Part 12
Toen besloot zuster Hyacinthe onmiddellijk weg te gaan, om alles in het ziekenhuis in orde te maken. Zij nam de kleine Sophie Couteau en Elise Rouquet, wier gezicht zij zorgvuldig bedekte, mede. Madame Maze ging haar voor, terwijl madame Vincent zich een weg door de menigte baande, alleen nog maar bezield door de gedachte haar kind, dat zij bewusteloos in haar armen droeg, in de Grot aan de voeten van de Heilige Maagd neer te leggen. Nu verdrong de menigte zich naar den uitgang. Men moest de deuren van de bagagezaal open zetten om het wegvloeien van den menschenstroom te vergemakkelijken; de employé's, die niet meer wisten, hoe zij de plaatsbewijzen moesten innemen, hielden hun petten maar op, die zich weldra met de kleine stukjes karton vulden.
Op het stationsplein, een groot vierkant plein, dat aan drie zijden door de lage stationsgebouwen ingesloten was, heerschte eveneens een buitengewone drukte, een verwarring van allerlei soorten voertuigen door elkaar heen. De hotel-omnibussen, die tegen den trottoirband stonden, hadden op hun impériales de heiligste namen, die van Maria en Jezus, van den H. Michael, van den Rozenkrans, van het Heilige Hart. Dan volgde ambulancewagens, landauers, cabrioletten, meubelwagens, kleine ezelkarretjes, waarvan de koetsiers schreeuwden en vloekten te midden van het lawaai, dat nog toenam door de duisternis, waarin de lantaarns enkele lichte gaten boorden.
Het onweer had een gedeelte van den nacht geduurd, nattige modder spatte op onder de hoeven der paarden; de voetgangers waadden er tot aan hun enkels in.
Mijnheer Vigneron, die door madame Chaise gevolgd werd, droeg zijn zoon met diens krukken in den omnibus van het Hôtel des Apparitions, waarin zijn dames en hij zelf dan ook plaats namen. Madame Maze wenkte angstig als een zindelijk poesje, dat bang is zijn pootjes vuil te maken, den koetsier van een oud vehikel, stapte in en verdween, terwijl zij als adres het klooster der Blauwe Zusters opgaf. Zuster Hyacinthe kon eindelijk met Elise Rouquet en Sophie Couteau plaats vinden in een ruimen char-à-bancs, waarin Ferrand en de zusters Saint-François en Claire des Agnes reeds zaten. De koetsiers legden de zweep over hun kleine, vurige paardjes en de rijtuigen schoten in groote vaart weg te midden van het geschreeuw der menschen en het opspatten van de modder.
Bij het zien van die geweldige menschenmassa durfde madame Vincent met haar dierbare last niet verder gaan. Om haar heen klonk hier en daar gelach. O, wat een modder! Allen hielden haar rokken op en gingen weg. Toen het plein wat leeger werd, waagde zij het eindelijk ook te gaan. Maar wat een angst, om in die modderplassen uit te glijden en in die pikdonkerte te vallen! Toen zij bij den weg, die naar beneden liep, kwam, zag zij groepjes vrouwen uit de omstreken staan, die op vreemdelingen loerden en hun kamers met of zonder pension, al naar hun beurzen, aanboden.
"Madame," vroeg zij aan een oude vrouw, "zoudt u mij den weg naar de grot kunnen wijzen?"
Doch deze gaf geen antwoord op die vraag, bood haar een niet dure kamer aan.
"Alles is vol, u zult in de hotels niets meer vinden... Misschien nog wat te eten, maar zelfs het kleinste hoekje niet om te slapen."
Eten, slapen, daar dacht madame Vincent nog al aan, die op reis gegaan was met dertig sous, alles wat zij na de uitgaven, die zij had moeten doen, nog bezat!
"Madame, hoe kom ik het makkelijkst bij de Grot?"
Onder de vrouwen, die daar stonden te loeren, bevond zich een flinke, groote meid in een helder dienstbodenpakje, met een frisch gewasschen gezicht en goed onderhouden handen. Zij haalde flauwtjes haar schouders op. En toen een priester met een breede borst en gezonde roode wangen voorbijkwam, vloog zij op hem af, bood hem een gemeubileerde kamer aan en bleef hem volgen, terwijl zij hem iets in het oor fluisterde.
"Kijk," zeide eindelijk een ander meisje, dat medelijden kreeg, tegen madame Vincent, "loop dezen weg af, sla dan rechts om en u bent bij de Grot!"
