zijn gebeden nog hartstochtelijker ten hemel zond:
"Heer, blaas op hem en hij zal herleven!... Heer, geef hem zijn ziel terug, opdat hij u love!"
De twee helpers lichtten den man aan de riemen op, droegen hem boven het bad en lieten hem dan, gekweld door vrees, dat hij uit de riemen schieten zou, langzaam in het water neer. En Pierre, door afschuw aangegrepen, zag hoe het lijk onderdompelde met zijn afgedragen kleeren, die tegen het lichaam plakten en het geraamte duidelijk afteekenden. Hij bleef drijven als een verdronken drenkeling. Het afschuwlijkste was, dat het hoofd, ondanks de stijfheid, achterover viel; het bleef onder water, hoezeer de helpers ook trachtten den riem van de schouders op te trekken. Een oogenblik scheelde het weinig of de man was uit de riemen gegleden. Hoe zou hij zijn adem terug kunnen krijgen, nu hij zijn mond onder water had, terwijl zijn groote open oogen onder dezen sluier voor de tweede maal schenen te breken.
Gedurende de drie eindelooze minuten, die men hem onder hield, trachtten de twee paters van Maria Hemelvaart en de andere geestelijke, in een paroxysme van hoop en geloof, den hemel als het ware te dwingen.
"Heer, zie hem slechts aan, en hij zal uit den doode herrijzen!... Heer, dat hij opsta op Uw woord, om de wereld te bekeeren!... Heer, U hebt slechts één woord te zeggen, en de geheele wereld zal Uw lof verkondigen!"
Alsof een bloedvat in zijn keel gesprongen was, viel pater Massias rochelend op zijn ellebogen, had nog slechts de kracht, om de tegels te kussen. En van buiten drong nog steeds het geschreeuw der menigte, de steeds weer herhaalde kreet, dien de capucijner nog altijd uitstiet: "Heer, genees onze zieken!..." Het klonk zoo vreemd, dat Pierre een kreet van verzet moest onderdrukken. Naast zich voelde hij den markies beven. Het was dan ook een algemeene opluchting, toen Berthaud, die beslist boos was over dit avontuur, met iets barsch in zijn stem tegen de helpers zeide:
"Haalt hem eruit! Haalt hem er toch uit!"
Ze haalden den man op en legden hem in de lompen, welke als die van een drenkeling aan zijn ledematen plakten, op de baar. Uit zijn haren dropen kleine beekjes, die den vloer overstroomden. En de doode bleef dood.
Allen waren opgestaan en keken te midden van een benauwende stilte naar hem. Toen men hem weer bedekte en hem wegdroeg, volgde pater Fourcade hem, leunend op den schouder van pater Massias, trekkend met zijn jichtig been, waarvan hij de pijnlijke stijfheid een oogenblik vergeten had. Hij vond onmiddellijk zijn kalme sterkte terug en tijdens een stilte hoorde men hem tegen de menigte zeggen:
"Geliefde broeders en zusters, God heeft hem ons niet terug willen geven. Zeker omdat Hij hem in Zijn oneindige goedheid onder Zijn uitverkorenen heeft opgenomen."
Dat was alles; van den man was geen sprake meer. Weer werden zieken aangebracht, de twee andere hokjes waren nu ook bezet. Intusschen kleedde de kleine Gustave, die het tooneel zonder angst, met nieuwsgierig-scherpen blik gevolgd had, zich verder uit. Zijn jammerlijk, klierachtig kinderlichaam met zijn vooruitspringende ribben en den doornvormigen ruggegraat, kwam bloot. Het was zoo mager, dat zijn beenen op stokken geleken, het linker vooral, dat heelemaal uitgeteerd, de beenderen liet zien; bovendien had hij twee wonden, een aan de dij en een aan de heup, deze laatste afzichtelijk met het vleesch, dat geheel bloot lag.
Toch glimlachte hij: het lijden had hem zóó gelouterd, dat hij ondanks zijn vijftien jaar, die hem nauwlijks tien deden schijnen, het verstand en de dappere philosophie van een man scheen te hebben.
