Part 15
Hij geraakte in opwinding. Was dit niet het allerzonderlingste avontuur? Hij, priester; die zich eens aan het geloof onderworpen en het ten slotte weer verloren had door den omgang met dezen toen ongeloovigen geneesheer, dien hij nu bekeerd en gewonnen voor het bovennatuurlijke terugvond, terwijl hij zelf gefolterd werd door de kwellende kwaal niet meer gelooven te kunnen.
"U, die slechts de exacte feiten aanvaardde, u, die alles baseerde op de zinnelijke waarneming!... Is de wetenschap dan niets meer voor u?"
Toen maakte Chassaigne, die tot dat oogenblik met een droefgeestig glimlachje geluisterd had, een ongeduldig gebaar van souvereine minachting.
"Wetenschap! Weet ik iets? Kan ik iets?... Daareven heb je me gevraagd, waaraan mijn arme Marguerite gestorven is. Maar ik weet er niets van. Ik, dien men voor zoo geleerd aanziet, voor zoo goed gewapend tegen den dood, ik heb er niets van begrepen, ik heb niets gekund, zelfs het leven van mijn dochter niet met één uur kunnen verlengen. En mijn vrouw, die ik reeds koud in haar bed gevonden heb, terwijl zij zich den vorigen avond zooveel beter voelde en zoo opgewekt was, ben ik ook maar in staat geweest om te voorzien wat er had moeten gebeuren?... Neen, voor mij heeft de wetenschap bankroet geslagen. Ik wil niets meer weten, ik ben maar een dom mensch en een arme kerel."
Hij zeide het in een hartstochtelijken opstand tegen zijn geheele verleden van trots en geluk. Toen hij wat kalmer geworden was, ging hij voort:
"Ik heb nog slechts één verschrikkelijke gewetenswroeging. Ja, die laat mij niet los en drijft mij steeds weer hierheen, om rond te dwalen tusschen al die biddende menschen... En die is, dat ik mij niet eerst ben komen vernederen voor deze Grot door er mijn twee lievelingen heen te brengen. Zij zouden dan op haar knieën gevallen zijn, zooals al de vrouwen, die je daar ziet, en ik zou hetzelfde gedaan hebben, en de Heilige Maagd zou ze misschien genezen en voor mij gespaard hebben... Ik, zwakkop, heb niet anders gekund dan ze voor goed verliezen. Het is mijn schuld."
Tranen stroomden nu over zijn wangen.
"Ik herinner me nog, dat mijn moeder, een eenvoudige boerin, mij in mijn jeugd te Bartrès mijn handen liet vouwen, om iederen ochtend Gods hulp te vragen. Dat gebed is, toen ik weer zoo heelemaal alleen, zoo zwak en hulpeloos als een kind was, in mijn geheugen teruggekomen. Wat zal ik je zeggen, vriendlief, mijn handen hebben zich weer gevouwen als vroeger; ik was te rampzalig, te verlaten, ik voelde te zeer de behoefte aan een bovenmenschelijke hulp, aan een goddelijke macht, die voor mij dacht en wilde, die me wiegen en in haar eeuwige voorkennis van deze aarde wegnemen zou. O, die eerste dagen, wat een verwarring en verbijstering in mijn arm hoofd onder den zwaren slag, dien erop neergekomen was. Twintig nachten achter elkaar heb ik niet geslapen in de hoop, dat ik op die manier gek zou worden. Allerlei gedachten streden in mijn hoofd; ik had oogenblikken van opstand en verzet, waarin ik mijn vuist balde tegen den hemel, dan weer vernederde ik mij voor God en smeekte hem mij op mijn beurt tot zich te nemen...
"Ten slotte heeft de zekerheid, dat er een gerechtigheid, dat er een liefde heerschen moest, mij rust geschonken en mij het geloof teruggegeven. Kijk eens, je hebt mijn dochter gekend, was ze niet mooi en heerlijk en stralend van jeugd en leven: welnu, zou het niet de meest schreeuwende onrechtvaardigheid zijn, als er voor haar, die het leven niet genoten heeft, niets was aan gene zijde van het graf? Zij moet opnieuw herleven, daar ben ik tot in het diepst van mijn ziel van overtuigd, want soms hoor ik haar nog, en zegt ze mij, dat we elkaar zullen terugvinden, elkaar zullen terugzien. O degenen, die je verloren hebt--mijn lieve dochter, mijn lieve vrouw weer terug zien, elders weer met haar verder teven, dat is de eenige hoop, dat is de eenige troost van al de smarten dezer wereld!... Ik heb mij aan God gewijd, omdat God alleen ze me teruggeven kan."
