De Drie Musketiers dl. I en II
Part 52
Milady zweeg, een bittere glimlach zweefde op haar lippen.--„En wat heeft men eigenlijk gedaan?” vroeg Felton.--„Op zekeren avond besloot men dien weerstand, welken men niet kon overwinnen, krachteloos te maken; op zekeren avond mengde men onder mijn drinkwater een krachtig slaapmiddel; nauwelijks had ik mijn avondmaal genuttigd, of ik voelde van lieverlede een ongewonen slaaplust mij overweldigen; hoewel geen wantrouwen koesterende, vervulde mij echter een onbepaalde vrees, en ik trachtte mij tegen den slaap te verzetten; ik stond op, ik wilde mij naar het venster begeven, om hulp roepen, maar mijn beenen weigerden mij hun dienst, het scheen mij of de zoldering neerkwam en mij onder haar zwaarte verplette; ik strekte de armen uit, ik trachtte te spreken, maar kon slechts eenige doffe klanken voortbrengen; een onweerstaanbare verdooving maakte zich van mij meester, ik hield mij aan een leuningstoel vast, voelende dat ik zou vallen, maar dra was deze steun ontoereikend voor mijn zwakke armen, ik viel op de eene knie, vervolgens op de tweede; ik wilde bidden, God hoorde of zag mij zeker niet, en ik gleed op den grond, ten prooi aan een slaap, die den dood geleek. Van al den tijd, dien deze slaap duurde, blijft mij niet de minste herinnering over, het eenige, wat ik mij herinner is, dat ik ontwaakte in een rondvormige kamer, met prachtig huisraad voorzien, waar het daglicht slechts door een opening in de zoldering binnendrong. Overigens scheen geen enkele deur toegang tot deze kamer te verleenen, en geleek zij op een schitterende gevangenis. Het duurde lang, alvorens ik mij rekenschap kon geven van de plaats, waar ik mij bevond, en van al de bijzonderheden, die ik aanhaal; mijn geest scheen vruchteloos te worstelen tegen den donkeren nevel van dien slaap, welken ik niet van mij kon afschudden; ik had een flauw denkbeeld van een doorloopene ruimte, van het gerol eens rijtuigs, maar dat alles vertoonde zich zoo duister en verward voor mijn geest, dat die gebeurtenissen tot een ander leven dan tot het mijne schenen te behooren, en echter met het mijne waren vermengd door een fantastische tweevoudigheid. Gedurende een poos scheen mij de toestand, waarin ik mij bevond, zoo vreemd, dat ik waande te droomen. Van lieverlede echter vertoonde zich de werkelijkheid aan mij en vervulde mij met schrik, ik was niet meer in het huis, dat ik bewoonde; zooveel ik aan het zonnelicht kon bespeuren, had de dag reeds tweederden van zijn loop afgelegd; het was de avond van den vorigen dag geweest, dat ik in slaap was gevallen, mijn slaap had dus ongeveer vier en twintig uren geduurd. Wat was er toch gedurende dien langen slaap voorgevallen? Ik stond wankelende op. Al mijn bewegingen, die zwaar en gevoelloos waren, duidden aan, dat de uitwerking van het slaapmiddel nog niet geheel was verdwenen. Overigens was deze kamer ter huisvesting eener vrouw ingericht, en de buitensporigste coquette had geen wensch kunnen vormen, welken zij, door slechts haar blik door het vertrek te laten gaan, niet zou hebben kunnen bevredigen. Het was zeker, dat ik de eerste gevangene niet was, die zich in dien prachtigen kerker had opgesloten gezien, maar gij begrijpt Felton! hoe prachtiger die was, hoe meer ik mij verontrustte.... Ja, het was een gevangenis, want ik trachtte vergeefs er uit te geraken, ik onderzocht al de muren om een deur te ontdekken, maar overal gaven de muren een matten, doffen klank van