Markies de Salmon-Roquebert, die hem voorzichtig in zijn armen genomen had, weigerde Pierre's hulp.
"Dank u, hij is niet zwaarder dan een vogeltje... Wees maar niet bang, jongen, ik zal het langzaam aan doen."
"O, mijnheer, ik ben niet bang voor koud water, u kunt me gerust kopje onder doen."
Zoo werd hij in het bad gebracht, waarin men het lijk gedompeld had. Bij de deur waren madame Vigneron en madame Chaise, die niet konden binnenkomen, weer neergeknield en baden vurig, terwijl de vader, die in het vertrek toegelaten was, telkens weer het teeken des kruises maakte.
Pierre ging, nu hij niet meer helpen kon, weg. De plotseling in hem opkomende gedachte, dat het reeds lang drie uur geslagen had en Marie dus op hem wachten moest, deed hem zich haasten. Maar terwijl hij trachtte door de menigte heen te komen, zag hij het jonge meisje reeds komen, voortgereden door Gérard, die steeds meer zieken naar de vijvers bracht. Zij was ongeduldig geworden; plotseling had zij de zekerheid gekregen, dat zij zich nu in een staat, waarin zij de genade waardig was, verkeerde. Vriendelijk verwijtend zeide zij:
"Hadt je me vergeten, vriendlief?"
Hij wist niet wat te antwoorden, zag haar in den ingang van den vrouwenvijver verdwijnen en viel doodelijk bedroefd op zijn knieën. Zóó, in die houding, wilde hij op haar wachten, om haar, ongetwijfeld genezen en lofzangen zingend, naar de Grot terug te brengen. Moest zij, nu zij zeker was van haar genezing, niet genezen worden? Maar vergeefs zocht hij naar woorden des gebeds in het diepst van zijn geschokt gemoed. Hij bleef onder den indruk der verschrikkelijke dingen, die hij gezien had. Hij voelde zich uitgeput van physieke vermoeidheid en zoo geestelijk terneergedrukt, dat hij niet meer wist, wat hij zag of geloofde. Alleen zijn overgroote teedere liefde voor Marie bleef, deze liefde, die in hem een behoefte wakker riep aan smeeken en vernedering, overtuigd als hij was, dat de kleinen, wanneer zij werkelijk lief hadden en de machtigen smeeken, ten slotte genade verkrijgen. En tot zijn eigen verbazing hoorde hij zichzelf met een door angst beklemde stem, die uit het diepst van zijn wezen kwam, met de menigte instemmen:
"Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!..."
Dat duurde tien minuten, een kwartier misschien. Toen kwam Marie in haar wagentje terug. De wanhoop stond op haar bleek gelaat; haar mooie haren waren opgenomen in een zwaren, gouden wrong, dien het water niet aangeraakt had. Zij was niet genezen. Eene ontzetting van oneindige moedeloosheid sloot haar mond, terwijl haar oogen zich afwendden als om niet de blikken te ontmoeten van den priester, die, diep ontroerd en met een tot ijs verstijfd hart zich vermande om haar weer voor de Grot terug te rijden.
En de kreet der geloovigen, die, hun armen in den vorm van een kruis ten hemel heffend, den grond kusten, rees weer op in den toenemenden waanzin, die door de scherpe stem van den capucijner aangezweept werd.
"Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!..."
Toen Pierre weer met haar voor de Grot stilhield, kreeg zij een flauwte. Gérard, die er ook bij was, zag Raymonde met een kop bouillon toeschieten; en van dat oogenblik af was het tusschen die twee als het ware een wedstrijd, om de zieke te helpen. Raymonde deed al het mogelijke om haar den bouillon te doen drinken: vriendelijk en met de liefkoozende gebaartjes van een verpleegster hield zij haar den kop voor, zoodat Gérard dit meisje zonder vermogen, dat reeds zoo ervaren in de dingen des levens was en geheel voorbereid scheen te zijn met krachtige en toch liefderijke hand een huishouden te besturen, wel bekoorlijk vinden moest. Berthaud had gelijk: dit was de vrouw, die hij noodig had.
