De Drie Musketiers dl. I en II
Part 59
Athos sprong van zijn paard, de teugels aan Grimaud gevende, en naderde toen het venster, na aan de overigen van den troep een teeken te hebben gegeven, zich naar de zijde der deur te begeven. Het kleine huisje was omringd door een bloeiende heg van twee of drie voet hoog. Athos sprong de heg over, bereikte het venster, dat door geen luiken gesloten was, maar waarvoor de ondergordijnen zorgvuldig dicht geschoven waren. Hij klom op den steenen rand van het venster, ten einde over het gordijn te kunnen zien. Bij het schijnsel eener lamp zag hij een in een donkerkleurigen mantel gehulde vrouw bij een uitgaand vuur op een bankje zittende. Zij leunde met haar ellebogen op een ellendige tafel en liet haar hoofd in beide ivoorwitte handen rusten. Men kon haar gezicht niet zien, echter zweefde een onheilspellende glimlach op de lippen van Athos. Er was geen twijfel meer. Zij was het wel, die hij zocht.
Op dat oogenblik hinnikte een paard. Milady richtte het hoofd op, zag het bleeke gelaat van Athos tegen de glazen gedrukt en slaakte een gil.
Athos, begrijpende dat hij herkend was, stiet met zijn knie en hand het venster open en de glasruiten stuk, en als het beeld der wraak sprong hij in de kamer. Milady snelde naar de deur en opende die. Doch nog bleeker, nog dreigender dan Athos stond d’Artagnan er voor. Milady deinsde gillende achteruit; d’Artagnan, in de meening dat haar eenig middel ter ontvluchting overbleef, en vreezende dat zij hem mocht ontsnappen, haalde een pistool uit zijn gordel. Maar Athos verhief de hand en zeide:
„Berg dat wapen, d’Artagnan! deze vrouw moet geoordeeld en niet vermoord worden.... Wacht nog een oogenblik, en gij zult voldaan zijn. Treedt binnen, heeren!”
D’Artagnan gehoorzaamde, want Athos met zijn plechtige stem en gebiedenden blik scheen een afgezant des hemels te zijn. Achter d’Artagnan traden Porthos, Aramis, lord de Winter en de man met den rooden mantel binnen. De vier knechts bewaakten het venster en de deur. Milady was op haar bankje neergevallen en strekte de handen uit, als om deze vreeselijke verschijning te bezweren. Haar schoonbroeder ziende, slaakte zij een akeligen gil.
„Wat wilt gij?” riep milady.--„Wij willen,” zeide Athos, „Anna de Breuil, die zich daarvoor heeft genoemd: gravin de la Fère, vervolgens lady de Winter, baronesse de Sheffield....”
„Dat ben ik,” stamelde zij, met stijgende verwondering. „Wat wilt gij?”--„Wij willen u oordeelen naar uw misdaden,” zeide Athos; „gij hebt het recht u te verdedigen; rechtvaardig u, zoo gij kunt. Mijnheer d’Artagnan! gij zijt het, die het eerst als beschuldiger zult optreden.”
D’Artagnan trad naar voren.--„Voor God en voor de menschen,” zeide hij, „beschuldig ik die vrouw, Constance Bonacieux, die gisteren avond is overleden, te hebben vergiftigd.”--Hij wendde zich tot Porthos en Aramis.--„Wij bevestigen het,” zeiden eenparig beide musketiers. D’Artagnan vervolgde:
„Voor God en voor de menschen beschuldig ik die vrouw, mij zelven te hebben willen vergiftigen door wijn, dien zij mij van _Villeroy_ had gezonden met een valschen brief, alsof die wijn van mijn vrienden kwam. God heeft mij gered, doch een man, Brisemont genaamd, is in mijn plaats gestorven.”--„Wij bevestigen,” zeiden wederom tegelijkertijd Porthos en Aramis.
