De drie steden: Lourdes

Part 11

Chapter 113,815 wordsPublic domain

Blijkbaar had hier het onweer gewoed, de hemel had een bewonderenswaardige, nachtelijke reinheid, als was hij door groote waterstroomen schoon gewasschen. Heldere sterren fonkelden op dit donkere fluweel en verlichtten alleen met mysterieuzen glans de verkwikte en zwijgende velden, die tot in het oneindige de donkere eenzaamheid van hun slaap ontrolden. Door de heiden, door de dalen en door de heuvelen rolde de wagon van ellende en lijden, rolde steeds voort, over-verhit, verpest, beklagenswaardig, zacht kreunend, te midden van de reinheid van dien heerlijken, zoo mooien en zoo zachten nacht.

Om een uur 's ochtends waren zij Riscle gepasseerd. Benauwend en als met hallucinaties bevolkt bleef de stilte heerschen te midden van de schokken. Om twee uur, bij Vic de Bigorre hoorde men dof gesteun: de slechte toestand van den weg schokte de zieken in een ondraaglijke schommeling. Eerst na Tarbes om half drie verbrak men eindelijk de stilte en zeide men, nog midden in den donkeren nacht, de morgengebeden. Het waren het Pater en het Ave en het Credo, het was een smeekbede aan God om het geluk van een glorierijken dag. O mijn God, geef mij de kracht om het kwaad te vermijden, het goede te werken, alle smarten en pijnen te dragen!

Nu zou men aan één stuk doorrijden tot Lourdes. Geen drie kwartier meer en Lourdes met zijn onmetelijke hoop zou opvlammen in dezen zoo wreeden en zoo langen nacht. Bij het ontwaken maakte zich te midden van een algemeen gevoel van onbehagen, nu het lijden weer begon, een koortsachtige opwinding van allen meester.

Zuster Hyacinthe maakte zich ernstig ongerust over den man, wiens gelaat, dat nog steeds met zweet bedekt was, zij den geheelen nacht door had afgewischt. Hij had tot nog toe geleefd, zij was bij hem gebleven, zonder een oogenblik haar oogen te sluiten, luisterend naar zijn ademhaling, vurig wenschend hem ten minste bij de Grot te kunnen brengen.

Plotseling werd zij angstig en vroeg aan madame de Jonquière:

"Ach, geef mij even de flesch vlugzout aan... Ik hoor hem niet meer ademhalen."

Werkelijk had sedert een oogenblik het zachte ademhalen van den man opgehouden. Zijn oogen waren nog altijd gesloten, zijn mond half open; zijn kleur was echter niet toegenomen, hij was koud, zijn gelaat doodsbleek. En de wagon rolde voort met zijn lawaai van rommelend ijzer, de snelheid van den trein scheen grooter te worden.

"Ik zal zijn slapen wat wrijven," zeide zuster Hyacinthe weer. "Wilt u mij even helpen."

Bij een hevigen schok viel de man plotseling met zijn gezicht naar voren.

"Lieve God! help mij toch, om hem op te nemen."

Zij namen hem op; hij was dood. Zij moesten hem met zijn rug tegen het beschot in zijn hoek zetten. Hij bleef rechtop zitten, zijn lichaam was reeds stijf geworden, alleen bewoog zijn hoofd bij iederen schok heen en weer. De trein bleef hem in hetzelfde donderend gerommel meevoeren, terwijl de locomotief, ongetwijfeld blij haar doel te bereiken, een scherp gefluit uitstiet, een oorverscheurende vreugdefanfare in den kalmen nacht

Een half uur, dat als het ware niet eindigen wilde, werd nog de reis met den doode voortgezet. Twee dikke tranen waren langs de wangen van zuster Hyacinthe gerold, dan vouwde zij haar handen en begon te bidden. De geheele wagon huiverde van ontzetting over dien verschrikkelijken reisgenoot, dien men te laat naar de Heilige Maagd bracht. Maar de hoop was krachtiger dan de smart; ook al mochten al de kwalen, die hier opgehoopt waren, weer ontwaken, toenemen en erger worden onder de uitputtende vermoeienis, toch klonk de jubelzang niet minder luid op bij het triomphantelijk betreden van het land des wonders. De zieken hadden het Ave maris stella [10] aangeheven te midden van de tranen, die de pijn hun ontrukte; hun smartekreten namen toe, tot hun klagen zich oploste in een kreet van hoop.