zich. Ik liep misschien twintig malen de kamer rond, den een of anderen uitgang zoekende, maar ik vond er geen; ik viel eindelijk, door vermoeidheid en angst verplet, op een leuningstoel neder. Intusschen was de nacht snel gedaald en met de duisternis vermeerderde mijn vrees; ik wist niet, of ik moest blijven waar ik zat, meenende door onbekende gevaren omringd te zijn, waarin ik bij elken stap gevaar liep te vallen.... Hoewel ik sedert den vorigen dag niets had genuttigd, verhinderde mij de angst honger te voelen. Geen enkel gerucht, dat mij in staat stelde den tijd te meten, kwam tot mij; ik veronderstelde alleen dat het zeven of acht uur des avonds moest zijn, want wij waren in de maand October, en het was volkomen duister.... Eensklaps deed het gerucht eener deur, die op haar hengsels draaide, mij schrikken; een vuurbol verscheen boven de glazen opening van den zolder en wierp een helder licht in mijn kamer, terwijl ik, ontsteld, een man op weinige schreden afstands voor mij zag staan.... Een tafel, voor twee personen gedekt en beladen met een keurigen avonddisch, had zich als door een tooverslag in het midden der kamer verheven. De man was hij, die mij sedert een jaar vervolgde, die mijn schande had gezworen, en die mij bij de eerste woorden, welke mijn mond ontglipten, deed verstaan, dat zijn besluit mij niet de minste hoop liet aan de vrijheid te worden teruggegeven.”
„De eerlooze,” mompelde Felton.
„O ja, de eerlooze!” riep milady, de belangstelling ziende, welke de jonge officier, wiens ziel aan haar lippen scheen te hangen, in dit zonderling verhaal stelde, „o ja, de eerlooze! hij meende, dat het voldoende was mij in mijn slaap te hebben doen ontvoeren om zijn oogmerk te bereiken, hij kwam in de hoop, dat ik mijn oneer zoude aannemen, dewijl mijn schande voltooid was; hij kwam mij zijn fortuin voor het bezit van mijn hart aanbieden. Al wat het hart eener vrouw van trotsche verachting en hoonende woorden kan bevatten, stortte ik op dien man uit; ongetwijfeld was hij aan dergelijke verwijtingen gewoon, want bedaard glimlachende en met over de borst gekruiste armen hoorde hij mij aan; vervolgens, toen hij meende dat ik geëindigd had, naderde hij om mijn hand te vatten, maar ik ijlde naar de tafel, greep een mes en richtte het op mijn borst.
„‚Wanneer gij een schrede nadert,’ zeide ik tot hem, ‚dan zult gij, behalve mijn onteering, mijn dood u te verwijten hebben.’
„Ongetwijfeld lag er in mijn blik, in mijn stem, in geheel mijn wezen die waarheid van gebaren, van houding en toon, welke de bedorvenste harten tot overtuiging brengt, want hij bleef staan.
„‚Uw dood?’ zeide hij, ‚ach neen! gij zijt een al te lieve gevangene om te kunnen veroorloven u op die wijze te verliezen. Vaarwel, mijn allerschoonste! ik zal u opnieuw bezoeken, wanneer gij in een betere stemming zult zijn.’
„Op die woorden liet hij een gefluit hooren, de vuurbol, die mijn kamer verlichtte, steeg omhoog en verdween. Ik bevond mij weder in de duisternis. Hetzelfde gerucht eener geopend en gesloten wordende deur werd een oogenblik daarna gehoord; de vurige bol daalde opnieuw en ik bevond mij alleen. Dat was een vreeselijk oogenblik; indien mij nog eenige twijfel omtrent mijn ongeluk overbleef, was die twijfel nu in een wanhopige zekerheid veranderd; ik was in de macht van een man, dien ik niet alleen verfoeide, maar dien ik verachtte, van een man, die mij reeds een noodlottig bewijs had gegeven van wat hij durfde ondernemen.”