"Wil ik haar misschien wat oprichten, mademoiselle?" vroeg hij.
"Dank u, mijnheer, ik ben sterk genoeg... Trouwens ik zal haar met den lepel wat ingieten, dat gaat makkelijker."
Maar Marie, die in haar schuw zwijgen volhardde, kwam weer bij en weigerde met een gebaar den bouillon. Zij wilde dat men haar met rust laten en niet tegen haar spreken zou. Eerst toen de anderen, tegen elkaar glimlachend, zich verwijderden, zeide zij met doffe stem tegen den priester:
"Vader is dus niet gekomen?"
Pierre aarzelde even, doch moest dan de waarheid bekennen:
"Ik heb je vader laten slapen; hij zal niet wakker geworden zijn."
Toen viel Marie in haar moedeloosheid terug en zond ook hem met een gebaar, waarmede zij alle hulp afwees, weg. Onbeweeglijk bleef zij liggen, zij bad niet meer, staarde slechts met haar groote strakke oogen naar de marmeren Maagd, het witte beeld in den lichtglans der Grot. En daar het vier uur sloeg, ging Pierre, die zich zijn afspraak met dr. Chassaigne herinnerde, diep bedroefd naar het bureau, waar de wonderen geconstateerd worden.
IV.
Dr. Chassaigne wachtte Pierre vóór het bureau, waarin de genezingen geneeskundig vastgesteld worden, op. Doch er stond daar een dichte, koortsachtig opgewonden menigte, welke de zieken, die binnengingen, afwachtte en ondervroeg, en ze, wanneer ze er weer uit kwamen, toejuichte, als het nieuws van het wonder zich verspreidde: een blinde die zag; een doove, die weer hoorde; een lamme, die weer loopen kon.
"Nu?" vroeg hij aan den dokter; "zullen we een wonder zien, maar een echt, een onbetwistbaar?"
Toegeeflijk in zijn nieuw geloof, glimlachte de dokter.
"Wat zal ik je zeggen, vriendlief? Een wonder geschiedt niet maar zoo op commando. God grijpt in, als Hij wil!"
Heeren der Hospitalité bewaakten streng de deur. Allen kenden den dokter; zij gingen eerbiedig ter zijde en lieten hem met Pierre binnengaan. Dit bureau, waarin de genezingen geconstateerd werden, was zeer ongerieflijk ondergebracht in een jammerlijke planken hut van twee vertrekken, een kleine voorkamer en een gewone, onvoldoend ingerichte vergaderzaal. Er was sprake van dezen tak van dienst te verbeteren, door hem onder te brengen in een groot lokaal onder een der hellingen van de Rozenkranskerk, waar men reeds met de voorbereidende maatregelen bezig was.
In de wachtkamer zag Pierre op de eenige houten bank twee zieken zitten, die onder toezicht van een der heeren van de Hospitalité haar beurt afwachtten. Doch toen hij in het groote vertrek kwam, vond hij daar tot zijn verbazing een groot aantal personen bijeen, terwijl de verstikkende hitte, die tusschen de houten muren, waarop de zon stond te branden, opgehoopt was, hem op zijn keel sloeg. Het was een vierkant, licht geel geschilderd, kaal vertrek met één venster, waarvan de ruiten gewit waren, opdat de menigte, die zich buiten verdrong, niet naar binnen zou kunnen zien. Men durfde zelfs het raam niet openzetten, om wat versche lucht binnen te laten, want dan werden onmiddellijk verschillende nieuwsgierige hoofden naar binnen gestoken.
Het meubilair was al even primitief als de rest: twee vuurhouten tafels van ongelijke hoogte, die tegen elkaar aan geplaatst waren en die men zelfs niet met een kleed had bedekt; een soort groote loketkast vol slecht gerangschikte paperassen, dossiers, registers en brochures; een dertig stoelen met stroozittingen, die ongeveer de geheele ruimte innamen, en eindelijk twee oude versleten fauteuils voor de zieken.
