De Drie Musketiers dl. I en II

Part 58

Chapter 583,820 wordsPublic domain

D’Artagnan vatte de handen van Athos met een onmogelijk te beschrijven angst.--„Hoe!” zeide hij, „gelooft gij....?”--En zijn stem smoorde in een snik.--„Ik geloof alles,” zeide Athos, tot bloedens toe op zijn lippen bijtende.

„D’Artagnan! d’Artagnan!” riep juffrouw Bonacieux, „waar zijt gij? Verlaat mij niet meer: gij ziet wel, dat ik ga sterven.”--D’Artagnan liet de handen van Athos los, die hij nog krampachtig in de zijne geklemd hield, en wendde zich tot haar. Haar zoo bekoorlijk gelaat was geheel misvormd, in haar verglaasde oogen was het vuur uitgedoofd, een stuipachtige beving bewoog geheel haar lichaam en van haar voorhoofd vloeide het koude zweet.

„In ’s hemels naam, spoedt u, Porthos! Aramis! roept om hulp!”--„Tevergeefs,” zeide Athos, „tevergeefs; tegen het vergif, dat zij geeft, bestaat geen tegengift.”

„Ja, ja.... helpt mij....” stamelde juffrouw Bonacieux, „helpt mij!”--En al haar krachten verzamelende, nam zij het hoofd des jongelings in haar beide handen, beschouwde hem een oogenblik, alsof geheel haar ziel zich in dien blik had besloten en met een snikkenden gil drukte zij haar lippen op de zijne.--„Constance! Constance!” gilde d’Artagnan.

Een zucht ontvlood den mond van juffrouw Bonacieux en vereenigde zich met den adem van d’Artagnan; die zucht was haar kuische, liefhebbende ziel, die naar den hemel terugkeerde. D’Artagnan hield in zijn armen niets meer dan een lijk geklemd. De jongeling slaakte een gil en viel naast zijn minnares neder, even bleek en ook even koud als zij.--Porthos weende; Athos strekte dreigend zijn vuist ten hemel; Aramis maakte het teeken des kruises.

Op dat oogenblik verscheen een man voor de deur; hij was bijna even bleek als zij, die in de kamer waren; hij liet zijn blik rondgaan en zag juffrouw Bonacieux dood en d’Artagnan buiten kennis liggen. Hij verscheen juist in dat oogenblik van ontzetting, dat gewoonlijk op groote gebeurtenissen volgt.

„Ik had mij niet bedrogen,” zeide hij; „ziedaar den heer d’Artagnan, en gij zijt zijn drie vrienden, de heeren Athos, Porthos en Aramis.”--Zij, wier namen werden uitgesproken, beschouwden den vreemdeling met verbazing, en alle drie meenden hem te herkennen.

„Mijne heeren!” hernam de nieuw aangekomene, „gij zijt, zooals ik, ter opsporing eener vrouw, die,” voegde hij er met een verschrikkelijken glimlach bij, „hier langs heeft moeten komen; want ik zie een lijk.”--De drie vrienden bleven sprakeloos; de stem zoowel als het aangezicht herinnerden hen iemand, dien zij reeds eenmaal hadden gezien, maar zij konden zich niet te binnen brengen bij welke gelegenheid.--„Mijne heeren!” vervolgde de vreemdeling, „dewijl gij een man niet wilt herkennen, die u waarschijnlijk twee malen het leven is verschuldigd, moet ik mij wel noemen: ik ben lord de Winter, de schoonbroeder van die vrouw.”

De drie vrienden slaakten een kreet van verwondering. Athos stond op en reikte hem de hand.

„Wees welkom, mylord!” zeide hij, „gij zijt een der onzen.”--„Ik heb vijf uren na haar _Portsmouth_ verlaten,” zeide lord de Winter, „ik ben drie uren na haar te _Boulogne_ aangekomen, twintig minuten vóór mij was zij te _Saint-Omer_; eindelijk verloor ik te _Lilliers_ haar spoor. Ik ging op het toeval af en deed overal navraag, toen ik ulieden in vollen galop voorbij zag draven: ik herkende den heer d’Artagnan, ik riep u, maar gij antwoorddet mij niet; ik volgde u, maar mijn paard was te vermoeid om de uwe bij te blijven; en echter schijnt het, niettegenstaande den spoed, dien gij hebt gemaakt, dat gij nog te laat zijt gekomen.”--„Gij ziet het,” zeide Athos, aan lord de Winter de ontzielde juffrouw Bonacieux en d’Artagnan toonende, welken laatsten Porthos en Aramis tot het leven trachtten terug te brengen.--„Zijn zij dan beiden dood?” vroeg lord de Winter.--„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Athos, „d’Artagnan is slechts buiten kennis.”--„O! des te beter,” hernam lord de Winter. En waarlijk, d’Artagnan opende ter zelfder tijd de oogen. Hij rukte zich uit de armen van Porthos en Aramis en wierp zich als een krankzinnige op het lijk zijner minnares.