„Maar wie was dan die man?” vroeg Felton.
Milady antwoordde niet op die vraag, maar ging met haar verhaal voort.
„Ik bracht den nacht op een stoel door, bij het minste gerucht opspringende, want omstreeks middernacht ging de lamp uit en ik bevond mij wederom in duisternis; de nacht ging echter zonder een nieuwe verschijning van mijn vervolger voorbij; de dag brak aan, de tafel was verdwenen, maar het mes hield ik nog in mijn hand. In dat mes was geheel mijn hoop.... Ik was van vermoeidheid uitgeput; de slapeloosheid deed mijn oogen gloeien; ik had geen oogenblik mij aan den slaap durven overgeven. De dag stelde mij eenigszins gerust; ik wierp mij op mijn bed, zonder mij van het mes te ontdoen, dat ik onder mijn hoofdkussen verborg. Toen ik ontwaakte, stond er wederom een gedekte tafel. Nu gevoelde ik, ondanks mijn angst, een hevigen honger; het was toen acht en veertig uren geleden, dat ik niet het minste voedsel had genuttigd; ik at een weinig brood en wat vruchten; maar mij het slaapmiddel herinnerende, dat in het water was gemengd geweest, hetwelk ik had gedronken, raakte ik dat niet aan wat op tafel stond, maar vulde mijn glas aan een marmeren fontein, die boven mijn kaptafel in den muur was gemetseld. Nochtans bleef ik, ondanks deze voorzorg, gedurende eenigen tijd in een vreeselijke ongerustheid; doch ditmaal was mijn vrees ongegrond; ik bracht den dag door zonder iets te gevoelen, dat eenigszins geleek op wat ik vreesde. Ik had de voorzorg genomen de helft van de karaf te ledigen, opdat men mijn wantrouwen niet zou bemerken. De avond viel, maar hoe diep de duisternis ook was, begonnen mijn oogen zich er aan te gewennen; ik zag te midden der duisternis de tafel in den vloer wegzinken; een kwartier later verscheen zij weder met mijn avondmaal; een oogenblik daarna werd mijn kamer weder door dezelfde lamp verlicht. Ik had het besluit genomen niets anders te eten dan die zelfstandigheden, waarin het onmogelijk was eenig slaapmiddel te mengen; uit twee eieren en eenige vruchten bestond mijn maal; vervolgens putte ik een glas water uit mijn beschermende fontein en ik dronk. Dadelijk bij den eersten teug meende ik, dat het niet dienzelfden smaak als des morgens had; een plotseling vermoeden kwam in mij op, ik hield op met drinken, maar ik had reeds een half glas geledigd. Het overige goot ik met afkeer uit en ik wachtte met het angstzweet op mijn voorhoofd.... Ongetwijfeld had de een of andere onzichtbare getuige mij het water uit de fontein zien nemen en van mijn goed vertrouwen gebruik gemaakt, om met te meer zekerheid mijn val te berokkenen, die, reeds zoo koel besloten, met zooveel wreedheid werd achtervolgd. Een half uur was er nauwelijks verloopen of dezelfde gewaarwordingen herhaalden zich; maar dewijl ik nu niet meer dan een half glas water had gedronken, bood ik den slaap langer weerstand, en in plaats van nu volkomen in slaap te vallen, verviel ik in een soort van _somnambulisme_, dat mij het bewustzijn deed behouden van hetgeen rondom mij voorviel, maar mij echter de kracht ontnam te gaan. Ik sleepte mij naar mijn legerstede om er mijn eenigste verdedigingsmiddel te zoeken, dat mij overbleef, mijn reddingsmiddel, maar ik kon het hoofdeinde niet bereiken; ik viel op de knieën, terwijl mijn handen een der kolommen, waarop mijn bed rustte, omknelden.”
Felton werd akelig bleek en een stuipachtige rilling doorliep zijn gansche lichaam.