„Voor God en voor de menschen,” ging d’Artagnan opnieuw voort, „beschuldig ik die vrouw, mij tot het vermoorden van den graaf de Wardes te hebben aangezet, en daar er niemand is, om de waarheid van deze beschuldiging te bevestigen, bevestig ik die. Ik heb gezegd.”--En d’Artagnan begaf zich met Porthos en Aramis naar de andere zijde der kamer.
„Aan u, mylord,” zeide Athos.
De baron naderde nu op zijn beurt.--„Voor God en voor de menschen,” zeide hij, „beschuldig ik die vrouw, den hertog van Buckingham te hebben doen vermoorden.”--„De hertog van Buckingham vermoord!” riepen uit een mond al de omstanders.--„Ja,” zeide de baron, „vermoord! Volgens het bericht, in uw aan mij geschreven brief vervat, had ik deze vrouw laten aanhouden en haar in bewaring aan een trouwen dienaar gegeven; zij heeft hem den dolk in handen gesteld en hem den hertog doen vermoorden; misschien boet Felton reeds op dit oogenblik met zijn hoofd de misdaad dezer helsche furie.”
Een siddering doorliep de rechters bij de openbaring dezer nog onbekende misdaden.
„Dat is niet alles,” hernam lord de Winter, „mijn broeder, die u tot zijn erfgenaam had gemaakt, is binnen den tijd van drie uur aan een ziekte gestorven, welke op het gansche lichaam zwarte vlekken achterliet. Waaraan is mijn broeder gestorven, zuster?”--„Afgrijselijk!” riepen Porthos en Aramis.
„Moordenaresse van Buckingham! moordenaresse van Felton! moordenaresse mijns broeders! ik eisch wraak tegen u en verklaar dat, indien men mij die niet geeft, ik die zal nemen!”--En lord de Winter rangschikte zich naast d’Artagnan, de plaats inruimende voor een anderen beschuldiger. Milady liet het hoofd in haar beide handen zinken en trachtte haar door een doodelijke benauwdheid verwarde denkbeelden te verzamelen.
„Op mijn beurt,” zeide Athos bevende, gelijk de leeuw bij het zien van een slang. „Ik huwde die jonge vrouw, toen zij nog meisje was; ik huwde haar, tegen den wil van mijn geheele familie, ik schonk haar mijn bezittingen, mijn naam; doch op zekeren dag bespeurde ik, dat die vrouw gebrandmerkt was; op haar linkerschouder stond een lelie ingedrukt.”--„O!” zeide milady opstaande, „ik tart u de rechtbank aan te wijzen, die over mij die onteerende straf heeft uitgesproken; ik tart u hem te vinden, die dezelve heeft uitgevoerd.”
„Stil!” sprak een stem. „Aan mij behoort het, hierop te antwoorden.”--En de man met den rooden mantel naderde op zijn beurt.--„Wie is die man? wie is die man?” riep milady, van angst stikkende, en met losrakende haren, die door ontzetting op haar lijkkleurig hoofd te berge rezen, als leefden ze.--Aller oogen vestigden zich op dien man, want voor allen, behalve voor Athos, was hij onbekend. Maar ook Athos beschouwde hem met evenveel verbazing als de anderen, want hij wist niet, op welke wijze hij betrokken was in dat vreeselijke drama, dat thans de ontknooping naderde.
Na milady met langzame, plechtige schreden genaderd te zijn, derwijze, dat alleen de tafel hem van haar scheidde, nam de onbekende zijn masker af. Milady beschouwde eenige oogenblikken met klimmenden angst dat bleeke gelaat, omringd van zwart hoofdhaar en zwarten baard, en welks eenige uitdrukking een ijskoude onbeweeglijkheid vertoonde; vervolgens tot tegen den muur achteruit deinzende, riep zij eensklaps: „O! neen, neen! dat is een helsche verschijning! hij is het niet. Red mij! red mij!” riep zij met een holle stem, zich tegen den muur dringende, alsof zij met haar handen zich daar door een doorgang had willen banen.--„Maar wie zijt gij toch?” riepen al de getuigen van dit tooneel.--„Vraagt het aan die vrouw,” antwoordde de roodmantel, „want gij ziet wel, dat zij mij heeft herkend.”
