De Drie Musketiers dl. I en II

Part 7

Chapter 73,480 wordsPublic domain

Vervolgens zich tot den heer de Tréville wendende, en zich met hem naar een der vensters begevende, ging hij voort: „En gij zegt, mijnheer, dat het de lijfwacht van Zijne Eminentie is, die met uw musketiers twist heeft gezocht?”--„Ja, Sire! zooals gewoonlijk.”--„En hoe is die twist ontstaan? spreek! want gij weet, mijn waarde kapitein! dat een rechter beide partijen moet hooren.”--„Och, mijn hemel! op de eenvoudigste en natuurlijkste wijze: Drie mijner beste soldaten, die Uwe Majesteit bij naam kent, en van welke zij meer dan eens de gehechtheid naar waarde heeft geschat, en die ook, dit kan ik den koning verzekeren, zijn dienst zeer ter harte nemen, drie mijner soldaten, zeg ik, de heeren Athos, Porthos en Aramis, hadden een pleizierpartij voorgenomen met zekeren jongen Gaskonjischen edelman, dien ik hun dienzelfden morgen had aanbevolen. Men zoude zich, geloof ik, naar _St. Germain_ begeven, terwijl men afspraak had gemaakt, elkander bij het klooster der Barrevoeter-Karmelieten te ontmoeten; maar dáár werden zij overvallen door de heeren Jussac, Cahussac, Biscarat en twee andere gardes, die zeker op die plek, in zoo talrijk gezelschap, niet met het doel gekomen waren, de edikten te handhaven.”--„Ha, ha!” riep de koning, „gij doet er mij aan denken; ongetwijfeld kwamen zij dáár, om te vechten?”--„Ik beschuldig hen niet, Sire! maar ik laat het aan het doorzicht Uwer Majesteit over, om het oogmerk te bevroeden van vijf gewapende lieden, die zich naar een plek begeven, zoo eenzaam, als de omstreken van het Karmelieten-klooster zijn.”--„Ja, ja, de Tréville! gij hebt gelijk, gij hebt gelijk!”--„Maar toen zij mijn musketiers ontmoetten, veranderden zij van gedachte en vergaten hun bijzonderen haat voor dien, welken zij dit korps toedragen; immers, het is Uwe Majesteit niet onbekend, dat de musketiers, die den koning, en alleen den koning zóó verknocht zijn, de natuurlijke vijanden zijn der lijfwacht van den kardinaal.”--„Ja, Tréville! ja,” zeide de koning droefgeestig, „het is wel treurig, geloof mij, in Frankrijk op die wijze twee partijen te zien, twee hoofden van het koningschap; maar het zal een einde nemen, Tréville! het zal een einde nemen. Gij zegt alzoo, dat de gardes twist met de musketiers hebben gezocht?”--„Ik zeg, dat het waarschijnlijk is, dat de zaken zich dus hebben toegedragen, maar ik wil er geen eed op doen, Sire. Gij weet, hoe moeilijk het is, de waarheid te doorgronden, althans, wanneer men niet begaafd is met het bewonderenswaardig talent, dat Lodewijk XIII den naam van den _Rechtvaardigen_ heeft doen krijgen.”--„Gij hebt gelijk, Tréville! maar zij waren niet alleen, uw musketiers, er was een knaap in hun gezelschap?”--„Ja, Sire! ook een gekwetste, zoodat drie musketiers des konings, waarbij een gekwetste en een jonge knaap, niet alleen het hoofd hebben geboden aan vijf der verschrikkelijkste gardes van Zijne Eminentie den kardinaal, maar er zelfs vier van hebben neergeveld.”--„Inderdaad, dat is een overwinning!” riep de koning met een gelaat blinkend van vreugd, „een volkomen overwinning!”--„Ja, Sire! even volkomen als die bij de brug van Cé.”--„Vier personen, van welke er een gekwetst en een ander een knaap was, zegt gij?”--„Nauwelijks een knaap; en deze heeft zich zoo moedig gedragen bij die gelegenheid, dat ik mij veroorloof hem Uwer Majesteit aan te bevelen.”--„Hoe heet hij?”--„D’Artagnan, Sire! hij is de zoon van een mijner oudste vrienden, de zoon van een man, die met den koning, uw vader, roemrijker gedachtenis, als partijganger den oorlog heeft medegemaakt.”--„En gij zegt, dat die jongeling zich zoo moedig heeft gedragen? Verhaal mij dat eens, Tréville! gij weet, dat ik een liefhebber ben van krijgsverhalen en gevechten.” En koning Lodewijk XIII streek trotsch zijn knevel op, zijn hand op de heup latende rusten.