Marie nam Pierre's hand weer tusschen haar kleine, koortsachtige vingertjes.

"O, mijn God, die man is nu gestorven en ik was zoo bang te sterven voor wij het doel bereikt hadden!... En nu zijn we er, zijn we er eindelijk!"

De priester beefde van een grenzenlooze ontroering.

"Je moet genezen, Marie, en ik zelf zal ook genezen, als jij voor me bidt."

De locomotief floot scheller in de blauwe duisternis. Ze naderden, de lichten van Lourdes vlamden aan den horizont en de geheele wagon zong nog een lied, de geschiedenis van Bernadette, het eindelooze klaaglied van zestig coupletten, waarin de Engelengroet steeds weer als een refrein terugkwam, een krankzinnig makend gezang, dat den hemel der extase opende.

TWEEDE DAG

I.

De stationsklok, waarvan de wijzerplaat door een reflector verlicht werd, wees drie uur twintig minuten aan. Onder de kap, die over het ongeveer honderd meter lange perron liep, drentelden in geduldige afwachting schimmen op en neer. In de verte, in de zwarte vlakte, zag men niets dan een rood seinlicht.

Twee van die heen-en-weer drentelende schimmen bleven staan. De grootste, een pater van Maria Hemelvaart, de eerwaarde pater Fourcade, directeur van de nationale bedevaart, een zestiger en een flinke verschijning in zijn zwarte pelerine met de lange kap, was den vorigen dag te Lourdes aangekomen. Zijn mooie kop met de heldere, gebiedende oogen en den dikken, grijzenden baard deed denken aan dien van een veldheer, welke vastbesloten is te overwinnen. Lijdend aan jicht, trok hij wat met zijn been en leunde op den schouder van dr. Bonamy, den aan het bureau voor het constateeren van wonderen verbonden geneesheer, een klein, ineengedrongen mannetje met een kaalgeschoren gezicht, doffe en verwaterde oogen, en grove, kalme trekken.

Pater Fourcade vroeg aan den stationschef, die uit zijn bureau kwam loopen:

"Mijnheer, is de witte trein veel te laat?"

"Neen, eerwaarde, hoogstens tien minuten. Om half vier is hij binnen... Ik maak me meer ongerust over den trein uit Bayonne, die al door moest zijn."

Hij liep weg om een bevel te geven, kwam dan weer terug, mager en zenuwachtig, in de koortsachtige opgewondenheid, die hem tijdens de groote bedevaart dagen en nachten op den been hield. Dien ochtend verwachtte hij buiten den gewonen dienst, achttien extra-treinen met meer dan vijftien duizend reizigers. De grijze en de blauwe trein, die het eerst van Parijs vertrokken waren, waren op het vastgestelde uur binnen gekomen. Maar de vertraging van den witten trein was des te onaangenamer, omdat de expres uit Bayonne ook nog niet gemeld was, zoodat het te begrijpen was, dat het personeel iedere seconde op zijn qui-vive moest zijn.

"Over tien minuten, dus?"

"Ja, over tien minuten, wanneer we tenminste de lijn niet moeten afsluiten," riep de chef, die zich naar de telegraaf spoedde.

Langzaam hervatten de geestelijke en de geneesheer hun wandeling. Het verbaasde hun, dat er te midden van al die koortsachtige drukte nooit een ernstig ongeluk gebeurd was. Vroeger vooral heerschte er een ongelooflijke wanorde. En onwillekeurig dacht de pater terug aan de eerste bedevaart, die hij in 1875 had georganiseerd en geleid: de verschrikkelijke, eindelooze reis, zonder kussens of matrassen, met half-doode zieken, die men niet wist hoe tot het leven terug te roepen; dan de aankomst te Lourdes, het ordelooze uitstappen, niet het minste transportmateriaal, geen draagbaren, geen brancards, geen rijtuigen. Thans echter was alles prachtig ingericht en georganiseerd; de hospitalen voor de zieken, die men nu niet meer op stroo in loodsen behoefde te leggen. Wat een ramp vroeger voor die ongelukkigen! Welk een wilskracht moest de geloovigen naar het wonder brengen. En de pater glimlachte zacht bij de gedachte aan het werk, dat hij gedaan had. Nog steeds op diens schouder leunend, vroeg hij aan den dokter:

"Hoeveel pelgrims hebt u verleden jaar gehad?"