Athos naderde met langzame en plechtige schreden zijn vriend, omhelsde hem teederlijk, en daar deze in een luid gesnik uitbarstte, sprak hij tot hem met zijn zoo edele en overtuigende stem: „Vriend! wees man, vrouwen beweenen de dooden, mannen wreken ze.”--„O ja,” zeide d’Artagnan, „ja, indien het is om haar te wreken, dan ben ik bereid u te volgen.”

Athos maakte van dit oogenblik van sterkte gebruik, welke de hoop op wraak zijn ongelukkigen vriend schonk, om Porthos en Aramis een wenk te geven, dat zij de abdis zouden roepen. De twee vrienden ontmoetten haar in de gang, nog geheel ontsteld en vol ontzetting door al het gebeurde. Zij riepen eenige nonnen, die, tegen alle kloosterregels, zich nu in tegenwoordigheid van vijf mannen bevonden.

„Mevrouw!” sprak Athos, den arm van d’Artagnan in den zijne nemende, „wij laten aan uw godvruchtige zorg het lijk dier ongelukkige vrouw over. Zij was een engel op aarde, alvorens een engel in den hemel te worden. Behandel haar als een uwer zusters, wij zullen eenmaal terugkomen om op haar graf te bidden.”

D’Artagnan verborg zijn aangezicht op de borst van Athos en barstte in een luid gesnik uit.--„Welnu,” zeide Athos, „ween, hart vol liefde, jeugd en leven! Helaas! hoe gaarne zou ik, evenals gij, mijn tranen willen plengen.”

Alle vijf, door hun knechten gevolgd, de paarden bij den toom leidende, begaven zich naar de stad _Béthune_, wier voorstad men ontwaarde, en zij hielden stil voor de eerste herberg, waar zij aankwamen.

„Maar,” zeide d’Artagnan, „zullen wij die vrouw niet vervolgen?”--„Later,” zeide Athos; „ik heb vooraf eenige maatregelen te nemen.”--„Zij zal ons ontsnappen,” hernam de jongeling, „zij zal ons ontkomen, Athos! en het zal uw schuld zijn.”--„Ik ben voor haar verantwoordelijk,” zeide Athos.

D’Artagnan stelde in de woorden van zijn vriend zooveel vertrouwen, dat hij met neergebogen hoofd de herberg binnentrad, zonder een woord te spreken. Porthos en Aramis beschouwden elkander, niets van de zekerheid van Athos begrijpende. Lord de Winter meende, dat hij dus sprak, ten einde de smart van d’Artagnan te verdooven.

„Thans, mijne heeren!” zeide Athos, toen hij zich verzekerd had, dat er vijf kamers in de herberg te hunner beschikking waren, „gaan wij elk naar zijn kamer. D’Artagnan heeft behoefte aan eenzaamheid om te weenen en gij om te slapen. Ik belast mij met alles, weest gerust.”--„Ik geloof nochtans, dat, indien er eenige maatregelen ten aanzien der gravin te nemen zijn, dit vooral mijn zaak is,” zeide lord de Winter; „zij is mijn schoonzuster.”--„En de mijne dan,” zeide Athos, „zij is mijn vrouw!”

D’Artagnan ontroerde, want nu begreep hij, dat Athos zeker van zijn wraak was, daar hij een dergelijk geheim openbaarde. Porthos en Aramis zagen elkander aan en verbleekten. Lord de Winter dacht, dat Athos zinneloos was.--„Verwijdert u dus en laat mij begaan; gij ziet wel dat, in mijn hoedanigheid van echtgenoot, de zaak mij aangaat. Maar indien gij het niet hebt verloren, geef mij dan dat papiertje, dat uit den hoed van den man is gevallen, en waarop de naam eener stad staat geschreven.”--„Ha!” zeide d’Artagnan, „nu begrijp ik; die naam door haar hand geschreven....”--„Gij ziet wel,” zeide Athos, „dat er een God in den hemel is.”

HOOFDSTUK XXXIII.

