De Drie Musketiers dl. I en II
Part 54
Men naderde de sloep. De matroos, die wacht hield, riep de manschap op de boot toe, ’t welk beantwoord werd.--„Wat is dat voor een vaartuig?” vroeg milady.--„Dat wat ik voor u heb gehuurd,” antwoordde Felton.--„En waarheen moet het mij brengen?”--„Waar gij wilt, mits men mij te _Portsmouth_ aan wal zet.”--„Wat gaat gij te _Portsmouth_ doen?” vroeg milady.--„De bevelen van lord de Winter volvoeren,” zeide Felton met een somberen glimlach.--„Welke bevelen?” vroeg milady.--„Gij begrijpt mij dan niet?” zeide Felton.--„Neen, verklaar u, bid ik u.”--„Daar hij mij wantrouwde, heeft hij zelf u willen bewaken, en mij in zijn plaats naar Buckingham gezonden, om hun het bevel van uw verbanning te doen teekenen.”--„Maar, indien hij u wantrouwde, waarom heeft hij u dat bevel toevertrouwd?”--„Men wist immers niet, dat ik met den inhoud van hetgeen ik bracht bekend was, daar hij mij niets had gezegd en ik alleen door u met dat geheim bekend ben geworden.”--„Het is waar. En gij gaat naar _Portsmouth_?”--„Ik heb geen tijd te verliezen; morgen is het de drie en twintigste, en morgen vertrekt Buckingham met de vloot.”--„Naar _la Rochelle_? Hij mag niet vertrekken!” riep milady, haar gewone tegenwoordigheid van geest vergetende.--„Wees gerust,” antwoordde Felton, „hij zal niet vertrekken.”
Milady beefde van vreugd; zij had in het diepste der ziel van den jongeling gelezen: de dood van Buckingham stond er met groote letters in geschreven.--„Felton! gij zijt groot als Judas Macchabeüs! Indien gij sterft, sterf ik met u! Ziedaar alles wat ik u kan zeggen.”--„Stil!” zeide Felton, „wij zijn aangekomen.”
En inderdaad, men had de sloep bereikt. Felton klom het eerst de ladder op en gaf milady de hand, terwijl de matrozen haar ondersteunden, want de zee was nog zeer onstuimig. Een oogenblik daarna stond zij op het verdek.
„Kapitein!” zeide Felton, „ziedaar de persoon, van wie ik u heb gesproken, en die gij behouden en wel naar _Frankrijk_ moet overbrengen.”--„Tegen betaling van duizend pistolen,” zeide de kapitein.--„Ik heb er u vijfhonderd gegeven.”--„En ziedaar de overige vijfhonderd,” zeide milady, de hand op den zak met goud leggende.--„Neen,” zeide de kapitein, „ik heb slechts één woord, en ik heb het den jongeling gegeven; de overige vijfhonderd pistolen behoeven mij niet eer dan bij mijn aankomst te _Boulogne_ betaald te worden.”--„En zullen wij er aankomen?”--„Behouden en wel,” zeide de kapitein, „zoo waar als ik Jack Buttler heet.”--„Welnu,” zeide milady, „als gij woord houdt, zullen het geen vijfhonderd maar duizend pistolen wezen, die ik u zal geven.”--„Hoera! dan voor u, schoone dame!” riep de kapitein, „en moge God mij veel zulke klanten als uwe edelheid zenden.”--„Intusschen,” zeide Felton, „breng ons in de kleine haven van _Chichester_ vóór _Portsmouth_. Gij weet, dat wij zijn overeengekomen daar aan te doen.”
