Part 10
Pierre had kalm gewacht, zonder tusschenbeide te komen. Dan ging hij voort op denzelfden doordringenden toon, waarin de twijfel verzacht werd door zijn medelijden met hen, die lijden en hopen.
Nu ging het verhaal verder te Lourdes in de rue des Petits-Fossés, een sombere, nauwe en kronkelende straat, die tusschen armoedige huizen en ruw bepleisterde muren loopt. Op den rez-de-chaussée van een van die droefgeestige huisjes aan het einde van een donkere gang bewoonden de Soubirous één enkele kamer, waarin zeven menschen, vader, moeder en zeven kinderen bij elkaar hokten. Je kon er nauwelijks zien, in het kleine en vochtige binnenplaatsje viel slechts een groenachtig schemerlicht. Ze sliepen daar bij elkaar, aten er, wanneer ze brood hadden. Sedert eenigen tijd n.l. kon de vader, die molenaar van beroep was, heel moeilijk werk vinden. En uit dit donkere gat, uit die diepe ellende was Bernadette, de oudste, op dien kouden Februaridag hout gaan zoeken met Marie, haar jonger zusje, en Jeanne, een buurmeisje.
Een langen tijd ging het mooie verhaal zoo verder: hoe de drie kleine meisjes den oever van den Gave afgeloopen hadden aan den anderen kant van het kasteel, hoe zij ten slotte op het eiland du Chalet gekomen, waar tegenover de rots Massabielle, waarvan zij alleen gescheiden waren door den smallen waterloop van den molen van Sâvy. Het was een woeste plek, waarheen de gemeenteherder dikwijls zijn varkens bracht, die bij plotselinge regenbuien een schuilplaats zochten onder de rots van Massabielle, aan den voet waarvan zich, onder wilde roze- en braamstruiken verborgen, een soort grot gevormd had. Er was niet veel droog hout te vinden geweest, zoodat Marie en Jeanne, toen zij aan den overkant een grooten hoop takken, dien de stroom daarheen had gebracht, zagen liggen, den waterloop overstaken, terwijl Bernadette, die veel teerder was en een beetje de jongejuffrouw speelde, voorloopig achterbleef, daar zij haar voeten niet nat durfde maken. Zij had wat uitslag aan haar hoofd, haar moeder had haar op het hart gedrukt toch vooral haar hoofddoek om te houden, een groote witte hoofddoek, die sterk vloekte tegen haar oud, zwartwollen jurkje. Toen zij zag, dat de twee anderen haar niet wilden helpen, vermande zij er zich eindelijk toe haar klompen en haar kousen uit te trekken. Het was ongeveer twaalf uur, de negen slagen van het Angelus zouden weldra van de kerk klinken en opstijgen naar den stillen, wijden winterhemel, die met een fijn wolkendons bedekt was.
Op dat oogenblik maakte een groote verwarrende opwinding zich van haar meester, in haar ooren suisde het met zoo'n stormgeweld, dat zij meende een orkaan, die van de bergen kwam, voorbij zich te hooren loeien; zij keek naar de boomen en was uiterst verbaasd, want geen blaadje verroerde zich. Dan dacht zij, dat zij zich vergist had, en zij wilde juist haar klompen oprapen, toen opnieuw een hevig suizen langs haar ging, doch ditmaal trof het niet haar ooren, maar haar oogen; zij zag de boomen niet meer, zij was verblind door een witten glans, een soort schel licht, dat zich boven de grot aan de rots scheen vast te hechten in een smalle, hooge spleet, die op den spitsboog van een kathedraal geleek.
Verschrikt viel zij op haar knieën. Wat was dat toch, mijn God? Soms, wanneer in slechte tijden haar asthma haar meer benauwde dan gewoonlijk, had zij dikwijls geheele nachten zware droomen, waarvan zij de angstaanjagende werking nog na het wakker worden voelde, ook al herinnerde zij zich van den droom zelf niets meer.
