De Drie Musketiers dl. I en II

Part 60

Chapter 603,258 wordsPublic domain

Op zekeren dag, dat de koning op den weg halt had doen houden, om de jacht met de ekster te zien, en de vier vrienden volgens gewoonte, in plaats van aan de jacht deel te nemen, zich in een herberg aan den grooten weg ophielden, liet een ruiter, die met lossen teugel van _la Rochelle_ was gekomen, zijn paard voor de deur der herberg stilstaan en eischte een glas wijn, terwijl hij een blik in de kamer wierp, waar de vier musketiers bij elkander waren.

„Heidaar! mijnheer d’Artagnan!” zeide hij, „zijt gij het niet, dien ik dáár zie?”--D’Artagnan richtte het hoofd omhoog en slaakte een vreugdekreet. Die man, die hem had geroepen, was zijn onbekende van _Meung_, van de Doodgraversstraat en van _Arras_. D’Artagnan trok zijn degen en snelde de deur uit. Maar dezen keer, in plaats van te vluchten, sprong de onbekende van zijn paard en trad d’Artagnan tegemoet.--„Ha! mijnheer!” riep de jongeling, „ik ontmoet u eindelijk! Dezen keer zult gij mij niet ontsnappen.”--„Dat is ook volstrekt mijn bedoeling niet, mijnheer! want nu zoek ik u. In naam des konings neem ik u gevangen.”--„Hoe! wat zegt gij?” riep d’Artagnan.--„Ik zeg u, dat gij mij uw degen moet geven, en dat zonder weerstand, mijnheer! uw hoofd is er mede gemoeid, ik waarschuw u.”--„Wie zijt gij toch?” vroeg d’Artagnan, zijn degen latende zinken, doch zonder dien over te geven.--„Ik ben de ridder de Rochefort,” antwoordde de onbekende, „de adjudant van den kardinaal de Richelieu, en ik heb bevel u tot Zijne Eminentie te geleiden....”

„Wij keeren naar Zijne Eminentie terug, mijnheer de ridder!” zeide Athos, toetredende; „en gij zult wel het woord van eer van den heer d’Artagnan willen aannemen, dat hij zich rechtstreeks naar _la Rochelle_ zal begeven.”--„Ik moet hem in handen der gardes stellen, die hem naar het legerkamp zullen voeren.”--„Wij zullen hem tot geleide verstrekken, mijnheer! op ons woord van eer.... Maar ook op ons woord van eer,” voegde Athos er bij, de wenkbrauwen fronsende, „de heer d’Artagnan zal ons niet verlaten.”

De ridder de Rochefort wierp een blik achter zich en ontwaarde Porthos en Aramis, die hem voor de deur hielden ingesloten; hij begreep, dat hij volkomen aan de genade van de vier mannen was overgelaten.--„Mijne heeren!” zeide hij, „indien de heer d’Artagnan mij zijn degen wil overgeven en zijn woord bij het uwe voegen, wil ik mij met uw belofte tevreden stellen, van den heer d’Artagnan naar het hoofdkwartier van den kardinaal te geleiden.”--„Ik geef u mijn woord, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en ziedaar mijn degen.”--„Dat is mij des te liever,” hernam Rochefort, „daar ik mijn reis moet vervolgen.”--„Indien het is om u met milady te vereenigen,” zeide Athos koel, „dan is het vruchteloos, gij zult haar niet vinden.”--„Wat is er dan van haar geworden?” vroeg Rochefort ongeduldig.--„Vergezel ons naar het legerkamp en gij zult het vernemen.”

Rochefort bleef een oogenblik in gedachten verzonken; daar men slechts een dagreis van _Surgères_ was verwijderd, tot waar de kardinaal den koning moest tegemoet gaan, besloot hij den raad van Athos te volgen en met hem terug te keeren. Bovendien bood de terugreis hem een voordeel aan, namelijk in persoon den gevangene te kunnen bewaken. Men begaf zich op weg.