Op het perron, waarvoor de trein stilgehouden had, heerschte nog een groot gedrang. Terwijl de gezonde pelgrims en de zieken, die nog loopen konden, weggingen, waren de ernstige zieken, wier uitstappen en vervoer moeilijker ging, nog in de wagons. De brancarddragers raakten hun hoofd kwijt, liepen met hun draagbaren en wagentjes als dollen heen en weer, wisten bij de overstelpende hoeveelheid werk niet, waar zij beginnen moesten.
Toen Berthaud met Gérard, druk gesticuleerend, voorbijkwam, zag hij bij een lantaarnpaal twee dames en een jong meisje, die blijkbaar stonden te wachten. Hij herkende Raymonde en hield zijn vriend met een gebaar terug.
"O, mademoiselle, het is me een waar genoegen u te zien. Maakt uw moeder het goed en hebt u een goede reis gehad?"
En zonder op een antwoord te wachten:
"Mijn neef Gérard de Peyrelongue."
Raymonde keek met haar heldere, glimlachende oogen den jongen man even goed aan.
"O, ik heb het genoegen mijnheer te kennen. Wij hebben elkaar reeds te Lourdes ontmoet."
Gérard echter vond, dat zijn neef Berthaud wat te hard van stal liep, en maakte, vastbesloten, zich niet op die manier te laten binden, een zeer beleefde buiging.
"Wij wachten op mama," begon het jonge meisje weer. "Zij heeft het met al die ernstige zieken zeer druk."
De kleine madame Désagneaux met haar knap, blond gezichtje en haar weerspannige lokken, kwam daartegen in verzet en zeide, dat het madame de Jonquière's eigen schuld was, dan had zij haar hulp maar niet moeten weigeren; zij stampte van ongeduld met haar voeten en brandde van verlangen om zich nuttig te maken, terwijl madame Volmar zich stil en bescheiden op den achtergrond hield en niet de minste belangstelling toonde; zij trachtte met haar prachtige oogen, die gewoonlijk als met een sluier bedekt waren, doch als kolen konden gloeien, de duisternis te doorboren, als zocht zij iemand.
Op dat oogenblik ontstond er een groot gedrang. Madame Dieulafay werd uit haar compartiment eerste klasse gedragen, en madame Désagneaux kon een uitroep van medelijden niet bedwingen.
"Arme vrouw!"
Het was ook werkelijk een hartverscheurend schouwspel, die jonge vrouw te midden van haar grooten luxe, met haar kanten als in een doodkist liggend, zoo vermagerd, dat zij nog slechts een lap scheen te zijn. Zoo lag zij daar te wachten om weggedragen te worden. Haar man en haar zuster bleven bij haar staan, beiden zeer elegant en bedroefd, terwijl een knecht met de bagage wegging om te kijken of het telegraphisch bestelde rijtuig op het plein stond. Ook abbé Judaine hielp de zieke; en toen twee mannen haar oplichtten, boog hij zich over haar heen en sprak haar enkele bemoedigende woorden toe, die zij echter niet scheen te hooren. En terwijl hij haar nakeek, zeide hij tegen Berthaud, dien hij kende:
"Die arme menschen! Als zij de genezing konden koopen! Ik heb hun gezegd, dat het kostbaarste goud voor de Heilige Maagd het gebed is; en ik hoop zelf genoeg gebeden te hebben, dat de hemel zich over haar zal ontfermen... Maar toch brengen zij een prachtig geschenk mede, een gouden lantaarn voor de Basilica, een prachtwerk, met edelgesteenten bezet... Moge de Onbevlekte Maria zich een glimlach verwaardigen!"
Veel geschenken werden medegebracht, reusachtig groote bloemruikers voorbijgedragen, onder meer een driedubbele kroon van rozen op een houten voetstuk. De oude priester zeide, dat hij, alvorens het station te verlaten, nog een vaandel wilde gaan halen, een geschenk van madame Jousseur, de zuster van madame Dieulafay.
Inmiddels kwam madame de Jonquière naar hen toe en zeide, toen zij Berthaud en Gérard herkend had:
"Ach als het u blieft, heeren, gaat u zoo gauw mogelijk naar dien wagon hier vlak bij. Er zijn daar mannen noodig, er moeten drie of vier zieken uitgedragen worden... Mijn hoofd loopt om, ik kan niet meer."