Vlammen omringden haar, de zon ging vlak langs haar gezicht voorbij. Had zij den afgeloopen nacht zoo zwaar gedroomd? Was het de voortzetting van een droom, dien zij zich niet meer herinnerde? Dan teekenden zich langzamerhand eenige omtrekken af, meende zij een gestalte te herkennen, die in het schelle licht geheel wit was. Uit angst, dat het de duivel zou kunnen zijn--zij werd dikwijls door zulke gedachten bezeten--was zij haar rozenkrans gaan bidden. En toen zij, nadat het licht langzaam uitgegaan was, den waterloop overging en zich weer bij Marie en Jeanne voegde, vond zij het heel vreemd, dat dezen bij het hout rapen vóór de grot, geen van beiden iets gezien hadden. Toen de drie meisjes naar Lourdes terugliepen, praatten zij erover: had zij dan wat gezien? Maar, onrustig en zich een weinig schamend, wilde zij niet antwoorden; eindelijk bekende zij, dat zij iets gezien had, dat in het wit gekleed was.
Van af dat oogenblik verspreidde het gerucht zich en werd daarbij overdreven. De Soubirous, die het ook hoorden, waren boos geworden over die kinderpraatjes en verboden hun dochter naar de rots van Massabielle terug te gaan. Maar al de kinderen uit de buurt vertelden elkaar het verhaal reeds en zoo moesten de ouders dan ten slotte toestaan, dat Bernadette 's Zondags met een flesch wijwater naar de grot ging, om beslist te weten, of men niet met den duivel te doen had. Zij zag het licht weer, evenals de gestalte, die nu echter duidelijker was en glimlachte, zonder bang te zijn voor het wijwater. Den volgenden Donderdag ging zij met anderen er weer heen; eerst dien dag nam de gestalte den vorm van een vrouw aan, die tot haar zeide:
"Doe mij het genoegen veertien dagen lang hier te komen."
Langzamerhand had de gestalte zich nog meer gepreciseerd en was een Vrouw geworden, mooier dan een koningin, zooals men ze slechts op platen ziet. In den beginne had Bernadette zich tegenover de vragen, waarmede men haar van 's morgens vroeg tot 's avonds laat overstelpte, wat terughoudend getoond, als was zij nog door twijfel bevangen. Daarna was het haar toegeschenen, alsof onder de suggestie van al die vragen, de gestalte nog steeds duidelijker vormen kreeg, alsof zij een werkelijk leven, lijnen en kleuren aannam, in de beschrijving waarvan het kind zich nooit tegensprak. De oogen waren blauw en heel zacht, de mond rose en glimlachend, het ovaal van het gezicht had tegelijk een jeugdige bekoring en iets moederlijks. Nauwlijks zag men onder den rand van den sluier, die het hoofd bedekte en tot aan de voeten afviel, het bewonderenswaardige blonde haar. Het sneeuwwitte, glanzende kleed moest van een op aarde onbekende stof zijn, die uit zonnestralen scheen te zijn geweven. De losjes geknoopte hemelsblauwe sjerp liet twee lange einden hangen, fladderend in den ochtendwind. De rozenkrans, die om den rechterarm geslagen was, had melkwitte kralen, terwijl de schakels en het kruis van goud waren. En op haar bloote voeten, op de aanbiddelijke voeten, die van een jonkvrouwelijke blankheid waren, bloeiden twee gouden rozen, de mystieke rozen van het onbevlekte lichaam der Godsmoeder.
Waar had Bernadette toch die Heilige Maagd gezien, wier eenvoudig uitzien zich door de overlevering voortplantte, zonder één sieraad, met de primitieve gratie van een nog in zijn kindsheid verkeerend volk? In welk boek van den broeder van haar zoogmoeder, den priester, die zoo mooi voorlezen kon? Op welk geschilderd raam der kerk, waarin zij opgegroeid was? En vooral, uit welken ridderroman, uit welke geschiedenis, door pastoor Ader op de catechesatie verteld, uit welken onbewusten droom, die zij op haar zwerftochten in de schaduw der bosschen van Bartrès gedroomd had, terwijl zij tot in het oneindige de tien verzen van den Engelengroet herhaalde, waaruit kwamen die gouden rozen op de bloote voeten, die heerlijke liefde-phantasie, die vrome opbloeiing van het vrouwenlichaam?
De stem van Pierre was nog ontroerender geworden, want al zeide hij al deze dingen niet aan de eenvoudigen van geest, die naar hem luisterden, toch verleende de menschelijke verklaring, die zijn twijfel diep in zijn ziel aan die wonderen trachtte te geven, aan zijn verhaal een huivering van broederlijk medegevoel. Hij hield van Bernadette nog meer om het bekoorlijke van haar hallucinatie, die zoo vriendelijk haar toesprekende Maagd, één en al beminnelijkheid bij haar verschijnen en verdwijnen.