Den volgenden dag, des namiddags te drie uur, kwam men te _Surgères_ aan; de kardinaal wachtte er Lodewijk XIII reeds. De minister en de koning wisselden dáár met elkander veel beleefdheden, wenschten elkander geluk met het toeval, dat _Frankrijk_ van den halsstarrigen vijand had verlost, die _Europa_ er tegen ophitste....; waarna de kardinaal, door Rochefort verwittigd van de inhechtenisneming van d’Artagnan en ongeduldig hem te verhooren, van den koning afscheid nam, hem uitnoodigende den volgenden morgen de werkzaamheden aan den dijk te komen bezichtigen, die voleind waren.

Toen hij des avonds in zijn hoofdkwartier van _Pont de Pierre_ terugkwam, vond de kardinaal voor het huis, dat hij bewoonde, d’Artagnan zonder degen, en de drie musketiers gewapend staan. Nu, daar hij zich bewust was van zijn macht, beschouwde hij hem met een gestrengen blik en wenkte d’Artagnan met oog en hand om hem te volgen.--„Wij wachten u, d’Artagnan!” zeide Athos luide genoeg om door den kardinaal gehoord te worden.--Zijne Eminentie fronste het voorhoofd, bleef een oogenblik staan en vervolgde toen zijn weg, zonder een woord te spreken.

D’Artagnan trad achter den kardinaal, en Rochefort na d’Artagnan binnen; de deur werd bewaakt.--Zijne Eminentie begaf zich in de kamer, welke hem tot kabinet diende, en gaf Rochefort een wenk, den jongen musketier binnen te geleiden.--Rochefort gehoorzaamde en verwijderde zich.--D’Artagnan bleef alleen met den kardinaal; het was zijn tweede samenkomst met Richelieu, en hij bekende later, dat hij overtuigd was, dat het de laatste zou zijn.

Richelieu bleef overeind, tegen den schoorsteen leunende, staan; een tafel stond tusschen hem en d’Artagnan.--„Mijnheer!” zeide de kardinaal, „gij zijt op mijn bevel in hechtenis genomen.”--„Men heeft het mij gezegd, Uwe Eminentie!”--„Weet gij waarom?”--„Neen, Uwe Eminentie! want het eenige, waarvoor men mij zou kunnen in hechtenis nemen, is u nog onbekend.”--Richelieu beschouwde den jongeling met strakken blik.--„Wel,” zeide hij, „wat moet dat beteekenen?”--„Indien Uwe Eminentie mij eerst de misdaden wil mededeelen, waarvan men mij beschuldigt, zal ik Uwe Eminentie de daden verhalen, die ik heb verricht.”--„Men beschuldigt u van misdaden, die grootere hoofden dan het uwe hebben doen vallen,” antwoordde de kardinaal.--„Welke? Uwe Eminentie!” vroeg d’Artagnan met een kalmte, die den kardinaal verbaasde.--„Men beschuldigt u, van met den vijand des koninkrijks briefwisseling te hebben gehouden; men beschuldigt u, de geheimen van den Staat te hebben verraden; men beschuldigt u, getracht te hebben de plannen van uw generaal te doen mislukken.”--„En wie beschuldigt mij hiervan, Uwe Eminentie?” vroeg d’Artagnan, die zich overtuigd hield, dat de beschuldiging van milady kwam. „Een door den scherprechter van het land gebrandmerkte vrouw, een vrouw, die in _Frankrijk_ een man en in _Engeland_ een anderen man heeft gehuwd, een vrouw, die haar tweeden echtgenoot door vergif om het leven heeft gebracht, en die getracht heeft ook mij te vergiftigen.”--„Wat zegt gij toch, mijnheer!” riep de kardinaal verwonderd uit, „en van welke vrouw spreekt gij op die wijze?”--„Van milady de Winter, van wie Uwe Eminentie ongetwijfeld de misdaden niet kende, toen zij haar met eenig vertrouwen vereerde.”--„Mijnheer!” zeide de kardinaal, „indien milady de misdaden heeft bedreven, welke gij zegt, dan zal zij gestraft worden.”--„Zij is het reeds, Uwe Eminentie!”--„En wie heeft haar gestraft?”--„Wij.”--„Is zij in de gevangenis?”--„Zij is dood.”--„Dood!” herhaalde de kardinaal, die niet kon gelooven, wat hij hoorde; „dood! hebt gij mij niet gezegd, dat zij dood was?”--„Tot drie malen toe heeft zij getracht mij om het leven te brengen, en ik heb haar vergiffenis geschonken; maar toen heeft zij de vrouw vermoord, die ik beminde, en ik en mijn vrienden hebben haar genomen, veroordeeld en gestraft.”