De kapitein antwoordde door de noodige werkzaamheden hiervoor te bevelen, en tegen zeven uur des morgens wierp het kleine vaartuig het anker in de bewuste baai. Gedurende dien overtocht had Felton alles aan milady verhaald, hoe hij, in plaats van naar _Londen_ te gaan, het kleine vaartuig had gehuurd, hoe hij was teruggekomen, op welke wijze hij den muur had beklommen door in de voegen der steenen, en naar gelang hij opklom, krammen te bevestigen om er zijn voeten op neer te zetten, en hoe hij eindelijk de ladder aan de traliën had vastgemaakt; milady wist het overige. Van haar kant trachtte zij Felton moed in te boezemen en in zijn voornemen te versterken, maar bij de eerste woorden, die zij sprak, zag zij wel, dat de jeugdige geestdrijver meer noodig had tegengehouden dan aangespoord te worden. Men kwam overeen, dat milady tot tien uur op Felton zou wachten; indien hij te tien uur niet mocht terug zijn, zou zij onder zeil gaan. Dan, in de veronderstelling dat hij vrij zoude zijn, zou hij haar in _Frankrijk_ wedervinden in het Karmelieten-klooster van _Béthune_.
HOOFDSTUK XXVIII.
Wat er den 23en Augustus 1628 te Portsmouth voorviel.
Felton nam van milady afscheid als een broeder, die, eenvoudig gaande wandelen, zijn zuster groet en haar de hand kust. Hij was volkomen in zijn gewone bedaarde stemming; alleen brandde er een ongewoon vuur in zijn oogen, dat gelijk was aan den gloed der koorts. Zijn voorhoofd was nog bleeker dan gewoonlijk; zijn tanden waren op elkander gedrukt en zijn woorden hadden een korten en stootenden klank en gaven te kennen, dat er in hem iets sombers omging. Zoolang hij in de boot was, die hem aan land bracht, bleef hij met het gelaat naar milady gewend, die overeind op het verdek stond en hem met haar blik volgde. Beiden waren overtuigd niet meer vervolgd te zullen worden. Men trad de kamer van milady nooit vóór negen uur binnen, en er waren drie uren toe noodig, om van het kasteel naar _Londen_ te gaan.
Felton zette voet aan wal, beklom de kleine verhevenheid, die naar boven tot aan den vuurtoren leidde, groette milady voor de laatste maal en zette zijn weg naar de stad voort. Na ongeveer honderd schreden te hebben afgelegd kon hij, daar de grond afhelde, niets meer van de sloep bespeuren dan den mast. Hij liep haastig voort in de richting van _Portsmouth_, van welke stad hij, op een halve mijl afstands ongeveer, de torens en huizen uit den morgennevel zag te voorschijn komen.
Achter _Portsmouth_, in het verschiet, was de zee bedekt met schepen, welker masten, gelijk een ontbladerd populierenbosch door den wind bewogen, schommelden.
Felton liet in zijn snelle vaart alles voorbij zijn geest gaan, die tienjarige reeks van geestdrijvende overdenkingen, en dat lange verblijf onder de Puriteinen, welke hem zoovele ware of valsche beschuldigingen tegen den gunsteling van Jacobus VI en Karel I hadden opgeleverd. Toen hij de openlijke misdrijven van dien minister, schitterende Europeesche misdrijven indien men zich dus kan uitdrukken, met de onbekende en bijzondere misdaden vergeleek, waarmede milady hem had bezwaard, vond Felton, dat de misdadigste der twee personen, die in Buckingham vereenigd waren, diegene moest zijn, wiens handelingen niet publiek waren. Dit kwam, doordat zijn zoo zonderlinge, nieuwe en vurige liefde hem de schandelijke en denkbeeldige beschuldigingen van lady de Winter vertoonde, zooals men stofjes, bij mieren vergeleken, onmerkbaar door een vergrootglas als vreeselijke gedrochten ziet. De snelheid van zijn loop verhitte nog meer zijn bloed. Het denkbeeld de vrouw achter te laten, die hij beminde, of liever die hij als een heilige aanbad en aan een verschrikkelijke wraak zag blootgesteld, de ondergane gemoedsaandoeningen, zijn tegenwoordige vermoeidheid, alles verhief zijn ziel nog meer boven elk menschelijk gevoel.
