De Drie Musketiers dl. I en II
Part 53
„Toen, ondanks mijn hulpgeschrei, ondanks mijn weerstand, want ik begon te begrijpen, dat het voor mij iets ergers dan den dood betrof, greep mij de beul, wierp mij op den grond, kwetste mij door zijn gewelddadigheid en in mijn gesnik gesmoord, bijna bewusteloos en God aanroepende, die mij niet hoorde, slaakte ik eensklaps een vreeselijken kreet van smart en schaamte; een gloeiend ijzer, het ijzer des beuls, was op mijn schouder gedrukt.”--Felton slaakte een gebrul.--„Zie,” zeide milady, met de majesteit eener koningin zich oprichtende, „zie, Felton! hoe men een nieuwe foltering uitvond voor een jonge, reine maagd, die echter het offer werd der vuige lusten eens ellendelings. Leer het hart der menschen kennen en word voortaan minder gemakkelijk het werktuig hunner onrechtvaardige wraak.”
Milady opende met een plotselinge beweging haar kleed, verscheurde het batist, dat haar schouders bedekte, en rood van geveinsde toorn en schaamte, toonde zij den jongeling het onuitwischbaar merk, dat haar zoo fraaien schouder bevlekte.--„Maar ik zie een lelie.”--„En ziedaar, waarin juist de schandelijkheid is gelegen,” antwoordde milady. „Het Engelsche brandmerk? Dan had men immers moeten bewijzen, welke rechtbank er mij toe had veroordeeld en ik zou al de rechtbanken van het koninkrijk hebben opgeroepen om zulks te doen; maar het brandmerk van _Frankrijk_! O, dat onteerde mij wel degelijk.”
Dat was te veel voor Felton. Bleek, onbeweeglijk, verplet door die vreeselijke openbaring, verblind door de bovenmenschelijke schoonheid van die half-naakte vrouw, die zich voor hem met een schaamteloosheid, die hij verheven vond, vertoonde, viel hij eindelijk op de knieën voor haar neder, zooals de eerste Christenen voor die reine, heilige martelaressen, welke de vervolgingen des keizers in den circus aan de bloeddorstige wellust van het volk overleverden. Het brandmerk verdween, alleen de schoonheid bleef voor hem over.--„Vergiffenis! vergiffenis! vergiffenis!” riep Felton, „ach, vergiffenis!”--Milady las in zijn oogen: Liefde! liefde!--„Waarvoor vergiffenis?” vroeg zij.--„Vergiffenis voor mij bij uw vervolgers te hebben gevoegd.”
Milady reikte hem de hand.--„Zoo schoon! zoo jong!” riep Felton, haar hand met kussen bedekkende. Milady liet op hem een dier blikken vallen, welke van een slaaf een koning maken. Felton was Puritein, hij liet de hand los om haar voeten te kussen. Hij beminde haar reeds niet alleen, hij aanbad haar. Toen de overspanning geëindigd was, toen milady haar koelbloedigheid scheen teruggekregen te hebben, die zij nooit verloren had, zeide hij:
„O! thans heb ik nog slechts een vraag te doen: den naam van uw wezenlijken beul? Want voor mij bestaat er slechts een, de andere was het werktuig, meer niet.”--„En hoe, broeder!” riep milady, „moet ik u dien nog noemen, hebt gij hem niet geraden?”--„Wat?” hernam Felton, „hij.... altijd hij!.... Wat! is hij de ware schuldige?”--„De eenige schuldige,” zeide milady, „hij, de verwoester van _Engeland_, de vervolger der ware geloovigen, de belager der eer van zoovele vrouwen; hij, die voor een gril van zijn bedorven hart zooveel bloed in _Engeland_ zal doen storten; die heden de protestanten beschermt en ze morgen zal verraden.”--„Buckingham! Het is dus Buckingham!” riep Felton door drift vervoerd.
Milady verborg haar gelaat in haar handen, als kon zij de schaamte niet verdragen, die deze naam in haar opwekte.--„Buckingham! de beul van het engelachtige schepsel!” riep Felton. „En Gij hebt hem niet door uw bliksems getroffen, mijn God! hem edel, geëerd, machtig, tot ons aller verderf in het leven gelaten!”--„God verlaat hen, die Hem verlaten,” zeide milady.--„Wil hij dan op zijn hoofd de straf halen, die voor de verdoemden is weggelegd!” ging Felton met stijgende overspanning voort. „Wil hij dan, dat menschelijke wraak de hemelsche rechtvaardigheid voorkome?”--„De menschen vreezen en sparen hem.”--„O! ik,” zeide Felton, „vrees hem niet en zal hem ook niet sparen....”