D’Artagnan verhaalde toen de vergiftiging van juffrouw Bonacieux in het Karmelieten-klooster van _Béthune_, de veroordeeling in het eenzame huis en de strafoefening op den oever der _Lys_.--Een rilling doorliep het geheele lichaam van den kardinaal, die toch niet spoedig rilde.... Maar eensklaps, alsof hij den invloed eener diepe gedachte onderging, helderde van lieverlede het aangezicht van den kardinaal op, dat tot hiertoe somber was geweest, en bleef in de volkomenste rust.--„Alzoo,” zeide hij met een stem, wier zachtheid weinig overeenstemde met de strengheid zijner woorden, „alzoo hebt gij u tot rechters opgeworpen, zonder hierbij te overwegen, dat zij, die den last niet hebben te straffen en evenwel straffen, moordenaars zijn.”--„Ik zweer u, Uwe Eminentie! dat ik niet een oogenblik de gedachte heb gehad, mijn hoofd tegen u te verdedigen; ik zal de straf ondergaan, die Uwe Eminentie mij zal opleggen. Ik ben niet genoeg aan het leven gehecht, om den dood te vreezen.”--„Ja, ik weet het, gij zijt een moedig jongeling, mijnheer!” hernam de kardinaal met bijna vriendelijke stem; „ik kan u dan vooraf zeggen, dat gij geoordeeld, ja gevonnist zult worden.”--„Een ander zou Uwe Eminentie kunnen antwoorden, dat hij zijn gratie in den zak had; ik zal mij bepalen u te zeggen: beveel, Uwe Eminentie! ik ben gereed.”--„Uw gratie?” zeide Richelieu verwonderd.--„Ja, Uwe Eminentie!” hernam d’Artagnan.--„En door wien geteekend?.... door den koning?”--De kardinaal sprak de laatste woorden met een zonderlingen toon van verachting uit.--„Neen, van Uwe Eminentie!”--„Van mij, zijt gij gek, mijnheer!”--„Uwe Eminentie zal ongetwijfeld het schrift wel herkennen.”--En d’Artagnan bood den kardinaal het kostbaar papier aan, dat Athos aan milady had ontrukt, en hetwelk deze d’Artagnan had gegeven om hem tot een redmiddel te strekken.

Zijne Eminentie nam het papier en las langzaam en op elk woord drukkende:

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.

Richelieu.”

3 Augustus 1628.

Na die paar woorden gelezen te hebben, verviel de kardinaal in een diep gepeins; doch hij gaf d’Artagnan het papier niet terug.--„Hij peinst door welke soort van foltering hij mij zal doen sterven,” dacht de Gaskonjer. „Welnu! in Godsnaam! dan zal hij zien, hoe een edelman sterft.”--De jonge musketier was in de heerlijkste geestgesteldheid om als een held te sterven.

Richelieu bleef steeds in gedachten verzonken; hij rolde en ontrolde het papier in zijn hand. Eindelijk richtte hij het hoofd omhoog, vestigde zijn adelaarsblik op dat edel, open en vol gelaat, las op die van tranen doorgroefde wangen al het lijden, dat hij sedert een maand verduurd had, en overwoog voor de derde of vierde maal, welke toekomst er voor dien knaap van twintig jaren nog open stond, en welke hulp zijn bedrijvigheid, zijn moed en zijn verstand een goeden meester konden aanbieden. Van den anderen kant hadden de misdaden, de macht en het helsche genie van milady hem meer dan eens met ontzetting vervuld. Hij gevoelde een geheime vreugde voor altijd van de gevaarlijke handlangster verlost te zijn. Hij verscheurde langzaam het papier, dat d’Artagnan hem zoo edelmoedig had afgestaan.

„Ik ben verloren,” zeide d’Artagnan bij zich zelven. En hij boog zich diep voor den kardinaal, als iemand die zou zeggen: „Heer! uw wil geschiede.”