„De beul van _Rijssel_! de beul van _Rijssel_!” riep milady, ten prooi aan een krankzinnige vrees, zich met haar handen aan den muur vasthoudende om niet te vallen.--Allen weken ter zijde, en de man met den rooden mantel bleef alleen in het midden der kamer staan.--„Ach, genade! vergiffenis!” riep de rampzalige, op de knieën vallende.--De onbekende wachtte, totdat er stilte heerschte.--„Ik zeide het u wel, dat zij mij herkend had,” hernam hij. „Ja, ik ben de scherprechter der stad _Rijssel_, en ziehier mijn verhaal.”--Aller oogen waren op dezen man gevestigd, naar wiens woorden men met een angstige spanning wachtte.
„Die jonge vrouw was vroeger, toen zij nog meisje was, even schoon als thans. Zij was non in het _Benedictijner-klooster_ te _Templemar_. Een jong priester, met een eenvoudig en geloovig hart, bediende de kerk van dat klooster; zij ondernam hem te verleiden, en het gelukte haar. Zij zou een heilige hebben verleid. Beider geloften waren heilig, onherroepelijk, en hun gemeenschap kon van geen langen duur zijn, zonder beiden in het verderf te storten. Zij haalde hem over om het land te verlaten, om samen te vluchten, om een ander gedeelte van _Frankrijk_ te bereiken, waar zij gerust konden wonen, omdat zij daar onbekend zouden zijn; hiertoe was geld noodig, en de een noch de ander had het. De priester stal de gewijde vazen, verkocht ze, doch op het oogenblik van hun vertrek werden beiden in hechtenis genomen. Acht dagen later had zij den zoon des cipiers verleid en was gevlucht. De jonge priester werd tot tien jaren dwangarbeid en het brandmerk veroordeeld. Ik was de scherprechter der stad _Rijssel_, zooals gij van die vrouw hebt gehoord. Ik was verplicht den schuldige te brandmerken, en de schuldige, mijne heeren! was mijn broeder.... Ik zwoer toen, dat de vrouw, die hem ten verderve had gebracht, die meer was dan zijn medeplichtige, daar zij hem tot de misdaad had aangezet, ten minste zijn straf zou deelen. Ik was ten halve zeker van de plaats, waar zij zich verborgen hield; ik begaf mij op weg om haar te zoeken, vond haar, knevelde haar en drukte haar hetzelfde schandmerk op den rug als mijn broeder. Den dag na mijn terugkomst te _Rijssel_ gelukte het mijn broeder op zijn beurt te ontvluchten; men beschuldigde mij van medeplichtigheid, en men veroordeelde mij zoolang in zijn plaats gevangen te blijven, totdat hij zich zou komen gevangen geven.... Mijn arme broeder wist niets van dat vonnis en had zich wederom met de vrouw vereenigd, met welke hij naar _Berry_ vluchtte, waar hij een kleine pastorie verkreeg. Die vrouw gaf zich voor zijn zuster uit. De heer van het landgoed, waar de kerk des pastoors was gelegen, zag die vermeende zuster en werd op haar verliefd, en derwijze verliefd, dat hij haar ten huwelijk vroeg. Toen verliet zij dengene, dien zij in het verderf had gestort, voor hem, dien zij er nog in moest storten, en zij werd gravin de la Fère.”
Allen richtten hun blik op Athos, wiens ware naam het was, en die door een hoofdknik te kennen gaf, dat al hetgeen de scherprechter zeide waar was.
