De drie steden: Lourdes

Part 13

Chapter 133,851 wordsPublic domain

Boven op de tweede verdieping had madame de Jonquière bezit genomen van de zaal Sainte-Honorine, waarvan zij directrice was. Zij had haar dochter Raymonde, die bij den dienst in het refectorium ingedeeld was, beneden moeten laten, daar volgens het reglement jonge meisjes niet in de zalen mochten komen, waar zij te stuitende en afzichtelijke dingen zouden kunnen zien. Maar de kleine madame Désagneaux had de directrice niet verlaten, aan wie zij, gelukkig eindelijk ook zelf iets te kunnen doen, reeds bevelen vroeg.

"Madame, zijn alle bedden goed opgemaakt? Of wil ik het met zuster Hyacinthe nog eens overdoen?"

De lichtgeel geverfde zaal, die, daar het licht alleen van het binnenplein kwam, vrij donker was, bevatte vijftien bedden, welke in twee rijen langs de muren stonden.

"We zullen dadelijk wel eens kijken," antwoordde madame de Jonquière, die blijkbaar met haar gedachten elders was.

Zij telde de bedden, keek de lange, nauwe zaal nog eens goed aan. Dan fluisterde zij: "Ik zal nooit genoeg plaats hebben. Ik zou drie-en-twintig zieken krijgen, we zullen dus matrassen op den grond dienen te leggen."

Zuster Hyacinthe, die zuster Saint-François en zuster Claire des Anges in een klein als linnenkamer ingericht vertrekje ernaast had achtergelaten, sloeg intusschen de dekens op en keek naar de lakens en dekens. Zij stelde madame Désagneaux gerust.

"De bedden zijn goed opgemaakt en alles is helder en zindelijk. Je kan goed zien, dat de zusters Saint Frai er een oogje op gehouden hebben... Maar de reserve-matrassen liggen vlak bij, en wanneer madame me zou willen helpen, zouden we dadelijk een rij tusschen de bedden hier kunnen neerleggen."

"Natuurlijk, heel graag!" riep de jonge vrouw, verrukt door de gedachte met haar mooie, blanke armen matrassen te dragen.

Madame de Jonquière moest haar wat kalmeeren.

"Voor het oogenblik heeft dat geen haast. Laten we maar wachten, tot de zieken er zijn... Ik mag deze zaal niet erg; je kunt zoo moeilijk luchten... Verleden jaar had ik de zaal Sainte-Rosalie op de eerste verdieping... Enfin, we zullen er ons wel door heen slaan."

Nog meer hospitaliteitsdames kwamen, een dichte zwerm nijvere bijen, die van verlangen brandden om aan het werk te gaan. Ja zelfs werd dit te groot aantal verpleegsters, die grootendeels uit de hoogere kringen en den middenstand afkomstig waren en een vurigen ijver, waaraan zich ook wel een beetje ijdelheid paarde, aan den dag legden, een nieuwe oorzaak van verwarring. Zij waren met haar tweehonderden. Daar ieder bij haar toetreden tot de Hospitalité de Notre-Dame de Salut een gift moest geven, durfde men er geen weigeren uit vrees, dat de bron van inkomsten anders uitdrogen zou; op die wijze groeide haar aantal jaarlijks aan. Gelukkig waren er bij, voor wie het voldoende was het kruis van rood laken op de borst te dragen, en die, dadelijk bij aankomst te Lourdes, uitstapjes gingen maken. Maar zij, die zich aan het werk wijdden, waren werkelijk zeer verdienstelijk, want dan waren het vijf dagen van verschrikkelijke inspanning, waarin zij nauwelijks twee uur per nacht sliepen, levend te midden van de vreeselijkste en afstootelijkste tooneelen. Zij waren getuigen van moeilijke doodsstrijden, zij verbonden stinkende wonden, leegden kommen en kannen, verschoonden vuile vrouwen, keerden de zieken om, een inspannend en afmattend werk, waaraan zij niet gewoon waren. Na afloop voelden zij zich dan ook als geradbraakt, half dood, en hadden koortsachtige oogen, waarin de vreugde over de barmhartigheid, die haar tot extase voerde, brandde.

"Waar is madame Volmar?" vroeg madame Désagneaux. "Ik dacht ze hier terug te vinden."

Zachtjes sneed madame de Jonquière verdere vragen af, als was zij op de hoogte en wilde zij, als vrouw, die menschelijke zwakheid door de vingers ziet, daarover niet verder praten.

