De drie steden: Lourdes

Part 14

Chapter 143,927 wordsPublic domain

Dan in het Noorden, op den rechteroever van den Gave, aan gene zijde van de heuvels, waarlangs de spoorlijn loopt, rezen de hoogten van den Buala op, boschrijke, door het morgenlicht overstroomde hellingen. Daar, aan dien kant, lag Bartrès. Meer naar links verhief zich de door den Miramont beheerschte dalengte van Julos. Heel in de verte verdampten andere toppen in den aether. Op het eerste plan, aan den anderen oever van den Gave lagen etagegewijze tusschen de grazige dalen talrijke kloosters, die dit gedeelte van den horizont opvroolijkten. Zij schenen op dezen wonderbodem als natuurlijke, snel groeiende planten opgeschoten te zijn.

In de eerste plaats had men er het door de zusters van Nevers gestichte weeshuis, waarvan de uitgebreide gebouwen in de zon schitterden. Dan tegenover de Grot, op den weg naar Pau, het Karmelietenklooster, vervolgens, wat hooger op, aan den weg naar Poueyferré dat der paters van Maria Hemelvaart, verder dat der Dominicanen, waarvan slechts een gedeelte van het dak zichtbaar was; en eindelijk de zusters der Onbevlekte Ontvangenis, de zoogenaamde Blauwe Zusters, die aan het eind van het dal een retraitehuis gesticht hadden, waarin zij ongetrouwde dames, rijke bedevaartgangsters, die naar de eenzaamheid verlangden, opnamen. Op dit uur des gebeds luidden de klokken van al die kloosters haar jubelzang uit in de kristalheldere lucht, terwijl aan het andere einde van den horizont, in het Zuiden, de klokken van andere kloosters met dezelfde zilverstemmige vreugdeklanken antwoordden.

Bij den Pont-Vieux met name deed de klok van het klooster der Clarissinnen duidelijk een gamma van zoo heldere noten hooren, dat men zou denken aan het vriendelijke gesnap van een vogel. Ook aan die zijde van de stad holden zich dalen uit en hieven bergen hun kale helling in de hoogte: het was als een onder haar kwalen lachende natuur, een eindelooze deining van heuvels, waaronder de fijn met karmijn en teerblauw gevlamde heuvels van Visens opvielen.

Maar toen Marie en Pierre naar het Westen keken, werden zij als verblind. Het volle zonlicht viel op den grooten en kleinen Bêout met hun koepels van ongelijke hoogte. Het was als een achtergrond van purper en goud, als een verblindende berg, waarop men slechts den weg onderscheidde, die, tusschen de boomen, opkronkelt naar den Calvariënheuvel. En daar, op dien bezonden, als een aureool schitterenden achtergrond, teekenden zich de drie boven elkaar gebouwde kerken af, welke de zwakke stem van Bernadette tot roem en eer der Heilige Maagd uit de rots had doen oprijzen.

Onderaan de Rozenkranskerk, plat en rond, half in de rots uitgehouwen; zij lag op den achtergrond van het vrije voorplein, dat ingesloten werd door onmetelijke armen, de kolossale hellingen, die zacht glooiend tot aan de Crypt opstegen. Het was een ontzaglijk werk, een geheele steengroeve van losgewoelde en afgehouwen steenen, gewelfde bogen hoog als kerkschepen, twee reusachtige toegangswegen, opdat de pracht der processies zich zou kunnen ontvouwen en het kleine wagentje van een ziek kind zonder moeite zou kunnen opstijgen naar God. Vervolgens de Crypt, de onderaardsche kerk, waarvan men alleen, boven de Rozenkranskerk uit, de lage deur zien kon. En eindelijk rees, wat mager en ijl, te nieuw en te wit, de Basilica op in den slanken stijl van een kostbaar edelgesteente, uit de rotsen van Massabielle opstijgend als een gebed, als de vlucht van een reine duif. De kleine torenspits leek, boven de reusachtige hellingen, niet meer dan het kleine, rechte vlammetje van een kaars te midden van den onmetelijken horizont en de eindelooze deining van dalen en bergen.