De kardinaal naderde de tafel, en zonder te gaan zitten schreef hij eenige regels op een perkament, waarvan het twee-derde reeds was ingevuld; vervolgens zette hij er zijn zegel op.

„Dat is mijn veroordeeling,” dacht d’Artagnan, „hij bespaart mij de verveling der Bastille en de langdurigheid van een rechtsgeding. Dat is waarlijk zeer beminnelijk van hem.”

„Ziedaar, mijnheer!” zeide de kardinaal tot den jongeling, „ik heb van u een volmacht terugontvangen, en ik geef er u een ander voor in de plaats. De naam is op dit brevet oningevuld; gij zult er hem inzetten.”--D’Artagnan nam het papier aarzelend aan en wierp er het oog op. Het was een aanstelling als luitenant bij de musketiers. D’Artagnan viel voor de voeten des kardinaals neer.--„Uwe Eminentie!” zeide hij, „mijn leven behoort u, beschik er voortaan over; doch die gunst, welke gij mij schenkt, heb ik niet verdiend; ik heb drie vrienden, die dezelve meer waardig zijn.”--„Gij zijt een braaf jongeling, d’Artagnan!” viel de kardinaal hem in de rede, hem vertrouwelijk op den schouder kloppende, bekoord een zoo weerbarstigen aard te hebben overwonnen; „doe met die aanstelling wat gij wilt, dewijl de naam oningevuld is; alleen herinner u, dat het aan u is, dat ik ze geef.”--„Ik zal het nooit vergeten,” antwoordde d’Artagnan, „Uwe Eminentie kan er van verzekerd zijn.”

De kardinaal keerde zich om en riep luide: „Rochefort!”--De ridder, die ongetwijfeld voor de deur was blijven staan, trad onmiddellijk binnen.--„Rochefort!” zeide de kardinaal, „gij ziet daar den heer d’Artagnan; hij behoort onder het getal mijner vrienden. Omhelst elkander en weest verstandig, indien gij er op gesteld zijt het hoofd te behouden.”

Rochefort en d’Artagnan omhelsden elkander wel niet zeer hartelijk, maar de kardinaal was tegenwoordig en sloeg hen met zijn doordringend oog gade. Zij verlieten gelijktijdig de kamer.--„Wij zullen elkander later ontmoeten, niet waar, mijnheer!” zeiden zij.--„Wanneer het u gelegen komt,” antwoordde d’Artagnan.--„De gelegenheid zal zich wel eens voordoen,” hernam Rochefort.--„Hm!” liet Richelieu hooren, de deur openende.--Beide mannen glimlachten tegen elkander, drukten elkander de hand en groetten Zijne Eminentie.

„Wij begonnen ongeduldig te worden,” zeide Athos.--„Hier ben ik, mijn vrienden!” antwoordde d’Artagnan.--„Vrij?”--„Niet alleen vrij, maar in gunst!”--„Gij moet ons dat eens verhalen.”--„Van avond, scheiden wij voor het oogenblik.”

Des avonds begaf d’Artagnan zich dan ook werkelijk naar Athos, dien hij bezig vond een flesch Spaanschen wijn te ledigen, een bezigheid, die hij elken avond stiptelijk vervulde. D’Artagnan verhaalde, hetgeen er tusschen den kardinaal en hem was voorgevallen, terwijl hij de aanstelling uit zijn zak haalde.--„Ziedaar! mijn waarde Athos! ziedaar!” zeide hij, „iets dat u natuurlijk toekomt.”

Athos glimlachte zacht en bekoorlijk.--„Vriend!” zeide hij, „voor Athos is het te veel; voor den graaf de la Fère is het te weinig. Houd die aanstelling, zij behoort u. Helaas! mijn God! gij hebt ze duur genoeg gekocht.”

D’Artagnan verliet de kamer van Athos en trad die van Porthos binnen. Hij vond hem in een prachtig gewaad, bedekt met schitterende borduursels, bezig zich in een spiegel te beschouwen.--„Ha! ha!” zeide Porthos, „zijt gij het, waarde vriend! hoe vindt gij, dat mij dit kleed staat?”--„Voortreffelijk!” zeide d’Artagnan; „maar ik kom u een kleed aanbieden, dat u nog beter zal staan.”--„Welk?” vroeg Porthos.--„Dat van luitenant der musketiers.”--D’Artagnan verhaalde aan Porthos zijn samenkomst met den kardinaal, en de aanstelling uit zijn zak halende, zeide hij: „Ziedaar! mijn waarde! schrijf uw naam daar op en wees mij een goed officier!”