Hij trad _Portsmouth_ tegen acht uur des morgens binnen. Geheel de bevolking was op de been. De trom werd in de straten en in de haven geroerd. De troepen, die moesten worden ingescheept, togen zeewaarts. Felton, bedekt met stof en zweet, naderde het admiraalshuis. Zijn aangezicht, gewoonlijk bleek, was purperrood van warmte en toorn. De schildwacht wilde hem afwijzen, maar Felton riep den kommandant van den wachtpost, en uit zijn zak den brief halende, waarvan hij de brenger was, zeide hij een bode van lord de Winter te zijn. Op den naam van lord de Winter, dien men voor een der grootste vrienden van Zijne Genade kende, gaf de kommandant bevel Felton door te laten, die trouwens ook de uniform van zee-officier droeg.
Felton snelde het paleis binnen. Op het oogenblik, dat hij het portaal binnentrad, trad ook een man binnen, met stof bedekt en buiten adem, een postpaard aan de deur latende, dat bij aankomst op beide knieën was gevallen.--Felton en hij richtten zich gelijktijdig tot Patrick, den vertrouwden kamerdienaar van den hertog. Felton noemde den baron de Winter. De onbekende wilde niemand noemen, voorgevende zich alleen aan den hertog in eigen persoon te mogen bekend maken. Beiden poogden, de een voor den anderen, het eerst te worden toegelaten. Patrick, wien het bekend was, dat lord de Winter zoowel in dienstzaken als door vriendschapsbetrekkingen met den hertog in betrekking stond, gaf de voorkeur aan dengene, die uit diens naam kwam. De andere was verplicht te wachten: het was gemakkelijk te zien, hoezeer hij die vertraging vervloekte. De kamerdienaar deed Felton een groote zaal doorgaan, waar de afgezanten van _la Rochelle_, met den prins van Soubise aan het hoofd, wachtende waren en geleidde hem in een kabinet, waar Buckingham, uit het bad komende, zich aankleedde, een bezigheid, waaraan hij ook nu, zooals steeds, een buitengewone zorg besteedde.
„De luitenant Felton!” zeide Patrick, „vanwege lord de Winter.”--„Vanwege lord de Winter?” herhaalde Buckingham, „laat binnenkomen.”--Felton trad binnen. Op dit oogenblik wierp Buckingham een kostbaren ochtendrok, met goud geborduurd, op een kanapé, om dezen voor een blauw fluweelen buis, met paarlen bezet, te verwisselen.--„Waarom is de baron niet in persoon gekomen?” vroeg Buckingham. „Ik wachtte hem heden morgen.”--„Hij heeft mij belast Uwe Genade te zeggen,” antwoordde Felton, „dat het hem zeer leed doet die eer niet te kunnen hebben, maar dat hij hierin verhinderd wordt door de waakzaamheid, welke hij verplicht is in het kasteel in acht te nemen.”--„Ja, ja,” zeide Buckingham, „ik weet het, hij heeft een gevangene.”--„Het is juist over deze gevangene, dat ik Uwe Genade wilde onderhouden,” hernam Felton.--„Welnu, wat is er, spreek!”--„Wat ik te zeggen heb, mylord, mag alleen door u gehoord worden.”
„Laat ons alleen, Patrick!” zeide Buckingham, „maar luister naar de schel, ik zal u aanstonds roepen.”--Patrick vertrok.
„Thans zijn wij alleen, mijnheer!” zeide Buckingham, „gij kunt dus vrij spreken.”
„Mylord!” zeide Felton daarop, „de baron de Winter heeft u onlangs geschreven en u daarbij verzocht een bevelschrift te teekenen, ter overbrenging eener jonge vrouw, Charlotte Bakson genaamd.”--„Ja, mijnheer! en ik heb hem geantwoord, mij dat bevelschrift te brengen of te zenden, en dat ik het zou teekenen.”--„Hier is het, mylord!”--„Geef,” zeide de hertog, en het papier uit de handen van Felton nemende, wierp hij er een vluchtigen blik in. Toen, ziende dat het wel datgene was, waarover men hem had geschreven, legde hij het op tafel, nam een pen en maakte zich gereed het te teekenen.