De man met den rooden mantel.

De wanhoop van Athos had plaats gemaakt voor een onderdrukte smart, die nog meer zijn schitterende hoedanigheden deed uitkomen. Aan een enkele gedachte overgegeven, die der belofte, welke hij had gedaan, en der verantwoordelijkheid, welke hij op zich had genomen, begaf hij zich het laatst naar zijn kamer, verzocht den herbergier hem een kaart der provincie te bezorgen, boog er zich over, raadpleegde de daarop getrokken lijnen en bemerkte, dat vier verschillende wegen van _Béthune_ tot _Armentières_ liepen, waarop hij de knechts liet roepen.

Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertoonden zich en ontvingen de duidelijke, strenge en ernstige bevelen van Athos. Zij moesten den volgenden morgen bij het krieken van den dag vertrekken en zich naar _Armentières_ begeven, elk langs een bijzonderen weg. Planchet, de schranderste van de vier, moest dien weg volgen, welken het rijtuig had genomen, waarop de drie vrienden geschoten hadden, en dat, zooals men zich zal herinneren, voorafgegaan werd door den lakei van Rochefort. Athos zond de lakeien ter ontdekking uit, vooreerst omdat hij, sedert die mannen in zijn dienst en in dienst zijner vrienden waren, in elk hunner verschillende goede hoedanigheden had erkend; vervolgens omdat knechts, die naar iets vragen, den landlieden minder argwaan inboezemen dan de meesters, en meer genegenheid ontmoeten bij degenen, die ze ondervragen. Eindelijk, milady kende de meesters, terwijl zij de knechts niet kende, die integendeel zeer goed milady kenden. Alle vier moesten den volgenden morgen te elf uur op een bepaalde plaats vereenigd zijn: indien zij de schuilplaats van milady mochten hebben ontdekt, dan zouden drie van hen haar bewaken en de vierde naar _Béthune_ terugkeeren, om Athos bericht te brengen en den vrienden tot gids te verstrekken.

Na het nemen dier maatregelen vertrokken de knechts op hun beurt. Toen stond Athos van zijn stoel op, gordde zijn degen om, wikkelde zich in zijn mantel en verliet de herberg; het was tien uur; zooals men weet, zijn op dat uur in de kleine steden de straten bijna zoo goed als uitgestorven. Athos intusschen was het duidelijk aan te zien, dat hij iemand zocht tot wien hij een vraag kon richten. Eindelijk ontmoette hij iemand, die laat naar huis keerde, hij naderde dezen en sprak tot hem eenige woorden; maar de man, tot wien hij zich gewend had, deinsde ontsteld achteruit; echter beantwoordde hij de vraag van den musketier door hem iets aan te wijzen. Athos bood dien man een halve pistool aan, zoo deze hem wilde vergezellen, doch de man weigerde. Athos trad de straat in, welke hem met den vinger was aangeduid; maar aan zeker plein gekomen, bleef hij opnieuw, blijkbaar in verlegenheid, staan. Daar intusschen niets hem beter kans gaf van iemand te ontmoeten dan dat plein, bleef hij wachten. En waarlijk, na een kort oogenblik kwam hem een nachtwacht voorbij. Athos deed hem dezelfde vraag, welke hij reeds den eersten persoon had gedaan, dien hij ontmoet had. De nachtwacht liet dezelfde ontsteltenis blijken, weigerde ook hem te vergezellen en wees hem met de hand den weg, dien hij moest volgen. Athos ging in de aangewezen richting voort en bereikte de voorstad, aan de tegenovergestelde zijde gelegen van die, door welke hij en zijn vrienden de stad waren binnengekomen. Daar gekomen scheen hij wederom verlegen en onzeker en bleef voor de derde maal staan.

Gelukkig kwam een bedelaar daar langs, die Athos naderde om hem een aalmoes te vragen. Athos bood hem een kroon, zoo hij hem wilde brengen waar hij moest zijn. De bedelaar aarzelde een oogenblik; doch het goudstuk ziende, dat in de duisternis blonk, ging hij er toe over en trad Athos vooruit. Aan den hoek eener straat gekomen, toonde hij hem in de verte een eenzaam, afgezonderd, treurig huis. Athos naderde het, terwijl de bedelaar, die zijn loon had ontvangen, zoo hard hij loopen kon zich er van verwijderde.