Onmiddellijk ging dr. Bonamy dr. Chassaigne, die een der laatste en roemrijkste veroveringen der Grot was, tegemoet. Hij haalde onmiddellijk een stoel voor hem, en ook uit eerbied voor diens soutane, voor Pierre. Dan zeide hij op zijn meest hoffelijken toon:
"U wilt me zeker wel vergunnen, door te gaan, waarde collega... We waren juist bezig mademoiselle daar te onderzoeken."
Het betrof een doove, een boerenmeisje van twintig jaar, dat in een der fauteuils zat. Maar in plaats van te luisteren, vergenoegde Pierre, die doodmoe was en wiens ooren nog suisden, er zich mee rond te kijken en te zien wie zich eigenlijk in dit vertrek bevonden. Er waren er ongeveer een vijftig, waarvan er velen tegen den muur stonden te leunen. Voor de twee tafels zaten vijf personen; in het midden het hoofd van den dienst der vijvers, die over een dik register gebogen zat; verder een pater van Maria Hemelvaart en drie jonge seminaristen, die als secretarissen dienst deden, schreven, de dossiers doorliepen en na ieder onderzoek weer ordenden. Pierre keek een oogenblik belangstellend naar een pater der Onbevlekte Ontvangenis, pater Dargelès, hoofdredacteur van den Journal de la Grotte, dien men hem 's ochtends aangewezen had. Zijn klein mager gezicht met de knippende oogen, den spitsen neus en den fijnbesneden mond, glimlachte steeds. Hij zat bescheiden aan het laagste einde der tafel aanteekeningen te maken voor zijn courant. Hij was de eenige van zijn orde, die zich gedurende de drie dagen der nationale bedevaart vertoonde. Maar achter hem voelde men de anderen, die als een langzaam toegenomen en verborgen kracht, alles organiseerden en bijeenbrachten.
Verder bestond het gezelschap bijna uitsluitend uit nieuwsgierigen, getuigen, een twintigtal doktoren en vier of vijf priesters. De doktoren, die vrijwel uit alle deelen van Frankrijk gekomen waren, bewaarden voor het grootste gedeelte een volkomen stilzwijgen; sommigen waagden het vragen te stellen. Zij wisselden meer dan eens wantrouwende blikken en letten meer op elkaar dan dat zij de aan hun onderzoek onderworpen feiten vaststelden. Wie konden het zijn? Geheel onbekende namen werden genoemd. Een enkele, die van een beroemd professor van een Katholieke universiteit, had sensatie verwekt.
Dien dag bewaarde dr. Bonamy, die, wanneer hij de zitting leidde en de zieken ondervroeg, nooit ging zitten, zijn hoffelijkheid voornamelijk voor een klein blond heertje, een talentvol schrijver en invloedrijk redacteur van een der meest gelezen Parijsche bladen, welk een toeval dien ochtend naar Lourdes gebracht had. Was dat niet een ongeloovige, om te bekeeren, een invloed en een publiciteit, om gebruik van te maken? Dr. Bonamy had hem in den tweeden fauteuil laten plaats nemen, was uiterst voorkomend en vriendelijk en verklaarde herhaaldelijk, dat men niets te verbergen had daar alles in het volle daglicht geschiedde.
"We vragen slechts licht," herhaalde hij steeds weer. "Wij zien niets liever dan dat menschen van goeden wil de feiten onderzoeken."
Daar het met de beweerde genezing der doove niet erg vlotten wilde, sprak hij haar wat ruw toe:
"Kom, meisje, het is nog pas een begin van genezing... Je moet nog maar eens terugkomen..."
En half luid voegde hij er aan toe:
"Als je ze gelooven wou, zouden ze allen genezen zijn. Maar wij aanvaarden slechts de bewezen genezingen, die zoo helder zijn als de zon... Let wel, ik zeg genezingen en niet wonderen; want wij, doktoren, veroorloven ons geen interpretatie, wij zijn hier slechts om te constateeren of de zieken, die aan ons onderzoek onderworpen worden, geen spoor van ziekte meer vertoonen."