Het groote licht liet zich eerst zien, dan vormde zich de verschijning, ging, kwam, boog zich, bewoog zich op een lichte, bijna onmerkbare wijze; wanneer zij verdween, bleef het licht nog eenigen tijd schijnen en ging dan uit als een ster, die sterft. Geen jonkvrouw dezer wereld kon een zoo blank en zoo rose gelaat hebben, dat zoo mooi was als de kinderlijke schoonheid van de plaatjes der eerste communie. De wilde rozestruik van de grot wondde zelfs haar bloote, aangebeden, met goud bebloeide voeten niet.
Pierre vertelde onmiddellijk de andere verschijning. De vierde of vijfde hadden Vrijdag of Zaterdag plaats; maar de door een stralenkrans omgeven Vrouwe, die haar naam nog niet genoemd had, vergenoegde zich met te glimlachen, zonder een woord te spreken. Zondag weende zij en zeide tegen Bernadette:
"Bid voor de zondaars."
Maandag deed zij het kind het groote verdriet niet te verschijnen, zeker om haar te beproeven. Maar Dinsdag vertrouwde zij haar een geheim toe, dat nooit geopenbaard mocht worden; dan eindelijk deelde zij haar de zending mede, die zij haar opdroeg:
"Ga en zeg aan de priesters, dat zij hier een kapel moeten bouwen!"
Woensdag prevelde zij verscheidene malen het woord: "Boete, boete, boete!" dat het kind, terwijl het den grond kuste, herhaalde. Donderdag zeide zij:
"Ga drinken uit de bron en wasch je daarin en eet het gras, dat ernaast staat!" woorden, die Bernadette eerst begreep, toen er onder haar vingers achter in de grot een bron ontsprong; dat was het mirakel der wonderbron. Toen volgde de tweede week: Vrijdag verscheen zij niet, wel echter de volgende vijf dagen, haar bevelen herhalend, vriendelijk glimlachend neerziende op het nederige meisje, dat zij verkoren had en dat bij iedere verschijning den rozenkrans bad, den grond kuste en op haar knieën naar de bron kroop, om te drinken en zich te wasschen.
Eindelijk, den 4den Maart, den laatsten dag der mystieke samenkomsten, vroeg zij dringend om de kapel te bouwen, opdat uit alle deelen der aarde de volkeren zich er in processie heen zouden begeven. Intusschen had zij op alle vragen geweigerd te antwoorden wie zij was; eerst Donderdag 25 Maart, drie weken later dus, zeide de Vrouwe, haar blikken hemelwaarts heffend: "Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis!" Nog tweemaal, met een tusschenruimte van meer dan drie maanden, 7 April en 16 Juli verscheen zij: de eerste maal voor het wonder der kaars, waarboven het kind uit onachtzaamheid langen tijd haar hand hield, zonder die te branden; de tweede maal, om afscheid te nemen, voor een laatsten glimlach en een laatsten vriendelijken groet. Dat maakte dus achttien verschijningen in het geheel; daarna liet zij zich nooit meer zien.
Pierre had zich als het ware in tweeën gedeeld. Terwijl hij zijn mooi sprookje, dat de ongelukkigen zoo lieflijk in de ooren klonk, vertelde, riep hij zich die beklagenswaardige en hem zoo dierbare Bernadette voor den geest, wier lijdensbloem zoo schoon gebloeid had. Volgens de brutaal-ruwe uitspraak van een geneesheer was dit veertienjarige meisje, dat in haar achterlijken wasdom door pijnen gekweld werd en reeds door een asthma ten gronde gericht was, niets meer dan een soort hysterica, een gedegenereerde, een kindsche. Dat zij geen heftige aanvallen had, dat er bij de kleinere aanvallen geen verstijving van spieren intrad, dat zij zich haar visioenen zoo goed en duidelijk herinnerde, was een gevolg van het feit, dat zij het merkwaardige bewijsstuk voor haar bijzonder geval zelf bracht; het onverklaarde vormt alleen het wonder, de wetenschap weet nog zoo weinig te midden van de eindelooze verscheidenheid der verschijnselen met betrekking tot de menschen.