Athos ging het huis rond alvorens de deur te bespeuren, die door de roode kleur, waarmede het huis was geverfd, bijna onzichtbaar was. Geen enkele lichtstraal blonk door de reten der vensterluiken, niet een enkel gerucht gaf blijk, dat het werd bewoond; donker en stil was het er als in een graf. Drie malen klopte Athos, zonder dat men hem antwoordde. Op den derden slag naderden eindelijk voetstappen; de deur werd een weinig geopend en een man van een groote gestalte, met bleeke kleur, zwarten baard en hoofdhaar, verscheen. Athos en hij wisselden eenige woorden in stilte met elkander, waarop de man des huizes den musketier een teeken gaf, dat hij kon binnenkomen. Athos maakte zonder verwijl van het verlof gebruik, en de deur viel achter hem dicht.

De man, dien Athos van zoo verre was komen zoeken en met zooveel moeite had gevonden, liet hem een werkplaats binnengaan, waar hij bezig was met ijzerdraad de rammelende knoken van een geraamte samen te hechten. Geheel het rif was reeds in elkander gezet, alleen het hoofd stond nog op een tafel. Het overige van het huisraad duidde aan, dat hij, bij wien hij zich bevond, de natuurkunde beoefende; men zag er glazen flesschen met slangen, welke alle naar volgorde in klassen gerangschikt waren; gedroogde hagedissen blonken als smaragden in groote, zwart houten ramen. Voorts hingen aan de zoldering, in de hoeken van het vertrek, bossen met wilde, welriekende kruiden, die zeker een voor het meerendeel der menschen onbekende hoedanigheid bezaten. Overigens geen huisgezin, geen knechts; de man van de lange gestalte bewoonde alleen het huis.

Athos wierp een koelen, onverschilligen blik op al de voornoemde voorwerpen, en op uitnoodiging van hem, dien hij bezocht, zette hij zich voor dezen neder. Toen verklaarde hij hem de oorzaak van zijn bezoek, en den dienst om welken hij hem verzocht; doch nauwelijks had hij zijn verzoek gedaan, of de vreemdeling, die voor den musketier overeind was blijven staan, deinsde vol ontzetting achteruit en weigerde. Daarop haalde Athos uit zijn zak een klein papier te voorschijn, waarop eenige regels stonden geschreven, en hetwelk met een zegel was voorzien, en vertoonde het dengene, die te voorbarig die teekenen van afkeer had gegeven. De lange man had nauwelijks de paar regels gelezen, de handteekening gezien en het zegel herkend, of hij boog zich, ten teeken dat hij niet de minste tegenwerping meer te maken had en hij gereed was te gehoorzamen. Athos begeerde niets meer; hij stond op, verliet het huis, ging denzelfden weg, dien hij gekomen was, trad de herberg binnen en sloot zich in zijn kamer op.

Toen de dag aanbrak, trad d’Artagnan bij hem binnen en vroeg, wat er gedaan moest worden.--„Wachten,” antwoordde Athos.

Eenige oogenblikken daarna liet de abdis van het klooster de musketiers berichten, dat de begrafenis van milady’s slachtoffer op den middag zou plaats hebben. Van de giftmengster had men niets meer vernomen. Alleen bleek het, dat zij langs den tuin was ontvlucht, daar men op het zand haar voetstappen had herkend, terwijl men de deur gesloten vond; de sleutel was nergens te vinden.

Op het bepaalde uur begaven lord de Winter en de vier vrienden zich naar het klooster; het klokgelui kondigde de treurige plechtigheid aan, de kapel was reeds geopend, alleen het ijzeren hek van het klooster was gesloten. In het midden van het koor was het lijk van het slachtoffer in haar nonnengewaad ten toon gesteld. Aan beide zijden van het koor en achter de hekken, die den toegang tot het klooster verleenden, waren al de nonnen vereenigd, die dáár den heiligen dienst hoorden en haar gezangen aan het gezang der priesters paarden, zonder de ongewijden te zien of door hen gezien te worden. Voor de deur der kapel voelde d’Artagnan zich opnieuw den moed ontzinken; hij wendde zich om Athos te zoeken, doch Athos was verdwenen.