„Toen,” hernam hij, „zinneloos, wanhopig, besloten zich van een leven te berooven, dat zij van alles, van eer en geluk had beroofd, keerde mijn ongelukkige broeder naar _Rijssel_ terug, en daar het vonnis vernemende, dat mij in zijn plaats strafte, gaf hij zich gevangen en hing zich dienzelfden avond aan de tralies van zijn kerker op. Trouwens ik ben hun recht verschuldigd, zij, die mij veroordeeld hadden, hielden hun woord. Nauwelijks was de echtheid van het lijk bewezen, of men gaf mij mijn vrijheid weder.... Ziedaar de misdaad, waarvan ik haar beschuldig, ziedaar de reden, waarom ik haar heb gebrandmerkt.”
„Mijnheer d’Artagnan!” vroeg Athos, „welke straf eischt gij tegen die vrouw?”--„De doodstraf,” antwoordde d’Artagnan.
„Mylord de Winter!” vervolgde Athos, „welke straf eischt gij tegen die vrouw?”--„De doodstraf,” antwoordde lord de Winter.
„Mijne heeren Porthos en Aramis!” zeide Athos, „gij, die haar rechters zijt, welk is het vonnis, dat gij over die vrouw zult uitspreken?”--„Het doodvonnis,” antwoordden met gesmoorde stem de twee musketiers.
Milady gilde op een vreeselijke wijze en naderde eenige schreden haar rechters, op haar knieën kruipende. Athos strekte de hand naar haar uit.--„Anna de Breuil! gravin de la Fère! milady de Winter!” zeide hij, „uw misdaden hebben het geduld der menschen op aarde en dat van God in den Hemel ten einde gebracht. Indien gij het een of ander gebed kent, zeg het dan, want gij zijt veroordeeld en gij zult sterven.”
Op die woorden, die niet de minste hoop overlieten, stond milady overeind en wilde spreken; maar zij kon geen geluid voortbrengen. Zij voelde, dat een machtige en onverzoenlijke hand haar als ware het bij het hoofdhaar greep, en haar even onweerstaanbaar voortsleepte, als het noodlot den mensch; zij trachtte dan ook niet den minsten weerstand te beproeven en verliet op een daartoe door Athos gegeven teeken de hut.
Lord de Winter, d’Artagnan, Athos, Porthos en Aramis traden achter haar voort; de knechts volgden hun meesters, en de kamer bleef eenzaam, met haar ingetrapt venster, haar opene deur en de walmende lamp, die treurig op de tafel brandde.
HOOFDSTUK XXXV.
De doodstraf.
Het was omstreeks middernacht; de maan, door haar afneming als uitgesneden en bloedkleurig door de laatste sporen van den storm, ging op achter de kleine stad _Armentières_ en verlichtte van uit de grauwe lucht den donkeren omtrek harer huizen en het geraamte van haar hoogen als kant bewerkten toren; op den voorgrond stroomde de _Lys_, als een rivier van gesmolten tin, terwijl aan de overzijde de zwarte boomen van een bosch donker afstaken tegen een stormachtige lucht, die bedekt was door groote koperkleurige wolken, welke te middernacht een soort van daglicht verspreidden. Aan de linkerzijde verhief zich een oude verlaten molen met stilstaande wieken, in welks bouwvallen een uil zijn scherp, afgemeten en eentonig gekras deed hooren. Hier en daar op de vlakte, rechts van den weg, dien de akelige stoet volgde, zag men eenige kleine, lage boomen, als neergehurkte, misvormde dwergen, die op dat noodlottig uur den voorbijganger schenen te willen aanvallen. Bijwijlen opende een breede bliksemstraal den gezichteinder van het eene einde tot het andere, kronkelde zich boven de donkere boomengroep en kwam dan als een vreeselijk slagzwaard de lucht en het water in twee gelijke deelen houwen. Geen enkel zuchtje van den wind deed zich in den loodzwaren dampkring voelen, een doodsche stilte drukte de geheele natuur, de grond was nat en glibberig door den regen, die gevallen was, en de verfrischte planten deden haar balsemgeuren met meer kracht omhoog stijgen. Twee knechts sleepten milady voort, haar elk bij een arm vasthoudende. De scherprechter volgde hen. Lord de Winter, d’Artagnan, Porthos en Aramis gingen achter den scherprechter. Planchet en Bazijn sloten den somberen stoet.