Gérard liep er reeds heen, na Raymonde gegroet te hebben, terwijl Berthaud madame de Jonquière aanraadde niet langer op het perron te blijven; hij verzekerde haar stellig en zeker, dat men haar volstrekt niet noodig had, dat hij voor alles zou zorgen en dat zij binnen drie kwartier haar zieken in het hospitaal zou hebben. Eindelijk liet zij zich overhalen en nam met Raymonde en madame Désagneaux een rijtuig. Op het laatste oogenblik was madame Volmar, als gaf zij toe aan een plotseling opgekomen ongeduld, verdwenen. Men had haar naar een onbekend heer zien gaan, zeker om hem een inlichting te vragen. Enfin, ze zouden haar wel in het hospitaal terugvinden.
Berthaud voegde zich voor den wagon bij Gérard, juist toen deze met behulp van twee andere vrienden mijnheer Sabathier uit den coupé droeg. Het was een moeilijk werkje, want hij was dik en zwaar, en zij waren bang, dat zij hem niet door het portier zouden kunnen krijgen. Maar toch was hij erdoor binnengekomen ook. Twee andere dragers moesten nog door het andere portier naar binnen gaan, en op die wijze slaagde men er eindelijk in hem op het perron te krijgen. De dag begon aan te breken, een vaal, triest licht; het perron maakte met zijn uitstalling als van een geïmproviseerd lazaret een jammerlijken indruk. La Grivotte lag bewusteloos op een matras in afwachting van een draagbaar, terwijl men madame Vêtu, die zoo'n hevigen aanval had, dat zij bij den minsten schok gilde, tegen een lantaarnpaal had moeten neerzetten.
Heeren van de Hospitalité met handschoenen aan, reden in hun kleine wagentjes moeilijk arme, vuile vrouwen voort, die oude manden aan haar voeten hadden; weer anderen konden niet passeeren met hun draagbaren, waarop stijve lichamen lagen, jammerlijke, zwijgende lichamen met van angst uitpuilende oogen. Enkele zieken en kreupelen sleepten zich met moeite voort, zooals een jonge, hinkende priester en een kleine jongen met krukken, een bochel en een afgezet been, die zich als een aardmannetje door de menigte voortbewoog. Een groot gedrang was ontstaan om een man, die door een verlamming zóó krom gebogen was, dat men hem met zijn beenen en zijn hoofd naar beneden op een omgekeerden stoel vervoeren moest.
De verwarring bereikte echter zijn toppunt, toen de chef schreeuwend kwam aanstormen: "De expres van Bayonne is gemeld... Opschieten! Opschieten! Je hebt nog maar drie minuten!"
Pater Fourcade, die nog steeds op den arm van dr. Bonamy steunde, sprak den zieken moed in en wenkte Berthaud bij zich om hem te zeggen: "Laat ze er eerst allemaal uit komen, dan kunnen we ze later wel vervoeren."
Het was een verstandige raad; het uitladen werd voortgezet In den wagon bevond zich nu nog slechts Marie, die geduldig wachtte. Mijnheer de Guersaint en Pierre waren eindelijk teruggekomen met de twee paar wielen; vlug hielp Pierre, alleen geholpen door Gérard, het jonge meisje eruit. Zij was licht als een arm, rillend vogeltje, alleen de bak leverde eenige moeite op, dan zetten de beide mannen deze op twee paar wielen, die zij met klinknagels vastzetten.
"Opschieten! opschieten!" riep de chef weer.
Hij zelf hielp, steunde de voeten van een zieke, om hem uit een compartiment te krijgen. Hij duwde de kleine wagentjes voort en maakte den rand van het perron vrij. Maar in een wagon tweede klasse kreeg een vrouw, die het laatst uitgedragen zou worden, een hevig zenuwtoeval. Zij brulde, verzette zich; men kon er op dat oogenblik niet aan denken haar aan te raken. En de expres, die kwam, die door het onafgebroken gerinkel van het electrische seintoestel gemeld werd. Er moest een besluit genomen worden, n.l. het portier sluiten en den trein op het zijspoor brengen, waar hij in zijn tegenwoordige formatie drie dagen zou blijven staan om dan zijn lading pelgrims en zieken weer op te nemen. Terwijl de trein wegreed, hoorde men nog het gillen der ongelukkige, die er met een zuster in achter had moeten blijven, gillen, die steeds zwakker en zwakker werden, gillen van een krachteloos kind, dat men eindelijk tot bedaren brengt.
"Lieve God!" mompelde de chef, "het was hoog tijd!"