Naast het massieve groen van den Calvariënheuvel scheen zij breekbaar te zijn en de trouwhartigheid van kinderlijk geloof te bezitten. En ook dacht men erbij aan het blanke armpje, aan het blanke handje van een ziek meisje, dat in haar onderaardsche ellende naar den hemel wijst. De Grot, welker ingang links, aan den voet der rots lag, was niet zichtbaar. Achter de Basilica zag men nog slechts de woning der paters, een log, vierkant gebouw, en, veel verder, in het donkere, zich verbreedende dal, het paleis van den bisschop. De drie kerken vlamden in de ochtendzon, welker gouden stralenregen op het geheele landschap nederdaalde, terwijl de klankrijke vlucht der klokken de siddering zelf scheen te zijn van het licht, het melodisch ontwaken van dezen jongen mooien dag.

Toen Pierre en Marie de place du Rosaire overstaken, wierpen zij een blik op de Esplanade, den tuin met een lang grasperk in het midden, omzoomd door twee breede, parallel loopende lanen en zich uitstrekkend tot de nieuwe brug. Daar stond, naar de Basilica gekeerd, de groote, gekroonde Maagd. Alle zieken, die er voorbij kwamen, maakten het teeken des kruises. Nog steeds rolde de schrikaanjagende stoet, opgaande in zijn lied, voort door de feestelijke natuur. Onder den stralenden hemel, tusschen de bergen van purper en goud, in de eeuwige koelte van het kabbelende water, stuwde de stoet zijn tot huidziekten vervloekten met hun weggevreten vleesch, zijn opgeblazen waterzuchtigen, zijn jichtlijders, zijn door pijn verkromde verlamden voort; voorbij trokken de vrouwen met waterhoofden, de lijdsters aan St. Vitusdans, de teringlijdsters, de door Engelsche ziekte aangetasten, de epilepticae, de kankerlijdsters, de krankzinnigen en de idioten. Ave, ave, ave Maria! De hardnekkig volgehouden litanie zwol steeds aan en stuwde den afschuwelijken stroom van menschelijke ellende en menschelijken jammer naar de Grot onder den afschuw en de walging van de voorbijgangers, die verstijfd door deze voorbijvliegende nachtmerrie, als aan den grond genageld bleven staan.

Pierre en Marie waren de eersten, die onder het hooge booggewelf doorgingen. Toen zij daarop den dam van den Gave volgden, stonden zij plotseling voor de Grot. Marie, die door Pierre zoo dicht mogelijk bij het hek gereden werd, kon zich slechts in het wagentje oprichten en prevelen:

"O, allerheiligste Maagd... Veelgeliefde Maagd!"

Zij had niets gezien, noch de hostiekastjes der vijvers, noch de fontein met haar twaalf bekkens, waar zij langs gekomen was; en evenmin zag zij links den winkel met gewijde voorwerpen of rechts den steenen preekstoel, die reeds door een geestelijke beklommen was. Slechts de schittering der Grot verblindde haar, honderd duizend kaarsen schenen daar achter het hek te branden en de lage opening met den gloed van een hoogoven te vullen, terwijl zij het beeld der Maagd, dat hooger op den rand van een nauwe, boogvormig uitgeholde ruimte stond, met een stralenkrans van een ster omgaven. En behalve die glorierijke verschijning zag Marie niets, noch de krukken, waarmede men een gedeelte van het gewelf behangen had, noch de bij stapels neergeworpen ruikers, die er lagen te verwelken tusschen klimopplanten en wilde rozestruiken, noch het altaar zelf, dat in het midden geplaatst was naast het kleine, verplaatsbare met een hoes overdekte orgel.

Maar toen zij haar oogen opsloeg, vond zij weer op den top der rots, in den hemel, de slanke, witte Basilica, die met haar fijne torenspits, welke zich als een gebed in het blauw der oneindigheid verloor, zich thans en profil aan haar toonde.

"O, machtige Maagd... Koningin der Maagden... Heilige Maagd der Maagden..."

Intusschen was het Pierre gelukt het wagentje van Marie naar den eersten rang te schuiven, voor de eikenhouten banken, die zich, als in het schip eener kerk, in grooten getale in de open lucht naast elkander rijden. Reeds waren deze banken geheel en al bezet door zieken, die zitten konden. De tusschenruimten werden gevuld door draagbaren, welke men op den grond gezet had; door kleine wagentjes, waarvan de wielen in elkaar grepen, en door een ontelbare menigte kussens en matrassen, waarop alle kwalen in een bonte mengeling naast elkaar huisden.