"Ongeveer tweehonderd duizend. Dat is het gemiddelde, dat zich aardig blijft handhaven... Het jaar van de kroning der Heilige Maagd was het aantal vijfhonderd duizend. Maar dat was een uitzonderingsgeval en het gevolg van een groote propaganda. Zulke getallen bereik je niet meer."

Er volgde een korte stilte, dan prevelde de pater:

"Ongetwijfeld... het werk wordt gezegend, neemt van dag tot dag in bloei toe. Dit jaar hebben we ongeveer tweehonderdvijftig duizend francs voor deze reis aan giften gekregen; en God zal met ons zijn, morgen zult u talrijke genezingen te constateeren hebben, daar ben ik vast van overtuigd."

En zichzelf in de rede vallend:

"Is pater Dargelès er niet?"

Dr. Bonamy maakte een gebaar om te zeggen, dat hij het niet wist. Pater Dargelès was belast met de redactie van den Journal de la Grotte. Hij behoorde tot de orde van de paters der Onbevlekte Ontvangenis, die door den bisschop te Lourdes waren gevestigd en daar onbeperkt heer en meester waren. Doch wanneer de paters van Maria Hemelvaart met de nationale bedevaart uit Parijs kwamen, waarbij zich de geloovigen uit de steden Kamerijk, Atrecht, Chartres, Troyes, Reims, Sens, Orleans, Blois en Poitiers voegden, was het net, alsof zij geheel en al verdwenen waren: men zag ze niet bij de Grot, niet bij de Basilica; zij schenen met het afgeven der sleutels tevens de verantwoordelijkheid van zich te werpen. Zelfs hun overste, pater Capdebarthe, een groot, krachtig en grof gebouwd man, een soort boer, wiens verweerd gezicht den roodbruinen en droefgeestigen weerschijn van den grond behouden had, vertoonde zich niet. Alleen den kleinen en vriendelijken pater Dargelès vond men overal, op zoek naar berichten voor zijn courant. Maar al verdwenen de paters der Onbevlekte Ontvangenis, toch voelde men hen achter dit groote decor als de verborgen en souvereine kracht, die overal geld uit slaat, die zonder ophouden werkt aan den bloei van het huis. Zelfs hun eigen nederigheid exploiteerden zij.

"Ik heb wel vroeg op moeten staan," begon pater Fourcade het gesprek weer op vroolijken toon, "om twee uur al, maar ik wou hier zijn. Wat zouden mijn arme kinderen anders gezegd hebben?"

Zoo noemde hij de zieken, het vleesch voor de wonderen; en altijd was hij, welk uur het ook zijn mocht, tegenwoordig geweest bij de aankomst van den witten trein, dien jammervollen trein met de ernstige zieken.

"Vijf minuten voor half vier, nog vijf minuten," zeide dr. Bonamy, die een geeuw onderdrukte, terwijl hij naar de klok keek, en ondanks zijn kruipend-onderdanige houding gruwlijk het land had, dat hij zoo vroeg uit zijn bed had moeten komen.

Op het perron, dat op een overdekten promenoir geleek, bleef te midden van de dichte duisternis, waarin de gaslantaarns geel plekten, het op-en-neer-drentelen voortduren. Niet duidelijk te onderscheiden menschen in kleine groepen, geestelijken, heeren in overjassen, een officier der dragonders liepen zacht fluisterend af en aan. Anderen zaten op de langs den muur staande banken eveneens te praten of staarden, strak voor zich uit kijkend, naar de donkere vlakte. In de schel verlichte bureaux en wachtkamers teekenden de donkere deuren zich duidelijk af, terwijl ook de restauratiezaal, waarin men de marmeren tafels en het met brood en vruchten, flesschen en glazen beladen buffet zag, haar volle verlichting reeds had aangestoken.