„Sire!” hernam Tréville, „zooals ik u zeide, is de heer d’Artagnan nog slechts een knaap,--en daar hij de eer niet heeft onder de musketiers te staan, was hij in burgerkleeding. De gardes van den kardinaal, zijn groote jonkheid bemerkende, en daarbij ziende, dat hij niet tot het korps behoorde, verzochten hem zich te verwijderen, alvorens zij zouden aanvallen.”--„Gij ziet dus wel, Tréville! dat zij het zijn, die het eerst hebben aangevallen.”--„Dat is ook zoo, Sire! er is hieraan niet meer te twijfelen; zij bevalen hem zich te verwijderen; maar hij antwoordde, dat hij, in zijn hart musketier, en vol gehechtheid aan den koning zijnde, in het gezelschap der heeren musketiers zou blijven.”--„Een moedig jongeling!” mompelde de koning.--„En werkelijk, hij bleef, zoodat Uwe Majesteit in hem een zeer geduchten voorvechter bezit. Want hij was het, die Jussac dien vreeselijken degenstoot toebracht, welke den kardinaal zoo vertoornd heeft.”--„Is hij het, die Jussac heeft gewond?” riep de koning, „die knaap? Neen, Tréville, dat is niet mogelijk.”--„Het is, zooals ik de eer heb Uwe Majesteit te zeggen.”--„Jussac, een der behendigste schermmeesters van mijn rijk!”--„Hij heeft nu zijn meester gevonden.”--„Ik wil den jongeling zien, Tréville! Ik wil hem zien, en indien men iets voor hem kan doen, zal men het doen.”--„Wanneer zal het Uwe Majesteit gelegen komen hem te ontvangen?”--„Morgen, om twaalf uur, Tréville!”--„Moet ik hem alleen mede brengen?”--„Neen, stel ze mij alle vier gelijktijdig voor; gehechtheid is zeldzaam, en men moet die beloonen.”--„Om twaalf uur zullen wij in het Louvre zijn, Sire!”--„Ja, maar langs de kleine trap. De kardinaal behoeft hiervan niets te weten.”--„Goed, Sire!”--„Gij begrijpt, Tréville! een edikt blijft een edikt, en bij slot van rekening zijn de tweegevechten verboden.”--„Maar deze ontmoeting, Sire! is geheel en al van een gewoon tweegevecht verschillend; het was een gewelddadige aanranding, en het bewijs hiervan is, dat er vijf gardes van den kardinaal en slechts drie musketiers en de heer d’Artagnan op de plaats tegenwoordig waren.”--„Dat is waar!” zeide de koning; „maar het doet er niet toe, Tréville! kom toch maar langs de kleine trap.”

Tréville glimlachte; maar dewijl het reeds veel voor hem was, dat de knaap tegen zijn meester was opgestaan, groette hij eerbiedig den koning en nam, met verlof, afscheid van hem.

Nog dienzelfden avond werden de drie musketiers verwittigd, welke eer hun zou te beurt vallen. Daar zij sinds lang den koning kenden, waren zij hiermede niet bovenmatig verblijd. Doch d’Artagnan met zijn Gaskonjische verbeeldingskracht zag hierin zijn toekomstige fortuin en bracht den nacht door in gouden droomen. Reeds te acht uur was hij bij Athos. D’Artagnan trof den musketier geheel gekleed aan en op het punt om uit te gaan. Dewijl men niet vóór twaalf uur bij den koning behoefde te wezen, had hij met Porthos en Aramis afgesproken een kaatspartij te maken in zekere herberg in de nabijheid van het _Luxembourg_. Athos noodde d’Artagnan uit hem te vergezellen, en hoezeer onbekend met dat spel, hetwelk hij nooit had gespeeld, nam hij het voorstel aan, niet wetende waarmede zijn tijd te besteden van negen uur, zooals het nauwelijks was, tot des middags twaalf uur.