Hij zette een hooge borst op, zorgde wel, dat zijn rechtschapenheid buiten spel bleef, en was geen grooter huichelaar of leugenaar dan een ander; hij was geloovig, zonder te gelooven, wist dat de wetenschap zóó duister, zóó vol verrassingen was, dat het onmogelijke steeds werkelijkheid worden kon; en zoo had hij zich, in het laatst van zijn geneeskundige loopbaan, in de Grot een positie verschaft, die haar voor- en nadeelen had, maar over het geheel toch aangenaam en prettig was.
Nu verklaarde hij op een vraag van den Parijschen journalist de manier, waarop hij te werk ging. Iedere zieke der bedevaart kwam met een dossier, waarin zich bijna altijd een certificaat van den behandelenden geneesheer bevond; ja soms waren er zelfs verscheidene certificaten van verschillende doktoren, rapporten van ziekenhuizen, kortom een heele beschrijving van den loop der ziekte. Wanneer er nu een genezing had plaats gehad en de genezene zich hier aanmeldde, behoefde men slechts zijn dossier te vragen en de certificaten te lezen, om de kwaal, waaraan hij leed, te kennen, en door een onderzoek uit te maken, of die kwaal werkelijk verdwenen was.
Pierre luisterde aandachtig. Sedert hij daar zoo rustig zat, werd hij wat kalmer, kreeg hij zijn denkvermogen terug. Alleen de warmte hinderde hem. Geïnteresseerd als hij werd door de verklaringen en zich gaarne een meening willende vormen, zou hij dan ook zeker, als hij het geestelijke kleed niet gedragen had, vragen gesteld hebben. Die soutane dwong hem zich steeds op den achtergrond te houden. Tot zijn groote vreugde hoorde hij dan ook het kleine blonde heertje, den invloedrijken schrijver, de tegenwerpingen ten berde brengen, die onmiddellijk ook bij hem opgekomen waren. Was het niet een verkeerd principe, dat de eene geneesheer de diagnose van een ziekte vaststelde en de tweede de genezing constateerde? Dat was toch zeker een steeds stroomende bron van mogelijke vergissingen. Het beste zou zijn, dat een medische commissie alle zieken bij hun aankomst te Lourdes onderzocht en daarvan processen verbaal opmaakte, waaraan dezelfde commissie zich zou kunnen houden in geval van genezing.
Maar daar kwam dr. Bonamy tegen op; terecht zeide hij, dat geen enkele commissie tegen zoo'n reusachtige taak opgewassen zou zijn: ga u zelf eens na! Duizend verschillende gevallen op één ochtend onderzoeken! En dan hoeveel verschillende opvattingen, hoeveel discussies, hoeveel tegenstrijdige diagnoses, die de onzekerheid nog deden toenemen, zouden er niet zijn! Het voorafgaande, bijna onmogelijk te verwezenlijken onderzoek gaf inderdaad tot even groote vergissingen aanleiding. In de praktijk moest men zich houden aan die door de doktoren afgegeven certificaten, die dan een groot, beslissend gewicht kregen. Men bladerde in de dossiers op een der tafels en liet den Parijschen journalist certificaten lezen. Sommige waren akelig kort, andere, die beter opgesteld waren, specificeerden de ziekte nauwkeurig. Enkele handteekeningen van doktoren waren zelfs door de burgemeesters der betreffende gemeenten gelegaliseerd. Doch er bleef genoeg twijfel over, die niet ter zijde te zetten was: wie waren die geneesheeren? Bezaten zij de noodige wetenschappelijke autoriteit? Hadden zij zich niet laten beïnvloeden door onbekende omstandigheden of zuiver persoonlijke belangen? Men zou geneigd zijn omtrent ieder van hen een onderzoek in te stellen. Van af het oogenblik, dat alles zich baseerde op het door den zieke medegebrachte dossier, was een zeer zorgvuldige controle der daarin vervatte documenten noodig, want alles stortte in, wanneer niet een strenge kritiek de absolute zekerheid der feiten vastgesteld had.
Met een kleur van opwinding en transpireerend liep dr. Bonamy heen en weer.