„Vergeef mij, mylord!” zeide Felton, den hertog tegenhoudende, „maar weet Uwe Genade wel, dat de naam van Charlotte Bakson niet de ware naam dier vrouw is?”--„Ja, mijnheer! dat weet ik,” antwoordde de hertog, de pen in den inktkoker doopende.--„Kent Uwe Genade dan haar waren naam?” vroeg Felton kortaf.--„Ik ken hem.”--De hertog zette de pen op het papier. Felton verbleekte.
„En zal Uwe Genade, hoewel dien naam kennende, toch teekenen?”--„Wel zeker!” zeide Buckingham, „en liever twee malen dan eens.”--„Ik kan niet gelooven,” ging Felton voort, met een stem die al meer en meer kort en stootend werd, „dat Uwe Genade weet, dat het lady de Winter betreft.”--„Ik weet het zeer goed, maar ben verwonderd dat gij het weet.”--„En zal Uwe Genade dit bevelschrift zonder wroeging teekenen?”
Buckingham beschouwde den jongeling trots.--„Hoe! mijnheer, weet gij, dat gij mij al vrij zonderlinge vragen doet, en ik dwaas ben er op te antwoorden.”--„Antwoord er op, Uwe Excellentie!” zeide Felton, „de omstandigheid is gewichtiger dan gij wellicht denkt.”
Buckingham, in de meening dat de jongeling vanwege lord de Winter kwam en zonder twijfel uit diens naam sprak, hernam op meer zachten toon:
„Zonder de minste wroeging! En de baron weet zoo goed als ik, dat milady een groote misdadige is, en het bijna een gratie is haar straf tot verbanning te verminderen.”--De hertog zette de pen op het papier.--„Gij zult dat bevelschrift niet teekenen,” zeide Felton, den hertog een schrede naderende.--„Zal ik dat bevelschrift niet teekenen.... en waarom niet?”--„Omdat gij in u zelven zult terugkeeren en milady recht laten wedervaren.”--„Men zal haar recht doen, wanneer men haar naar _Tyburn_ zendt; milady is een schandelijk slecht vrouwspersoon.”--„Uwe Excellentie! milady is een engel, gij weet dit wel en ik vraag u haar vrijheid.”--„Wat is dat?” riep Buckingham. „Zijt gij zinneloos, een zoodanige taal te voeren?”--„Mylord! vergeef mij, ik spreek zoo vriendelijk als ik kan; ja, ik bedwing mij zelfs. Intusschen, mylord! bedenk wat gij wilt doen, en wacht u de maat te doen overloopen.”--„Wat zegt gij? God vergeve mij!” riep Buckingham, „ik geloof, dat hij mij bedreigt!”--„Neen, mylord! ik smeek nog, en ik zeg u, dat één droppel water voldoende is, om een vol vat te doen overloopen; een geringe misslag is somwijlen voldoende, om de straf te doen neerkomen op een hoofd, dat, in weerwil van zoovele misdaden, tot hiertoe is gespaard gebleven.”--„Mijnheer Felton! gij zult u oogenblikkelijk verwijderen en u in arrest begeven.”--„En gij, gij zult mij tot het einde aanhooren, mylord! Gij hebt haar, maagd zijnde, verleid, beleedigd, onteerd; herstel uw misdaden jegens haar, laat haar in vrijheid gaan, en ik zal niets anders van u eischen.”--„Gij zult niet eischen!” zeide Buckingham, Felton met verbazing aanziende en op elk der vier woorden drukkende, die hij uitsprak.