Milady voelde haar ziel door een helsche vreugde overstelpt.--„Maar hoe komt lord de Winter, mijn weldoener, mijn vader, in dit alles gemengd?” vroeg Felton.--„Luister, Felton!” hernam milady, „er gaan immers te zamen èn lage èn verachtelijke, èn groote èn edelmoedige zielen; ik had een verloofde, een man, die mij en dien ik beminde; een hart als het uwe, Felton! een man als gij. Ik ging tot hem en verhaalde hem alles; deze kende mij, en hij twijfelde niet een oogenblik. Hij was een voornaam heer, een man van gelijken rang als Buckingham. Hij zeide niets, gordde alleen zijn degen om, wikkelde zich in zijn mantel en begaf zich naar Buckingham-Palace.”--„Ja, ja,” zeide Felton, „ik begrijp; maar met dergelijke lieden moet men niet den degen, maar den dolk gebruiken.”--„Buckingham was reeds den vorigen dag als ambassadeur naar Spanje vertrokken, waar hij de hand der infante voor Koning Karel I ging verzoeken, die toen slechts prins van Wallis was. Mijn verloofde kwam terug.
„‚Luister,’ zeide hij tot mij, ‚die man is vertrokken, bijgevolg ontgaat hij voor het oogenblik mijn wraak; maar laat ons vereenigd zijn, zooals wij moeten wezen en vertrouw op lord de Winter, om zijn eer en die zijner vrouw te verdedigen.’”
„Lord de Winter!” riep Felton.--„Ja,” zeide milady, „lord de Winter; en thans moet ge alles begrijpen, niet waar? Buckingham bleef langer dan een jaar afwezig; acht dagen vóór zijn aankomst stierf lord de Winter plotseling, mij als eenige erfgename achterlatende.”--„Van wien kwam die slag?”--„God, die alles weet, weet dit ongetwijfeld ook; ik, ik beschuldig niemand.”--„O! wat afgrond! wat afgrond!” riep Felton.
„Lord de Winter was gestorven zonder iets aan zijn broeder gezegd te hebben. Het vreeselijk geheim moest voor iedereen verborgen blijven, totdat het als een donderslag boven het hoofd van den schuldige zou uitbarsten. Uw beschermer had met leede oogen het huwelijk van zijn broeder met een meisje zonder fortuin aangezien. Ik voelde, dat ik niet de minste hulp had te wachten van iemand, die in zijn hoop op een erfenis bedrogen was geworden. Ik begaf mij naar _Frankrijk_, besloten er mijn leven door te brengen; maar mijn geheel vermogen is in _Engeland_; de afgebroken gemeenschap, tengevolge van den oorlog, ontroofde mij alles, en ik was genoodzaakt terug te komen, en op die wijze kwam ik, nu zes dagen geleden, te _Portsmouth_ aan.”--„En?” zeide Felton.--„En Buckingham vernam zeker mijn terugkomst; hij sprak er over met lord de Winter, die reeds tegen mij was ingenomen, en zeide dezen, dat zijn schoonzuster een onteerde, een gebrandmerkte vrouw was. De edele en reine stem van mijn man kon zich niet meer doen hooren om mij te verdedigen. Lord de Winter geloofde alles, wat men hem zeide, en dat te eerder, daar hij er belang in had zulks te gelooven. Hij deed mij in hechtenis nemen en mij herwaarts voeren, mij onder uw hoede stellende. Gij weet het overige. Overmorgen zendt hij mij in ballingschap naar verre landen; overmorgen plaatst hij mij onder de misdadigers. O! het weefsel is fijn gesponnen, dat verzeker ik u; het plan is slim doordacht, en mijn eer zal er door verloren gaan. Gij ziet wel, dat ik sterven moet, Felton! Felton! geef mij het mes!”
En bij die woorden, alsof haar krachten geheel waren uitgeput, liet milady zich machteloos en bezwijmende in de armen van den jongen officier neervallen.--„Neen,” zeide hij, „neen, gij zult leven, in eere en rein leven, gij zult leven om over uw vijanden te zegevieren!”--Milady stiet hem zachtjes met haar hand terug en hem met haar blik weder aantrekkende, zeide zij, haar gelaat en haar oogen omsluierende: „O, liever dood, dan die schande! Felton! mijn broeder! mijn vriend! ik bezweer u!”--„Neen!” riep Felton, „neen, gij zult leven en gewroken worden!”--„Felton! alles, wat mij omringt, breng ik ongeluk aan; Felton! verlaat mij, Felton! laat mij sterven!”--„Welnu! dan zullen wij te zamen sterven!” riep hij.