Toen Pierre in de Grot kwam, had hij de Vignerons met hun ongelukkigen Gustave in een der banken herkend, terwijl hij op den vloer het met kant gegarneerd bed van madame Dieulafay gezien had, aan het hoofdeinde waarvan haar man en haar zuster geknield lagen te bidden. Verder waren er alle zieken van den wagon: mijnheer Sabathier en broeder Isidore naast elkaar, madame Vêtu lag uitgeput in haar wagentje, Elise Rouquet zat, la Grivotte richtte zich in haar extase op haar beide vuisten op. Zelfs vond hij madame Maze terug, die, afgezonderd van de anderen, in een vurig gebed verzonken was, terwijl madame Vincent, die in haar knielende houding de kleine Rose toch nog in haar armen had, het wichtje aan de Maagd voorhield met het gebaar van een radelooze moeder, opdat de Moeder der goddelijke genade zich erover zou erbarmen. De menigte pelgrims om die gereserveerde ruimte groeide steeds aan, een dringende, rumoerige hoop, die zich langzamerhand tot aan de borstwering van den Gave uitstrekte.

"O, barmhartige Maagd," prevelde Marie door; "o trouwe Maagd... o zonder zonde ontvangen Maagd..."

En half bezwijmend, terwijl haar lippen nog door een innerlijk gebed bewogen, keek zij Pierre vol verlangen aan. Deze dacht, dat zij hem iets te zeggen had en boog zich over haar heen.

"Wil je, dat ik bij je blijf, om je straks naar de vijvers te rijden?"

Toen zij zijn bedoeling begrepen had, knikte zij van neen. Dan koortsachtig:

"Neen, neen, ik wil dezen ochtend niet in den vijver... ik geloof, dat je zoo rein, zoo heilig moet zijn, alvorens het wonder te beproeven. Den heelen morgen wil ik daar met gevouwen handen, met al mijn kracht, met mijn geheele ziel voor bidden..."

Zij moest even ophouden. Dan ging zij voort:

"Kom me niet voor elf uur halen, om me naar het ziekenhuis te rijden."

Pierre echter verwijderde zich niet, maar bleef bij haar. Een oogenblik viel hij op zijn knieën neer; ook hij had willen bidden met dat brandende geloof, aan God de genezing willen vragen van dat zieke kind, dat hij met zoo'n broederlijke teederheid liefhad, maar sedert hij voor de Grot was, voelde hij een vreemden tegenzin zich van hem meester maken, een heimelijk verzet, dat de vrome geestdrift van zijn gebed stoorde. Hij wilde gelooven, hij had den geheelen nacht gehoopt, dat het geloof weer in zijn ziel zou ontluiken als een mooie bloem van onwetendheid en argeloosheid, zoodra hij zou neerknielen op den gewijden grond van het wonder.

Hij voelde nu niets dan verlegenheid en onrust bij het zien van al dit decor, van het harde en vale beeld in het valsche licht der kaarsen, tusschen den rozenkransenwinkel, waarin de koopsters zich verdrongen, en den grooten steenen preekstoel, waaruit een pater van Maria Hemelvaart met luider stem zijn Ave's slingerde. Was zijn ziel zoo verdord? Kon dan geen hemelsche dauw haar drenken met onschuld, haar gelijk maken aan de zielen van kleine kinderen, die zich geheel overgeven aan de minste liefkoozing der legende?

Dan herkende hij in den geestelijke op den preekstoel pater Massias. Hij had hem vroeger al ontmoet en voelde zich onaangenaam getroffen door diens sombere onstuimigheid, dat magere gezicht met de fonkelende oogen en den grooten, welsprekenden mond, die den hemel scheen te willen dwingen om op aarde neder te dalen. En terwijl hij er zich over verwonderde, dat hij zich zoo heel anders voelde, zag hij aan den voet van den preekstoel pater Fourcade in een levendig gesprek met baron Suire. Deze laatste scheen in tweestrijd te zijn; toch stemde hij eindelijk met een goedkeurend hoofdschudden toe. Ook abbé Judaine was er, die den pater nog een oogenblik staande hield; ook zijn breed, vaderlijk gezicht drukte een soort ontsteltenis uit; doch dan knikte hij op zijn beurt goedkeurend.

Plotseling verscheen pater Fourcade op den kansel; hij stond rechtop en richtte zijn hooge gestalte op, die door den aanval van jicht, waaraan hij leed, eenigszins gebogen was. Hij wilde niet, dat pater Massias, zijn veelgeliefde, onder allen uitverkoren broeder, den kansel geheel verliet; hij liet hem op een trede van de nauwe trap blijven en leunde op zijn schouder.

