De Drie Musketiers dl. I en II

Part 49

Chapter 493,922 wordsPublic domain

„Ha! ha!” zeide hij, „zij slaapt. Goed, als zij ontwaakt, kan zij soupeeren.”--En hij deed eenige schreden om zich te verwijderen.--„Maar, luitenant!” zeide een minder ongevoelig soldaat dan zijn overste, en die milady was genaderd, „die vrouw slaapt niet.”--„Wat! slaapt zij niet?” riep Felton, „wat doet zij dan?”--„Zij ligt in onmacht; haar aangezicht is zeer bleek, en hoe ik ook luister, ik hoor haar ademhaling niet.”--„Gij hebt gelijk,” zeide Felton, na milady te hebben beschouwd van de plaats, waar hij stond, zonder één schrede haar te naderen. „Ga lord de Winter waarschuwen, dat zijn gevangene in zwijm ligt; want ik weet niet, wat ik doen moet; in dat geval is niet voorzien.”

De soldaat vertrok, om de bevelen zijns officiers te volbrengen. Felton ging op een stoel zitten, die bij toeval bij de deur stond, en wachtte zonder één woord te spreken en onbeweeglijk. Milady bezat die groote, door de vrouwen zoo ijverig bestudeerde kunst, van alles te zien met behulp van een spiegel, een weerschijn of een schaduw. Zij beschouwde Felton, die haar den rug toekeerde en bleef hem ongeveer tien minuten beschouwen, gedurende welke de onbeweeglijke bewaker zich niet één enkele maal omkeerde.--Zij bedacht toen, dat lord de Winter zou komen, die door zijn tegenwoordigheid meer kracht aan zijn cipier zou geven. Haar eerste proefneming was mislukt; maar zij troostte er zich over als een vrouw, die nog meer hulpmiddelen heeft. Bijgevolg richtte zij het hoofd op en slaakte een flauwen zucht. Op dien zucht zag Felton eindelijk om.

„Ha! zijt gij eindelijk ontwaakt, mevrouw!” zeide hij, „ik behoef dus hier niet meer te zijn. Als gij het een of ander mocht noodig hebben, kunt gij roepen.”--„Ach, mijn God! mijn God! wat heb ik geleden!” lispte milady, met die welluidende stem, welke, gelijk aan die der Sirenen, al diegenen bekoorde, welke zij wilde in het verderf storten.--En zij nam, zich in haar leuningstoel oprichtende, een houding aan nog bekoorlijker en ongedwongener dan die zij liggende had.

Felton stond op.--„Gij zult alzoo drie malen daags bediend worden, mevrouw!” zeide hij: „des morgens te negen uur, des namiddags te een uur, en des avonds te acht uur. Indien u zulks niet bevalt, kunt gij andere uren bepalen, dan die ik u voorstel, en omtrent dat punt zal men zich aan uw begeerte onderwerpen.”--„Maar zal men mij dan altijd geheel alleen in deze groote, treurige kamer laten?” vroeg milady.--„Een vrouw uit de omstreken is ontboden geworden, om voortaan in het kasteel te zijn, en telkens, wanneer gij haar tegenwoordigheid mocht verlangen, zal zij bij u komen.”--„Ik dank u, mijnheer!” antwoordde de gevangene nederig.--Felton maakte een lichte buiging en begaf zich naar de deur.

Op het oogenblik, dat hij den drempel zou overgaan, verscheen lord de Winter in de gang, gevolgd door den soldaat, die hem van de bezwijming van milady bericht had gebracht; hij hield in zijn hand een fleschje met vlugzout.

„Wel, wel! wat gebeurt er toch?” riep hij op spottenden toon, zijn gevangene overeind ziende en Felton gereed om te vertrekken. „Is die doode al weer verrezen? _Goddam_, Felton! mijn zoon! hebt gij dan niet opgemerkt, dat men u voor een schooljongen aanziet, en men het eerste bedrijf van een komediestuk speelt, waarvan wij zonder twijfel het pleizier zullen hebben al de verwikkelingen te kunnen volgen?”--„Ik twijfelde er aan, mylord!” antwoordde Felton; „maar dewijl de gevangene in alle geval een vrouw is, wilde ik jegens haar al de onderscheiding in acht nemen, welke ieder welopgevoed man aan een vrouw is verschuldigd, al is het dan niet voor haar, dan toch voor zich zelven.”