Eenige slagen klonken op de deur.--„Luister,” zeide zij, „men heeft ons gehoord, men komt, het is gedaan, wij zijn verloren!”--„Neen,” zeide Felton, „het is alleen de schildwacht, die mij waarschuwt, dat een patrouille nadert....”--„Ga dan naar de deur en doe zelf open.”
Felton gehoorzaamde; die vrouw vervulde reeds geheel zijn hart, geheel zijn ziel. Hij zag voor zich een sergeant, die de wachtronde aanvoerde.--„Wel, wat is er?” vroeg de jonge luitenant.--„Gij hebt mij gezegd de deur te openen, indien ik om hulp hoorde roepen,” zeide de schildwacht, „maar gij hadt alleen maar vergeten mij den sleutel te laten. Ik hoorde u roepen, zonder te verstaan wat gij zeidet, ik wilde de deur openen, maar zij was van binnen gesloten, toen heb ik den sergeant geroepen.”--„En hier ben ik!” zeide deze. Felton, buiten zich zelven, bijna krankzinnig, bleef sprakeloos.
Milady begreep, dat het aan haar verbleef, zich de gesteldheid van het oogenblik ten nutte te maken, en ijlde naar de tafel, van welke zij het mes nam, dat Felton er op gelegd had.--„En met welk recht wilt gij mij beletten mij het leven te ontnemen?” vroeg zij.--„Groote God!” riep Felton, het mes in haar hand ziende blinken.
In hetzelfde oogenblik weergalmde een spottend gelach in de gang. De baron, door het gerucht opmerkzaam gemaakt, stond in zijn kamerrok, met den degen onder den arm, voor de deur.--„Ha! ha!” riep hij, „nu zijn wij aan het laatste bedrijf. Gij ziet het, Felton! het drama heeft al de voorstellingen vertoond, welke ik u voorzegd heb, maar wees gerust, het bloed zal niet vloeien.”
Milady begreep, dat zij verloren was, indien zij aan Felton niet een onmiddellijk en vreeselijk bewijs van haar moed gaf.--„Gij bedriegt u, mylord! het bloed zal vloeien, en moge dat bloed op het hoofd komen van degenen, die het doen stroomen.”--Felton slaakte een kreet en wierp zich op haar; het was te laat, milady had zich getroffen. Maar het mes had gelukkig, wij moeten liever zeggen behendig, de stalen corsetbaleinen geraakt, die in dat tijdstip als een harnas de borst der vrouwen verdedigden. Het was schuin door haar kleed, dat het openreet, langs de ribben afgegleden. Het kleed van milady was desniettemin in een oogenblik met bloed bevlekt. Milady was achterover gevallen en scheen bewusteloos. Felton ontrukte haar het mes.
„Zie, mylord!” zeide hij op somberen toon, „ziedaar een vrouw, die onder mijn bewaking was en die zich het leven beneemt.”--„Wees gerust, Felton!” zeide lord de Winter, „zij is niet dood, de duivels sterven zoo spoedig niet! wees gerust en ga mij in mijn kamer wachten.”--„Maar, mylord!....”--„Ga, ik beveel het u.”
Op het bevel van zijn overste verwijderde zich Felton, maar onder het weggaan verborg hij het mes in zijn borst. Lord de Winter bepaalde zich er toe de vrouw te roepen, die milady bediende, en toen deze was gekomen en na haar de steeds in onmacht liggende gevangene te hebben aanbevolen, liet hij hen alleen. Daar intusschen alles wel beschouwd, de wonde, ondanks zijn meening, van een ernstigen aard kon zijn, zond hij onmiddellijk een man te paard, om den naastbijwonenden geneesheer te halen.
HOOFDSTUK XXVII.
De vlucht.
Zooals lord de Winter had gedacht, was de verwonding van milady niet gevaarlijk; zoodra zij zich alleen met de vrouw bevond, die de baron had doen roepen, en die zich haastte haar te ontkleeden, opende zij de oogen. Intusschen moest zij zwakte en smart veinzen. Dat was voor een tooneelspeelster als milady niet zeer moeilijk. Ook werd de arme vrouw volkomen door milady misleid, zoodat zij halsstarrig volhield gedurende den nacht te willen waken. De tegenwoordigheid dier vrouw belette milady echter niet te peinzen. Er was geen twijfel meer, Felton was overtuigd, Felton behoorde haar. Al ware den jongeling ook een engel verschenen om milady te beschuldigen, zou hij dien zeker, in de zielsgesteldheid waarin hij zich bevond, voor een duivelsgezant hebben gehouden.