Dan begon hij met een volle, diepe stem en met een gebiedende autoriteit, die dadelijk de diepste stilte deed heerschen, te spreken.

"Geliefde broeders en zusters, ik vraag u om vergeving, dat ik u in uw gebeden stoor, maar ik heb een mededeeling te doen, ik moet de hulp van al uw trouwe zielen inroepen... Vanochtend hebben wij een zeer droevig voorval te betreuren, een onzer broeders is in een der treinen, die u hier gebracht hebben, gestorven, juist toen hij het beloofde land betrad..."

Hij hield enkele seconden op. Hij scheen nog grooter te worden. Zijn knap gelaat begon te stralen. Dan ging hij verder:

"Welnu, geliefde broeders en zusters, ondanks alles is het denkbeeld bij mij opgekomen, dat wij niet moeten wanhopen... Wie weet of God dezen dood niet gewild heeft, om de wereld het bewijs van zijn almacht te geven?... Een inwendige stem heeft mij aangedreven om dezen kansel te bestijgen om uw gebeden voor dien man te vragen, voor hem, die niet meer is en wiens heil desniettemin ligt in de handen der allerheiligste Maagd, die altijd haar goddelijken Zoon kan aanroepen... Ja, de man is hier, ik heb zijn lijk hier laten brengen, en het hangt misschien van u af, dat een schitterend wonder de oogen der heele wereld verblindt, indien gij bidt met genoeg vuur om den hemel te roeren... Wij zullen het lijk in den vijver onderdompelen, wij zullen den Heer, den gebieder der wereld, smeeken hem op te wekken, om dat buitengewone bewijs van zijn souvereine goedheid te geven..."

Een ijskoude ademtocht, die uit het onzienlijke gekomen was, beroerde de verzamelden. Allen waren bleek geworden; zonder dat iemand de lippen geopend had, scheen een gemompel van schrik door de menigte te loopen.

"Maar," ging pater Fourcade, dien een waarachtig geloof bezielde, heftig voort, "met welk een vuur moet gij bidden! Geliefde broeders en zusters, uw geheele ziel wil ik; het moet een gebed zijn, waarin gij uw hart, uw bloed, uw leven, met alles wat het edels en liefderijks in zich heeft, leggen moet... Bidt uit al uw kracht, bidt tot gij niet meer weet wie gij zijt, noch waar gij zijt; bidt, zooals gij sterft, want wat wij gaan vragen is een zoo kostbare, zoo zeldzame, zoo wonderbare genade, dat alleen de onstuimigheid onzer aanbidding God er toe brengen kan om te antwoorden... En opdat onze gebeden uitwerking kunnen hebben, opdat zij den tijd hebben op te stijgen tot de voeten van den Eeuwige, zullen we eerst hedenmiddag om drie uur het lijk in den vijver onderdompelen... Geliefde broeders en zusters, bidt, bidt de Heilige Maagd, de Koningin der Engelen, de Troosteresse der bedroefden!"

En medegesleept door zijn geestvervoering, begon hij de rozenkrans weer te bidden, terwijl pater Massias in snikken uitbarstte. De diepe, angstig-benauwende stilte werd verbroken; de menigte stiet kreten uit, kon haar tranen niet bedwingen, stamelde vurige smeekbeden. Het was als woei er een delirium, dat de wilskracht ophief, dat van al die wezens slechts één enkel wezen maakte, dat buiten zichzelf was van hartstochtelijke opwinding, losgelaten op een dolzinnig, vurig verlangen naar het onmogelijke wonder.

Een oogenblik had Pierre gedacht, dat de aarde onder hem wegzonk, dat hij in zwijm vallen zou. Met moeite stond hij op en verwijderde zich.

III.

Toen Pierre, van wien zich een niet te overwinnen weerzin om langer te blijven had meester gemaakt, zich uit de Grot verwijderde, zag hij vlak bij den uitgang mijnheer de Guersaint in een diep gebed, waarin hij geheel zijn ziel legde, verzonken, op zijn knieën liggen. Hij had hem sinds dien ochtend niet meer teruggezien, wist niet of het gelukt was twee kamers te huren; zijn eerste opwelling was dan ook naar hem toe te gaan. Doch dan aarzelde hij, wilde hem niet storen in zijn stille overpeinzingen: hij vermoedde, dat hij bad voor zijn dochter, van wie hij, ondanks de voortdurende verstrooidheid van zijn onrustige phantasie, veel hield. Dan liep hij door en ging onder de boomen loopen. Het sloeg negen uur; hij had dus nog twee uur voor zich.