Inderdaad raasde de expres uit Bayonne aan en reed met bliksemsnelheid langs dit jammerlijke perron, waar de rampzalige ellende van een inderhaast ontruimd hospitaal door elkaar lag. De kleine wagentjes en draagbaren werden door elkaar geschud en geschokt; maar er gebeurde geen ongeluk, het stationspersoneel hield goed toezicht en verwijderde den half waanzinnigen troep, die naar den uitgang bleef dringen, van de spoorbaan. Nauwelijks was de trein voorbij, of de circulatie begon weer en de dragers konden voorzichtig het transport der zieken voortzetten.
Langzamerhand werd het lichter; een helder morgenrood kleurde den hemel, waarvan de weerschijn op de nog donkere aarde weerkaatste. Men begon menschen en dingen te onderscheiden.
"Neen, dadelijk!" zeide Marie tot Pierre, die zich een weg trachtte te banen. "Laten we wachten tot de stroom wat weggevloeid is."
Intusschen werd haar aandacht getrokken door een ongeveer zestig-jarige man met een militair voorkomen, die tusschen de zieken doorwandelde. Met zijn vierkanten kop en zijn witte, kortgeknipte haren, zou men hem voor een kranigen ouden heer gehouden hebben, als hij niet getrokken had met zijn linkervoet, dien hij bij iederen stap naar binnen gooide. Met zijn linkerhand steunde hij op een dikken wandelstok.
"Zoo, bent u het, Commandeur?" riep mijnheer Sabathier, die nu al voor de zooveelste maal in Lourdes kwam en hem blijkbaar kende.
Misschien heette hij mijnheer Commandeur. Maar, daar hij gedecoreerd was en een breed, rood lint droeg, gaf men hem mogelijk dien bijnaam om die decoratie, hoewel hij maar eenvoudig ridder was. Niemand kende precies zijn geschiedenis; hij moest nog ergens familie hebben, kinderen waarschijnlijk; maar al die dingen waren met een geheimzinnig waas omhuld. Sedert drie jaar was hij op het station belast met het toezicht op de bagageloodsen, een makkelijk en onbeteekenend baantje, dat men hem uit groote gunst gegeven had en met het magere salaris waarvan hij volmaakt gelukkig kon leven. Op zijn vijf-en-vijftigste jaar had hij een beroerte gehad, twee jaar later nog een, waardoor zijn linkerkant eenigszins verlamd was. Nu wachtte hij met volkomen kalmte op een derde. Zooals hij zeide, kon de dood hem krijgen, wanneer hij wilde, dien avond, morgen, op staanden voet. Iedereen in Lourdes kende hem om zijn manie tijdens de bedevaarten, wanneer hij de gewoonte had, om, al trekkend met zijn been en leunend op zijn stok, bij iederen trein, die aankwam, zich woedend te maken en de zieken hun vurig verlangen om te genezen voor de voeten te werpen.
Hij zag nu voor de derde maal mijnheer Sabathier; op dezen stortte hij de fiolen van zijn toorn uit.
"Ben je daar waarachtig al weer? Jij schijnt al erg aan dit vervloekte leven te hangen... Maar kerel, ga toch rustig thuis op je bed dood! Is dat niet het beste, wat je overkomen kan?"
Zonder boos te worden, lachte mijnheer Sabathier, hoewel hij toch gebroken was door de hardhandige wijze, waarop men hem uit den wagon had moeten dragen.
"Zeker niet, ik wil liever beter worden."
"Beter worden, beter worden, dat vragen ze allemaal! Honderden mijlen afleggen, in stukken, en gillend van pijn aankomen, en dat om beter te worden, om alle pijn en alle beroerdigheid opnieuw te beginnen!... Kom, jij op jouw leeftijd en met jouw verwoest lichaam, jij zoudt een leelijke pijp rooken, als je Heilige Maagd je je beenen teruggaf. Wat zou je ermee uitvoeren, lieve Hemel? Welk plezier zou je ervan hebben om enkele jaren nog dien afschuwlijken ouderdom te rekken?... Kom, sterf dadelijk, nou je eenmaal zoover bent! Dat is het eenige geluk!"
En hij zeide het, niet als een geloovige, die streeft naar de belooning in het hiernamaals, maar als een levensmoede, die vertrouwt in het Niets, in den grooten eeuwigen vrede van het niet meer zijn weg te zinken.