Hoeveel herderinnetjes hadden reeds vóór Bernadette op dezelfde kinderlijke wijze de Heilige Maagd gezien? Was het niet altijd dezelfde geschiedenis: de in licht gekleede Jonkvrouw, het toevertrouwen van een geheim, het ontspringen van een bron, het vervullen van een zending, wonderen, wier betoovering de massa bekeeren moet? En altijd de droom van een arm kind, dezelfde kleurrijke beschrijving, het ideaal van traditioneele schoonheid, zachtheid en vriendelijkheid, dezelfde naïeve middelen en hetzelfde doel, de verlossing der volkeren, het bouwen van kerken, processies van geloovigen! Bovendien geleken ook al die uit den hemel gevallen wonderen op elkaar, aanmaningen tot boetedoening, beloften van goddelijke hulp; hier was nieuw de buitengewone verklaring: "Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis!", die klonk als de nuttige erkenning door de Heilige Maagd zelve van het dogma, dat drie jaar vroeger door Rome was afgekondigd. Het was niet de Onbevlekte Maagd, die verschenen was, maar de Onbevlekte Ontvangenis, de abstractie zelf, het ding, het dogma, zoodat men zich af kon vragen of de Heilige Maagd zoo gesproken kon hebben. De andere woorden had Bernadette mogelijk vroeger elders gehoord en onbewust in een hoekje van haar geheugen bewaard. Maar vanwaar kwam dat eene woord, vanwaar kwam het, om aan het nog betwiste dogma den wonderbaarlijken steun van de getuigenis der Moeder, die zonder zonde ontvangen was, te brengen?
Te Lourdes was de opwinding ontzaglijk; scharen stroomden toe, wonderen begonnen te geschieden, terwijl de onvermijdelijke vervolgingen, die den triomf van de nieuwe godsdiensten verzekeren, niet uitbleven. Abbé Peyramale, de pastoor van Lourdes, een geleerd, rechtschapen man met een goed gezond verstand, kon met het volste recht zeggen, dat hij dat kind niet kende, dat men het nog nooit op de catechesatie gezien had. Waar was dan de drijvende kracht, de geleerde les? Er was alleen maar haar te Bartrès doorgebrachte jeugd, het eerste onderricht van abbé Ader, gesprekken misschien, godsdienstige plechtigheden ter eere van het nieuwe dogma of alleen maar een van die medailles, welke men bij die gelegenheid in zoo grooten getale verspreid had. Nooit kon abbé Ader verschijnen, hij, die de zending van Bernadette voorspeld had. Hij zou buiten deze geschiedenis blijven, na de eerste geweest te zijn, die deze kleine ziel in zijn vrome handen had voelen ontbloeien.
Maar al de onbekende krachten van het afgelegen dorpje, van dat groene, bekrompen en bijgeloovige plekje gronds bleven werken, verwarden de zinnen en verbreidden de besmetting van het mysterie. Men herinnerde zich, dat een herder uit Argelès, toen hij over de rots van Massabielle sprak, voorspeld had, dat daar groote dingen gebeuren zouden. Andere kinderen geraakten in extase, waarbij hun oogen wijd geopend waren en hun ledematen door krampen geschokt werden; maar zij zagen den duivel.
Een roes van waanzin scheen de geheele streek aangegrepen te hebben. Op de Place du Porche te Lourdes verklaarde een oude vrouw, dat Bernadette maar een tooverheks was en dat zij in haar oog den poot van een pad gezien had. Voor de anderen, voor de duizenden toegesnelde pelgrims was zij een heilige, wier kleeren zij kusten. Luid klonken de snikken òp, een dolle razernij maakte zich van de zielen meester, wanneer zij met een brandende kaars in haar rechterhand en met haar linker de kralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden latend, voor de grot neerknielde. Zij was bleek, mooi; als verheerlijkt. Langzamerhand kwam er leven in haar trekken, kregen deze een uitdrukking van buitengewone gelukzaligheid, terwijl haar oogen zich vulden met een bovenaardschen glans en haar half-geopende mond zich bewoog, alsof zij woorden uitsprak, die men niet verstond. En het was wel zeker, dat zij geen eigen, vrijen wil had, dat haar droom geheel haar wezen vervulde, dat zij er in het bekrompen en bijzondere milieu, waarin zij leefde, zóó door bezeten werd, dat zij hem zelfs in wakenden toestand voortdroomde, dat zij hem aanvaardde als de eenige, onaanvechtbare werkelijkheid, bereid deze ten koste van haar bloed te belijden, haar steeds herhalend, er met alle onveranderlijke bijzonderheden aan vasthoudend. Zij loog niet, want zij wist niet anders, kon, wilde niets anders willen.
