De Drie Musketiers dl. I en II

Part 56

Chapter 563,507 wordsPublic domain

Hoewel milady zeer goed zonder slaap had kunnen blijven, opgewekt als zij was door al het prikkelende, dat een nieuw avontuur aan haar naar intrigues begeerig hart veroorzaakte, gaf zij niettemin gehoor aan den raad der abdis. Sedert twaalf of veertien dagen had zij zoovele verschillende gewaarwordingen ondervonden, dat, al mocht haar lichaam nog de vermoeienis weerstand bieden, haar ziel nochtans rust noodig had.

Zij nam afscheid van de abdis en begaf zich ter ruste, zachtjes in slaap gewiegd door haar wraakzuchtige denkbeelden, waarop zij natuurlijk was teruggebracht door den naam van Ketty. Zij herinnerde zich die bijna onbegrensde belofte des kardinaals, indien zij in haar onderneming mocht slagen. Zij was geslaagd, derhalve kon zij zich op d’Artagnan wreken.

Een enkele omstandigheid joeg milady schrik aan: het was de herinnering aan haar man, den graaf de la Fère, dien zij gemeend had dood, of althans uitlandig te zijn, en in welken zij Athos, den besten vriend van d’Artagnan, wedervond. Maar zij bedacht ook dat, indien hij de vriend van d’Artagnan was, hij dezen in al zijn handelingen had moeten behulpzaam zijn geweest, waardoor het hem gelukt was de plannen Zijner Eminentie te doen schipbreuk lijden, derhalve was hij, als vriend van d’Artagnan, de vijand van den kardinaal, en des te beter zou het haar gelukken hem in het net harer wraakzucht te verwarren, in hetwelk zij den jongen musketier trachtte te versmoren. De zoete hoop vervulde milady met de aangenaamste droombeelden; door deze gestreeld, viel zij weldra in slaap.

Zij werd gewekt door een zachte stem, die van het voeteinde harer legerstede voortkwam. Zij opende de oogen en ontwaarde de abdis, vergezeld van een jonge vrouw met blond haar en teedere gelaatskleur, die op haar een blik vol goedaardige nieuwsgierigheid wierp. Het aangezicht dezer jonge vrouw was haar volkomen onbekend. Beiden beschouwden elkander met nauwkeurige aandacht, onder het maken der gewone complimenten. Beiden waren schoon, maar schoon van een geheel verschillenden aard. Intusschen glimlachte milady, erkennende dat zij de jonge vrouw verreweg overtrof in voorname houding en edele manieren. Het is waar, dat het gewaad der jonge kloosterzuster niet zeer in haar voordeel was, om een dergelijken wedstrijd aan te gaan. De abdis stelde de een aan de andere voor, vervolgens, toen die plichtplegingen waren afgeloopen, en de abdis zich ter vervulling harer ambtsplichten in de kerk moest begeven, liet zij beide jonge vrouwen alleen. De novice, milady nog te bed ziende, wilde de abdis volgen, maar milady hield haar tegen.

„Hoe, mejuffrouw!” zeide zij tot haar, „nauwelijks heb ik u gezien, en gij wilt mij weder van uw gezelschap berooven, waarop ik trouwens, dat beken ik, reeds eenigszins had gerekend, gedurende den tijd dien ik hier moet blijven?”--„Neen, mevrouw!” antwoordde de novice, „ik vreesde alleen een slecht oogenblik te hebben gekozen. Gij sliept, gij zijt vermoeid.”--„Welnu!” zeide milady, „wat kunnen zij, die slapen, begeeren? een aangenaam ontwaken. Zoodanig ontwaken hebt gij mij geschonken, laat mij het ten volle genieten.”

En haar bij de hand nemende, trok zij haar op een leuningstoel, die nabij het bed stond.--De novice ging zitten.--„Mijn God!” zeide deze, „wat ben ik ongelukkig! Ziedaar zes maanden, dat ik hier ben, zonder eenigen den minsten schijn van uitspanning; gij komt, uw tegenwoordigheid zou voor mij een bekoorlijk gezelschap zijn geweest, en ziedaar, naar alle waarschijnlijkheid sta ik thans op het punt het klooster te verlaten.”--„Hoe?” vroeg milady, „gaat gij het dan zoo spoedig verlaten?”--„Ten minste hoop ik het,” zeide de novice met een uitdrukking van blijdschap, die zij in het minst niet trachtte te verbergen.--„Ik meen gehoord te hebben, dat gij vanwege den kardinaal te lijden hebt gehad?” ging milady voort, „dat is een reden van vriendschap te meer tusschen ons beiden.”--„Hetgeen onze goede abdis mij heeft gezegd, is dan waar, dat ook gij een slachtoffer van den kardinaal waart?”--„Stil!” zeide milady, „spreken wij zelfs hier niet derwijze over hem. Al mijn ongelukken zijn ontstaan, doordien ik bijna hetzelfde, wat gij daar zegt, aan een vrouw zeide, die ik mijn vriendin waande, doch die mij verraden heeft. En ook gij zijt immers het slachtoffer van verraad?”