Een rilling als van een zwak, krachteloos grijsaard doorhuiverde hem, en eindelijk begreep Pierre deze bekeering: de geleerde, de oud geworden intellectueel, die, onder de heerschappij van het gevoel tot het geloof terugkeerde. In de eerste plaats ontdekte hij, wat hij tot dat oogenblik niet had kunnen vermoeden, een soort geloofsatavisme bij dezen zoon der Pyrenaeën, den afstammeling van bergboeren, opgevoed in het geloof van legenden en die nu door de legenden weer ingepalmd werd, zelfs nadat vijftig jaren van positieve studiën verloopen waren. Daarbij kwam de menschelijke moeheid, de moeheid van den man, wien de wetenschap het geluk niet gegeven heeft en die tegen de wetenschap in opstand komt, zoodra zij hem beperkt, onmachtig om tranen te verhinderen, voorkomt. En ten slotte nog de ontmoediging, een twijfel aan alle dingen, die bij een oud, door het leven murw gemaakt man, uitloopt op een behoefte aan zekerheid, waardoor hij het geluk vindt in te slapen in zijn geloof.
Pierre dacht er niet aan hem tegen te spreken of hem te bespotten, want de aanblik van dien grooten, door het lot zoo zwaar getroffen grijsaard met zijn smartelijke kindschheid, verscheurde zijn hart. Is het niet treurig de sterkste en knapste mannen onder dergelijke slagen weer kinderen te zien worden?
"Ach!" zuchtte hij, "mocht ik ook maar zooveel lijden, om ook mijn verstand het zwijgen op te leggen, op mijn knieën te vallen en aan al die sprookjes te gelooven!"
Het glimlachje, dat soms nog om dr. Chassaigne's lippen speelde, verscheen weer.
"De wonderen bedoel je zeker, hè? Jij bent priester, beste jongen, en ik ken je lijden... Wonderen schijnen jou onmogelijk. Wat weet je ervan? Zeg toch tegen jezelf, dat je niets weet en dat het volgens ons oordeel onmogelijke zich iedere minuut verwezenlijkt... Maar kom, we hebben al zoo lang gepraat, het zal dadelijk elf uur zijn en je moet naar de Grot terug. Maar ik verwacht je om half vier, dan zal ik je meenemen naar het bureau van medische constateeringen, waar ik je dingen hoop te laten zien, waarover je je handen in elkaar zult slaan... Vergeet het niet, om half vier!"
Hij liet hem gaan en bleef alleen op de bank zitten. De warmte was nog toegenomen, de heuvels in de verte brandden in den ovengloed der zon. En hij gaf zich over aan zijn gepeinzen, droomde in het groene schemerlicht der schaduw, luisterde naar het aanhoudend gemurmel van den Gave, alsof een stem uit het hiernamaals, een dierbare stem tot hem sprak.
Pierre haastte zich naar Marie. Het kostte hem niet al te veel moeite: de menigte was zoo groot niet meer; velen gingen reeds dejeuneeren. Hij vond bij het meisje haar vader, die hem dadelijk zijn lange afwezigheid willen uitleggen. Meer dan twee uur had hij 's ochtends heel Lourdes afgeloopen, wel in twintig hotels kamers gevraagd, zonder ook maar het kleinste slaapvertrekje te kunnen vinden: de dienstbodenkamers zelf waren verhuurd; je kon zelfs geen matras machtig worden, om in de gang op te slapen. Toen hij de wanhoop al nabij was, had hij nog twee kamertjes ontdekt, heel kleine wel, maar in een goed hotel, het Hôtel des Apparitions, een der drukste van de stad. De menschen, die de kamertjes besproken hadden, hadden juist getelegrapheerd, dat haar zieke gestorven was. In het kort een groot buitenkansje, waarover hij erg in zijn schik scheen.