„Mylord!” vervolgde Felton, meer en meer driftig wordende naarmate hij met spreken voortging. „Mylord! wees op uw hoede; geheel _Engeland_ is uw ongerechtigheden moede; mylord! gij hebt van de koninklijke macht misbruik gemaakt, die gij bijna overweldigd hebt; mylord! gij zijt een afschuw voor God en de menschen. God zal u later straffen, maar ik zal u heden straffen.”--„O, dat is te erg!” riep Buckingham, eenige schreden de deur naderende.
Felton trad hem in den weg.--„Ik smeek het u nederig!” hernam hij, „teeken het bevel, om milady de Winter in vrijheid te laten. Bedenk, dat het een vrouw is, die gij onteerd hebt.”--„Verwijder u, mijnheer!” zeide Buckingham, „of ik roep en laat u door mijn bediende de deur uitwerpen.”--„Gij zult niet roepen,” zeide Felton, zich tusschen de deur en een met zilver ingelegd spiegeltje plaatsende, waarop een schel stond; „geef acht, mylord! nu zijt gij in Gods hand.”--„In des duivels klauw, wilt gij zeggen!” riep Buckingham, de stem verheffend, om volk tot zich te trekken, zonder nochtans te roepen.--„Teeken, mylord! teeken voor de vrijheid van lady de Winter,” zeide Felton, den hertog een papier toeschuivende.--„Ik bukken voor geweld! Zijt gij gek? Hier, Patrick!”--„Teeken, mylord!”--„Nooit! nooit!--Hier!” riep de hertog, tevens zijn degen grijpende.
Maar Felton liet hem den tijd niet dien te trekken; hij hield een blank mes, het mes waarmede milady zich had gekwetst, onder zijn buis verborgen, en in een sprong viel hij op den hertog aan.
Op dat oogenblik trad Patrick met den uitroep: „Mylord! een brief uit _Frankrijk_!” de zaal binnen.--„Uit _Frankrijk_?” riep Buckingham, alles vergetende door de gedachte aan haar, van wie de brief kwam.
Felton nam deze gelegenheid waar en stak hem het mes tot aan het hecht in de zijde.--„Onzinnige, verraderlijke moordenaar!” riep Buckingham, „gij hebt mij gedood!”--„Moord, moord!” brulde Patrick.
Felton sloeg de oogen rond, om te vluchten, en de deur onbewaakt ziende, stormde hij de aangrenzende kamer binnen, waarin, zooals wij gezegd hebben, de afgevaardigden van _la Rochelle_ wachtten; hij doorliep ze in haar geheele lengte en bereikte de trap; maar op de eerste trede ontmoette hij lord de Winter, die hem bleek, verward, woest, met bloed aan de handen en aan het gelaat bevlekt ziende, bij de keel greep, uitroepende: „Ik wist het! ik had het geraden! één minuut te laat. O, ongelukkige, ongelukkige, die ik ben!”
Felton bood geen den minsten weerstand. Lord de Winter gaf hem over aan de wacht, die hem in afwachting van nadere bevelen op een klein terras bracht, vanwaar men het uitzicht op de zee had, terwijl lord de Winter zich naar het kabinet van Buckingham spoedde.
Op den kreet van den hertog, toen deze Patrick had geroepen, snelde de man, dien Felton aan de deur had ontmoet, het kabinet binnen. Hij vond den hertog op een sofa liggende, zijn wonde met een krampachtige hand drukkende.
„La Porte!” zeide de hertog met een bevende stem; „la Porte! komt gij van harentwege!”--„Ja, Uwe Excellentie!” antwoordde de getrouwe dienaar van Anna van Oostenrijk, „maar misschien te laat.”--„Stil, la Porte! men zou u kunnen hooren. Patrick! laat niemand binnen. Ach! ik zal niet weten, wat zij laat zeggen. Mijn God, ik sterf!”--En de hertog viel in onmacht.