„Neen,” zeide de jonge vrouw, „maar tengevolge mijner gehechtheid aan een vrouw, die ik liefhad, voor wie ik mijn leven zou hebben gegeven, en het nog zou geven.”--„En die u aan uw lot heeft overgelaten, is het niet zoo?”--„Ik ben onrechtvaardig genoeg geweest zulks te gelooven, maar sedert twee of drie dagen heb ik het bewijs van het tegendeel verkregen, en ik dank er God voor. Het zou mij hard zijn gevallen te weten, dat zij mij vergeten had. Maar,” ging de nieuwelinge voort, „het schijnt alsof gij vrij zijt, en indien gij wildet vluchten, zulks slechts van u zou afhangen.”--„Waar wilt gij dat ik mij begeve, zonder vrienden, zonder geld, in een streek van _Frankrijk_, die ik niet ken, waar....”--„O!” riep de jonge kloosterzuster, „wat vrienden betreft, deze zult gij overal vinden, gij schijnt zoo goed te zijn en zoo schoon!”--„Dat belet niet,” hernam milady, haar glimlach verzachtende, als om er een engelachtige uitdrukking aan te geven, „dat ik alleen ben en vervolgd word.”

„Luister,” zeide de jonge vrouw, „men moet op den Hemel al zijn vertrouwen stellen; ziet gij, er komt altijd een oogenblik, dat het goede, wat men heeft gedaan, uw zaak voor God bepleit, en ziedaar, misschien is het voor u een geluk, hoe nietig en onvermogend ik ook ben, dat gij mij hebt ontmoet, want indien ik hier uit geraak, welnu, dan zullen die vermogende vrienden, die ik heb, na zich voor mij in de waagschaal te hebben gesteld, zulks ook voor u doen.”--„Ach, toen ik zeide, dat ik alleen was,” zeide milady, hopende de jonge vrouw tot spreken over te halen, en als tot zich zelve sprekende, „was zulks niet omdat ik geen vermogende vrienden had, maar die vrienden beven voor den kardinaal. Zelfs de koningin durft mij niet tegen dien verschrikkelijken minister beschermen, en ik heb het bewijs, dat Hare Majesteit, ondanks haar goedhartigheid, meer dan eens verplicht is geweest aan de gramschap Zijner Eminentie diegenen over te laten, welke haar gediend hadden.”--„Geloof mij, mevrouw! de koningin kan den schijn hebben haar vrienden aan hun lot over te laten, maar gij moet dien schijn niet gelooven; hoe meer zij worden vervolgd, des te meer denkt de koningin aan hen, en dikwijls op het oogenblik, dat zij meenen dat er het minst aan hen wordt gedacht, ontvangen zij het bewijs van de innigste belangstelling.”--„Helaas!” zeide milady, „ik geloof het gaarne, de koningin is zoo goed!”--„O! kent gij haar dan, die schoone, edele vorstin, dat gij derwijze van haar spreekt?” riep de jonge vrouw met geestdrift.--„Dat is te zeggen,” hernam milady, rechtstreeks in haar verschansingen aangevallen, „ik heb de eer niet haar persoonlijk te kennen, maar ik ken een aantal harer vertrouwde vrienden. Ik ken den heer Putange, ik heb in _Engeland_ den heer Dujart gekend, ik ken den heer de Tréville.”--„Den heer de Tréville?” riep de jonge vrouw, „kent gij den heer de Tréville?”--„Ja, zeker, zelfs zeer goed. Den kapitein van ’s konings musketiers.”--„O! maar straks zult gij zien,” riep de jonge vrouw, „dat wij volkomen kennissen zijn, bijna vriendinnen. Indien gij den heer de Tréville kent, moet gij dikwerf bij hem zijn geweest.”--„Dikwijls,” antwoordde milady, die, eenmaal dien weg hebbende ingeslagen, en ziende dat het liegen haar gelukte, hiermede tot aan het einde wilde volhouden.--„In zijn huis hebt gij eenige zijner musketiers moeten ontmoeten.”--„Allen, die hij gewoonlijk ontvangt,” antwoordde milady, voor wie dat gesprek inderdaad belangrijk begon te worden.--„Noem mij eenigen dergenen, die gij kent, en gij zult zien, dat zij tot mijn vrienden behooren.”--„Maar,” zeide milady verlegen, „ik ken den heer de Louvigny, den heer de Courtivon, den heer de Férussac.”