Porthos sloeg het oog op de aanstelling, maar gaf ze aan d’Artagnan terug, tot groote verwondering des jongelings.--„Ja,” zeide Porthos, „ik zou mij hiermede zeer gestreeld vinden, maar ik kan van die gunst niet lang genoeg genot hebben. Gedurende onze reis naar _Béthune_ is de man mijner hertogin gestorven, zoodat de geldkist des overledenen, die mij toelonkte, mij noopte de weduwe te trouwen. Zie, ik was juist bezig mijn bruiloftspak aan te passen. Behoud voor u de luitenantsplaats, mijn vriend! behoud ze voor u.”--En hij gaf de aanstelling aan d’Artagnan terug.

De jongeling trad hierop bij Aramis binnen. Hij vond dezen voor een bidbankje geknield, het hoofd op het voor hem geopend getijdeboek gedrukt. D’Artagnan verhaalde hem zijn gesprek met den kardinaal, en voor de derde maal de aanstelling te voorschijn halende, zeide hij: „Gij, onze vriend! ons licht, onze onzichtbare beschermer, neem deze aanstelling aan; gij hebt ze meer dan iemand verdiend door uw wijsheid en raad, die steeds met den gelukkigsten uitslag is bekroond geworden.”--„Helaas! waarde vriend!” zeide Aramis, „onze laatste avonturen hebben mij van het leven eens krijgsmans afkeerig gemaakt. Dezen keer is mijn besluit onherroepelijk genomen; na de belegering ga ik bij de _Lazaristen_. Behoud deze aanstelling, d’Artagnan! Het krijgsmansberoep voegt u. Gij zult een moedig en gelukkig krijgsman worden.”

D’Artagnan, met de oogen door dankbaarheid vochtig en blinkend van vreugd, keerde tot Athos terug, dien hij nog aan tafel vond, in de vlam der lamp zijn laatste glas _Malaga_ spiegelende.--„Ook zij hebben geweigerd!” sprak d’Artagnan.--„Dat is, omdat niemand dan gij, mijn waarde vriend, die gunst meer waardig is,” zeide Athos. En een pen nemende, schreef hij op de aanstelling den naam van d’Artagnan, wien hij ze teruggaf.

„Ik zal dan geen vrienden meer hebben,” zeide de jongeling. „Helaas! niets anders dan bittere herinneringen.”--En hij liet het hoofd in zijn handen vallen, terwijl twee traandroppels langs zijn wangen biggelden.

„Gij zijt nog jong,” antwoordde Athos, „en uw bittere herinneringen hebben den tijd in zoete te veranderen.”

BESLUIT.

_La Rochelle_, beroofd van de hulp der Engelsche vloot en de afleiding door Buckingham beloofd, gaf zich, na een belegering van een jaar, over; den 28sten October teekende men het verdrag. De koning deed zijn intocht te _Parijs_ den 23sten December van hetzelfde jaar. Men bereidde hem een zegetocht, als had hij een vijandelijke natie en niet de Franschen overwonnen. Hij kwam door de voorstad _St. Jacques_ in, onder groene eerebogen.

D’Artagnan nam bezit van zijn rang.

Porthos verliet den dienst en huwde in den loop van het volgende jaar mevrouw Coquenard. De zoozeer begeerde geldkist bevatte achtmaal honderd duizend franken. Mousqueton kreeg een schitterende livrei en genoot het geluk, waarnaar hij zijn leven lang had gestreefd, namelijk achter op een vergulde koets te staan.

Aramis, na een reis naar _Lotharingen_, verdween eensklaps en hield op aan zijn vrienden te schrijven. Men hoorde later van mevrouw de Chevreuse, dat hij zich in een klooster te _Nancy_ had begeven. Bazijn werd leekebroeder.