Maar vooral aan het achtereinde van de kap heerschte een verward gedrang van menschen. Aan dien kant bracht men de zieken naar buiten. Een groot aantal brancards en kleine rijtuigjes, een formeele barricade van kussens en matrassen versperde het breede trottoir. Ook waren daar drie ploegen brancarddragers, mannen uit alle standen, maar voornamelijk jongelui uit de hoogere kringen, die op hun jassen het roode, oranjekleurig gerand kruis en de geellederen draagband droegen. Velen hadden de baret op, de makkelijke hoofddracht uit die streken. Sommigen, als toegerust voor een verre expeditie, droegen mooie slobkousen, die tot aan de knieën reikten. Enkelen rookten, anderen hadden het zich makkelijk gemaakt in hun kleine rijtuigjes en sliepen of lazen bij het licht der gaslantaarns een courant. Afgezonderd van de anderen stond een groepje over de inrichting van den dienst te praten.

Plotseling groetten de brancarddragers. Een vriendelijk heer met grijze haren, een goedhartig, dik gezicht en met groote blauwe kinderoogen kwam aangeloopen. Het was baron de Suire, een der grootste kapitalisten van Toulouse en voorzitter van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut

"Waar is Berthaud?" vroeg hij druk doende aan iedereen. "Waar is Berthaud? Ik moet hem spreken."

Iedereen antwoordde en ieder gaf een andere inlichting. Berthaud was de directeur der brancardafdeeling. Sommigen hadden den directeur zoo even nog met den eerwaarden pater Fourcade gezien, anderen beweerden, dat hij op de binnenplaats van het station de ambulancewagens inspecteerde.

"Als mijnheer de president wil, dat we den directeur halen..."

"Neen, neen, dank je wel. Ik zal hem zelf wel vinden."

Intusschen zat Berthaud in afwachting van de aankomst van den trein aan het andere einde van het station op een bank te praten met zijn jongen vriend Gérard de Peyrelongue. Het was een veertiger met een knap, lang en regelmatig gezicht, die nog zijn welverzorgd magistraten-bakkebaardje had. Behoorende tot een militante legitimistische familie en zelf streng reactionnair, was hij sedert den 24sten Mei ambtenaar van het Openbaar Ministerie in een stad in het Zuiden, toen hij na de afkondiging der decreten tegen de congregaties op luidruchtige wijze zijn ontslag genomen had in een beleedigenden brief aan den minister van Justitie. Daarbij had hij het echter niet gelaten, doch zich bij wijze van protest aangesloten bij de Hospitalité de Notre Dame de Salut en kwam dit ieder jaar te Lourdes in het openbaar manifesteeren, overtuigd als hij was, dat die bedevaarten onaangenaam en schadelijk waren voor de republiek en dat de Heilige Maagd alleen het koningschap kon herstellen door een van de wonderen, die zij in de Grot in zoo grooten getale wrocht. Verder had hij een goed helder verstand, lachte graag en was steeds even vriendelijk en hartelijk voor de arme zieken, voor wier transport hij gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart zorgde.

"Dus dit jaar ga je trouwen, Gérard?" vroeg hij aan den jongen man, die naast hem zat.

"Zeker, als ik de vrouw vind, die ik noodig heb," antwoordde deze. "Kom, neef, geef u mij eens een goeden raad."

Gérard de Peyrelongue, een klein, mager, rosachtig mannetje met een sterk ontwikkelden neus en ingevallen wangen, kwam uit Tarbes en had kort geleden zijn ouders verloren, die hem een rente van. niet meer dan zeven of achtduizend francs hadden nagelaten. Zeer eerzuchtig, had hij in zijn provincie niet de vrouw, die hij wilde, kunnen vinden, een vrouw van goede familie, die door haar relaties in staat zou zijn hem hoogerop te brengen. Hij had zich dan ook bij de Hospitalité aangesloten en ging ieder jaar naar Lourdes met de vage hoop, dat hij daar onder de menigte geloovigen, onder den stroom van dames en jonge meisjes, de familie zou ontdekken, die hij noodig had, om zijn carrière in dit ondermaansche te maken. Maar tot nog toe had het hem niet mogen gelukken, want al had hij verschillende jonge meisjes op het oog, geen enkele viel geheel in zijn smaak.

"Ja werkelijk neef, u, die toch een man van ervaring bent, moest mij eens een raad geven... Daar is in de eerste plaats mademoiselle Lemercier, die hier met haar tante komt. Zij is schatrijk, meer dan een millioen beweert men. Maar zij behoort niet tot onze kringen en ik geloof, dat zij nog al excentriek is."

Berthaud schudde zijn hoofd.

"Ik heb het je al meer gezegd, als ik jou was, nam ik de kleine Raymonde, mademoiselle de Jonquière."