De jonge vrouw liet haar voleinden, en ziende dat zij ophield, zeide zij: „Kent gij niet zekeren edelman, Athos genaamd?”

Milady werd even bleek als de bedlakens, die haar dekten, en hoeveel zelfbeheersching zij ook bezat, kon zij echter een uitroep niet bedwingen, terwijl zij de hand greep van haar, die haar toesprak, en welke zij met haar blik verslond.--„Hoe! wat deert u? Ach, mijn God!” vroeg de jonge vrouw, „heb ik dan iets gezegd, dat u beleedigd heeft?”--„Neen, maar die naam heeft mij getroffen, dewijl ook ik dien edelman heb gekend, en het mij vreemd schijnt iemand te vinden, die hem zoo goed kent.”--„O ja, zeer goed, niet alleen hem, maar ook zijn vrienden, de heeren Porthos en Aramis.”--„Waarlijk! ook hen ken ik!” riep milady, die een koude voelde, welke haar hart deed ineenkrimpen.--„Welnu! indien gij hen kent, moet gij weten, dat het dappere en moedige mannen zijn. Waarom richt gij u niet tot hen, wanneer gij hulp behoeft?”--„Dat is, omdat ik niet juist aan hen door vriendschap ben verbonden,” stamelde milady, „ik ken hen door een hunner vrienden, den heer d’Artagnan, over hen te hebben hooren spreken.”--„Kent gij den heer d’Artagnan?” riep de jonge vrouw, op haar beurt de handen van milady vattende en haar met haar oogen verslindende, en vervolgens de zonderlinge uitdrukking van milady bemerkende, zeide zij: „Vergeef mij, mevrouw! maar in welke hoedanigheid kent gij hem?”--„Wel,” hernam milady verlegen, „wel, in de hoedanigheid van vriend.”--„Gij bedriegt mij, mevrouw!” hernam de jonge vrouw; „gij zijt zijn minnares geweest!”--„Neen, gij zijt het geweest, mejuffrouw!” zeide milady op haar beurt.--„Ik!” riep de jonge vrouw.--„Ja, gij! nu ken ik u, gij zijt juffrouw Bonacieux!” De jonge vrouw trad vol verbazing en verschrikt achteruit.--„O, ontken niet,” hernam, milady.--„Welnu! ja, mevrouw! ik bemin hem,” zeide de jonge vrouw. „Zijn wij medeminnaressen?”

In den blik van milady blonk een zoo woest vuur, dat in elke andere omstandigheid juffrouw Bonacieux van ontzetting zou gevlucht zijn, maar nu was zij geheel vervuld van jaloezie.--„Komaan! spreek, mevrouw!” hernam juffrouw Bonacieux met een geestkracht, waarvoor men haar onbekwaam zou hebben geacht, „zijt gij zijn minnares geweest?”--„O, neen!” riep milady op een toon, die geen twijfel omtrent de waarheid liet blijven, „nooit! nooit!”--„Ik geloof u,” zeide juffrouw Bonacieux, „maar waartoe dan dien uitroep?”--„Hoe! begrijpt gij niet!” zeide milady, die reeds van haar verwarring was hersteld en haar volkomen tegenwoordigheid van geest terug had gekregen.--„Hoe wilt gij dat ik begrijpe; ik weet niets.”--„Begrijpt gij dan niet, dat de heer d’Artagnan, mijn vriend zijnde, mij tot zijn vertrouwelinge heeft gekozen?”--„Inderdaad?”--„Begrijpt gij dan niet, dat mij alles bekend is? uw ontvoering uit het huis van _Saint Germain_, zijn wanhoop, die zijner vrienden, hun nazoekingen vanaf dat oogenblik. En hoe wilt gij, dat ik mij niet verwonder, wanneer ik mij, zonder het te weten, in gezelschap bevind van haar, over wie wij zoo dikwijls hebben gesproken; van u, die hij met al de kracht zijner ziel bemint, van u, die hij mij heeft doen beminnen alvorens u gezien te hebben. Ach, eindelijk vind, eindelijk zie ik u dan?”--En milady breidde haar armen voor juffrouw Bonacieux uit, die, overtuigd van hetgeen zij haar had gezegd, niets anders meer in die vrouw, welke zij een oogenblik te voren meende een medeminnares te zijn, dan een oprechte en trouwe vriendin zag.--„Ach, vergeef mij! vergeef mij!” riep zij, in haar armen vallende; „ik bemin hem zoo innig!”