„En het verschrikkelijkste,” vervolgde milady met ontroerde stem, alsof zij nog den angst ondervond van dat ontzettend oogenblik, „was, dat ik het gevaar kende, dat mij bedreigde; dat mijn ziel, indien ik mij dus kan uitdrukken, in mijn slapend lichaam waakte, dat ik hoorde, dat ik zag; wel is waar was zulks als in den droom, maar juist daarom te verschrikkelijker. Ik zag de lamp oprijzen en mij van lieverlede in de duisternis laten. Vervolgens hoorde ik dat mij welbekende gerucht der deur, hoewel die deur slechts twee malen was geopend geworden. Ik voelde inwendig, dat men mij naderde; men zegt, dat de rampzalige verdwaalde in de wouden van _Amerika_ op die wijze de slang voelt naderen.... Ik wilde een poging doen, ik trachtte te schreeuwen; zelfs door een ongeloofelijke krachtsinspanning richtte ik mij omhoog, maar het was om onmiddellijk weder neer te vallen.”
„Maar zeg mij toch, wie uw vervolger was!” riep de jonge officier.
Milady zag met een enkelen blik al de smart, die zij Felton veroorzaakte, door op elke bijzonderheid van haar verhaal te drukken; zij wilde hem geen de minste foltering sparen. Hoe dieper zij hem in het hart zou treffen, zooveel te zekerder zou hij haar wreken. Zij ging dus opnieuw voort, alsof zij zijn uitroep niet gehoord had, of dat zij meende dat het oogenblik niet was gekomen om er op te antwoorden: „Ik hoorde hem, toen hij mij zag, uitroepen: ‚Die ellendige Puriteinen! ik wist wel, dat zij hun beulen tergden, maar ik meende, dat zij minder sterk jegens hun verleiders waren.’”
Felton luisterde zonder iets anders te doen hooren dan een soort van gebrul, alleen stroomde het zweet van zijn marmeren voorhoofd, en zijn onder zijn gewaad verborgen hand reet zijn boezem open.
„Tot mij zelve komende,” hernam milady, „was mijn eerste beweging onder dat hoofdkussen het mes te zoeken, dat ik niet had kunnen bereiken: indien het niet ter verdediging had gediend, kon het echter nog tot uitwissching der misdaad dienen. Maar, Felton! dit mes opnemende, kwam een vreeselijk denkbeeld in mij op. Ik heb gezworen u alles te zeggen en ik zal het doen; ik heb u de waarheid beloofd, ik zal u die zeggen, al moest die tot mijn verderf strekken.”
„Het denkbeeld verrees in u!” riep Felton, „u op dien man te wreken, niet waar?”
„Welnu, ja!” zei milady, „dat denkbeeld paste een Christenvrouw niet, dat weet ik; ongetwijfeld blies de eeuwige vijand onzer ziel mij dit in. Kortom, wat zal ik u zeggen, Felton!” zeide milady, op den toon eener vrouw, die zich van een misdaad beschuldigt,--„dat denkbeeld kwam in mij op en verliet mij niet meer. Het is misschien voor deze moorddadige gedachte, dat ik thans de straf onderga.”
„Ga voort, ga voort!” zeide Felton, „ik verlang met ongeduld u tot de wraak te zien komen.”
„O, ik nam mij voor die zoo spoedig mogelijk te vervullen, ik twijfelde niet, of hij zou den volgenden nacht terugkomen; gedurende den dag had ik niets te vreezen. Ook toen het uur van het ontbijt gekomen was, aarzelde ik niet te eten en te drinken, daar het mijn voornemen was den schijn aan te nemen, alsof ik mijn avondmaal nuttigde, zonder echter iets te gebruiken; ik wilde alzoo door het voedsel des ochtends het vasten van den avond vergoeden. Ik verborg een glas water, dat ik van mijn ontbijt had gespaard, daar de dorst mij het meest had doen lijden, toen ik acht en veertig uren zonder eten of drinken was gebleven. De dag ging voorbij zonder eenigen anderen invloed op mij te hebben teweeggebracht dan mij in mijn voornemen te versterken; intusschen droeg ik zorg, dat mijn gelaat niet de minste gedachte mijner ziel verried, want ik twijfelde er niet aan, dat men mij bespiedde; meermalen zelfs voelde ik een glimlach op mijn lippen zweven. Felton, ik durf u niet zeggen, wat denkbeeld mij deed glimlachen; want gij zoudt mij verfoeien.”