De beide musketiers waren reeds ter plaatse aanwezig en kaatsten elkander den bal toe. Athos, die zeer sterk was in allerlei soort van lichaamsoefeningen, ging met d’Artagnan tegenover hen staan en daagde hen uit. Maar bij den eersten worp, dien hij deed, hoewel hij de linkerhand gebruikte, voelde hij, dat zijn wond nog te versch was, om zich een dergelijke uitspanning te veroorloven. D’Artagnan bleef dus alleen en daar hij verklaarde niet handig genoeg te zijn om een geregelde partij te maken, wierp men elkander slechts de ballen toe, zonder de winnende punten aan te teekenen. Maar een der ballen, door de krachtige vuist van Porthos geworpen, snorde zoo dicht voorbij het aangezicht van d’Artagnan, dat deze bij zich zelven zeide, dat, bijaldien de bal, in plaats van voorbij te vliegen, hem in het aangezicht geraakt had, zijn audiëntie verloren zou zijn, aangezien het volgens alle waarschijnlijkheid dan onmogelijk zou zijn geweest zich voor den koning te vertoonen. En dewijl, volgens zijn Gaskonjische verbeelding, van deze audiëntie geheel zijn toekomst afhing, groette hij beleefd Porthos en Aramis, met de betuiging dat spel niet weder te hervatten, alvorens hij zich zou hebben in staat gesteld hun het hoofd te bieden; en daarop keerde hij achter de omheining terug, waar de toeschouwers stonden.

Ongelukkig voor d’Artagnan bevond zich onder hen een der lijfwachten van Zijne Eminentie, die, nog gloeiend van gramschap over de nederlaag daags te voren door zijn wapenbroeders geleden, bij zich zelven had gezworen van de eerste gelegenheid de beste gebruik te maken, hen te wreken. Hij meende nu, dat deze gelegenheid dáár was, en zich tot zijn nevenman richtende, zeide hij: „Het is niet te verwonderen, dat deze jongeling voor een kogel bevreesd is; hij is ongetwijfeld een aankomend musketier.”--D’Artagnan keerde zich om alsof een slang hem gebeten had, en bezag met strakken blik den garde, die deze hoonende woorden had uitgesproken.

„_Pardieu_!” hernam deze, tartend zijn knevel opstrijkende, „bezie mij zooveel gij wilt, jonge heer! ik heb gezegd, wat ik gezegd heb.”--„En dewijl hetgeen gij hebt gezegd te duidelijk is, om van uw woorden nadere verklaring te vragen,” antwoordde d’Artagnan met gesmoorde stem, „verzoek ik u mij te volgen.”--„En wanneer?” vroeg de garde op denzelfden spottenden toon.--„Oogenblikkelijk als het u belieft.”--„Gij weet zeker wie ik ben?”--„Ik, ik ken u volstrekt niet, en dat is mij volkomen onverschillig.”--„Gij hebt ongelijk; want indien gij mijn naam kendet, zoudt gij misschien minder haastig zijn.”--„Hoe is uw naam?”--„Bernajoux, om u te dienen.”--„Welnu, mijnheer Bernajoux!” zeide d’Artagnan bedaard, „ik zal u aan de deur wachten!”--„Goed, mijnheer! ik volg u.”--„Haast u niet te veel, mijnheer! opdat men niet bemerke, dat wij beiden tegelijk vertrekken; gij begrijpt, dat voor hetgeen wij willen doen een te groot gezelschap hinderlijk zou zijn.”--„Het is wel,” antwoordde de garde, verwonderd dat zijn naam niet meer uitwerking op den jongeling had gemaakt.