Zich geheel overgevende aan den last, op zich genomen om de wraak te volvoeren, had Athos zich naar den tuin doen brengen, en daar op het zand de zwakke indruksels volgende der vrouw, die overal waar zij haar schreden zette een bloedig spoor achterliet, bereikte hij de deur, die in het bosch uitkwam, liet ze openen en drong het hout in. Toen werd al zijn twijfel opgeheven: de weg, langs welken het rijtuig was verdwenen, liep om het woud. Athos volgde dien weg, de oogen op den grond gevestigd houdende; eenige kleine bloedvlekken, die van een verwonding voortkwamen, hetzij den man die het rijtuig als koetsier vergezelde of een der paarden toegebracht, spikkelden den weg. Na ongeveer drie kwartier te zijn voortgegaan, op vijftig schreden van _Festubert_, bespeurde hij een grootere bloedvlek, en de grond was door paarden ingetrapt. Tusschen het woud en deze plek herkende hij dezelfde kleine voetindruksels als die van den tuin; het rijtuig had hier stilgehouden. Hier was milady uit het bosch gekomen en in het rijtuig geklommen. Voldaan over deze ontdekking, die al zijn vermoedens bevestigde, keerde Athos naar de herberg terug en vond daar Planchet, die hem met ongeduld wachtte.

Alles had zich toegedragen, zooals Athos had voorzien. Planchet had, denzelfden weg afleggende als Athos, de bloedvlekken bespeurd en ook de plaats opgemerkt, waar de paarden hadden stilgestaan; doch hij was verder gegaan dan Athos, zoodat hij in de herberg van _Festubert_, terwijl hij daar iets dronk, hoorde, zonder noodig te hebben gehad eenige vragen te doen, dat den vorigen dag te half negen des avonds een gewond man, die een in een chais reizende dame vergezelde, genoodzaakt was geweest, wijl hij niet verder kon gaan, zich daar op te houden. Het ongeval was op rekening der dieven gesteld, die de chais in het bosch zouden hebben aangerand. De man was in het dorp gebleven, de vrouw had van paarden verwisseld en haar reis vervolgd. Planchet deed onderzoek naar den postiljon, die de chais had gereden, en vond hem. Hij had de dame tot aan _Fromelles_ gebracht, en van _Fromelles_ was zij naar _Armentières_ vertrokken. Dáár was slechts een herberg, tevens het posthuis. Planchet begaf zich derwaarts als een buiten dienst zijnde lakei, die een plaats zoekt. Hij had nauwelijks tien minuten met de lieden der herberg gesproken, of hij wist reeds, dat een vrouw alleen des avonds te elf uur was aangekomen, een kamer had genomen, den herbergier had doen komen en dezen gezegd had, dat zij eenigen tijd in de omstreken wilde blijven. Planchet had niet noodig iets meer te weten. Hij begaf zich naar de afgesproken plaats, vond de lakeien nauwkeurig op hun post, nam ze mede, plaatste hen als schildwachten voor al de uitgangen van het hotel en keerde toen naar Athos terug, die juist met het aanhooren der berichten van Planchet eindigde, toen zijn vrienden binnenkwamen. De aangezichten van allen waren betrokken, zelfs het zachte gelaat van Aramis.

„Wat moet er gedaan worden?” vroeg d’Artagnan.--„Wachten,” antwoordde Athos.

Iedereen keerde naar zijn kamer terug. Tegen acht uur des avonds gaf Athos bevel de paarden te zadelen en lord de Winter en zijn vrienden te waarschuwen, dat zij zich tot den tocht moesten gereed maken. In een oogenblik waren alle vijf gereed. Elk voor zich onderzocht zijn wapens en bracht ze in orde. Athos kwam het laatst en vond d’Artagnan reeds te paard, ongeduldig het oogenblik des vertreks verbeidende.--„Geduld,” zeide Athos, „er ontbreekt ons nog iemand.”

De vier ruiters zagen verwonderd rondom zich, want zij trachtten vruchteloos te raden, wie degene was, die nog verwacht werd. Nu bracht Planchet het paard van Athos voor. De musketier sprong luchtig in den zadel.--„Wacht nu, ik kom terug,” zeide hij, en hij verwijderde zich in galop.

Een kwartier later kwam hij, vergezeld van een gemaskerden, in een rooden mantel gehulden man terug. Lord de Winter en de drie musketiers wisselden met elkander vragende blikken; maar geen hunner kon den anderen eenige verklaring geven, want aan allen was het onbekend, wie die man was. Intusschen twijfelden zij er niet aan, dat het dus moest wezen, dewijl het op bevel van Athos was geschied. Te negen uur ving de kleine ruiterbende den tocht aan, door Planchet voorgegaan en den weg inslaande, welken het rijtuig had gevolgd. Het was een treurige vertooning, die zes mannen te zien, in diepe stilte voortschrijdende, elk in zijn eigen gedachten verzonken, zwijgend als de wanhoop, vreeselijk als de kastijding.