Het sloeg elf uur; de jammerlijke stoet zette zich weer in beweging over de pleinen en door de bezonde straten. Toen zij bij het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs was, drong Marie er bij haar vader en den jongen priester op aan, dat zij kalm in het hotel zouden gaan dejeuneeren en dan verder wat rust nemen, alvorens haar om twee uur, wanneer men de zieken naar de Grot zou brengen, weer te komen halen. Na het dejeuner in het hotel gingen de beide mannen naar hun kamer, waar mijnheer de Guersaint, uitgeput van moeheid, onmiddellijk in zoo'n diepen slaap viel, dat Pierre niet over zich kon verkrijgen hem wakker te maken. Waartoe ook eigenlijk? Zijn aanwezigheid was niet bepaald noodzakelijk. Zoo ging hij alleen naar het Hôpital terug, de stoet ging de avenue de la Grotte weer af, het plateau de la Merlasse langs, de place du Rosaire over te midden van de steeds grooter wordende menigte, die rillend het teeken des kruises maakte in de vreugde van den heerlijken Augustusmiddag. Het was het glorierijke uur van een mooien middag.
Nadat Marie weer voor de Grot gebracht was, vroeg zij:
"Komt vader dadelijk?"
"Ja, hij rust wat uit."
Zij maakte een gebaar als om te kennen te geven, dat hij gelijk had. En met bevende stem zeide zij:
"Luister eens Pierre, je moet me niet voor over een uur komen halen, om me naar den vijver te brengen. Ik ben nog niet in een toestand om de genade Gods deelachtig te worden, ik wil bidden, bidden nog."
Nadat zij zoo vurig verlangd had daar te zijn, werd zij op het oogenblik, dat zij het wonder wilde beproeven, door een angst bevangen, maakten gewetensbezwaren haar aarzelend; en toen zij vertelde, dat zij niets had kunnen eten, kwam een jong meisje naar haar toe.
"Wanneer u u te zwak voelt, mademoiselle, dan hebben we hier bouillon."
Zij herkende Raymonde. In de Grot waren n.l. jonge meisjes aangewezen, om koppen bouillon en melk onder de zieken uit te deelen. De vorige jaren hadden echter sommigen haar coquetterie met fijne zijden, met kant afgezette schorten zoo ver gedreven, dat er thans een uniform-schort van blauw en wit geruit linnen voorgeschreven was. Desniettemin zag Raymonde er in al dien eenvoud met haar jeugd en haar druk als een jong huisvrouwtje in de weer zijn bekoorlijk uit.
"U geeft me maar even een wenk, dan breng ik u wat."
Marie bedankte echter, zeide, dat zij zeker niets gebruiken zou; dan wendde zij zich tot den priester:
"Een uur, een uur nog, lieve vriend!"
Pierre wilde bij haar blijven. Maar het geheele plein moest gereserveerd blijven voor de zieken; zelfs dragers werden er niet toegelaten. Meegevoerd door den beweeglijken stroom der menigte, kwam Pierre bij den vijver, waar een buitengewoon schouwspel hem staande hield. Vóór de drie als hostiekastjes gebouwde kapelletjes, in ieder waarvan zich drie badkuipen bevonden, drie voor mannen en zes voor vrouwen, was onder de boomen een groote ruimte, die door een aan de takken vastgemaakt touw afgesloten en geopend werd; daar wachtten in kleine rijtuigjes of op draagbaren de zieken in een rij hun beurt af, terwijl aan den anderen kant zich een ontzaglijke, tot extase opgezweepte menigte bevond. Op dat oogenblik leidde een capucijner, die midden in de vrije ruimte stond, de gebeden. De Ave's, die de menigte in een luid verward geprevel herhaalden, volgden elkaar op. Plotseling, juist toen madame Vincent, die sedert langen tijd vol angst stond te wachten, eindelijk met haar dierbaren last, haar op een Jezus van was gelijkend dochtertje, naar binnen ging, liet de capucijner zich op de knieën vallen en riep, zijn armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven:
"Heer, genees onze zieken!" En hij herhaalde dien kreet tien, twintigmaal in steeds stijgende geestvervoering, terwijl de menigte, zich bij iederen kreet meer opwindend, dien herhaalde, in snikken uitbarstte en de aarde kuste. Als een storm van waanzin gierde het over allen heen. Pierre bleef staan, geheel van streek door het snikken van lijden, dat uit het diepst der ziel van dat volk omhoog rees, eerst een gebed, dat steeds luider werd, doch waarin weldra een eisch doorklonk, een klank van ongeduld, van verdoovende en verbitterde woede, als om den hemel geweld aan te doen, te willen dwingen. "Heer, genees onze zieken... Heer, genees onze zieken!..." De kreet hield niet op.