"Maar die bezit geen sou."

"Dat is zoo, nauwelijks genoeg om te leven. Maar zij is vrij knap, uitstekend opgevoed en heeft geen neiging tot verkwisting; en dat laatste doet de deur toe, want waartoe dient het een rijk meisje te nemen, als zij toch alles wat zij meebrengt weer uitgeeft? En dan, ik ken de dames heel goed, ik ontmoet ze 's winters in de invloedrijkste salons van Parijs. En bovendien vergeet haar oom niet, den diplomaat, die den treurigen moed gehad heeft in dienst der republiek te blijven en ongetwijfeld heel wat voor zijn neef zal kunnen doen."

Gérard, die een oogenblik aan het wankelen gebracht was, zeide echter weer:

"Geen sou, geen sou, neen, het is onmogelijk... Ik wil er nog wel eens over nadenken, maar heusch, ik zie er te erg tegen op."

Ditmaal begon Berthaud hartelijk te lachen.

"Kom, je bent eerzuchtig, dan moet je durven. Ik verzeker je, je wordt er gezantschapssecretaris door... De dames komen met den witten trein, die dadelijk binnen zal stoomen. Wees een kerel en maak haar het hof!"

"Neen, neen... later! Ik wil er eerst nog eens over nadenken!"

Op dit oogenblik werden zij gestoord. Baron de Suire, die reeds langs hen gekomen was zonder hen te zien, zoo donker was het in dit afgelegen hoekje, had het hartelijke lachje van den voormaligen officier van justitie herkend. En onmiddellijk gaf hij hem met een ongelooflijke radheid van tong verschillende bevelen betreffende de ambulancewagens, waarbij hij zich beklaagde, dat men wegens het werkelijk al te vroege uur de zieken niet onmiddellijk na hun aankomst naar de Grot brengen kon. Ze zouden nu gebracht worden naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, zoodat zij na hun zoo moeilijke reis wat rust konden nemen.

Terwijl de baron en de leider van den brancarddienst de maatregelen, die genomen dienden te worden, bespraken, drukte Gérard een priester, die naast hem was komen zitten, de hand. De nauwlijks acht-en-dertigjarige abbé Des Hermoises had den knappen kop van een mondain geestelijke, friseerde en parfumeerde zich zorgvuldig en was de lieveling der dames. Hij kwam, zooals zoovele priesters voor hun genoegen gaan, uit eigen beweging naar Lourdes; uit zijn heldere oogen straalde een gezond verstand en om zijn lippen speelde het lachje van een scepticus, die zich boven alle afgodendienst verheven voelt. Zeker, hij geloofde en boog nog in aanbidding zijn knie; maar de Kerk had zich over de wonderen niet uitgesproken en hij scheen bereid ze te betwisten. Hij had in Tarbes gewoond en kende Gérard.

"Nu," zeide hij, "is dat wachten op de aankomst der treinen midden in den nacht niet iets indrukwekkends?... Ik ben hier voor een dame, een van mijn vroegere biechtkinderen uit Parijs; ik weet niet precies met welken trein zij komt, doch ik blijf maar, ik vind het zoo interessant."

En toen een andere priester, een oude plattelandspastoor, naast hem was komen zitten, begon hij met hem te praten over de schoonheid der omstreken van Lourdes, over het prachtige gezicht straks, wanneer de bergen in de opgaande zon zichtbaar zouden worden.

Opnieuw ontstond er plotseling een koortsachtige drukte. De chef liep heen en weer, schreeuwde bevelen. Pater Fourcade liet ondanks zijn jichtig been den schouder van dr. Bonamy los en ging naar voren.

"Die expres van Bayonne komt maar niet," antwoordde de chef op de verschillende vragen... "Waarom melden ze ook niets? Ik ben er niets gerust op!"

Weer ging het signaal over, een witkiel ging, met een lantaarn zwaaiend, de donkerte in, terwijl in de verte met een seinlicht gemanoeuvreerd werd.

"Dat is de witte trein," riep de chef. "Laten we hopen, dat we den tijd zullen hebben, om de zieken er uit te krijgen, voor de expres doorkomt."