Athos bleef, onder de bevelen van d’Artagnan, musketier tot in het jaar 1631,--op welk tijdstip hij ook, na een reisje in het _Roussiljonsche_, den dienst verliet, voorgevende een kleine erfenis in _Blaisois_ te hebben gekregen. Grimaud volgde Athos.

D’Artagnan vocht drie malen met Rochefort en kwetste hem drie malen.--„De vierde maal zal ik u waarschijnlijk dooden,” zeide hij, hem de hand reikende om hem op te richten.

„Het is dus beter voor u en voor mij, dat wij het hierbij laten,” antwoordde de gewonde. „_Corbleu_! ik ben meer uw vriend dan gij wel denkt, want bij de eerste ontmoeting had ik, door een enkel woord aan den kardinaal te zeggen, u den hals kunnen doen afslaan.”

Nu omhelsden zij elkander, hartelijk en zonder achterdocht. Planchet verkreeg van Rochefort den rang van sergeant in het Piemonteesche regiment.

De heer Bonacieux leefde zeer stil, volstrekt niet wetende wat er van zijn vrouw was geworden, en er zich weinig om bekommerende. Op zekeren tijd had hij de onvoorzichtigheid zich aan de herinnering van den kardinaal aan te bevelen. De kardinaal liet hem antwoorden, dat hij zorg zou dragen, dat hem voortaan niets meer zou ontbreken.

En inderdaad, na den volgenden dag te zeven uur te zijn uitgegaan om zich naar het _Louvre_ te begeven, zag men den heer Bonacieux nooit meer in de Doodgraversstraat. De meening van hen, die zich het best onderricht waanden, was dat hij, op kosten van Zijne Edelmoedige Eminentie, in het een of ander koninklijk kasteel voeding en huisvesting genoot.

EINDE.

Het vervolg hierop is getiteld:

„TWINTIG JAAR LATER”.

INHOUD Pag. Voorrede 5

EERSTE DEEL.

Hoofdstuk I. De drie geschenken van mijnheer d’Artagnan den vader. 9 Hoofdstuk II. De antichambre des heeren de Tréville. 27 Hoofdstuk III. De audiëntie. 39 Hoofdstuk IV. De schouder van Athos, de bandelier van Porthos, en de neusdoek van Aramis. 52 Hoofdstuk V. De musketiers des konings en de lijfwacht van den kardinaal. 61 Hoofdstuk VI. Zijne Majesteit, koning Lodewijk XIII. 73 Hoofdstuk VII. De huishouding der Musketiers. 95 Hoofdstuk VIII. Een hofintrigue. 106 Hoofdstuk IX. D’Artagnan doet zich gelden. 114 Hoofdstuk X. Een muizenval in de zeventiende eeuw. 123 Hoofdstuk XI. De intrigue verwikkelt zich. 133 Hoofdstuk XII. George Villiers, hertog van Buckingham. 152 Hoofdstuk XIII. De heer Bonacieux. 162 Hoofdstuk XIV. De man van Meung. 171 Hoofdstuk XV. Tabbaard en degen. 182 Hoofdstuk XVI. Waarin wordt verhaald, hoe de grootzegelbewaarder Séguier meer dan eens de klok zocht, om die te luiden, zooals hij eertijds deed. 191 Hoofdstuk XVII. Het huishouden van Bonacieux. 203 Hoofdstuk XVIII. Minnaar en echtgenoot. 217 Hoofdstuk XIX. Reisplan. 224 Hoofdstuk XX. De reis. 233 Hoofdstuk XXI. De gravin de Winter. 246 Hoofdstuk XXII. Het ballet van la Merlaison. 256 Hoofdstuk XXIII. De verliefde samenkomst. 264 Hoofdstuk XXIV. Het paviljoen. 275 Hoofdstuk XXV. Porthos. 286 Hoofdstuk XXVI. De thesis van Aramis. 306 Hoofdstuk XXVII. De vrouw van Athos. 324 Hoofdstuk XXVIII. Terugkomst. 345 Hoofdstuk XXIX. De jacht op de krijgsuitrusting. 359 Hoofdstuk XXX. Milady. 368 Hoofdstuk XXXI. Engelschen en Franschen. 376

Deel II