Daar buiten had men van den woesten, hoogen oever, waarop vroeger varkens weidden, ten koste van veel geld een prachtige avenue gemaakt, die langs den Gave liep. Om terrein te winnen en een monumentalen dam te kunnen bouwen met een door een borstwering afgezet trottoir, had men het bed der rivier wat achteruit moeten leggen. De avenue liep een twee of driehonderd meter verder dood tegen een heuvel, zoodat het een afgesloten, met banken voorziene en door prachtige boomen beschaduwde wandelweg geworden was. Niemand liep er thans; de menigte, die in de Grot geen plaats vinden kon, lag er dichtopeen neergeknield. Er waren nog enkele eenzame hoekjes tusschen den met gras begroeiden muur, die de avenue in het Zuiden afscheidde, en de uitgestrekte velden, die zich aan den anderen oever van den Gave uitbreidden, met bosch bedekte hellingen, die door de witte gevels der kloosters opgevroolijkt werden. In de warme Augustusdagen kon men daar in de schaduw op den oever van het stroomende water genieten van een heerlijke koelte.

Onmiddellijk voelde Pierre zich kalmer als bij het ontwaken uit een benauwenden droom. Hij ging zijn eigen gewaarwordingen na en maakte er zich ongerust over. Was hij 's ochtends niet in Lourdes aangekomen met den vurigen wensch om te gelooven, met de meening, dat hij reeds weer begon te gelooven zooals in de volgzame jaren van zijn jeugd, toen zijn moeder hem zijn handen deed vouwen en hem leerde God te vreezen? En zie, zoodra hij voor de Grot gekomen was, hadden de afgodische eeredienst, de verkrachting van het geloof, de stormloop op zijn gezond verstand hem vervuld met zulk een walging en weerzin, dat hij bijna flauw gevallen was. Wat moest er toch van hem worden? Zou hij zelfs niet meer kunnen trachten zijn twijfel te bestrijden, door zijn reis te benutten en te zien en zich te overtuigen? Het was een ontmoedigend begin, dat hem wanhopig maakte; en hij had die mooie boomen, dien helderen stroom, die zoo kalme en koele avenue noodig, om zich van den schok te herstellen.

Toen Pierre aan het einde van de avenue kwam, had hij een onverwachte ontmoeting. Reeds enkele oogenblikken was zijn aandacht getrokken door een langen ouden heer, die in een getailleerde gekleede jas en met een platgeranden hoed op, zijn richting uitliep. Hij trachtte dat bleeke gezicht met den arendsneus en de donkere, doordringende oogen thuis te brengen, maar de lange witte baard en de grijze haarlokken brachten hem op een dwaalspoor. De oude heer, zelf ook verbaasd, bleef staan.

"Wat, Pierre, jij te Lourdes?"

En plotseling herkende de jonge priester dr. Chassaigne, den vriend van zijn vader, zijn eigen ouden vriend, die hem genezen en daarna getroost had in de vreeselijke lichamelijke en geestelijke crisis, die hij na den dood van zijn moeder doorgemaakt had.

"Beste dokter, wat ben ik blij u te zien!"

Diep ontroerd omarmden zij elkaar. En nu bij het zien van die sneeuw van haren en baard, van dien langzamen gang, van dat oneindig droevig uiterlijk herinnerde Pierre zich het bittere ongeluk, dat dezen man oud gemaakt had. Nauwelijks enkele jaren geleden was hij uit Parijs vertrokken en nu vond hij hem, verpletterd door den bliksemstraal van het noodlot, terug.

"Je wist niet, dat ik in Lourdes gebleven was, wel? Ja, jongen, ik schrijf niet meer, ik behoor niet meer tot de levenden, want ik woon in het land der dooden."

Tranen kwamen in zijn oogen en met gebroken stem ging hij voort:

"Kom, laten we wat op die bank gaan zitten; het zal me goed doen, zooals vroeger, nog eens met je te praten."

Op zijn beurt voelde de priester een brok in zijn keel. Hij vond geen antwoord, kon slechts stamelen:

"Beste dokter, oude vriend, ik heb zoo innig met je te doen gehad."