„Ga voort, ga voort!” herhaalde Felton, „gij ziet wel, hoe ik luister en hoe verlangend ik naar het einde ben.”
„Het werd avond,” vervolgde milady, „een herhaling van den vorigen; als naar gewoonte verscheen in de duisternis mijn avondmaal; vervolgens werd de lamp ontstoken en ik zette mij aan tafel. Ik at niets anders dan eenige vruchten en hield mij, alsof ik uit de karaf water schonk, maar ik dronk slechts dat, wat ik in mijn glas had bewaard; de verwisseling werd trouwens zoo behendig volbracht, dat mijn spionnen, indien ik er had, niets hadden kunnen bespeuren. Na het avondmaal gaf ik dezelfde blijken van verdooving als den vorigen dag; maar nu, alsof ik van vermoeidheid bezweek, of mij met het gevaar gemeenzaam maakte, hield ik mij, alsof ik in slaap viel. Ik had nu ook mijn mes wedergevonden, en veinzende te slapen, omknelde mijn hand krampachtig het hecht. Twee uren verliepen zonder dat er iets nieuws voorviel. Toen, o, mijn God! wie zou mij zulks den vorigen dag hebben gezegd, begon ik te vreezen, dat hij niet komen zou. Eindelijk zag ik de lamp opstijgen en boven in de zoldering verdwijnen; mijn kamer werd wederom in duisternis gehuld, maar ik deed een poging om ze met mijn blik te doordringen. Tien minuten ongeveer verliepen er, ik hoorde geen ander geluid dan dat van het kloppen van mijn hart. Ik smeekte den Hemel om zijn komst. Eindelijk hoorde ik het mij zoo goed bekende gerucht der deur, die geopend en weer gesloten werd; ik hoorde, ondanks de zwaarte van het tapijt, voetstappen, die den vloer deden kraken; ik zag, in weerwil der duisternis, een schim mij naderen.”
„Haast u, haast u!” viel Felton haar in de rede, „ziet gij niet, dat elk uwer woorden als gloeiend lood mij brandt!”
„Toen,” vervolgde milady, „toen verzamelde ik al mijn krachten, ik herinnerde mij, dat het uur der wraak of liever der rechtvaardigheid had geslagen, en beschouwde mij als een tweede Judith; ik hield het mes omkneld, en toen ik hem in mijn nabijheid zag, toen, met een laatsten kreet van smart en wanhoop, stiet ik hem het mes in de borst.... De ellendeling had alles voorzien; zijn borst was met een pantser bedekt, het mes gleed er op af.