"Zij is niet sterk; zij rust wat in het hotel. We moeten haar laten slapen."

Dan verdeelde zij de bedden onder de dames, gaf er ieder twee. En allen namen nu de ziekenzaal volkomen in bezit, liepen af en aan, van boven naar beneden, om te zien waar de administratiekantoren, de linnenkamers en de keukens waren.

"En waar is de apotheek?" vroeg madame Désagneaux weer.

Doch er was geen apotheek, zelfs geen medisch personeel aanwezig. Waartoe zou dat trouwens dienen? De zieken waren toch door de wetenschap opgegeven, radeloozen en wanhopigen, die aan God een genezing vragen kwamen, welke de onmachtige en machtelooze mensch hun niet beloven kon. Logischerwijze werd gedurende de bedevaart iedere medische behandeling onderbroken. Als bij een ongelukkige de doodsstrijd intrad, dan bediende men haar. Slechts de jonge geneesheer, die gewoonlijk met den witten trein medeging, was er met zijn klein kistje geneesmiddelen om een zieke, wanneer zij hem bij een hevigen aanval noodig mocht hebben, wat verlichting te kunnen geven.

Juist bracht zuster Hyacinthe dr. Ferrand, die in een kabinetje naast de linnenkamer zijn tenten opgeslagen had, binnen.

"Madame," zeide hij tot madame de Jonquière, "ik ben geheel tot uw beschikking. Wanneer u mij noodig heeft, behoeft u mij maar te laten roepen."

Zij luisterde nauwlijks naar hem, had een woordenwisseling met een jongen priester der administratie, omdat er voor de geheele zaal maar zeven waterpotten waren.

"Heel graag, mijnheer, als we een kalmeerend drankje noodig hebben, zullen we..."

Maar zij voltooide haar zin niet, zette haar woordenwisseling voort.

"Tracht er nog minstens vier of vijf voor mij te krijgen, mijnheer de abbé... En dan is het nog behelpen."

Ferrand luisterde en keek, stom-verbaasd over deze zeldzame wereld, waarin een toeval hem den vorigen dag gebracht had. Hij, die niet geloofde, die hier slechts was uit toewijding, verwonderde zich over het vreeselijke gedrang van ellende en lijden, dat zich onstuimig op de hoop op geluk wierp. Vooral de denkbeelden, die hij als jong geneesheer had, werden geschokt nu hij zag hoe alle voorzorgsmaatregelen, alle aanwijzigingen der wetenschap over boord geworpen werden in de zekerheid, dat, als de hemel het wilde, de genezing volgen zou met al den glans van een démenti aan de natuurwetten zelf. Maar waarom dan die laatste concessie aan de vrees voor het oordeel der wereld en een dokter meenemen, van wiens diensten men toch zoo goed als geen gebruik maakte? Met het onbehaaglijk gevoel zich te moeten schamen en nutteloos en eenigszins belachelijk te zijn, trok hij zich in zijn kabinet terug.

"Maak in ieder geval maar opiumpillen klaar," zeide zuster Hyacinthe, die tot de linnenkamer met hem mede gegaan was, tegen hem. "Die zullen we wel noodig hebben; er zijn zieken bij, waarover ik mij ongerust maak."

Zij keek hem met haar groote, blauwe, zachte, goede oogen, waarin steeds een goddelijk glimlachje speelde, aan. De beweging gaf haar van jeugd glanzende blankheid een gezond-rosen tint. En als een goede vriendin, die haar lievelingswerk wel met hem deelen wil, voegde zij er aan toe:

"En als ik iemand noodig heb, om een zieke op te richten of neer te leggen, wil je me zeker wel een handje helpen."

Toen was ook hij blij gekomen te zijn, aanwezig te zijn, nu hij wist, dat hij haar zou kunnen helpen. Hij zag haar weer terug aan zijn ziekbed, toen hij bijna gestorven was, hem verplegend met de handen als van een broeder, met de vriendelijk-opgewekte bekoorlijkheid van een geslachtslooze engel, waarin zoowel iets kameraadschappelijks als vrouwelijks lag.

"Maar net zooveel als u wilt, zuster. Ik ben geheel tot uw dienst, niets zal mij liever zijn dan u behulpzaam te kunnen zijn. U weet, welk een schuld van dankbaarheid ik u nog te betalen heb."