Terwijl mijnheer Sabathier zijn schouders optrok, alsof hij met een kind te doen had, bleef abbé Judaine, die eindelijk zijn vaandel teruggevonden had, in het voorbijgaan even staan, om den Commandeur, dien hij ook kende, een vriendelijk standje te geven.
"Geen godslasteringen, waarde heer; afstand doen van het leven en niet van je gezondheid houden is den hemel beleedigen. Als je mijn raad gevolgd hadt, zou je ook reeds de Heilige Maagd de genezing van je been gevraagd hebben."
Toen werd de Commandeur boos.
"Mijn been! Daar kan zij niets aan veranderen! En laat de dood maar komen, laat het maar uit zijn, voor altijd!... Wanneer je moet sterven, draai je je hoofd naar den muur en sterft! Het is zoo eenvoudig mogelijk!"
Maar de oude priester viel hem in de rede. Hij wees hem op Marie, die, uitgestrekt in haar wagentje liggend, naar hen luisterde.
"Je wilt dus alle zieken naar huis terugsturen, om te sterven, niet waar? Zelfs mademoiselle, die nog zoo jong is en graag leven wil?"
In haar vurig begeerte om te leven, om haar deel te hebben van de groote wereld, opende Marie haar groote oogen; de Commandeur, die naar haar toe gekomen was, keek haar aan en werd plotseling aangegrepen door een diepe ontroering, die zijn stem deed beven.
"Als mademoiselle geneest, wensch ik haar een ander wonder toe, n.l. dat zij gelukkig wordt."
Hij ging weg om als toornig philosoof zijn wandeling tusschen de zieken voort te zetten, trekkend met zijn been en met zijn dikken stok op de ijzeren steenen slaande.
Langzamerhand werd het perron leeg; madame Vêtu en la Grivotte waren weggedragen, Gérard reed mijnheer Sabathier in een wagentje naar zijn hôpital, terwijl baron Suire en Berthaud reeds bevelen gaven voor den volgenden trein, den groenen, die gauw binnen kon komen. Alleen Marie was er nog, voor wie Pierre niemand anders wilde laten zorgen. Hij had haar reeds naar het stationsplein gereden, toen zij plotseling merkte, dat mijnheer de Guersaint verdwenen was. Onmiddellijk daarop zagen zij hem in druk gesprek met abbé Des Hermoises, met wien hij zoo even kennis gemaakt had. Een zelfde bewondering en liefde voor de natuur had hen samen gebracht. De dag was nu volkomen aangebroken; de bergen der omgeving toonden zich in hun volle majesteit. Mijnheer de Guersaint kon zijn verrukking niet inhouden.
"Wat een heerlijk land, mijnheer! Nu al dertig jaar lang loop ik rond met den wensch het keteldal van Gavarnie te zien. Maar dit is zoo ver en zoo duur, dat ik dat uitstapje zeker niet zal kunnen maken."
"Maar dan vergist u zich, niets is makkelijker dan dat; als je en club gaat, is het zoo duur niet. Ik ga er van het jaar ook weer heen, zoodat, wanneer u u aansluiten wilt..."
"Wat u zegt, mijnheer!... Nu, we zullen er nog wel eens over praten."
Zijn dochter riep hem, en na een hartelijken handdruk aan den priester ging hij naar haar toe. Pierre had besloten, dat hij Marie tot aan het hospitaal zou rijden, om het overbrengen in een ander voertuig te vermijden. De omnibus, landauers en meubelwagens kwamen reeds weer terug en vulden, in afwachting van den groenen trein, het stationsplein; het kostte hem eenige moeite om met het wagentje, waarvan de lage wielen tot aan de naven in de modder zakten, den weg te bereiken. Politieagenten, die belast waren met de regeling van het verkeer, vloekten tegen die beroerde plassen, die hun schoenen vuil maakten. Alleen de jonge en oude vrouwen, die niets liever wilden dan haar kamers verhuren, lachten om die modderpoelen en liepen er op haar klompen doorheen, om de pelgrims te achtervolgen.
Toen het wagentje op den dalenden weg wat makkelijker reed, lichtte Marie haar hoofd op, om aan mijnheer de Guersaint, die naast haar liep, te vragen:
"Vader, welken dag hebben we vandaag?"
"Zaterdag, lieveling!"
"Dat is waar ook, Zaterdag, de dag der Heilige Maagd!... Zal ze mij vandaag genezen?"