Pierre liet zich geheel gaan en ontwierp een behoorlijk beeld van het oude Lourdes, dat kleine, vrome, aan den voet der Pyrenaeën slapende stadje. Vroeger was het Kasteel, dat op een rots aan een kruispunt der zeven dalen van Lavedan lag, de sleutel der bergen. Maar thans ontmanteld, was het nu nog slechts een oud, in puinhoopen vallend bouwwerk aan den ingang van een doodloopend dal. Hier stootte het moderne leven tegen de formidabele wallen der hooge, besneeuwde bergpieken; alleen de trans-pyrenaeïsche spoorweg zou, als hij aangelegd was, eenige beweging gebracht hebben in het maatschappelijk leven van dit afgelegen hoekje, waarin het stilstond als het water in een poel.
Aldus vergeten dommelde Lourdes, gelukkig en traag, te midden van zijn eeuwenouden vrede met zijn nauwe straatjes, zijn met kiezelsteenen geplaveide wegen, zijn zwarte huizen met marmeren omramingen. De oude huizen groepeerden zich nog alle om den oostelijken voet van het kasteel; de straat naar de Grot, de rue du Bois, was slechts een verlaten, onberijdbare, ja bijna onbegaanbare weg; geen enkel huis stond aan den oever van den Gave, die toen zijn schuimende golfjes voortstuwde door een volmaakte eenzaamheid van wilgen en hooge grassen. Op de place du Marcadal zag men in de week maar zelden voorbijgangers, moeders, die haast hadden, of kleine renteniers, die hun vrijen tijd met wandelen doodden; men moest wachten tot Zondagen of tot kermisdagen, om op het gemeenteplein de bevolking in haar Zondagsche plunje te zien, de van hun veraf gelegen bergplateaux met hun kudden naar beneden gedaalde veefokkers.
Gedurende het badseizoen gaf het doortrekken der badgasten van Cauterets en van Bagnères nog eenig verkeer: tweemaal daags reden de diligences door het stadje; zij kwamen over een afschuwelijk slechten weg van Peau en moesten den Lapaca, die dikwijls buiten zijn oevers trad, doorwaden; dan ging het de steile helling van de rue Basse op en langs het terras der in de schaduw van groote olmen staande kerk. En welk een rust en vrede heerschten in die oude, half-Spaansche kerk, vol oude beeldhouwwerken, zuilen, altaarstukken en beelden, bevolkt met gouden visioenen en geschilderde lichamen, die in den loop der tijden zoo verbleekt waren, dat men ze nog slechts zag als in het schemerlicht van mystieke lampen. De geheele bevolking ging geregeld ter kerke om zich te verdiepen in dien droom van het mysterie.
Er waren geen ongeloovigen, het volk had het primitief geloof behouden; iedere corporatie schaarde zich om de vaan van haar heilige, broederschappen van allerlei aard vereenigden op feesttochten de geheele stad tot één enkele Christelijke familie. Er heerschte dan ook, als een wonder-mooie bloem in een uitgelezen vaas, een groote reinheid van zeden. De jongens zouden zelfs geen huis van ontucht hebben kunnen vinden, om zich ten gronde te richten; alle meisjes groeiden op in den geur en de schoonheid der onschuld, onder de oogen der Heilige Maagd, Toren van ivoor en Troon van wijsheid.
Hoe begrijpelijk dus, dat Bernadette, een dochter van deze vrome streek, opgebloeid was als een natuurroos, ontloken op de rozestruiken langs den weg. Zij was de bloesem zelf van dit oude land van geloof en oudvaderlijke rechtschapenheid; zij zou zeker nergens anders gedijd hebben, zij kon slechts ontstaan en zich ontwikkelen bij dit achterlijke volk, te midden van den ingesluimerden vrede van een nog in zijn kindsheid staand volk, onder de moreele tucht van den godsdienst. En welk een liefde was dadelijk om haar opgevlamd! Welk blind geloof in haar zending, welk een grenzenlooze troost en hoop dadelijk bij de eerste wonderen! Eén lange jubelkreet van verlichting had de genezingen van den ouden Bourriette, die zijn gezichtsvermogen terugkreeg, en van den kleinen Justin Bouhohorts, die in het ijskoude water der bron herleefde, begroet. Ja, de Heilige Maagd kwam tusschenbeide ten gunste van de radeloozen, dwong de ontaarde natuur rechtvaardig en barmhartig te zijn.