Doch er deed zich een incident voor. La Grivotte weende heete tranen, omdat men haar niet wilde laten baden.
"Zij zeggen, dat ik een teringlijdster ben, en dat zij teringachtigen niet in het koude water kunnen dompelen... Maar vanochtend hebben ze het wel gedaan, ik heb het zelf gezien. Waarom ik dan niet? Ik bezweer ze nu al een half uur lang, dat ze de Heilige Maagd verdriet doen. Ik zal genezen worden, ik voel het, ik zal genezen worden..."
Daar het er op ging lijken alsof zij een schandaal wilde maken, ging een der geestelijken naar haar toe, trachtte haar te kalmeeren. Ze zouden dadelijk wel eens zien, ze zouden het oordeel der eerwaarde paters vragen. Als zij zich nu kalm hield, zou men haar misschien wel laten baden.
De kreet: "Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!..." bleef doorklinken. Pierre zag nu ook madame Vêtu voor den vijver wachten en hij kon zijn blikken niet meer afwenden van dit door angstige hoop vertrokken gezicht met de op de deur, waaruit de uitverkorenen genezen terugkwamen, starende oogen.
Te midden van de steeds luider opstijgende gebeden en de tot waanzin aanwakkerende geestvervoering, kwam madame Vincent terug met haar kind op de armen, haar jammerlijk, aangebeden kind, dat men bewusteloos in het koude water ondergedompeld had en welks nog niet geheel afgedroogd gezichtje met de gesloten oogen even bleek, even pijnlijk, even lijkkleurig bleef. De moeder, gemarteld door dien langen doodsstrijd, wanhopig door de weigering der Heilige Maagd, die ongevoelig was voor het lijden van haar kind, snikte. En toen op haar beurt madame Vêtu met de opgewonden haast van een stervende, die het leven drinken wil, binnenging, barstte weer, zonder ontmoediging en zonder moeheid, de kreet uit: "Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!..."
De capucijner was met zijn gezicht op den grond gevallen, en de menigte brulde, de armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven, en verslond de aarde met kussen.
Pierre wilde naar madame Vincent gaan, om haar moed in te spreken, maar een nieuwe stroom van pelgrims belette hem door te loopen en wierp hem terug naar de bron, die een andere menigte belegerde. De bron bestond uit een laag bouwwerk, een langen, steenen muur met een uitgehouwen kapversiering; niettegenstaande de twaalf kranen, die het water in het kleine bassin vloeien deden, had men ook daar een queue moeten vormen. Velen vulden daar hun flesschen, kruiken van tin of van aardewerk. Om te groot waterverlies te voorkomen, werd iedere kraan slechts opengezet, wanneer men op een knop drukte. Zij, die geen kruiken te vullen hadden, kwamen drinken of haar gezicht wasschen. Pierre zag een jongen man, die zeven kleine glaasjes dronk en zevenmaal zijn oogen bette, zonder zich af te drogen. Anderen weer dronken uit schelpen, tinnen bekers of lederen zakken.
Vooral werd zijn aandacht getrokken door Elise Rouquet, die het niet noodig oordeelde voor de vreeselijke wonde, waardoor haar gezicht weggevreten werd, naar de vijvers te gaan en zich er sinds den ochtend mee vergenoegde, zich ieder uur aan de bron te wasschen. Zij knielde neer, sloeg den sluier weg en drukte lang op de wond een zakdoek, die zij als een spons met het wonderbare water drenkte; om haar heen verdrong de menigte zich in zoo koortsachtige opwinding, dat de menschen haar gezicht niet meer zagen en zich waschten en dronken aan dezelfde kraan, waaraan zij haar zakdoek bevochtigde.
Op dat oogenblik kwam Gérard voorbij, die mijnheer Sabathier naar den vijver sleepte en, nu hij Pierre daar zag staan, dezen riep. Hij vroeg hem met hem mede te gaan, om hem wat te helpen; want het zou niet makkelijk zijn dezen verlamden zieke in het water te krijgen. Zoo bleef Pierre bijna een half uur bij den vijver der mannen, terwijl Gérard in de Grot een andere ging halen.