„‚Ha! ha!’ riep hij, mij bij den arm grijpende en mij het wapen ontrukkende, dat mij zoo slecht had gediend, ‚gij wilt mij het leven benemen, mijn schoone Puriteine! dat is meer dan haat, dat is ondankbaarheid. Och kom, wees bedaard, mijn fraai kind! ik dacht u al getemd te hebben. Ik ben niet van die dwingelanden, welke de vrouwen met geweld houden. Gij bemint mij niet? Ik geloofde het echter met mijn gewonen eigenwaan: thans weet ik, waaraan mij te houden. Morgen zult gij vrij zijn.’--Ik had slechts één begeerte, die, dat hij mij het leven zou benemen.--‚Wees op uw hoede,’ zeide ik hem, ‚want mijn vrijheid is uw oneer.’--‚Verklaar u, mijn schoone Sybille!’ antwoordde hij.--‚Ja, eenmaal vrij, zal ik alles verhalen; ik zal het geweld doen kennen, hetwelk gij jegens mij hebt gepleegd; ik zal mijn opsluiting verhalen, zal dit schandpaleis aan de wereld bekend maken! Hoe hoog ook geplaatst, zult gij beven. Boven u is er een koning, boven den koning is God!’--Hoezeer meester over zich zelven, liet mijn vervolger nochtans een beweging van toorn ontglippen. Ik kon de uitdrukking van zijn gelaat niet zien, maar ik had zijn arm voelen beven, op welken mijn hand rustte.--‚Dan zult gij van hier niet gaan,’ zeide hij.--‚Goed, goed,’ riep ik, ‚dan zal de plaats mijner foltering ook die van mijn graf zijn. Goed, ik zal hier sterven, en gij zult zien of een beschuldigende schim niet erger is dan een levende, die bedreigt.’--‚Men zal u geen enkel wapen laten,’ zeide hij.--‚Eén bestaat er, dat de wanhoop in het bereik van elk schepsel stelt, dat den moed heeft er zich van te bedienen, dat is de hongerdood.’--‚Luister,’ zeide de ellendeling, ‚is de vrede niet beter dan een dergelijke oorlog? Ik zal u oogenblikkelijk de vrijheid wedergeven; ik zal u als de deugdzaamste, als de Lucretia van geheel Engeland bekend maken.’--‚En ik zal zeggen, dat gij er de Sextus van zijt; ik zal u voor de menschen beschuldigen, zooals ik u reeds voor God heb gedaan, en indien ik, zooals Lucretia, mijn beschuldiging met mijn bloed moet bezegelen, zal ik het doen.’--‚Zoo, zoo,’ zeide mijn vijand op spottenden toon, ‚dat is iets anders.... Waarlijk, bij slot van rekening, gij zijt hier voortreffelijk, niets zal u ontbreken, en indien gij van honger sterft, zal het uw eigen schuld zijn.’
„Bij deze woorden verwijderde hij zich. Ik hoorde hem de deur openen en weder sluiten, en ik bleef als verplet staan, niet zoo zeer, ik beken het, door smart, dan wel door schaamte mij niet gewroken te hebben. Hij hield woord. De geheele dag en de volgende nacht gingen voorbij, zonder dat ik hem wederzag; maar ook ik hield woord; ik at noch dronk, ik had, zooals ik had gezegd, besloten mij te laten doodhongeren. Ik bracht den dag en den nacht in het gebed door; want ik hoopte, dat God mij mijn zelfmoord zou vergeven. Den tweeden nacht werd de deur geopend. Ik lag op den grond, de krachten begonnen mij te verlaten. Op het gerucht richtte ik mij met de eene hand ten halve op.