HOOFDSTUK XXXIV.

Het vonnis.

De nacht was stormachtig en stikdonker, zware wolken doorkliefden het zwerk, het licht der sterren omnevelende; de maan ging niet eer dan te middernacht op.--Bijwijlen zag men bij het licht der bliksemstralen, die aan de kimmen schitterden, den weg wit en eenzaam voor zich heen kronkelen, vervolgens, nadat het bliksemvuur was uitgedoofd, keerde alles in de duisternis terug. Onophoudelijk riep Athos d’Artagnan, die steeds vooruit was, in het gelid der kleine bende terug en dwong hem op zijn plaats te blijven, die hij echter een oogenblik daarna weder verliet.... slechts een gedachte, die van vooruit te komen, bezielde hem en hij was steeds voor.

Men reed in stilte het dorpje _Festubert_ door, waar de gewonde knecht was gebleven; vervolgens ging men langs het dorp _Richebourg_. Te _Herlier_ gekomen, sloeg Planchet, die den troep tot gids verstrekte, links om.--Menigmaal had lord de Winter, Porthos of Aramis beproefd een gesprek met den man met den rooden mantel aan te knoopen, maar op elke vraag, die men hem deed, boog hij zich, zonder te antwoorden. De reizigers begrepen hieruit, dat er eenige reden bestond, die den onbekende tot zwijgen noopte, en zij hielden op met hem toe te spreken.

Intusschen breidde zich het onweer uit, de bliksems volgden elkander snel, de donder begon te rollen, en de wind, voorlooper van een orkaan, floot door de pluimen en het hoofdhaar der ruiters. De bende zette zich in vollen draf. Een weinig voorbij _Fromelles_ barstte de storm los. Men sloeg de mantels om. Nog drie uur moesten er worden afgelegd, gedurende welke de regen stroomsgewijze nederviel.

D’Artagnan had zijn hoed afgezet en zijn mantel niet omgeslagen, want hij vond er vermaak in het water langs zijn gloeiend voorhoofd en zijn van koortsachtige rillingen bevend lichaam te laten druipen. Op het oogenblik, dat de kleine troep _Goskal_ voorbij was en het posthuis zou bereiken, maakte een man, die onder een boom een schuilplaats had gezocht, zich als van den stam los, met welken hij in de duisternis slechts een geheel scheen te vormen, en naderde tot op het midden van den weg, den vinger op den mond leggende. Athos herkende Grimaud.

„Wat is er?” riep d’Artagnan, „zou zij _Armentières_ verlaten hebben?”--Grimaud maakte met het hoofd een bevestigend gebaar. D’Artagnan knarsetandde van woede.

„Stil, d’Artagnan!” zeide Athos, „ik ben het, die zich met alles heeft belast, mij behoort het dus Grimaud te ondervragen. Waar is zij?” vroeg Athos.--Grimaud strekte de hand uit in de richting van de _Lys_.--„Ver van hier?” vroeg Athos.--Grimaud vertoonde aan zijn meester zijn gebogen wijsvinger.--„Alleen?” vroeg Athos.--Grimaud knikte van ja.--„Mijne heeren!” zeide Athos, „zij is op een half uur afstands van hier, in de richting der rivier.”--„Het is wel,” zeide d’Artagnan. „Geleid ons, Grimaud!”

Grimaud ging het land over en strekte den troep tot wegwijzer. Op ongeveer vijfhonderd schreden verder kwam men bij een beek, die men doorwaadde. Bij het schijnsel van een weerlicht zag men het dorpje _Esquinhem_ voor zich.

„Is het daar?” vroeg d’Artagnan.--Grimaud schudde ontkennend het hoofd.--„Stil toch!” zeide Athos. En de troep vervolgde zijn weg.

Een nieuwe bliksemstraal schitterde; Grimaud strekte den arm uit, en bij het blauwachtige licht van den vuurslag onderscheidde men een klein alleenstaand huisje, aan den oever der rivier, op honderd schreden afstands van een overzetpont. Een venster was verlicht.

„Wij zijn er,” zeide Athos.--Op dat oogenblik richtte zich een man uit een sloot overeind, het was Mousqueton. Hij wees met den vinger het verlichte venster aan.--„Daar is zij,” zeide hij.--„En Bazijn?” vroeg Athos.--„Terwijl ik het venster bewaakte, bewaakte hij de deur.”--„Goed,” zeide Athos, „gij zijt allen trouwe dienaars.”