De twee knechts geleidden milady naar den kant der rivier; haar mond was stom, maar haar blikken spraken met een onbeschrijfelijke welsprekendheid, beurtelings hem smeekende, dien zij aanzag.--Daar zij eenige schreden vooruitgingen, zeide zij tot de knechts: „Voor elk uwer duizend pistolen, indien gij mij helpt ontvluchten, terwijl, indien gij mij aan uw meesters overlevert, hier in de nabijheid wrekers zijn, die u mijn dood zwaar zullen doen boeten.”
Grimaud aarzelde, Mousqueton beefde door al zijn leden.--Athos, die milady’s stem had gehoord, naderde haastig: lord de Winter deed evenzoo.--„Verwijder die knechts,” zeide Athos, „zij heeft hen aangesproken; zij zijn niet meer te vertrouwen.”--Men riep Planchet en Bazijn, die de plaats van Grimaud en Mousqueton innamen.
Aan den oever der rivier gekomen, naderde de scherprechter milady en bond haar handen en voeten.
Toen verbrak zij de stilte en riep uit: „Gij zijt lafaards, ellendige moordenaars! gij, ten getale van tien vereenigd, om een vrouw het leven te benemen; weest verzekerd, indien men mij niet te hulp komt, zal ik gewroken worden.”--„Gij zijt geen vrouw,” zeide Athos koel, „gij behoort niet tot het menschelijk geslacht; gij zijt een duivel, uit de hel losgebroken, doch die wij er in zullen doen terugkeeren....”--„O, heeren, deugdzame mannen!” zeide milady, „weest indachtig dat hij, die één haar van mijn hoofd zal krenken, ook een moordenaar is.”--„De beul kan ter dood brengen zonder daarom een moordenaar te zijn, mevrouw!” zeide de man met den rooden mantel, terwijl hij op zijn breed zwaard sloeg. „Hij is de laatste rechter, niets anders, _de Nachrichter_, zooals onze naburen de Duitschers zeggen.”--En terwijl hij haar onder het uitspreken dier woorden bond, slaakte milady een paar woeste kreten, die in de duisternis en in de diepte des wouds smoorden en een akelige en zonderlinge uitwerking hadden.
„Maar indien ik schuldig ben, indien ik de misdaden heb bedreven, waarvan gij mij beschuldigt,” brulde milady, „brengt mij dan voor een rechtbank; gij zijt geen rechters om mij te kunnen veroordeelen!”--„Ik heb u _Tyburn_ voorgeslagen,” zeide lord de Winter, „waarom wildet gij niet?”--„Omdat ik niet wil sterven!” riep milady al worstelende, „omdat ik te jong ben om te sterven!”--„De vrouw, die gij te _Béthune_ hebt vergiftigd, was nog jonger dan gij, mevrouw! en toch is zij gestorven,” zeide d’Artagnan.--„Ik zal in een klooster gaan, ik zal non worden,” zeide milady.--„Gij waart in een klooster,” hernam de scherprechter, „en gij hebt het verlaten om mijn broeder in het verderf te storten.”--Milady slaakte een angstkreet en viel op de knieën. De scherprechter richtte haar bij de armen op en wilde haar in de boot dragen.--„Ach! mijn God!” riep zij, „wilt gij mij dan verdrinken?”
Die kreten hadden iets zoo hartverscheurends, dat d’Artagnan, die aanvankelijk de meest verwoede was geweest ter vervolging van milady, op een afgeknotten boomstam neerzeeg en, zijn hoofd neerbuigende, zich de ooren met de palmen van de hand stopte, hetgeen echter niet belette, dat hij haar nog gestadig hoorde dreigen en kermen. D’Artagnan was de jongste van allen, het hart brak hem.--„Ach! ik kan niet langer dat afschuwelijk schouwspel aanzien,” zeide hij; „ik kan er niet in toestemmen, dat die vrouw op die wijze het leven verliest.”