Vriendelijk legde zij haar vinger op zijn mond, om hem het zwijgen op te leggen. Niemand was haar iets schuldig. Zij diende slechts de lijdenden en de armen.

Op dat oogenblik kwam de eerste zieke in de zaal Sainte-Honorine. Het was Marie, die liggende in haar bak door Pierre en Gérard naar boven gedragen was. Het laatst van het station vertrokken, was zij er nu het eerst dank zij de eindelooze verwikkelingen, die allen opgehouden hadden en haar nu vrijer toegang gaven, zooals de verdeeling der kaarten het toevallig met zich bracht. Voor de deur van het Hôpital had mijnheer de Guersaint zijn dochter op haar verzoek moeten verlaten; zij maakte zich ongerust, dat de hotels overvol zouden zijn, en wilde, dat hij onmiddellijk voor twee kamers ging zorgen, één voor hemzelf en één voor Pierre. Zij was zoo moe, dat zij, nu zij toch alle hoop om dadelijk naar de Grot gebracht te worden, had moeten opgeven, er in toegestemd had een oogenblik op bed te gaan liggen.

"Luister toch eens, kind," zeide madame de Jonquière; "je hebt nog drie uur voor je. We zullen je op je bed leggen, dan kan je veel beter uitrusten dan in dien bak."

Zij nam de zieke bij de schouders, terwijl zuster Hyacinthe haar voeten vasthield. Het bed stond midden in de zaal, dicht bij een raam. Een oogenblik bleef Marie met dichte oogen, als uitgeput door die overbrenging, liggen. Dan moest Pierre weer binnen komen, zij voelde zich zwakker worden en had hem nog veel te zeggen.

"Ga niet weg, lieve vriend," begon zij. "Neem den bak mee naar de gang, maar blijf daar, want ik wil, zoodra ik mag, naar beneden gebracht worden."

"Lig je nu niet beter in dat bed?" vroeg de jonge priester.

"Ja zeker... Maar ik weet het niet ook... Lieve God, ik verlang zoo aan de voeten der Heilige Maagd te liggen."

Toch werd zij, toen Pierre den bak medegenomen had, wat afgeleid door de komst van andere zieken. Madame Vêtu, die, onder haar armen gesteund door twee dragers, naar boven gebracht was, werd door hen geheel gekleed op het bed ernaast gelegd; zij bleef daar roerloos en bijna zonder adem te halen met haar geel gezicht van kankerlijdster liggen. Geen enkele trouwens werd uitgekleed, men legde ze neer, zooals ze kwamen, met den raad, als zij dat eenigszins konden, wat te slapen. Zij, die niet in bed lagen, gingen op den rand van haar matras liggen, praatten wat met elkaar en brachten het weinige, dat zij bij zich hadden, in orde. Reeds maakte Elise Rouquet, die links van Marie op een matras zat, haar mandje los en haalde er een schoon halsdoekje uit; zij beklaagde er zich over, dat er geen spiegel was. In minder dan tien minuten waren alle bedden bezet, zoodat toen la Grivotte kwam, half gedragen door zuster Hyacinthe en zuster Claire des Anges, er matrassen op den grond bijgelegd moesten worden.

"Hier is er een," riep madame Désagneaux. "Hier zal ze heel goed liggen, buiten de tocht van de deur."

Weldra lagen er nog zeven matrassen naast, die het geheele middenpad innamen. Men kon niet meer heen of weer en moest met de grootste voorzichtigheid de nauwe paadjes volgen, die om de zieken heen vrijgelaten waren. Ieder hield haar eigen pakje, haar eigen doos of haar eigen valies bij zich; aan het voeteneind der geïmproviseerde bedden vormde zich weldra een hoop armzalige dingen en lompen, die tusschen de lakens en dekens slingerden. Het leek een jammerlijke ambulance, die inderhaast opgericht was na de een of andere groote catastrophe, een brand of een aardbeving, die honderden gewonden dakloos gemaakt had.

Madame de Jonquière liep van het eene einde der zaal naar het andere en herhaalde telkens weer:

"Kom, kinderen, windt je niet zoo op, tracht een beetje te slapen."