„‚Welnu,’ zeide een stem, die al te vreeselijk in mijn ooren klonk om haar niet te herkennen; ‚welnu! zijt gij wat zoeter geworden en wilt gij uw vrijheid met een enkele belofte van stilzwijgendheid betalen? Luister, ik ben een goed heer,’ voegde hij er bij, ‚en hoewel ik van Puriteinen niet houd, laat ik hen recht wedervaren, zoowel als aan de vrouwen, wanneer zij mooi zijn. Komaan, zweer mij eventjes op het kruisbeeld, meer verlang ik niet.’--‚Op het kruisbeeld!’ riep ik opstaande, want bij het hooren van die afschuwelijke stem had ik al mijn krachten wedergevonden, ‚op het kruisbeeld zweer ik, dat geen beloften, geen bedreigingen, geen folteringen mij ooit zullen doen zwijgen; op het kruisbeeld zweer ik u overal als moordenaar, als een eeredief, als een lafaard te zullen uitkrijten; op het kruisbeeld zweer ik, indien ik er ooit in slaag hieruit te geraken, de geheele wereld tot wraak over u op te roepen.’--‚Wees op uw hoede,’ zeide de stem op een toon van bedreiging, dien ik nog niet gehoord had; ‚er blijft mij een laatste middel over, dat ik slechts in de uiterste noodzakelijkheid zal aanwenden, om u den mond te sluiten, of u ten minste te beletten, dat men aan de minste uwer woorden geloof sla.’--Ik verzamelde al mijn krachten, om hem met een schamperen lach te antwoorden. Hij zag, dat het thans tusschen ons een strijd op leven en dood was.--‚Luister,’ zeide hij, ‚ik geef u nog het overige van den dag en den dag van morgen ter overweging. Beloof te zullen zwijgen; rijkdom, achting, zelfs eer zullen u omringen; dreig nogmaals te zullen spreken, en ik geef u der schande over.’--‚Gij?’ riep ik, ‚gij?’--‚Ja, een eeuwige, onuitwischbare schande.’--‚Gij?’ herhaalde ik.--Ach, ik zeg het u, Felton! ik hield hem voor waanzinnig.--‚Ja ik,’ hernam hij.--‚O, verlaat mij,’ zeide ik hem. ‚Vertrek, indien gij niet wilt, dat ik mij voor uw oogen de hersens tegen den muur verplettere.’--‚Het is wel,’ hernam hij, ‚gij wilt het. Tot morgenavond.’--‚Tot morgen avond,’ antwoordde ik, mij latende neervallen en woedend het tapijt met mijn tanden verscheurende.”
Felton stond tegen een meubelstuk aangeleund en milady zag met helsche vreugde, dat misschien voor het eind van het verhaal de jonge officier reeds zijn krachten zou voelen bezwijken.
HOOFDSTUK XXVI.
Een onderwerp voor een klassiek treurspel.
Na een oogenblik zwijgens, dat besteed werd om den jongen officier, die naar haar luisterde, gade te slaan, vervolgde milady haar verhaal.
„Het was nu drie dagen geleden, sedert ik gegeten of gedronken had,” zeide zij, „ik leed verschrikkelijke smarten; menigmaal kwamen als wolken mijn voorhoofd samenpersen en mijn oog benevelen, het was de waanzin. De avond daalde, ik was zoo zwak, dat ik bijna elk oogenblik buiten kennis was, en telkens, wanneer ik bezwijmde, dankte ik God, want ik meende te sterven. Gedurende een dier zwakten hoorde ik de deur openen, de schrik bracht mij tot mij zelve. Mijn vervolger trad, door een gemaskerden man gevolgd, binnen; ook hij had zijn gezicht met een masker bedekt, maar ik herkende zijn gang, zijn stem, ik herkende de ontzag-inboezemende houding, welke de hel dien man heeft geschonken tot ongeluk der menschheid.
„‚Wel,’ vroeg hij mij, ‚hebt gij besloten den eed te doen, waarom ik u verzocht?’--‚Gij weet, de Puriteinen hebben slechts één woord, het mijne hebt gij gehoord, dat is: u op aarde voor de rechtbanken der menschen en in den hemel voor Gods rechterstoel aan te klagen.’--‚Dus blijft gij volharden?’--‚Ik zweer het u voor dien God, die mij hoort; ik zal de geheele wereld tot getuige uwer misdaad nemen, en dat zoolang tot ik een wreker zal gevonden hebben.’--‚Gij zijt een hoer,’ riep hij met donderende stem, ‚en gij zult de straf er voor ondergaan!.... Voor het oog der wereld, die gij inroept, onteerd, kunt gij de wereld overtuigen, dat gij noch schuldig noch gek zijt.’--Toen zich tot den man wendende, die hem vergezelde, zeide hij: ‚scherprechter, doe uw plicht.’”
„O, zeg mij zijn naam, zijn naam!” riep Felton opnieuw, „zeg mij zijn naam?”