Milady liep een rilling door het gansche lichaam. Die woorden van Felton vloeiden als ijs door al haar aderen.

„Alzoo,” hernam de Winter lachende, „hebben dat fraaie hoofdhaar, zoo sierlijk ten toon gespreid, dat blanke vel en die smachtende blik uw steenen hart nog niet vermurwd?”--„Neen, mylord!” antwoordde de ongevoelige jongeling; „en geloof mij wel, er behoort meer toe dan gebaren en de koketterie eener vrouw, om mij te verleiden.”--„In dat geval, mijn brave luitenant! zullen wij milady iets anders laten zoeken en aan tafel gaan. Maar wees gerust, zij heeft een zeer vruchtbare verbeelding, en het tweede bedrijf van het tooneelspel zal spoedig het eerste volgen.”--En bij deze woorden stak de Winter zijn arm in dien van Felton en trok hem lachende voort.

„O! ik zal wel vinden, wat ik noodig heb,” mompelde milady binnensmonds; „wees gerust, arme, mislukte monnik! arme, bekeerde soldaat! die uw uniform uit een monnikspij hebt gesneden.”--„_A propos_, milady!” hernam de Winter, op den drempel der deur blijvende staan, „die teleurstelling moet u den eetlust niet ontnemen. Proef eens van dat hoen en dien visch, welke ik, op mijn eer, niet heb doen vergiftigen. Ik ben vrij wel over mijn kok tevreden, en daar hij van mij niet moet erven, stel ik in hem volkomen vertrouwen. Doe zooals ik. Vaarwel, lieve zuster! tot aan uw aanstaande bezwijming.”

Dat was alles, wat milady kon verdragen. Haar handen sloten zich krampachtig om de leuning van haar stoel; dof knarsetandende volgde zij met haar oogen de beweging der deur, welke zich achter de Winter en Felton sloot, en toen zij alleen was, overviel haar een nieuwe, nog geweldiger wanhoop. Zij liet haar oogen op de tafel vallen, zag een mes glinsteren, sprong toe en greep het; maar haar teleurstelling was wreed, het lemmet was rond en van buigzaam zilver.

Een schaterend gelach klonk achter de niet geheel geslotene deur, die weder geopend werd.--„Ha! ha!” riep lord de Winter, „ha! ha! ha! ziet gij wel, mijn beste Felton! ziet gij wel, wat ik u heb voorzegd? Dat mes was voor u bestemd, mijn zoon! zij zou u vermoord hebben, hoort gij; een harer grillen is, zich op deze of gene wijze van de lieden te bevrijden, welke haar hinderen. Indien ik naar u geluisterd had, ware het mes puntig en van staal geweest en met Felton zou het dan gedaan zijn geweest; zij zou u gekeeld hebben, en na u ons allen. Zie maar eens, John! hoe ferm zij het mes houdt.”

Inderdaad, milady hield nog het onschadelijke wapen in haar krampachtige hand geklemd: maar die laatste woorden, die verregaande beleediging opende haar hand en ontspande haar krachten, ja zelfs haar wil. Het mes viel op den grond.

„Gij hebt gelijk, mylord!” zeide Felton op een toon van diepe walging, die in het diepste van het hart van milady weerklonk, „gij hebt gelijk, en ik was het, die ongelijk had.”--En beiden vertrokken opnieuw. Maar nu luisterde milady beter dan de eerste maal, en zij hoorde hun voetstappen zich verwijderen en eindelijk aan het einde van de gang geheel verdwijnen.

„Ik ben verloren!” mompelde zij; „nu ben ik in de macht van lieden, op welke ik niet meer vat heb dan op bronzen of steenen beelden; zij kennen mij van buiten en zijn geharnast tegen al mijn wapens.... Het is nochtans niet mogelijk,” hernam zij na een kort oogenblik, „dat alles eindige, zooals zij besloten hebben.”

En waarlijk, zooals die laatste overweging, de werktuiglijke terugkeer tot de hoop, het aanduidde, bleven de vrees en het gevoel van zwakheid niet lang in die onpeilbare ziel bovendrijven. Milady zette zich aan tafel, at van verschillende gerechten, dronk een weinig Spaanschen wijn en voelde al haar stoutmoedigheid herleven.