Milady glimlachte bij dat denkbeeld, want op Felton was voortaan alleen haar hoop gevestigd, hij was het eenige middel tot haar bevrijding. Maar lord de Winter kon beginnen hem te wantrouwen en Felton thans zelf bewaken.
Tegen vier uur des morgens kwam de geneesheer, maar sinds milady zich had gekwetst, was de wonde reeds gesloten. De geneesheer kon er dus noch de richting noch de diepte van peilen; hij erkende alleen aan den pols van milady, dat de wond niet belangrijk was. Des morgens zond milady, onder het voorwendsel niet geslapen en rust noodig te hebben, de vrouw weg, die bij haar had gewaakt. De hoop bleef nog over, dat Felton op het uur van ontbijt zou komen, maar Felton kwam niet. Had haar vrees zich verwezenlijkt? Zou Felton, door den baron gewantrouwd, haar in het beslissend oogenblik ontbreken? Er bleef haar slechts één dag meer over. Lord de Winter had haar inscheping op den drie en twintigsten aangekondigd, en men was reeds op den ochtend van den twee en twintigsten. Nogmaals bleef zij geduldig tot aan het uur van het middagmaal wachten. Hoewel zij des morgens niet had gegeten, werd het maal echter op het gewone uur binnengebracht; milady bespeurde toen met schrik, dat de uniform der soldaten, die haar bewaakten, veranderd was. Toen waagde zij te vragen, wat er van Felton was geworden. Men zeide, dat Felton een uur geleden te paard was vertrokken. Zij vroeg, of de baron nog altijd in het kasteel was; de soldaat antwoordde ja, en dat hij bevel had hem te waarschuwen, indien de gevangene hem wenschte te spreken. Milady antwoordde, dat zij voor het oogenblik zich te zwak gevoelde, en haar eenige begeerte was alleen te blijven. De soldaat vertrok na de tafel gedekt te hebben.
Felton was verwijderd geworden, de zeesoldaten waren door andere vervangen, men wantrouwde Felton. Dat was de laatste slag, dien men aan de gevangene toebracht. Alleen gebleven, stond zij op. Dat bed, waarop zij uit voorzichtigheid bleef liggen, ten einde men haar zwaar gekwetst mocht wanen, brandde haar als een gloeiende rooster. Zij wierp een blik op de deur. De baron had op de getraliede opening er van een plank doen spijkeren; hij vreesde zeker, dat door middel der opening het haar wederom mocht gelukken, door een of ander duivelsch middel haar bewakers te verleiden. Milady glimlachte van blijdschap, zij kon zich dus aan haar gewaarwordingen overgeven zonder bespied te worden. Zij doorliep de kamer met de drift eener dolzinnige, of van een opgesloten tijger in een ijzeren kooi. Inderdaad, indien het mes in haar bezit was gebleven, zou zij er nu niet aan gedacht hebben zich zelve het leven te benemen, maar den baron te vermoorden. Te zes uur trad lord de Winter binnen, van het hoofd tot de voeten gewapend. Die man, dien milady tot hiertoe slechts als een beschaafd en beleefd edelman had beschouwd, was een bewonderenswaardig cipier geworden. Hij scheen alles te voorzien, te raden, te voorkomen. Een enkele blik op milady geworpen maakte hem bekend met hetgeen in haar ziel omging.
„Goed,” zeide hij, „maar gij zult mij vandaag nog niet vermoorden, gij hebt geen wapens meer, en bovendien, ik ben op mijn hoede. Gij zijt begonnen mijn armen Felton te bederven, hij ondergaat reeds uw helschen invloed, maar ik wil hem redden, hij zal u niet meer zien. Alles is geëindigd, zoek uw kleeren bijeen, morgen vertrekt gij. Ik had de inscheping op den vier en twintigsten bepaald, maar ik heb geoordeeld, dat hoe eer de zaak een einde neemt hoe zekerder. Morgen tegen den middag zal ik in het bezit zijn van het bevel uwer ballingschap, door Buckingham onderteekend. Indien gij slechts, aan wien het ook zij, een woord durft zeggen alvorens op het schip te zijn, dan heeft mijn sergeant het bevel u voor den kop te schieten. Indien gij, op het schip zijnde, één enkel woord durft spreken, alvorens de kapitein u zulks heeft veroorloofd, zal deze u over boord doen werpen, dat is reeds besteld. Tot weerziens; ziedaar wat ik u heden te zeggen had. Morgen zie ik u weder om u vaarwel te zeggen.”--En hierna vertrok de baron.