Milady had deze weinige woorden gehoord en haar verscheen weer een straal van hoop.--„D’Artagnan! d’Artagnan!” riep zij, „herinner u, dat ik u eenmaal heb bemind!”--De jongeling stond op en naderde haar een paar schreden. Doch Athos kwam hem tegemoet, trok zijn degen en stelde zich in zijn weg.--„Indien gij nog één schrede nadert, d’Artagnan!” zeide hij, „kruisen wij onze degens.”
D’Artagnan viel op de knieën en bad.--„Komaan!” vervolgde Athos, „scherprechter! doe uw plicht!”--„Gaarne, uwe edelheid!” zeide de scherprechter; „want zoo waar ik een goed katholiek ben, geloof ik rechtvaardig te handelen door het vervullen van mijn ambt jegens die vrouw.”--„Het is wel!”
Athos naderde nu milady.--„Ik vergeef u,” zeide hij, „al het kwaad, dat gij mij hebt berokkend. Ik vergeef u mijn verwoest geluk, mijn verlorene eer, mijn bevlekte liefde en mijn, door de wanhoop waartoe gij mij gebracht hebt, voor immer bedreigde zaligheid. Sterf in vrede!”
Lord de Winter naderde nu ook op zijn beurt.--„Ik vergeef u,” sprak hij, „de vergiftiging mijns broeders, den moord van Zijne Genade den hertog van Buckingham. Ik vergeef u den dood van den armen Felton. Ik vergeef u uw moorddadige pogingen op mijn persoon. Sterf in vrede!”
„En ik,” zeide d’Artagnan, „ik vraag u vergiffenis, mevrouw! van uw toorn op mij te hebben geladen door een edelman onwaardig bedrog, en daarvoor vergeef ik u den moord mijner rampzalige vriendin en uw wreedaardige wraak op mij. Ik vergeef en beween u. Sterf in vrede!”
„_I am lost! I must die_!” (ik ben verloren, ik moet sterven!) mompelde milady in het Engelsch. Toen richtte zij zich overeind, wierp een dier heldere blikken, welke uit een oog van vuur schijnen te komen, in het rond, maar zij zag niets.... Zij luisterde, maar zij hoorde niets. Zij werd door niemand dan door vijanden omringd.--„Waar moet ik sterven?” vroeg zij.
„Op den anderen oever,” antwoordde de scherprechter. Daarop deed hij haar in de boot gaan, en terwijl hij den voet er in zette om haar te volgen, stelde Athos hem eenig geld ter hand.--„Ziedaar,” zeide hij, „het loon voor de strafoefening; dat men wel zie, dat wij als rechters handelen.”--„Goed!” zeide de scherprechter, „en dat nu ook die vrouw wete, dat ik niet alleen mijn ambt, maar ook mijn plicht vervul.”--En hij wierp het geld in het water.--„Zie,” zeide Athos, „die vrouw heeft een kind, en zij heeft niet één enkel woord over dat kind gezegd.”
De boot verwijderde zich naar den linkeroever der _Lys_, de schuldige en den scherprechter met zich voerende. Al de overigen bleven op den rechteroever, waar zij op de knieën waren gevallen. De boot gleed langzaam langs het koord der pont, overschaduwd door een bleeke wolk, die op dat oogenblik boven het water hing. Men zag ze aan den overkant aanlanden; de gestalten staken donker op de roodachtige kimmen af. Het was milady gelukt gedurende den overtocht het koord los te maken, dat haar voeten vasthield; nu aan den oever gekomen, sprong zij vlug aan den kant en nam de vlucht. Maar de grond was nat: boven aan de afhelling gekomen, gleed zij uit en viel op de knieën. Een bijgeloovig denkbeeld trof haar ongetwijfeld, want zij meende, dat de Hemel haar zijn hulp weigerde en zij bleef in de houding, waarin zij zich bevond, het hoofd neergebogen en met gevouwen handen. Toen zag men van den anderen oever den scherprechter langzaam zijn beide armen opheffen, een straal der maan scheen op de kling van zijn breed slagzwaard en de armen zonken neder; men hoorde het fluiten van het zwaard en den kreet van het slachtoffer: vervolgens viel een verminkte klomp onder den slag. Daarna nam de scherprechter zijn rooden mantel van zijn schouders, spreidde hem op den grond uit, legde het lichaam er op, wierp het hoofd er bij, knoopte hem bij de vier hoeken, laadde hem op zijn schouders en keerde in de boot terug. In het midden der _Lys_ gekomen, liet hij de boot stil liggen, en zijn last boven de rivier houdende, riep hij met luide stem: „Laat Gods gericht voorbijgaan!”