Alvorens zich te bed te begeven, had zij reeds overwogen, ontleed, zich naar alle zijden omgekeerd en de woorden, gang, gebaren en teekens, ja zelfs het stilzwijgen harer bewakers in al hun deelen beschouwd; en uit deze diepe, doordachte en geleerde beschouwing had zij het besluit getrokken, dat Felton, alles bij elkander genomen, de minst onkwetsbare van beiden was.--Een woord vooral kwam telkens in de herinnering van milady weder op: „Indien ik naar u geluisterd had,” had lord de Winter tegen Felton gezegd.--Derhalve had Felton in haar voordeel gesproken, omdat lord de Winter naar Felton niet had willen luisteren.

„Hoe zwak of sterk ook,” herhaalde milady, „heeft die man echter een vonk van medelijden in zijn ziel. Van deze vonk zal ik een brand doen uitbreken, die hem zal verslinden. Wat den anderen betreft, deze kent, vreest mij, en weet, wat hij van mij te wachten heeft, indien ik ooit aan zijn handen ontsnap; het is dus nutteloos iets op hem te beproeven. Maar Felton, dat is iets anders, hij schijnt een onnoozel, rein en deugdzaam jongeling te zijn. Op dezen is het middel te beproeven, hem in het verderf te storten.”--En milady legde zich te bed en sliep met een glimlach op de lippen.

Iemand, die haar in dien slaap zou hebben gezien, had een jonge maagd meenen te zien, die aan den rozenkrans dacht, waarmede zij op het aanstaande feest haar hoofd zou bekronen.

HOOFDSTUK XXII.

Tweede dag van gevangenschap.

Milady droomde, dat d’Artagnan eindelijk in haar macht was, en zij zijn strafoefening bijwoonde; en het was het gezicht van zijn afschuwelijk bloed, dat onder de bijl des beuls stroomde, hetwelk dezen bevalligen glimlach op haar lippen teekende.--Zij sliep als een gevangene, wien een eerste hoop vervult. Den volgenden dag was zij nog te bed, toen men haar kamer binnentrad.... Felton bleef in de gang staan; hij had de vrouw medegebracht, van welke hij den vorigen dag had gesproken, en die was aangekomen. Die vrouw trad binnen, naderde het bed van milady en bood haar heur diensten aan.

Milady was gewoonlijk bleek; haar gelaatskleur kon dus iemand lichtelijk bedriegen, die haar voor het eerst zag.--„Ik heb de koorts,” zeide zij, „ik heb geen oogenblik gedurende dezen langen nacht geslapen. Ik lijd geweldig! zoudt gij menschlievender zijn, dan men het gisteren met mij is geweest? Alles, wat ik verzoek, is trouwens niets anders, dan om te bed te blijven.”--„Wilt gij, dat men een geneesheer doe komen?” vroeg de vrouw.

Felton luisterde naar dat gesprek zonder één woord te spreken. Milady begreep, dat, hoe meer zij door lieden werd omringd, hoe meer gelegenheid er voor haar zou zijn, om eenigen hunner medelijden in te boezemen, waardoor derhalve de waakzaamheid van lord de Winter zou verdubbelen. Bovendien kon de geneesheer verklaren, dat de ziekte geveinsd was; en milady, na het eerste spel verloren te hebben, wilde het tweede niet verliezen.

„Waartoe een geneesheer te ontbieden?” zeide zij, „de heeren hebben gisteren verklaard, dat mijn ziekte een komediespel was, het zou vandaag hetzelfde wezen; want sedert gisteren heeft men den tijd gehad den geneesheer te verwittigen.”--„Zeg dan, mevrouw!” zeide Felton ongeduldig, „welke behandeling gij verlangt te ondergaan.”--„Weet ik het, mijn God! Ik voel, dat ik lijd, ziedaar! Dat men mij geve wat men wil, wat bekommer ik er mij om.”--„Ga lord de Winter roepen,” zeide Felton, vermoeid door deze eeuwigdurende klachten.--„Ach! neen, neen!” riep milady; „neen, mijnheer! roep hem niet, ik bezweer u; ik ben wèl, ik heb niets noodig; roep hem niet!”--Zij legde een zoo natuurlijke drift in dezen uitroep, dat Felton, medegesleept, eenige schreden de kamer binnentrad.--„Hij is bewogen,” dacht milady.--„Intusschen, mevrouw!” zeide Felton, „indien gij _wezenlijk_ lijdt, zal men een geneesheer ontbieden, en mocht gij ons misleiden, des te erger voor u; maar ten minste zullen wij ons niets te verwijten hebben.”