Milady had deze dreigende taal tot het einde aangehoord, met den glimlach der verachting op de lippen, maar met de woede in het hart. Men richtte het avondmaal aan. Milady voelde, dat zij krachten noodig had; zij wist niet wat er gedurende den nacht nog kon gebeuren, die dreigend naderde; want donkere wolken vlogen door het luchtruim en veraf zijnde weerlichten kondigden een onweder aan. Het onweer barstte tegen tien uur des avonds los; voor milady was het een troost, de natuur in de beroering van haar hart te zien deelen. De donder rolde in de lucht gelijk de gramschap in haar boezem; het was alsof de stormwind, voorbijgaande, haar hoofdhaar deed opvliegen, zooals hij van de boomen de takken deed buigen, terwijl hij ze van hun bladeren beroofde. Zij brulde gelijk de storm, en haar stem verloor zich in de zware stem der natuur, die, zooals zij, scheen te zuchten en te wanhopen. Van tijd tot tijd beschouwde zij een ring, dien zij aan den vinger had. De steen van dien ring bevatte een hevig en spoedig werkend vergift; dat was haar laatste redmiddel.
Eensklaps hoorde zij op een der glasruiten kloppen, en bij het schijnsel van een bliksemstraal zag zij het gelaat van een man voor de traliën verschijnen. Zij snelde naar het venster en opende het.--„Felton!” riep zij, „ik ben gered!”--„Ja,” zeide Felton, „maar stil! stil! ik moet eerst de traliën doorvijlen; zorg slechts dat men u niet door de opening van de deur ziet.”--„O, ziedaar het bewijs, dat de Heere voor ons is, Felton!” hernam milady, „zij hebben die opening met een plank dichtgespijkerd.”--„Goed, God heeft hen zinneloos gemaakt,” zeide Felton.--„Maar wat moet ik doen?” vroeg milady.--„Niets, niets; doe slechts het venster weder dicht. Ga slapen, of ten minste begeef u geheel gekleed te bed; wanneer ik gereed ben, zal ik op de glazen kloppen. Maar zult gij mij kunnen volgen?”--„O ja!”--„Uw wonde?”--„Veroorzaakt mij pijn, maar belet mij niet om te gaan.”--„Houd u dan op den eersten wenk gereed.”
Milady sloot wederom het venster, blies haar lamp uit en begaf zich, zooals Felton had aangeraden, te bed. Boven het gehuil van den storm hoorde zij het krassen der vijl op de traliën, en bij het schijnsel van elken bliksemstraal bespeurde zij de schaduw van Felton achter de glasruiten. Een uur bracht zij door zonder adem te halen, hijgende, het voorhoofd met zweet bedekt en het hart beklemd door een vreeselijken angst, telkens wanneer zij in de gang eenige beweging hoorde. Er zijn uren, die jaren schijnen te duren.
Na verloop van een uur klopte Felton opnieuw. Milady sprong uit haar bed en ging het venster openen; twee uitgenomen traliën hadden een opening gemaakt, die groot genoeg was om een mensch door te laten.--„Zijt gij gereed?” vroeg Felton.--„Ja, moet ik iets medenemen?”--„Goud, indien gij het hebt.”--„Gelukkig heeft men mij gelaten, wat ik had.”--„Des te beter, want ik heb al het mijne besteed om een vaartuig te huren.”--„Neem,” zeide milady, Felton een zak vol goud ter hand stellende.--Felton nam den zak en wierp hem naar beneden aan den voet van den muur.--„Wilt gij nu komen?” vroeg hij.--„Hier ben ik.”--Milady klom op een leuningstoel en stak de helft haars lichaams uit het venster. Zij zag den jongen officier, hangende aan een touwladder boven den afgrond.