Pierre vond de inrichting van dezen vijver uitstekend. Er waren drie afdeelingen, drie hokjes, waaruit men met trapjes naar beneden ging en die door tusschenschotten van elkaar gescheiden waren: de ingang tot iedere afdeeling was voorzien met een klein gordijn, dat men dicht kon trekken, om den zieke af te zonderen. Van voren bevond zich een gemeenschappelijke zaal, een met tegels voorziene ruimte, waarin een bank en twee stoelen stonden en die als wachtkamer diende; de zieken kleedden zich daar aan en uit met een onbeholpen haast en een onrustig gevoel van schaamte. Er was op het oogenblik een nog ontkleed man, die zich half in het gordijn gewikkeld had en met bevende handen zijn verband weer aanlegde. Een andere, een ontzettend magere teringlijder, rilde en reutelde; zijn huid was met violette vlekken beplekt. Pierre doorhuiverde een rilling, toen hij broeder Isidore uit een der vijvers zag halen; hij was bewusteloos, men dacht reeds, dat hij dood was, maar dan begon hij weer te kreunen: het was om diep medelijden te krijgen met dat groote, door het lijden uitgeteerde lichaam, dat denken deed aan een op een slagershakblok geworpen stuk menschenvleesch, waarin een wonde aan de zijde een groot gat vormde. Het kostte den twee mannen, die hem gebaad hadden, de grootste moeite, om hem zijn hemd aan te trekken, bang als zij waren, dat hij een te plotselingen schok niet zou kunnen doorstaan.
"U wilt mij zeker wel even helpen, mijnheer de abbé?" vroeg de helper, die mijnheer Sabathier uitkleedde.
Onmiddellijk was Pierre bereid; en toen hij den verpleger, die deze zoo nederige functies vervulde, eens aankeek, herkende hij in hem markies de Salmon-Roquebert, dien mijnheer de Guersaint hem bij het verlaten van het station aangewezen had. Het was een veertiger met een grooten neus en een lang gezicht. Als laatste afstammeling van een der oudste en aanzienlijkste Fransche families bezat hij een reusachtig fortuin, een koninklijk paleis in de rue de Lille te Parijs en uitgestrekte goederen in Normandië. Ieder jaar kwam hij zoo uit Christelijke liefde, maar zonder godsdienstig fanatisme, want hij nam zijn plichten slechts waar, omdat het een man van de wereld paste, gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart naar Lourdes. Hij wilde volstrekt niets bijzonders zijn, slechts een gewoon helper, die dit jaar met van moeheid geradbraakte armen de zieken hielp baden, terwijl zijn handen van den vroegen ochtend tot den laten avond bezig waren lompen op te rapen, verbanden af te nemen en weer aan te leggen.
"Pas op!" zeide hij, "trek zijn kousen langzaam uit. Bij den armen kerel, dien ze daar weer aan het aankleeden zijn, hebben ze de huid meegetrokken."
En toen hij een oogenblik mijnheer Sabathier verliet, om den ongelukkige zijn schoenen aan te trekken, voelde hij met zijn vingers, dat de linkerschoen van binnen nat was. Hij keek en zag dat er etter in de neus van den schoen geloopen was; hij moest die eerst gaan leeggooien, voor hij hem den zieke weer kon aantrekken, waarbij hij zeer zorgvuldig vermeed het been aan te raken, dat door een gezwel weggevreten werd.
"Laten we nu samen de onderbroek uittrekken," zeide hij tegen Pierre, toen hij weer naar mijnheer Sabathier terugkwam; "dan gaat het makkelijker."
In het kleine vertrek waren alleen de zieken en de met den dienst belaste verplegers. Ook was er een geestelijke, die steeds door Pater's en Ave's bad, want het bidden mocht geen oogenblik ophouden. Een eenvoudig, fladderend gordijn sloot de deur, welke uitkwam op de breede, door touwen beschermde ruimte; het vurige bidden der menigte drong er in een aanhoudend geprevel door, terwijl men de doordringende stem van den capucijner zonder onderbreking hoorde herhalen: "Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!..." Door hooge ramen viel een koud licht binnen; er hing steeds een vochtige atmospheer, een muffe, vieze kelderlucht.
Eindelijk was mijnheer Sabathier ontkleed; voor de welvoeglijkheid had men hem een smal schortje om zijn buik gebonden.
"Dompel mij langzamerhand onder, wat ik u verzoeken mag," zeide hij.
Hij was bang voor het koude water. Hij vertelde nog, dat hij de eerste maal zoo'n vreeselijke rilling gekregen had, dat hij zich plechtig voorgenomen had niet weer te beginnen. Als men hem hoorde, was er geen erger marteling denkbaar. Verder, zeide hij, had het water niets aantrekkelijks; want uit vrees, dat het door de bron geleverde water niet voldoende zijn zou, laten de paters der Grot het water slechts tweemaal per dag ververschen; en daar er in hetzelfde water meer dan honderd zieken gingen, kan men zich voorstellen, welk een verschrikkelijke brei het ten slotte werd.