Beide vrouwen bleven een oogenblik in elkanders armen. Trouwens, indien de krachten van milady haar haat hadden geëvenaard, dan zou juffrouw Bonacieux niet dan levenloos uit die omhelzing zijn gekomen. Doch haar niet kunnende verstikken, glimlachte zij haar toe.

„O! lieve, zoete kleine!” zeide milady, „wat ben ik blijde u te zien, laat mij u beschouwen.” En deze woorden zeggende, verslond zij haar werkelijk met haar blik. „Ja, gij zijt het wel. O! naar hetgeen hij mij heeft gezegd, herken ik u nu, ik herken u volkomen.”--De arme jonge vrouw kon onmogelijk weten, wat er wreedaardigs achter dat reine voorhoofd verscholen was, achter die opene oogen, waarin zij niets anders dan belangstellend medelijden las.--„Dan weet gij, wat ik heb geleden,” zeide juffrouw Bonacieux, „daar hij u heeft gezegd, wat ik leed. Maar voor hem te lijden is een zaligheid.”

Milady herhaalde werktuigelijk: „Ja, dat is een zaligheid.”--Zij dacht aan iets anders.

„Maar nu,” zeide juffrouw Bonacieux, „is mijn lijden haast ten einde: morgen, misschien heden avond zal ik hem wederzien, en dan zal het verledene niet bestaan.”--„Heden avond? morgen?” riep milady, door die woorden uit haar gepeins gewekt.... „Wat wilt gij zeggen? wacht gij tijding van hem?”--„Ik wacht hem in persoon.”--„Hem zelven! D’Artagnan hier?”--„Hem zelven!”--„Maar dat is niet mogelijk! hij is bij het beleg van _la Rochelle_ met den kardinaal en zal eerst na de inneming der stad naar _Parijs_ terugkeeren.”--„Gij gelooft dat, maar is er iets ondoenlijks voor mijn d’Artagnan, dien edelen, trouwen edelman! Welnu, lees dan!” zeide de ongelukkige vrouw, in de opgewondenheid van haar hoogmoed en blijdschap milady een brief vertoonende.

„Het schrift van mevrouw de Chevreuse,” zeide milady bij zich zelve. „O! ik was wel zeker, dat zij van die zijde verstandhouding hielden.”--En zij las gretig deze weinige regels:

„Mijn lief kind!

Houd u gereed; _onze vriend_ zal u dra zien en u niet anders zien dan om u uit de gevangenis te ontrukken, waar uw zekerheid vereischte, dat gij verborgen bleeft; bereid u dus om te vertrekken en wanhoop nooit in ons.--Onze moedige Gaskonjer heeft zich, zooals altijd, dapper en getrouw gedragen; zeg hem, dat men hem ergens zeer dankbaar is voor zijn waarschuwing.”

„Ja, ja,” zeide milady, „ja, de brief is bepaald, en kent gij ook de waarschuwing?”--„Neen; ik geloof alleen, dat het een nieuw verraad van den kardinaal jegens de koningin betreft, waarvoor hij haar zal hebben gewaarschuwd.”--„Ja, dat zal het zijn,” zeide milady, den brief aan juffrouw Bonacieux teruggevende, terwijl zij peinzend het hoofd op de borst liet zinken.

Op dat oogenblik hoorde men den hoefslag van een paard.... „O!” riep juffrouw Bonacieux, naar het venster ijlende, „zou hij het zijn?”

Milady was in haar bed gebleven, als van verbazing versteend; er gebeurde haar eensklaps zooveel, dat zij voor het eerst radeloos was.--„Hij, hij!” mompelde zij, „zou hij het zijn?”--En zij bleef met strakke oogen in haar bed liggen.