En hij liet het lijk in de diepte des waters vallen, dat zich dadelijk sloot.
HOOFDSTUK XXXVI.
Een boodschap van den kardinaal.
Drie dagen later kwamen de vier musketiers te _Parijs_ terug; zij waren binnen de grenzen van hun verlof gebleven en gingen nog dienzelfden avond, volgens gewoonte, bij den heer de Tréville een bezoek afleggen.--„Wel, heeren!” vroeg de brave kapitein, „hebt gij u goed vermaakt gedurende uw uitstapje?”--„Ontzaglijk!” antwoordde Athos in zijn naam en in dien zijner vrienden.
Den zesden dag der volgende maand verliet de koning _Parijs_, de belofte houdende, die hij den kardinaal had gedaan, van naar _la Rochelle_ terug te keeren, en nog geheel bedwelmd door het gerucht, dat alom was verspreid, dat Buckingham vermoord was geworden.
Hoewel gewaarschuwd, dat de man, dien zij zooveel liefde had toegedragen, aan gevaar was blootgesteld, wilde echter de koningin, toen men haar zijn dood verkondigde, zulks niet gelooven; zij ging zelfs zoo ver onvoorzichtig uit te roepen: „Dat is valsch! hij heeft mij juist geschreven.”--Maar den volgenden dag moest zij wel geloof hechten aan dit treurig nieuws. La Porte, zooals iedereen door de bevelen van Karel I in _Engeland_ opgehouden, was nu aangekomen, overbrenger van het laatste en akelige geschenk, dat Buckingham aan de koningin zond.
De blijdschap des konings was zeer levendig geweest; hij gaf zich de moeite niet eens ze te verbergen en deed ze zelfs in tegenwoordigheid der koningin uitbarsten. Lodewijk XIII, zooals alle zwakke geesten, ontbrak het aan edelmoedigheid. Maar dra werd de koning wederom treurig en ziekelijk; hij had niet een van die aangezichten, welke voor een langen tijd er vroolijk uitzien; hij voelde dat, als hij naar het kamp terugkeerde, hij wederom slaaf ging worden, en echter keerde hij er terug. De kardinaal was voor hem een begoochelende slang, en hij de vogel, die van den eenen tak op den anderen fladdert, zonder haar te kunnen ontkomen.
Ook was de terugtocht naar _la Rochelle_ uiterst treurig. Onze vier vrienden vooral strekten hun krijgsmakkers tot verbazing. Zij reden naast elkander met neergebogen hoofd en somberen blik. Athos alleen richtte nu en dan zijn breed voorhoofd omhoog; dan schitterde een weerlicht in zijn oogen, een bittere glimlach zweefde op zijn lippen, en zooals zijn vrienden, gaf hij zich daarop wederom aan zijn droomerijen over.
Zoodra het geleide in de een of andere stad aankwam en zoodra zij den koning tot aan zijn verblijf hadden vergezeld, begaven de vier vrienden zich naar hun kwartier, of naar de een of andere afgelegene herberg, waar zij noch speelden noch dronken, maar fluisterend spraken, telkens opmerkzaam rondziende, of men hen ook beluisterde.