Inderdaad, de naam van Bernajoux was aan geheel de wereld bekend, alleen misschien aan d’Artagnan niet, want hij was een dergenen, die het meest in de bijna dagelijksche geweldenarijen en vechterijen, welke noch de koning, noch de kardinaal hadden kunnen onderdrukken, een voorname rol speelde.... Porthos en Aramis waren te veel aan hun spel overgegeven, en Athos beschouwde het met een te groote aandacht, om hun jeugdigen vriend te zien vertrekken, die, zooals hij het aan de garde Zijner Eminentie had gezegd, voor de deur wachtte. Een oogenblik daarna verwijderde deze zich ook. Daar d’Artagnan geen tijd had te verliezen, uit hoofde van des konings audiëntie, die te twaalf uur was bepaald, liet hij zijn blik rondgaan, en bemerkende, dat de straat eenzaam was, zeide hij tot zijn vijand: „Op mijn woord, mijnheer! gij zijt wel gelukkig, ofschoon gij Bernajoux heet, dat gij slechts met een aankomenden musketier te doen hebt; doch wees gerust, ik zal mijn best doen. Verdedig u.”--„Maar,” zeide hij, dien d’Artagnan op deze wijze uitdaagde, „deze plaats schijnt mij al zeer slecht gekozen, en ik meen, dat wij ons beter zouden bevinden achter de abdij van _St. Germain_ of in de Pré aux Clercs.”--„Wat gij zegt is zeer verstandig,” antwoordde d’Artagnan, „ongelukkig heb ik weinig tijd, daar ik juist te twaalf uur een bezoek moet afleggen. Dus verdedig u, mijnheer, verdedig u.”

Bernajoux was de man niet, om zich een dergelijk compliment te doen herhalen. Onmiddellijk blonk dan ook zijn degen in zijn hand, en hij deed een uitval, waarmede hij hoopte de groote jeugd zijns vijands vrees aan te jagen. Maar d’Artagnan had den vorigen dag zijn proefstuk volbracht, en door zijn zegepraal nog geheel opgewonden, terwijl zijn toekomstig geluk hem het hoofd op hol bracht, was hij vast besloten geen duimbreed te wijken; ook waren de uitvallen zoo hevig, dat beide gevesten elkander raakten; en daar d’Artagnan onwrikbaar op zijn plaats bleef, was het zijn tegenpartij, die een schrede achteruit deinsde. Intusschen maakte d’Artagnan van het oogenblik gebruik, dat de degen van Bernajoux, toen deze zich oprichtte, van de rechte lijn afweek, om onmiddellijk weder een uitval te doen, tengevolge van welken hij den arm van zijn tegenpartij doorstak; daarop trad d’Artagnan op zijn beurt een schrede achteruit en hief zijn degen op, doch Bernajoux riep hem toe, dat het niets was, en toen hij daarop een verwoeden uitval deed, stortte hij zich zelven in den vijandelijken degen. Daar hij echter niet viel noch zich overwonnen gaf, maar naar de zijde van het hotel des heeren de la Trémouille, in wiens dienst een zijner aanverwanten was, achteruit deinsde, en daar d’Artagnan volstrekt onbewust was van de gevaarlijkheid der laatste wonde, welke hij hem had toegebracht, vervolgde deze hem halsstarrig, en zoude hem waarschijnlijk door een derden stoot het leven hebben ontnomen, indien niet twee vrienden van de garde, die hem eenige woorden met d’Artagnan hadden hooren wisselen en hem daarop hadden zien vertrekken, door het straatgerucht opmerkzaam gemaakt, dat tot in het speelhuis doordrong, met uitgetrokken degen naar buiten waren gesneld en den overwinnaar hadden aangevallen. Doch op hetzelfde oogenblik vertoonden zich op hun beurt Athos, Porthos en Aramis, en dwongen de twee gardes, die hun jongen vriend aanvielen, achteruit te gaan. Daarop viel Bernajoux ter aarde, en dewijl de gardes twee tegen vier waren, begonnen zij te roepen: „Te hulp! Te hulp! La Trémouille!”

Op dit geroep snelden allen, die het hotel van de la Trémouille bewoonden, er uit, en drongen elkander tegen de vier wapenbroeders, die van hun kant begonnen te roepen: „Te hulp, musketiers! te hulp!”--Dat geroep werd gewoonlijk gehoord; want men kende de vijandigheid, welke de musketiers Zijne Eminentie toedroegen, en juist uit hoofde van dien haat voor den kardinaal was men hen genegen. Derhalve kozen de krijgslieden der overige kompagnieën, die niet tot den rooden hertog behoorden, zooals Aramis hem genoemd had, wanneer die soort van schermutselingen plaats vonden, gewoonlijk partij voor de musketiers des konings.