Maar het lukte haar niet de zieken te kalmeeren; zij zelf en de onder haar bevelen geplaatste hospitaliteitsdames maakten door haar drukdoenerij de koortsachtige opwinding nog grooter. Verscheidene zieken moesten verschoond worden, andere weer aan een natuurlijke behoefte voldoen. Een, die een gezwel aan haar been had, jammerde en gilde zoo, dat madame Désagneaux een nieuw verband wilde leggen; maar zij was onhandig en viel, ondanks al haar moed van geestdriftige verpleegster, bijna flauw, zoo walgde haar de onverdragelijke stank. Zij, die zich het minst ziek voelden, vroegen bouillon, de koppen gingen van de eene hand in de andere te midden van uitroepen en antwoorden en tegenstrijdige bevelen, die men niet wist hoe uit te voeren. De kleine Sophie Couteau, die bij de zusters bleef en vond, dat zij op een uitstapje was, liep, danste en sprong op één been tusschen al die zieken door; zij werd door allen geroepen, gestreeld en geliefkoosd in de hoop op het wonder, die zij in ieder wekte.

Toch verliepen de uren in deze opgewonden drukte. Het sloeg zeven uur, toen abbé Judaine binnenkwam. Hij was de geestelijke van de zaal Sainte-Honorine en alleen door de moeilijkheid om een vrij altaar te vinden, waar hij de mis kon lezen, was hij zoo laat. Hij was nog niet binnen of een kreet van ongeduld steeg uit alle bedden op.

"Laten we gaan, mijnheer de pastoor, laten we dadelijk gaan!"

Een brandende begeerte, die van minuut tot minuut sterker en onstuimiger werd, alsof een steeds brandender wordende dorst haar kwelde, die alleen door de wonderbron gelescht kon worden, richtte haar allen op. Met name la Grivotte, die op haar matras zat, vouwde haar handen en smeekte, dat men haar naar de Grot brengen zou. Was dit ontwaken van haar wilskracht, die koortsachtige drang naar genezing, welke haar oprichtte, niet reeds een begin van het wonder? Bewusteloos en niet in staat zich te bewegen hier gekomen, zat zij nu rechtop, keek met haar donkere oogen naar alle kanten, loerend naar het gelukzalige oogenblik, dat men haar zou komen halen. Op haar vaal gezicht kwam een kleur; zij herleefde reeds weer.

"Zeg toch, mijnheer de pastoor, dat ze me wegdragen. Ik voel, dat ik genezen zal worden."

Met zijn vriendelijk gezicht en zijn vaderlijk glimlachje hoorde hij de zieken aan en verdreef met liefdevolle woorden haar ongeduld. Nog even wachten, en dan gingen zij. Maar zij moesten verstandig zijn en de dingen niet overhaasten; en dan--de Heilige Maagd hield niets van dat gedrang, zij wachtte haar uur af en schonk haar goddelijke genade aan de verstandigsten.

Toen hij voorbij het bed van Marie kwam en hij haar met gevouwen handen een deemoedige smeekbede zag stamelen, bleef hij weer even staan.

"Jij hebt ook zoo'n haast, mijn dochter! Wees kalm, er zal genade zijn voor allen."

"Eerwaarde vader," fluisterde zij, "de liefde verteert me. Mijn hart is zoo vol van gebed, dat het mij bijna doet stikken."

Hij werd zeer ontroerd door deze hartstochtelijke gemoedsbeweging van dat arme, uitgeteerde kind, dat zoo zwaar getroffen werd in haar schoonheid en in haar jeugd. Hij wilde haar kalmeeren en wees haar op madame Vêtu, die zich niet bewoog, hoewel zij toch haar starende blikken niet af had van de menschen, die langs haar kwamen.

"Kijk eens, hoe rustig madame zich houdt. Zij bidt in stilte, zij geeft zich als een klein kind geheel over aan Gods handen."

Maar met een stem, die men niet hoorde, met een zucht nauwlijks, stamelde madame Vêtu:

"Ik heb zoo'n pijn! Ik heb zoo'n pijn!"

Eindelijk om kwart voor acht waarschuwde madame de Jonquière de zieken, dat zij verstandig zouden doen zich gereed te maken. Geholpen door zuster Hyacinthe en madame Désagneaux, deed zij zelf de japonnen dicht, trok zieken, die het zelf niet konden, kousen en schoenen aan. Het werd een echt toiletmaken, want allen wilden zoo voordeelig mogelijk voor de Heilige Maagd verschijnen. Velen hadden de fijngevoeligheid haar handen te wasschen; anderen trokken schoon linnengoed aan.