Een ramp was het, de schipbreuk van een leven. Dr. Chassaigne en zijn dochter Marguerite, een lief meisje van twintig jaar, waren met madame Chassaigne, hun aangebeden vrouw en moeder, over wier gezondheid zij zich ongerust maakten, naar Cauterets gegaan. Na een dag of veertien voelde zij zich al een boel beter en zij maakte reeds plannen voor uitstapjes, toen men haar op een ochtend dood in haar bed vond. Verpletterd onder dien vreeselijken slag, waren vader en dochter als verdoofd door het verraad van het noodlot. De dokter, die te Bartrès geboren was, had op het kerkhof te Lourdes een familiegraf, waarin zijn ouders reeds rustten. Hij wilde dan ook, dat het lijk van zijn vrouw rusten zou naast de ledige afdeeling, waar hij hoopte weldra bij haar te liggen.

Een week lang bleef hij nog met Marguerite daar, toen deze plotseling een koortsaanval kreeg, naar bed ging en twee dagen later stierf, zonder dat haar tot wanhoop gebrachte vader zich rekenschap had kunnen geven van haar ziekte. En nu werd de dochter in den bloei van haar jeugd, stralend van schoonheid en gezondheid, op het kerkhof neergelegd in het ledige vak naast haar moeder. De gelukkige man van gisteren, de geliefde, aangebeden man, die twee dierbare wezens, wier liefde zijn hart zoo verwarmde, de zijnen mocht noemen, was niet meer dan een rampzalige, stotterende en verloren oude man, dien het alleen zijn tot ijs verstarde. Al zijn levensvreugde was ineengestort; hij benijdde de wegwerkers, die langs de wegen steenen bikten, wanneer hij zag, hoe vrouwen en kinderen blootsvoets hun soep brachten. Hij had Lourdes niet meer willen verlaten, had alles opgegeven, zijn studies, zijn praktijk te Parijs, om dicht bij het graf te kunnen leven, waarin zijn vrouw en zijn dochter haar laatsten slaap sliepen.

"Wat heb ik met u te doen gehad!" herhaalde Pierre. "Wat een vreeselijke slag voor u! Maar waarom hebt u niet een beetje gerekend op hen, die van u houden? Waarom u hier in uw verdriet opgesloten?"

De dokter maakte een gebaar, dat den horizont omvatte.

"Ik kan niet weg; de dooden zijn daar en houden mij vast... Het is uit, ik wacht nu maar, tot ik naar haar toe gaan kan."

En weer viel een stilte in. Achter hen, in de struiken van het grastaluud, fladderden de vogels, terwijl zij voor zich het luide murmelen van den Gave hoorden. Op de hellingen der heuvels rustte traag in haar goudachtig stof het zware zonlicht. Maar onder de mooie boomen, op die afgezonderde bank, bleef het heerlijk koel; zij waren daar, op tweehonderd pas van de menigte, als in een woestijn, zonder dat iemand zich van de Grot losscheurde, om tot hen af te dwalen.

Langen tijd praatten zij. Pierre had hem verteld onder welke omstandigheden hij 's ochtends te Lourdes met de nationale bedevaart en in gezelschap van mijnheer de Guersaint en zijn dochter aangekomen was. Bij sommige uitdrukkingen van den dokter had hij zijn verwondering niet kunnen bedwingen.

"Wat, dokter, acht u thans het wonder mogelijk? U, groote God, u, dien ik gekend heb als een ongeloovige, nu ja, in ieder geval als volmaakt onverschillig!"

Hij keek hem aan, diep verwonderd over wat hij hem omtrent de Grot en Bernadette hoorde zeggen. Hij, een zoo helderen kop, een geleerde met zoo'n scherp verstand, wiens uitstekende analyseerende eigenschappen hij vroeger had leeren kennen! Hoe was een geest van die kracht, opgevoed op streng logische wijze en vrij van iederen geloofsdwang, er toe kunnen komen de wonderbare genezingen, die bewerkt werden door die goddelijke bron, welke de Heilige Maagd onder de vingers van een kind had doen ontspringen, te aanvaarden?

"Maar, beste dokter, herinner u toch eens goed. U zelf hebt mijn vader aanteekeningen over Bernadette, uw klein landgenootje, zooals u ze toen noemde, verschaft; u hebt later, toen die heele geschiedenis mij een oogenblik interesseerde, lang met mij over haar gesproken. Voor u was zij slechts een zieke, die aan hallucinaties leed, een half-onbewust kind, dat niet tot willen in staat was. Herinner u onze gesprekken, mijn twijfel en dat u mij geholpen hebt mijn gezond verstand terug te krijgen."