Van drie gardes der kompagnie des heeren des Essarts, die daar langs kwamen, snelden twee de vier strijdmakkers te hulp, terwijl de derde naar het hotel Tréville liep, uitroepende: „Te hulp, musketiers! te hulp!”

Als gewoonlijk was het huis van den heer de Tréville vol krijgslieden, die zich haastten hun vrienden bijstand te verleenen; het gevecht werd algemeen, doch de musketiers behielden de overhand. Des kardinaals lijfwachten en de dienaren van den heer de la Trémouille trokken af naar het hotel, waarvan zij de deuren tijdig genoeg sloten, om te beletten dat hun vijand niet tevens met hen naar binnen drong. De gekwetste Bernajoux was er reeds vroeger in gebracht, en, gelijk wij zeiden, in deerniswaardigen toestand.

Er heerschte een buitengewone opgewondenheid onder de musketiers en hun bondgenooten; reeds beraadslaagde men, ter bestraffing des euvelmoeds der dienaren van den heer de la Trémouille, die de musketiers des konings hadden aangevallen, of men zijn hotel niet in brand zou steken. Dat voorstel was met evenveel geestdrift gedaan als aangenomen, toen het gelukkig elf uur sloeg, wat aan d’Artagnan en zijn vrienden hun audiëntie herinnerde; en daar zij spijt zouden hebben gevoeld, dat een zoo fraaie vermakelijkheid in hun afwezigheid mocht plaats hebben, slaagden zij in hun pogingen om de belhamels te doen bedaren. Men vergenoegde zich met eenige straatsteenen tegen de deuren te werpen, maar de deuren boden weerstand en men begon moede te worden; bovendien, zij die als de aanvoerders van het bedrijf moesten worden aangezien, hadden reeds een oogenblik geleden de groep verlaten en richtten nu hun schreden naar het hotel des heeren de Tréville, die hen wachtte en het bericht der nieuwe baldadigheid reeds ontvangen had.

„Spoedig naar het Louvre,” zeide hij, „naar het Louvre, zonder een oogenblik te verliezen; zorgen wij den koning te spreken, alvorens hij den kardinaal heeft gezien. Wij zullen hem het gebeurde als een gevolg van het gisteren plaats gehad hebbende voorstellen, het zal dan voor één zaak doorgaan.”

De heer de Tréville, vergezeld van de vier jongelieden, begaf zich naar het Louvre; doch tot zijn groote verwondering berichtte men den kapitein der musketiers, dat de koning zich naar het bosch van _St. Germain_ ter hertenjacht had begeven. De Tréville liet zich dat nieuws tot tweemaal toe herhalen, waarbij telkens zijn krijgslieden zijn gelaat zagen verduisteren.--„Had Zijne Majesteit,” vroeg hij, „gisteren reeds het voornemen ter jacht te gaan?”--„Neen, Uwe Excellentie!” antwoordde de kamerdienaar, „heden morgen kwam de opperwachtmeester tijding brengen, dat men des nachts een vijfjarig hert voor hem had opgejaagd. Aanvankelijk weigerde hij er aan deel te nemen, maar eindelijk haalde het voorbereid vermaak hem over en na het middagmaal is hij vertrokken.”--„En heeft de koning den kardinaal gesproken?” vroeg de heer de Tréville.--„Waarschijnlijk,” antwoordde de kamerdienaar: „want dezen morgen heb ik de paarden voor het rijtuig van Zijne Eminentie gezien. Ik vroeg werwaarts hij voornemens was te gaan, en men antwoordde mij: naar _St. Germain_.”--„Men is ons vóór geweest, mijne heeren!” zeide de heer de Tréville, „ik zal den koning van avond spreken en wat u betreft, heeren! ik raad u, zulks niet te wagen.”