Achter haar droegen, op een overdekte baar, twee dragers heimelijk het lijk van den man weg, dat zij uit het kantoor gehaald hadden, om het naar een verborgen plek te brengen, die pater Fourcade hun had aangewezen,
II.
Het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, dat door een vrijgevigen kanunnik gebouwd, maar uit gebrek aan geld onvoltooid gebleven was, is een groot, maar veel te hoog gebouw van vier verdiepingen, waarheen men de zieken slechts met moeite transporteeren kan. Gewoonlijk wordt het door een honderd zieke en arme oude mannen bewoond. Maar gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart worden die grijsaards elders onder dak gebracht en wordt het Hôpital verhuurd aan de paters van Maria Hemelvaart, die er soms vijf à zeshonderd zieken herbergen. Maar hoeveel men er ook onder brengt, de ruimte blijft onvoldoende. Van de drie of vierhonderd zieken, die nog overblijven, gaan de mannen naar het Hôpital du Salut, de vrouwen naar het gemeentelijke ziekenhuis.
Dien ochtend was bij het opgaan der zon de verwarring op het met zand bestrooide binnenplein voor de deur, die door twee priesters bewaakt werd, zeer groot. Den vorigen avond had het personeel der tijdelijke directie met een reusachtige menigte registers, kaarten en gedrukte formulieren de bureaux in bezit genomen. Men wilde het veel beter inrichten dan het vorige jaar; de benedenzalen moesten gereserveerd blijven voor de meest hulpbehoevende zieken; verder zou de uitgifte der kaarten, die den naam van de zaal en het nummer van het bed droegen, zorgvuldig gecontroleerd worden, want er waren vergissingen wat betreft de identiteit voorgekomen. Maar alle goede bedoelingen leden schipbreuk bij den grooten stroom zieken, dien de witte trein aangevoerd had, en de nieuwe formaliteiten verwarden alles zóó zeer, dat men ertoe had moeten besluiten de ongelukkigen op het binnenplein neer te leggen, tot men ze later met wat meer orde zou kunnen binnenbrengen. En de uitlading begon opnieuw, evenals op het station, het jammerlijke legeren in de open lucht, terwijl de dragers en de beambten van het secretariaat, jonge seminaristen, van alle kanten kwamen toegesneld.
"Ze hebben het te goed willen doen," riep baron Suire wanhopig uit.
En het was waar, nooit had men zooveel nuttelooze voorzorgsmaatregelen genomen. Men bemerkte, dat men ten gevolge van onverklaarbare vergissingen zieken, die het moeilijkst te transporteeren waren, in de bovenzalen had ondergebracht.
Het was onmogelijk een nieuwe regeling te maken, alles moest nu maar op goed geluk af zijn gang gaan. De uitdeeling der kaarten begon, terwijl een jonge priester voor de controle de namen en de adressen in een register opteekende. Iedere zieke moest verder zijn kaart toonen, die de kleur van den trein had met zijn naam en volgnummer, en waarop men dan den naam der zaal en het nummer van het bed invulde. Daardoor duurde de toelating nog langer.
Dan begon in het groote gebouw van beneden naar boven over de vier verdiepingen een eindeloos heen en weer gedraaf. Mijnheer Sabathier was een der eersten, die toegelaten werd in een zaal op den rez-de-chaussée, de zoogenaamde salle des ménages, waar de mannen hun vrouwen bij zich mochten houden. Verder werden in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs slechts vrouwen opgenomen. En, hoewel broeder Isidore met zijn zuster was, wilde men hen toch als getrouwd beschouwen; hij kreeg een bed naast dat van mijnheer Sabathier.
De kapel, die nog wit van de kalk was en waarvan de ramen met planken waren toegespijkerd, bevond zich ernaast. Ook in andere zalen, die nog niet geheel af waren, had men matrassen gelegd, die weldra met zieken gevuld waren. Maar reeds verdrong zich de menigte vrouwen, die loopen konden, in het refectorium [11], een lange overdekte galerij, die uitzag op het binnenplein en waar de zusters Saint-Frai, die voor de huishouding van het Hôpital zorgden en op haar post gebleven waren, koppen koffie en chocolade uitdeelden aan al die arme, door de verschrikkelijke reis uitgeputte vrouwen.
"Rust flink uit en verzamelt krachten," herhaalde baron Suire, die zich overal tegelijk vertoonde. "Ge hebt nog een goede drie uur. Het is nu vijf en de eerwaarde paters hebben bevel gegeven niet voor acht uur naar de Grot te gaan, om te groote vermoeienissen te vermijden."