Hij liep weer verder en verdween. Berthaud riep Gérard, die leider van een brancard-afdeeling was; en beiden haastten zich naar hun menschen, aan wie baron Suire reeds orders gaf. De brancarddragers kwamen van alle kanten toeschieten, en begonnen kleine wagentjes over de lijn te brengen, naar de plaats, waar de witte trein zou stilstaan, een geheel onoverdekt gedeelte van het perron, dat in het donker lag. Er vormde zich ook daar weldra een opstapeling van kussens, matrassen en draagbaren, terwijl pater Fourcade, dr. Bonamy, de geestelijken, de heeren en de officier der dragonders ook de spoorbaan overstaken om bij het uitstappen der zieken behulpzaam te zijn. Heel in de verte, achter in de donkere vlakte zag men nog slechts de lantaarn der locomotief als een steeds grooter wordende ster. Schelle fluitsignalen verscheurden den nacht. Dan zwegen zij, hoorde men niets meer dan het snuiven van de machine, het doffe rollen der wielen. Allengs onderscheidde men duidelijk het gezang, de litanie van Bernadette, die door den geheelen trein gezongen werd met de obsessies gevende Ave's van het refrein. Dan reed die trein van jammer en geloof, die kreunende en zingende trein Lourdes binnen en stond stil.

Onmiddellijk werden de portieren geopend en stapte de menigte gezonde pelgrims en de zieken, die loopen konden, uit, en overstroomde het perron. De enkele lantaarns verlichtten slechts zwak die arme schare in hun povere kleeding, beladen en bepakt met allerlei bagage, manden, valiezen, houten kisten; en te midden van het gedrang, het gestoot met ellebogen van die opgewonden troep, die niet wist in welke richting zij gaan moest, om bij den uitgang te komen, stegen uitroepen op, geschreeuw van families, die elkaar verloren hadden, werden enkelen begroet door familieleden of vrienden, die hen kwamen halen. Met een blik van zalige tevredenheid verklaarde een vrouw: "Ik heb lekker geslapen!" Een pastoor ging met zijn valies weg, terwijl hij een manke dame: "Veel geluk!" toewenschte. De meesten hadden de verschrikte, vermoeide en blijde uitdrukking van menschen, die een pleiziertrein op een onbekend station uitwerpt. Ten slotte werden het gedrang en de verwarring zóó groot, dat de reizigers niet eens de beambten hoorden, die met hun "Hierheen! Hierheen!" hun keel schor schreeuwden, om de ontruiming van het station te bespoedigen.

Vlug was zuster Hyacinthe, die de zorg voor den doode aan zuster Claire des Anges overgedragen had, uitgestapt en liep nu naar den kantinewagen met het denkbeeld, dat Ferrand haar helpen zou. Gelukkig vond zij voor dien wagen pater Fourcade, aan wien zij zachtjes het voorgevallene vertelde. Hij wist een gebaar van ongeduld te bedwingen en hield baron de Suire, die juist voorbijkwam, aan. Een paar seconden fluisterden de beide mannen. Dan spoedde de baron zich voort, baande zich een weg door de menigte met twee dragers, die een overdekte baar droegen. En de man werd weggedragen, als ware hij een zieke, die een flauwte gekregen had, zonder dat de groote schare pelgrims zich in de drukte van de aankomst verder om hem bekommerde; de beide dragers, voorafgegaan door den baron, legden hem voorloopig achter tonnen in een der loodsen neer. Een van hen, de zoon van een generaal, bleef bij het lijk waken.

Na zuster Saint-François gevraagd te hebben op het stationsplein bij het gereserveerde rijtuig, dat haar naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs zou brengen, op haar te wachten, haastte zuster Hyacinthe zich weer naar haar wagon terug. Toen zij zeide, dat zij eerst de zieken behulpzaam wilde zijn bij het uitstappen, weigerde Marie dat op vriendelijken toon.

"Maak u maar niet druk om mij, zuster. Ik zal tot het laatst wachten... Vader en abbé Froment zijn in den bagagewagen het onderstel gaan halen; ik wacht hier wel, ze weten hoe ze alles in elkaar moeten zetten en me dan wegrijden."

Ook mijnheer Sabathier en broeder Isidore wilden niet weggebracht worden, voor de drukte wat voorbij was. Madame de Jonquière, die la Grivotte voor haar rekening genomen had, beloofde er ook voor te zullen zorgen, dat madame Vêtu in een ambulancewagen vervoerd zou worden.