„Helaas! neen!” zeide juffrouw Bonacieux, „het is een man, dien ik niet ken. Hij schijnt hierheen te komen; ja, hij vermindert al den gang zijns paards; hij blijft voor de deur stilstaan en schelt.”--Milady sprong uit haar bed.--„Zijt gij wel zeker, dat hij het niet is?” vroeg zij.--„O! heel zeker.”--„Misschien hebt ge niet goed gezien.”--„O! de pluim van zijn hoed, de slip van zijn mantel zijn voldoende, wanneer ik die zie, om hem er aan te herkennen.”--Milady bleef voortgaan met zich te kleeden.--„Het doet er niet toe; die man komt hier, zegt gij?”--„Ja, hij is reeds binnen.”--„Het is òf voor u, òf voor mij.”--„O, mijn God! wat zijt gij ontroerd!”--„Ja, ik ben zoo goed vertrouwend niet als gij en vrees alles van den kardinaal.”--„Stil!” zeide juffrouw Bonacieux, „men komt.”

Inderdaad, de deur werd geopend en de abdis trad binnen.--„Zijt gij van _Boulogne_ gekomen?” vroeg zij aan milady.--„Ja,” antwoordde deze, haar koelbloedigheid trachtende te herstellen; „wie vraagt naar mij?”--„Een man, die zijn naam niet wil zeggen, maar die vanwege den kardinaal komt.”--„En die mij wil spreken?” vroeg milady.--„Die een dame wil spreken, welke van _Boulogne_ is gekomen.”--„Laat hem dan als het u belieft binnengaan, mevrouw.”--„Ach, mijn God, mijn God!” riep juffrouw Bonacieux, „zou het een andere slechte tijding betreffen?”--„Ik vrees er voor.”--„Ik laat u alleen met dien vreemdeling; maar dadelijk, na zijn vertrek, zoo gij zulks veroorlooft, kom ik terug.”--„Wat anders! ik bid er u om.”

De abdis en juffrouw Bonacieux verwijderden zich. Milady bleef alleen, de oogen op de deur gevestigd houdende. Een oogenblik later hoorde men het gerucht van sporen, die op de trap weergalmden; vervolgens naderden de voetstappen, de deur werd geopend en een man verscheen. Milady slaakte een vreugdekreet. Die man was de graaf de Rochefort, de vertrouweling Zijner Eminentie.

HOOFDSTUK XXXI.

Twee verschillende soorten van duivels.

„Ha!” riepen gelijktijdig Rochefort en milady, „zijt gij het?”--„Ja, ik ben het.”--„En gij komt van....?” vroeg milady.--„Van _la Rochelle_; en gij?”--„Uit _Engeland_.”--„Buckingham....?”--„Gedood of gevaarlijk gewond; daar ik niets van hem kon verkrijgen, was ik gereed te vertrekken, toen een geestdrijver hem vermoordde.”--„Ha!” lachte Rochefort, „ziedaar een gelukkig toeval, dat Zijne Eminentie niet weinig genoegen zal doen. Hebt gij hem hiervan reeds kennis gegeven?”--„Ik heb hem uit _Boulogne_ geschreven. Maar hoe komt gij hier?”--„Zijne Eminentie, die ongerust was, heeft mij ter uwer opsporing doen vertrekken.”--„Ik ben eerst sedert gisteren aangekomen.”--„En wat hebt gij sedert gisteren gedaan?”--„Ik heb geen tijd verloren.”--„O! daaraan twijfel ik volstrekt niet.”

„Weet gij, wie ik hier heb ontmoet?”--„Neen!”--„Raad eens.”--„Hoe wilt gij, dat ik rade?”--„De jonge vrouw, welke de koningin uit de gevangenis heeft doen bevrijden.”--„De minnares van den jongen d’Artagnan?”--„Ja, juffrouw Bonacieux, wier verblijf den kardinaal onbekend was.”--„Welnu,” zeide Rochefort, „ziedaar wederom een toeval, dat met het andere kan samengaan. De kardinaal is een gelukkig man!”--„Begrijp eens mijn verwondering,” vervolgde milady, „toen ik eensklaps die vrouw voor mijn oogen zag.”--„Kent zij u?”--„Neen.”--„Dan beschouwt zij u als een vreemdelinge?”--Milady glimlachte.--„Ik ben haar beste vriendin.”--„Op mijn eer,” zeide Rochefort, „ik ken niemand dan u, mijn lieve gravin! om dergelijke mirakelen te doen.”--„En het is zeer gelukkig geweest, graaf!” zeide milady, „want weet gij wel, wat er gaande is? Men zal haar morgen of overmorgen op een bevel der koningin komen afhalen.”--„Waarlijk! en wie?”--„D’Artagnan en zijn vrienden.”--„Inderdaad, zij zullen eindigen met zich naar de Bastille te doen zenden.”--„Waarom is het al niet gedaan?”