Voor het eerst deed een gewaarwording van angst haar herinneren, dat zij een vrouw was. De diepte joeg haar schrik aan.--„Ik dacht het wel,” zeide Felton.--„Het is niets, het is niets,” zeide milady, „ik zal met gesloten oogen afstijgen.”--„Stelt gij in mij vertrouwen,” vroeg Felton.--„Vraagt gij zulks?”--„Geef uw twee handen en vouw ze.”--„Goed.”--Felton bond haar beide handen met een zakdoek, vervolgens over den zakdoek met een koord aan elkander.--„Wat doet gij?” vroeg milady verbaasd.--„Sla nu uw armen om mijn hals en vrees niets.”--„Maar ik zal u het evenwicht doen verliezen en wij zullen beiden te pletter vallen.”--„Wees gerust, ik ben zeeman.”
Er was geen oogenblik te verliezen. Milady sloeg haar beide armen om den hals van Felton en liet zich het venster uitglijden. Felton begon langzaam een voor een de treden van de ladder af te klimmen. Ondanks het gewicht van beide lichamen, deed de stormwind hen in de lucht schommelen.
Eensklaps hield Felton op.--„Wat is er?” vroeg milady.--„Stil,” zeide Felton, „ik hoor voetstappen.”--„Wij zijn ontdekt.”--Er heerschte eenige oogenblikken stilte. „Neen,” zeide Felton, „het is niets.”--„Maar wat beteekent dan dat gerucht?”--„Dat der wachtronde, die den ringmuur omgaat.”--„Waar is die weg?”--„Juist onder onze voeten.”--„Men zal ons zien.”--„Neen, als het slechts niet weerlicht.”--„Men zal tegen de ladder aanloopen. Daar zijn ze, o God!”--„Stil!”
Beiden bleven hangen, onbeweeglijk en stom, op twintig voeten boven den grond, terwijl de soldaten lachende en pratende onder hen voortgingen. Het was een vreeselijk oogenblik voor de vluchtelingen. De patrouille verwijderde zich; men hoorde van lieverlede de voetstappen dof worden en het gedruisch der stemmen verzwakken.--„Thans!” zeide Felton, „zijn wij gered.”--Milady slaakte een zucht en viel in zwijm. Felton ging voort met afklimmen.
Beneden aan de ladder gekomen en toen geen rustpunt meer voor zijn voeten vindende, omknelde hij met zijn handen de ladder, liet zich tot aan de laatste sport afzakken en toen op den grond neervallen; hij bukte, raapte den zak met goud op en nam hem tusschen de tanden. Toen nam hij milady in zijn armen en verwijderde zich snel naar de zijde tegenovergesteld aan die, welke de patrouille had genomen. Dra verliet hij den ringmuur, klom langs de rotsen af, en aan den oever der zee gekomen, floot hij. Een dergelijk sein beantwoordde hem, en vijf minuten daarna verscheen een boot bemand met vier personen. De boot naderde zoo na mogelijk het strand, maar het water was niet diep genoeg om den wal te bereiken. Felton doorwaadde de zee tot aan zijn middel, aan niemand zijn kostbaren last willende toevertrouwen. Gelukkig begon de storm te bedaren, hoewel de zee nog geweldig te keer ging; de kleine boot schommelde op de baren als een notedop.
„Naar de sloep en roeit met kracht!” beval Felton.
De vier mannen zetten zich aan de riemen, maar de zee ging te hoog om met roeien veel te vorderen. Nochtans, men verwijderde zich van het kasteel, en dit was het voornaamste. De nacht was stikdonker, en het was onmogelijk het strand van uit de boot te bespeuren. Een zwarte stip schommelde op de zee. Dat was het sloepschip. Terwijl de boot door krachtige riemslagen het schip naderde, maakte Felton het koord en den zakdoek los, die de handen van milady vasthielden. Vervolgens, toen hij haar handen had losgemaakt, nam hij zeewater en besprenkelde haar daarmede het aangezicht. Milady slaakte een zucht en opende de oogen.
„Waar ben ik?” vroeg zij.--„Gered,” antwoordde de jonge officier.--„Ach! gered? gered?” riep zij.--„Ja, ziedaar de lucht, ziedaar de zee. De lucht, die gij inademt, is de vrijheid.”--„O, ik dank u, Felton! ik dank u!”--De jongeling drukte haar aan zijn hart.--„Maar wat deert mij toch aan mijn handen?” vroeg milady. „Het is alsof ze in een schroef zijn geplet.”--Inderdaad, milady’s armen oplichtende, zag hij dat haar handen gewond waren.--„Helaas!” zeide Felton, die fraaie handen beschouwende en smartelijk het hoofd schuddende.--„O, het is niets, het is niets!” riep milady, „nu herinner ik mij.”--Milady zocht met haar blik rondom zich.--„Daar ligt hij,” zeide Feiten, den zak met goud met zijn voet rakende.