Elise Rouquet had eindelijk bij een vrouw, die naast haar lag, een dikke waterzuchtige vrouw, die erg met zichzelf ingenomen was, een zakspiegeltje ontdekt, zij vroeg het even te leen en zette het tegen haar hoofdkussen aan; geheel verdiept in haar bezigheid knoopte zij den doek elegant om haar hoofd, om haar afstootend gezicht met de bloedende, open wond te bedekken. De kleine Sophie stond vol belangstelling naar haar te kijken.

Eindelijk gaf abbé Judaine het teeken van vertrek naar de Grot. Hij wilde er zijn lieve lijdende dochters in God, zooals hij zeide, heen brengen, terwijl de dames der Hospitalité en de zusters achter zouden blijven, om de zaal wat op te knappen. Onmiddellijk was de zaal leeg; de zieken werden te midden van een nieuw tumult naar beneden gebracht. Pierre, die den bak, waarin Marie lag, weer op het onderstel gezet had, ging aan het hoofd van de stoet, die gevormd werd door een twintigtal kleine wagentjes en brancards. De andere zalen liepen ook leeg, het plein was vol, het vertrek geschiedde in een groote verwarring. Weldra had zich een zóó lange queue gevormd, die de vrij sterk hellende avenue de la Grotte afging, dat Pierre reeds op het Plateau de la Merlasse was, toen de laatste draagbaren het plein van het Hôpital verlieten.

Het was acht uur, de zon, een triomphantelijke Augustuszon, stond en vlamde reeds hoog aan den wonderbaren, helderen hemel. Het scheen, alsof het blauw der lucht, schoongewasschen door het nachtelijke onweer, geheel nieuw en jeugdig-frisch was. En het verschrikkelijke défilé rolde voort op den hellenden weg in de schittering van den glorierijken ochtend. Er kwam geen einde aan: de stoet van afschuwlijkheden werd steeds langer. Geen enkele orde was erin; het was een mengelmoes van alle kwalen, de ontruiming van een hel, waarin men de monsterachtigste ziekten, de zeldzame gevallen, de unica, die je doen huiveren, bijeengebracht zou hebben. Het waren door eczeem weggevreten hoofden, met uitslag bezaaide gezichten, neuzen en monden, waarvan de elephantiasis [12] afzichtelijke snuiten gemaakt had. Ziekten, die men uitgestorven waande, stonden weer op, een oude vrouw had lepra, een tweede was overdekt met huidmos, als een boom, die in de schaduw staat weg te rotten. Dan kwamen waterzuchtigen voorbij, opgeblazen als volle waterzakken, de opgezwollen buik onder de kleeren uitstekend; handen, misvormd door rheumatiek, hingen buiten de draagbaren; voeten, opgezet door water, staken er onherkenbaar en als met lompen volgestopte zakken uit.

Een vrouw met een waterhoofd, die in een klein wagentje zat, trachtte haar reuzenhoofd, dat bij iederen schok naar achteren viel, in evenwicht te houden. Een groot meisje, dat aan St. Vitusdans leed, sprong aan één stuk door met haar ledematen, terwijl de linkerhelft van haar gezicht door allerlei grijnzen vertrokken werd. Een jongere, die achter haar kwam, stiet een geblaf uit, een soort dierlijk gejammer, wanneer de gezichtspijn, waarmede zij behept was, haar mond vertrok. Dan kwamen de teringlijdsters, rillend van koorts, uitgeput door dysenterie, mager als geraamten, met de kleur van de aarde, waarin zij weldra zouden rusten; onder dezen was er een met een wasbleek gezicht en koortsig gloeiende oogen, zoodat zij deed denken aan een doodshoofd, waarin men een fakkel had aangestoken. Dan volgden alle door verlamming of verstijvingen veroorzaakte wanstaltigheden, krom gegroeide lichamen, omgedraaide armen, scheef staande nekken, gebroken en verbogen arme wezens, onbeweeglijk in haar houdingen van tragische ledepoppen; een vooral viel bijzonder op met haar rechterhand, die achter haar heup gegroeid was, en haar linkerwang, die als vastgeplakt aan haar schouder zat.

Dan stelden arme rachitische meisjes haar waskleurige tint en haar magere, door klieren weggevreten nekken ten toon; gele vrouwen hadden de pijnlijke verstijving van ongelukkigen, wier borsten door den kanker verwoest worden; nog anderen, die met droeve oogen naar den hemel lagen te staren, schenen in zich het op elkaar stooten der gezwellen te hooren, gezwellen, zoo groot als kinderhoofden, die haar organen verstopten. En steeds nog waren er meer, steeds nog volgden er meer verschrikkelijkheden, waarvan de een je nog meer deed rillen dan de andere.