Intusschen waren lord de Winter, de afgezanten, de oversten der troepen, de officieren van het huis van Buckingham, de kamer binnengedrongen; overal weergalmden wanhoopskreten; het nieuws, dat het paleis met weeklachten en zuchten vervulde, drong weldra naar buiten en verspreidde zich in de stad. Een kanonschot kondigde aan, dat er iets nieuws en onverwachts plaats had. Lord de Winter trok zich de haren uit het hoofd.
„Eén minuut te laat!” riep hij. „Ach, mijn God! mijn God! wat ramp!”--En waarlijk, men was hem te zeven uur des morgens komen berichten, dat een touwladder buiten een der vensters van het kasteel hing. Daarop was hij onmiddellijk naar de kamer van milady gesneld, had die ledig, het venster open en de traliën uitgevijld gevonden. Hij herinnerde zich toen de mondelinge aanbeveling, welke d’Artagnan hem door zijn bode had overgezonden; hij had voor den hertog gebeefd, en naar den stal loopende, was hij, zonder zich den tijd te gunnen een paard te doen zadelen, op het eerste het beste gesprongen en had zich spoorslags verwijderd, waarna hij, op de binnenplaats aangekomen, onmiddellijk afgestegen en de trap was opgesneld, waar hij op de eerste trede, zooals wij gezegd hebben, Felton ontmoette.
De hertog was echter niet dood; hij kwam weder tot bewustzijn, opende de oogen, en de hoop keerde in aller harten terug.--„Mijne heeren!” zeide Buckingham, „laat mij alleen met Patrick en la Porte.... O, zijt gij daar, de Winter! Gij hebt mij heden morgen een zonderlingen gek gezonden; zie eens in welken staat hij mij heeft gebracht.”--„O, mylord!” riep de baron, „mylord! nooit zal ik er mij over kunnen troosten!”--„En gij zoudt ongelijk hebben, mijn goede de Winter!” hernam Buckingham, hem de hand reikende. „Ik ken niet één enkel mensch, die verdient betreurd te worden, gedurende het geheele leven van een anderen mensch. Maar laat ons alleen, als ik u mag verzoeken.”
De baron vertrok, in gesnik uitbarstende.--In het kabinet bleven niemand anders dan de gekwetste hertog, la Porte en Patrick. Men zocht een geneesheer, dien men niet kon vinden.
„Gij zult in het leven blijven, mylord! gij zult in het leven blijven,” herhaalde, voor de sofa geknield, de bode van Anna van Oostenrijk.--„Wat schrijft zij mij!” vroeg Buckingham met flauwe stem, van bloed druipende en om van haar te spreken, die hij beminde, vreeselijke smarten onderdrukkende.... „wat schrijft zij mij? Lees mij haar brief voor.”--„Ach, mylord!” riep la Porte.--„En ziet gij dan niet, la Porte, dat ik geen tijd te verliezen heb?”--La Porte verbrak het zegel en stelde het perkament onder het oog van den hertog; maar Buckingham trachtte vruchteloos het schrift te lezen.--„Lees dan, lees dan!” zeide hij, „ik kan niet meer zien. Lees! want dra zal ik niet meer hooren, en ik zal sterven zonder te weten, wat zij mij heeft geschreven.”
La Porte weigerde niet langer maar las:
„Mylord!
Bij hetgeen ik sedert ik u ken door u en voor u lijd, bezweer ik u, indien gij mijn rust liefhebt, de groote krijgstoerustingen, die gij tegen _Frankrijk_ voorbereidt, af te breken en een oorlog te doen ophouden, van welken men luide zegt, dat de openlijke reden de godsdienst is, terwijl men fluisterend zegt, dat uw liefde voor mij de verborgene drijfveer is. Deze oorlog kan niet alleen voor _Frankrijk_ en _Engeland_ groote gebeurtenissen ten gevolge hebben, maar tevens op uw hoofd, mylord, rampen halen, over welke ik mij niet zou kunnen troosten. Wees op uw hoede, want uw leven wordt bedreigd, uw leven, dat voor mij van zooveel waarde is, van het oogenblik dat ik niet verplicht ben in u een vijand te zien.