Die raad was te verstandig en werd bovendien door een man gegeven, die al te wel den koning kende, om door de vier jongelieden niet te worden gevolgd. De heer de Tréville verzocht hen dan naar huis terug te keeren, in afwachting van nadere tijding van hem. In zijn hotel teruggekomen, overtuigde zich de Tréville, dat hij zich de zaak aantrekken en het eerst zijn klacht moest doen. Hij zond derhalve een zijner dienaren tot den heer de la Trémouille met een brief, waarin hij hem verzocht den lijfwacht des kardinaals zijn huis te doen ontruimen en zijn lieden te bestraffen over hun euvelmoed, de musketiers des konings te hebben aangevallen. Maar de heer de la Trémouille, reeds door zijn schildknaap, den bloedverwant van Bernajoux, onderricht, liet hem antwoorden, dat de heer de Tréville noch zijn musketiers reden hadden tot klagen, maar hij integendeel, daar zijn lieden door de musketiers waren aangevallen geworden, die daarenboven zijn hotel in brand hadden willen steken.--En dewijl de twist dier edellieden van langen duur had kunnen zijn, daar beiden meenden recht te hebben, ging de Tréville tot een maatregel over, die ten doel had alles in der minne te schikken: namelijk dien, van den heer de la Trémouille in persoon te gaan spreken. Diensvolgens begaf hij zich onverwijld naar deszelfs hotel en liet zich aanmelden.

Beide edellieden groetten elkander vriendelijk; ofschoon er tusschen hen geen vriendschap bestond, droegen zij elkander wederzijdsche achting toe. Zij waren beiden dappere, achtenswaardige mannen, en dewijl de heer de la Trémouille, die Protestantsch was en zelden den koning bezocht, tot hoegenaamd geene partij behoorde, vertoonde hij meestal in zijn maatschappelijke betrekkingen niet de minste partijdigheid. Nu echter was zijn onthaal, hoezeer beleefd, koeler dan gewoonlijk.--„Mijnheer!” zeide de heer de Tréville, „wij meenen beiden over elkander te klagen te hebben; ik heb mij daarom in persoon tot u vervoegd, ten einde omtrent die aangelegenheid elkander in te lichten.”--„Gaarne,” antwoordde de heer de la Trémouille, „maar ik zeg u vooraf, dat ik zeer goed onderricht ben en de schuld aan uw musketiers ligt.”--„Gij zijt een al te rechtvaardig en verstandig man,” zeide de heer de Tréville, „om het voorstel niet aan te nemen, dat ik u doen zal.”--„Laat hooren, mijnheer! ik luister.”--„Hoe bevindt zich de heer Bernajoux, de bloedverwant van uw schildknaap?”--„Wel, mijnheer! zeer slecht; want behalve den degensteek in den arm, die trouwens niet gevaarlijk is, heeft hij nog een tweeden ontvangen, die de long heeft gekwetst, zoodat de heelmeester er niet veel goeds van zegt.”--„Maar heeft de gekwetste zijn bewustzijn behouden?”--„Volkomen.”--„Kan hij spreken?”--„Moeilijk, maar hij spreekt toch.”--„Welnu, mijnheer! begeven wij ons dan tot hem. Bezweren wij hem in den naam Gods, voor wien hij misschien dra zal verschijnen, de waarheid te zeggen. Laat hem rechter in zijn eigen zaak zijn, mijnheer! en wat hij zegt zal ik gelooven.”

De heer de la Trémouille bleef een oogenblik nadenken, doch daar het moeilijk was een redelijker voorstel te doen, nam hij het aan. Beiden begaven zich diensvolgens in de kamer van den gekwetste. Deze, twee voorname edellieden ziende binnenkomen om hem een bezoek te brengen, trachtte zich in zijn bed op te richten; maar te zwak zijnde en uitgeput door te groote inspanning, viel hij bewusteloos weer op zijn legerstede neder. De heer de la Trémouille naderde hem en deed hem salmoniak opsnuiven, hetgeen hem tot kennis terugbracht. Daarop verzocht de heer de Tréville, vreezende dat men hem zou beschuldigen op den gekwetste eenigen invloed te hebben uitgeoefend, den heer de la Trémouille, den gekwetste in persoon te ondervragen. Hetgeen de heer de Tréville had voorzien gebeurde. Tusschen leven en dood zwevende, had Bernajoux zelfs niet een oogenblik de gedachte de waarheid te verzwijgen, en hij verhaalde aan beide heeren oprecht de zaken, zooals zij waren voorgevallen. Dit was alles, wat de heer de Tréville verlangde; hij wenschte Bernajoux een spoedige beterschap, nam afscheid van den heer de la Trémouille, keerde naar zijn hotel terug en deed dadelijk zijn vier musketiers verwittigen, dat hij hen aan het middagmaal wachtte.