Het was de nieuwe heerschappij der goddelijke almacht, die de natuurwetten ondersteboven werpt voor het geluk der lijdenden en der armen. De wonderen vermenigvuldigden zich, werden van dag tot dag buitengewoner, als de onloochenbare bewijzen van Bernadette's waarheidlievendheid. Zij was de roos van den goddelijken bloementuin, wier werk een heerlijken geur verspreidt en die om zich alle andere bloemen der genade en des heils ontluiken ziet.
Pierre was tot zoover gekomen, wilde opnieuw de wonderen vertellen en beginnen met den wonderbaarlijken triomf der Grot, toen zuster Hyacinthe, plotseling ontwakend uit de betoovering, waarin het verhaal haar hield, met een schrik ging staan.
"Dat is toch waarlijk al te gek... Het zal dadelijk elf uur slaan!"
Het was zoo: zij waren Morcenx al voorbij en naderden Mont-de-Marsan.
"Stilte, kinderen, stilte!"
Ditmaal durfde men zich niet te verzetten, want zij had gelijk, het was eigenlijk te dwaas. Maar hoe verschrikkelijk, dat men het vervolg niet hooren kon, dat ze zoo midden in het verhaal bleven steken. De tien vrouwen in het achterste compartiment lieten zelfs een gemompel van teleurstelling hooren, terwijl de zieken met gezichten vol gespannen aandacht en hun oogen wijd geopend naar den straal van hoop, nog schenen te luisteren. Deze wonderen, die zonder ophouden terugkwamen, vervulden hen met een onmetelijke, bovenaardsche vreugde.
"En," voegde zuster Hyacinthe er vroolijk aan toe, "laat ik nu geen woord meer hooren, anders moet ik straf uitdeelen!"
Madame de Jonquière glimlachte vriendelijk en zeide:
"Weest nu maar gehoorzaam, kinderen, en gaat goed slapen, om morgen de kracht te hebben met geheel je hart in de Grot te bidden."
Pierre kon niet slapen. Naast hem snorkte mijnheer de Guersaint reeds zachtjes en glimlachte gelukkig ondanks de hardheid van de bank. Lang had de jonge priester de oogen van Marie nog wijd geopend gezien, vol van den glans der wonderen, die hij verteld had. Haar oogen rustten vurig op hem; dan had zij ze gesloten; en hij wist niet of zij sluimerde, of dat zij met gesloten oogleden het wonder nog eenmaal herleefde. Sommigen der zieken droomden hardop, nu eens lachten zij, dan weer schreeuwden zij onbewust. Misschien zagen zij, hoe de aartsengelen in hun lichaam sneden, om de kwaal eruit te rukken. Anderen, die den slaap niet konden vatten, lagen te woelen, onderdrukten een snik en staarden strak in de duisternis. En Pierre, huiverend van het mysterie, dat hij opgeroepen had, herkende zichzelf niet meer in dit dolle milieu van lijdende broeders, vervloekte zijn verstand, nam, zich in nauwe gemeenschap voelend met die nederigen van harte, het vaste besluit te gelooven als zij.
Waartoe diende die physiologische enquête over Bernadette, die zoo ingewikkeld en vol lacunes was? Waarom haar niet te aanvaarden als een boodschapster uit het hiernamaals, een uitverkorene van het goddelijke onbekende? De geneesheeren waren slechts ignoranten met ruwe handen, terwijl het zoo heerlijk zijn zou in te sluimeren in het geloof der kleine kinderen, in de toovertuinen van het onmogelijke! Eindelijk had hij een kostelijk oogenblik van algeheele overgave, trachtte hij niet meer zich iets te verklaren, aanvaardde hij de helderziende met haar rijk gevolg van wonderen, vertrouwde hij zich geheel aan God om voor hem te denken en te willen. Hij keek door het raampje, dat men ter wille van de teringlijdsters niet open durfde zetten, naar buiten en zag den diepen nacht, die zich over het land uitstrekte, waardoor de trein voortsuisde.