Uwe genegene,
Anna.”
Buckingham verzamelde al zijn overblijvende levenskrachten om dien brief te kunnen verstaan. Vervolgens, toen hij geëindigd was, en alsof hij er bitter door teleurgesteld was, vroeg hij: „Hebt gij mij dan niets anders te zeggen, la Porte?”--„O, ja, Uwe Excellentie! de koningin heeft mij belast u te zeggen op uw hoede te zijn, want men had haar verwittigd, dat men u wilde vermoorden. Zij heeft mij nog belast u te zeggen, dat zij u steeds beminde.”--„O!” riep Buckingham, „God zij geloofd! mijn dood zal dan voor haar niet die eens vreemdelings zijn.”
La Porte barstte in tranen uit.--„Patrick!” zeide de hertog, „breng mij het kistje, waarin de diamanten haken waren.”
Patrick bracht het gevraagde voorwerp, dat la Porte herkende als aan de koningin te hebben toebehoord.--„Nu de wit satijnen brieventasch, waarop in parelen haar naam is geborduurd.”--Patrick gehoorzaamde opnieuw.--„Ziedaar, la Porte!” zeide Buckingham, „de twee gedachtenissen, die ik van haar bezit: dat zilveren kistje en de twee brieven. Gij zult ze aan de koningin teruggeven, en tot een laatste herinnering (hij zocht naar eenig kostbaar voorwerp in zijn nabijheid) zult gij er bijvoegen.... (hij bleef zoeken, maar zijn door den dood verduisterde oogen ontmoetten niets anders dan het mes, uit Felton’s handen ontglipt, en nog rookende van het purperen bloed, dat het bedekte) en gij zult er dat mes bijvoegen,” zeide de hertog, de hand van la Porte drukkende.
Hij was nog in staat de brieventasch in het kistje neer te leggen en er het mes te laten invallen, terwijl hij la Porte een teeken gaf, dat hij niet meer kon spreken; daarop viel hij in een laatste stuiptrekking, die hij de kracht niet meer had te overwinnen, van de sofa op den grond. Patrick slaakte een luiden kreet.--Buckingham wilde nog eenmaal glimlachen, maar de dood brak zijn laatste gedachte af, die als een laatste afscheid op zijn lippen en zijn voorhoofd bleef ingedrukt.
Op dat oogenblik naderde, geheel ontsteld, de geneesheer, die zich reeds op het admiraalschip bevond, alwaar men verplicht was geweest hem te roepen. Hij naderde den hertog, vatte zijn hand, hield die een oogenblik in de zijne en liet ze weer zinken.--„Alles is tevergeefs!” zeide hij, „hij is dood!”--„Dood! dood!” gilde Patrick.
Op dien kreet liepen allen de zaal binnen, en overal heerschte verslagenheid en verwarring. Zoodra lord de Winter Buckingham dood zag, spoedde hij zich tot Felton, die zoolang door de soldaten op het terras van het paleis was bewaakt geworden.
„Ellendeling!” zeide hij tot den jongeling, die sinds den dood van Buckingham die kalmte en koelbloedigheid had teruggevonden, welke hem niet meer zou verlaten. „Ellendeling! wat hebt gij gedaan?”--„Ik heb mij gewroken,” zeide hij.--„Gij?” zeide de baron, „zeg liever, dat gij het werktuig dier vervloekte vrouw zijt geweest. Maar ik zweer het u, die misdaad zal haar laatste zijn.”--„Ik weet niet wat gij bedoelt,” hernam Felton koel, „en evenmin waarover gij wilt spreken, mylord! ik heb den hertog van Buckingham het leven benomen, omdat hij tot tweemaal, zelfs aan u heeft geweigerd mij tot kapitein te bevorderen; ik heb hem om zijn onrechtvaardigheid gestraft, anders niet.”