"Maar dat doen we juist, dat doen we juist!... Zoodra een geval van genezing ons langs natuurlijken weg onverklaarbaar voorkomt, gaan wij over tot een minutieus onderzoek, verzoeken wij de genezene terug te komen, om zich nogmaals te laten onderzoeken... En u ziet wel, dat wij ons met deskundigen omringen. De heeren, die u hier ziet, zijn bijna allen doktoren, die uit alle deelen van Frankrijk hierheen gekomen zijn. Wij bezweren ze ons hun twijfel mede te deelen en de gevallen met ons te bespreken. Bovendien wordt van iedere zitting een gedetailleerd verslag opgemaakt... U begrijpt mij goed, niet waar heeren? Protesteert wanneer er hier iets gebeurt, waarmede u het niet eens kunt zijn."
Geen der aanwezigen echter zeide iets. Het meerendeel der doktoren was Katholiek en boog zich natuurlijk voor de feiten. En wat de anderen, de ongeloovigen, de geleerden betrof, zij kwamen slechts om te kijken, interesseerden zich voor zekere verschijnselen, maar vermeden uit beleefdheid in, trouwens nuttelooze, discussies te treden. Wanneer het hun als verstandige menschen te bar werd en zij voelden boos te zullen worden, gingen zij weg.
Nu niemand een woord zeide, triumpheerde dr. Bonamy. En toen de journalist hem vroeg, of hij alleen voor zoo'n groote taak stond, antwoordde hij:
"Absoluut alleen; trouwens mijn functie als geneesheer der Grot is niet zoo heel ingewikkeld, want, ik herhaal het, ik heb niets anders te doen dan de genezingen, die zich voordoen, te constateeren."
Doch dan verbeterde hij zich en voegde er lachend aan toe:
"Dat zou ik bijna vergeten. Ik heb Raboin, die me helpt de boel hier wat in orde te brengen."
En hij wees op een gezetten, reeds grijzenden veertiger met een dik buldoggengezicht. Hij was een fanatieke geloovige, een geëxalteerde, die niet dulden kon, dat men de wonderen in twijfel trok, waardoor hij leed onder zijn functie aan het bureau der medische constateeringen en steeds van woede knorde, zoodra men deze betwistte. Het beroep op de doktoren had hem dan ook razend gemaakt, zoodat dr. Bonamy hem kalmeeren moest.
"Kom, Raboin, houd je toch kalm en zwijg! Alle oprechte meeningen hebben het recht zich te laten hooren."
Maar de zieken kwamen weer. Er werd een man gebracht, wiens geheele rug door een eczeem bedekt was; en toen hij zijn hemd uittrok, vielen er grijze schilfers van zijn huid. Hij was niet genezen, hij beweerde alleen, dat hij ieder jaar naar Lourdes kwam en het ieder jaar verlicht verliet. Dan volgde een dame, een afschuwlijk magere gravin met een buitengewoon ziektegeval: zeven jaar geleden voor de eerste maal door de Heilige Maagd genezen van tuberculose, had zij vier kinderen gehad, daarop had zij weer tering gekregen en was zij verslaafd aan morphine geraakt; het eerste bad had haar echter reeds zooveel goed gedaan, dat zij zich sterk genoeg voelde, om met de zeven-en-twintig familieleden, die zij medegebracht had, deel te nemen aan de fakkelprocessie. Vervolgens kwam er een vrouw, die aan een nerveus spraakverlies leed en nu, na maanden lang absoluut stom geweest te zijn, plotseling bij de processie van vier uur, toen het Heilige Sacrament voorbijgedragen werd, haar stem teruggekregen had.
"Heeren," zeide dr. Bonamy met zijn geaffecteerde stem van geleerde met breede opvattingen, "u weet, dat wij gevallen, die met zenuwstoringen gepaard gaan, ter zijde laten. Toch wil ik er u op wijzen, dat deze vrouw zes maanden in de Salpétrière verpleegd is en dat zij hier is moeten komen, om het gebruik van haar tong weer terug te krijgen."