Een meisje van twintig jaar, met een platgedrukt, gedrochtelijk hoofd, had een zoo groot kropgezwel, dat het tot aan haar middel afhing. Op haar volgde een blinde vrouw met een marmerbleek gezicht, waarin op de plaats van haar oogen uit twee ontstoken en bloederige gaten steeds door etter vloeide. Een oude, kindsche vrouw, wier neus door de een of andere venerische ziekte was weggevreten, lachte met haar leegen, zwarten mond een afschuwlijken lach. Plotseling kreeg een epileptica een aanval en schuimbekte op haar draagbaar, zonder dat de stoet, die als door een stormwind voortgezweept werd, zijn gang verminderde in de koortsachtige opwinding van den hartstocht, die hen naar de Grot dreef.

De baardragers, de priesters, de zieken zelfs hadden een lied aangeheven, de litanie van Bernadette, en alles rolde voort te midden van de obsessies der tot walgens toe herhaalde Ave's; de wagentjes, de baren, de voetgangers gingen den hellenden weg af als een buiten haar oevers getreden beek, die haar golven met groot lawaai voortstuwt. Op den hoek van de rue Saint-Joseph, dicht bij het Plateau de la Merlasse bleef een groepje pleizierreizigers, die van Cauterets of Bagnères kwamen, in diepe verbazing op den rand van het trottoir staan. Het moesten gezeten burgers zijn, vader en moeder zeer correct gekleed, de beide dochters in lichte japonnetjes en met de lachende gezichten van gelukkige menschen, die zich vermaken.

Maar op hun eerste verbazing volgde een steeds toenemende afschuw, alsof zij een leprozenhuis uit de oude tijden, een van die legendarische ziekenhuizen, na de een of andere vreeselijke epidemie, hadden zien leegloopen. De twee meisjes werden bleek, vader en moeder stonden als versteend bij dit onafgebroken défilé van verschrikkingen, waarvan zij den verpesten stank in het gezicht kregen. God! Wat een leelijkheid, wat een vuilheid, wat een lijden! Hoe was dat mogelijk onder deze mooie, zoo stralende zon, onder dezen wijden hemel vol licht en vreugde, waarin de koelte van den Gave opsteeg, waarin de ochtendwind den zuiveren geur der bergen bracht.

Toen Pierre, die aan het hoofd van den stoet ging, op het Plateau de la Merlasse kwam, werd hij als gebaad door die lichtende zon, door de prikkelende, met balsemgeur vervulde lucht. Hij keerde zich om en lachte Marie vriendelijk toe; en toen zij in de stralende pracht van dien morgen op het midden van de place du Rosaire kwamen, werden zij beiden betooverd door den bewonderenswaardigen horizont, die zich voor hen ontrolde.

Naar het Oosten lag het oude Lourdes, op de andere zijde van zijn rots, in een breede terreinplooi. De zon rees op achter de verre bergen, en zijn schuine stralen kleurden die alleenstaande rots, die gekroond werd door den toren en de instortende muren van het oude Kasteel, eertijds den sleutel der zeven dalen, met donker lila tinten. In het stof van dansend en opvliegend goud zag men slechts de trotsche tinnen, muurbrokken van het cyclopische bouwwerk, dan daarboven vage vormen van daken, de verkleurde en verweerde daken van de oude stad, terwijl aan deze zijde van het kasteel, rechts en links uitstekend, te midden van het groen de nieuwe stad lachte met haar witte hotelgevels, haar mooie huizen, haar prachtige winkels, een rijke en luidruchtige stad, die daar als door een wonder in enkele jaren opgerezen was.

De Gave stroomde langs den voet der rots en stuwde het gebruis van zijn heldere, groene en blauwe golven voort, diep onder de oude brug, huppelend onder de nieuwe, die door de paters gebouwd was, om de Grot met het station en den pas in gebruik genomen boulevard te verbinden. En als achtergrond voor dit heerlijk schilderij, voor dat frissche water, voor dat lachende groen, voor die verjongde, wijd uit elkaar gebouwde, vroolijke stad verhieven zich de Kleine en de Groote Gers, twee groote kale bergruggen met kort gras, die in de schaduw, waarin zij baadden, teere tinten aannamen, een bleek mauve en een bleek groen, die in rose verliepen.