„Wat wilt gij? de kardinaal heeft een zwakheid voor die lieden, welke ik niet begrijp.”--„Waarlijk? welnu, zeg hem dit, Rochefort! zeg hem, dat ons gesprek in de herberg _den Rooden Duiventoren_ door die vier mannen is beluisterd geworden; zeg hem, dat na zijn vertrek een hunner boven is gekomen en mij met geweld de volmacht heeft ontrukt, die hij mij gegeven had; zeg hem, dat zij lord de Winter van mijn overkomst in _Engeland_ bericht hadden gezonden; dat zij ditmaal er weer bijna in geslaagd waren mijn zending te doen mislukken, zooals zij met die van de diamanten haken hebben gedaan; zeg hem, dat van die vier mannen slechts twee te vreezen zijn; zeg hem, dat de derde, Aramis, de minnaar van mevrouw de Chevreuse is; men moet dezen in het leven behouden, men kent zijn geheim, hij kan nuttig worden; wat den vierden betreft, Porthos, dat is een dwaas, een gek, een onnoozele; dat men er zich niet eens mede bezig houde.”--„Maar die vier mannen moeten op dit oogenblik bij het beleg van _la Rochelle_ zijn.”--„Ik geloofde het ook; maar een brief, dien juffrouw Bonacieux van mevrouw de Chevreuse heeft ontvangen, en welken zij de onvoorzichtigheid heeft gehad mij te laten lezen, doet mij gelooven, dat die vier mannen integendeel op weg zijn om haar te ontvoeren.”--„Duivelsch! wat te doen?”

„Wat heeft u de kardinaal, mij betreffende, gezegd?”--„Uw geschrevene of mondelinge berichten over te nemen en met postpaarden terug te komen. Wanneer hij zal weten, wat gij gedaan hebt, zal hij overwegen wat gij verder moet doen.”--„Moet ik dan hier blijven?”--„Hier of in de omstreken; in het legerkamp zoudt gij kunnen herkend worden, en uw tegenwoordigheid, zooals gij wel begrijpt, zou Zijne Eminentie kunnen benadeelen, vooral na hetgeen is gebeurd. Zeg mij slechts vooruit, waar gij tijding van den kardinaal wilt wachten, ten einde u te kunnen wedervinden.”--„Luister, waarschijnlijk zal ik niet hier kunnen blijven.”--„Waarom?”--„Vergeet gij dan, dat mijn vijanden elk oogenblik kunnen komen?”--„Dat is waar; maar dan zal die jonge vrouw den kardinaal ontsnappen.”--„Ach!” zeide milady met een glimlach, die haar alleen eigen was, „gij vergeet, dat ik haar beste vriendin ben.”--„O! het is waar ook; wat kan ik dan den kardinaal omtrent die jonge vrouw zeggen?”--„Dat hij gerust zij.”--„Is dat alles? Zal hij dan weten, wat het beteekent?”--„Hij zal het raden.”

„Zeg mij nu, wat ik doen moet.”--„Onmiddellijk vertrekken; ik geloof dat het nieuws, dat gij medeneemt, wel der moeite waard is om spoed te maken.”--„Mijn chais is, te _Lilliers_ binnenkomende, gebroken.”--„Kostelijk!”--„Wat kostelijk?”--„Ja, ik heb uw chais noodig.”--„En hoe zal ik dan vertrekken?”--„Te paard.”--„Gij spreekt er zeer luchthartig over; honderd tachtig mijlen!”--„Wat beteekent dat?”--„Men zal ze afleggen. Daarna?”--„Van _Lilliers_ terugkeerende, moet gij mij de chais zenden, met bevel aan uw knecht zich te mijner beschikking te stellen.”--„Goed.”--„Gij hebt zeker een of ander bevelschrift van den kardinaal bij u?”--„Ik heb mijn volmacht.”--„Gij zult ze aan de abdis vertoonen en haar zeggen, dat men mij heden of morgen zal komen halen, en ik den persoon te volgen heb, die zich in uw naam zal vertoonen.”--„Zeer goed.”