Alles vond men erin, bloeddraden, stukken huid, korsten, pluksel en verbanden, een afschuwlijk consommé van alle kwalen, alle wonden, alle besmetting: een echte kweekplaats van vergiftigende kiemen; een essence van de vreeselijkste giffen; het wonder scheen daarin te bestaan, dat men levend uit die menschelijke modder kwam.
"Zachtjes aan, zachtjes aan!" herhaalde mijnheer Sabathier tegen Pierre en den markies, die hem onder de dijen genomen hadden, om hem naar het bad te dragen.
Hij keek met kinderlijken angst naar het water, dat dikke, loodkleurige water, waarop verdacht glimmende plekken dreven. Links aan den rand lag een roode bloedklonter, alsof een abces op die plek doorgebroken was. Stukken linnen zwommen rond als dood vleesch. Maar zijn schrik voor het koude water was zoo groot, dat hij toch die vuile baden van den namiddag liever had, omdat alle lichamen, die er zich in onderdompelden, het water ten slotte wat warmer maakten.
"Wij zullen u langs de treden laten afglijden," fluisterde de markies.
Dan verzocht hij Pierre hem stevig onder de oksels vast te houden.
"Wees maar niet bang," zeide de priester; "ik zal hem niet loslaten."
Langzaam werd mijnheer Sabathier neergelaten. Men zag nog slechts zijn rug, een armzaligen, pijnlijken rug, die slingerde en opzwol en vlammende kleuren kreeg. Toen hij ondergedompeld werd, viel zijn hoofd krampachtig achterover, hoorde men iets als het kraken van beenderen, terwijl hij benauwd adem haalde, als zou hij stikken.
De geestelijke, die voor het bad stond, begon weer met nieuwen geestdrift:
"Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!"...
Mijnheer de Salmon-Roquebert herhaalde het gebed, dat voor de helpers bij iedere onderdompeling voorgeschreven was. Pierre moest het ook doen en zijn medelijden bij het zien van al dat lijden was zóó groot, dat hij iets van zijn geloof terugvond; in langen tijd had hij niet zoo gebeden; hij wenschte vurig, dat er een God in den hemel was, wiens almacht de lijdende menschheid verlichting zou kunnen schenken. Maar toen zij na drie of vier minuten mijnheer Sabathier doodsbleek en rillend van koude uit het bad optrokken, overviel hem een nog troosteloozer droefheid bij het zien van dien ongelukkigen verlamde, die geen enkele verlichting voelde: nog een nuttelooze poging! De Heilige Maagd had zich ook de zevende maal niet verwaardigd hem te verhooren. Hij sloot de oogen, twee dikke tranen druppelden uit zijn oogleden, terwijl men hem weer aankleedde.
Daarna zag Pierre den kleinen Gustave Vigneron, die met zijn kruk binnenkwam, om zijn eerste bad te nemen. Bij de deur waren zijn vader, zijn moeder en zijn tante, madame Chaise, op hun knieën gevallen. In de menigte werd gemompeld; men fluisterde, dat het een hoofdambtenaar van het ministerie van Financiën was. Juist toen het kind zich begon te ontkleeden, ontstond er een opwindende beweging; pater Fourcade en pater Massias kwamen aanloopen en gaven bevel de onderdompelingen te staken. Het groote wonder zou beproefd worden, de buitengewone genade, waarom sedert den ochtend zoo vurig gesmeekt werd, de herrijzenis van den man.
Buiten bleef het bidden aanhouden, een razend aanroepen van stemmen, die zich, in den warmen zomermiddag, in den hemel verloren. Een overdekte baar werd binnengedragen en midden in het vertrek neergezet. Baron Suire, de voorzitter der Hospitalité, en Berthaud volgden, want het avontuur bracht het geheele personeel in beweging. Tusschen deze twee en de beide paters van Maria Hemelvaart werd een fluisterend gesprek gevoerd. Dan vielen dezen op hun knieën, met hun armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven, en baden, hun gezicht straalde, verheerlijkt door hun vurigen wensch om Gods almacht zich te zien openbaren.
"Heer, verhoor ons!... Heer, verhoor ons!"