Milady antwoordde niet, maar haar schoon hoofd op haar hoofdkussen drukkende, barstte zij in tranen en gesnik uit.--Felton beschouwde haar een oogenblik met zijn gewone onbeweeglijkheid; toen, ziende dat de crisis scheen te zullen voortduren, vertrok hij. De vrouw volgde hem. Lord de Winter verscheen niet.

„Ik geloof, dat ik klaar begin te zien,” mompelde milady met een woeste vreugd, terwijl zij zich met haar bedsprei bedekte, ten einde die inwendige ontboezeming van genoegen voor allen, die haar mochten bespieden, te verbergen.--Twee uren verliepen er.--„Nu is het tijd, dat de ziekte ophoudt,” zeide zij, „laat ons opstaan en trachten reeds van heden aan eenige voordeelen te behalen. Er blijven mij slechts tien dagen over, en reeds heden avond zullen er twee vervlogen zijn.”

Des morgens in de kamer van milady komende, hadden de dienstboden haar het ontbijt gebracht. Zij meende derhalve, dat men het spoedig zou komen afnemen, en zij dan Felton zou zien. Milady bedroog zich niet. Felton verscheen, en zonder er acht op te slaan, of milady al of niet van het ontbijt iets genuttigd had, wenkte hij, dat men de tafel, die men gewoonlijk gedekt binnenbracht, buiten de kamer zou brengen. Felton keerde terug, hij hield een boek in de hand. Milady, schoon, bleek en gelaten, in een armstoel bij den schoorsteen neergevlijd, geleek een heilige maagd, die het martelaarschap verwacht.

Felton naderde haar en zeide: „Lord de Winter, die roomsch is, zooals gij, mevrouw! heeft gedacht, dat het gemis der gebruiken en ceremoniën van uw godsdienst u smartelijk moet vallen; hij veroorlooft dan ook, dat gij dagelijks de gebeden _uwer mis_ leest, en ziedaar een boek, dat ze bevat.”

De wijze ziende, op welke Felton het boek op het tafeltje legde, aan hetwelk milady zat, den toon hoorende, op welken hij die twee woorden: _uwer mis_ uitsprak, en den verachtelijken glimlach opmerkende, waarmede hij een en ander vergezelde, richtte milady het hoofd omhoog en beschouwde den officier meer aandachtig.--Toen herkende zij aan dat korte hoofdhaar, aan dat meer dan eenvoudig gewaad, aan dat als marmer zoo gladde, maar harde en ondoordringbare voorhoofd, als hij zelf, een dier afgetrokkene Puriteinen, die zij zoo dikwijls zoowel aan het hof van Jacobus als aan dat van den koning van _Frankrijk_ had aangetroffen, waar zij, ondanks de herinnering aan den _Bartholomeus-Nacht_, bijwijlen een toevlucht kwamen zoeken.--Zij had op dat oogenblik een dier plotselinge ingevingen, welke alleen menschen van genie ontvangen in die gewichtige omstandigheden, welke over hun geluk of over hun leven moeten beslissen. Die beide woorden: _uwer mis_, en een eenvoudige blik op Felton geworpen hadden haar inderdaad het groote gewicht doen beseffen van het antwoord, dat zij geven moest.

En met de snelheid van bevatting, die haar eigen was, vloeide van haar lippen dit reeds geheel bereid antwoord: „Ik?” zeide zij op een toon van verachting, niet minder diep dan die zij in de stem van den jongen officier had opgemerkt, „ik, mijnheer! _mijn mis_? Lord de Winter, die verdorven Katholiek, weet wel, dat ik tot zijn leer niet behoor; het is een valstrik, dien hij mij legt.”--„En welken godsdienst belijdt gij dan, mevrouw?” vroeg Felton met een verwondering, die hij ondanks zijn zelfbeheersching niet geheel kon verbergen.--„Ik zal het zeggen!” riep milady met een geveinsde geestvervoering, „den dag, op welken ik genoeg voor mijn geloof zal geleden hebben.”

De blik van Felton openbaarde aan milady de geheele uitgestrektheid der hulp, die zij zich door die weinige woorden had verschaft. Intusschen bleef de jongeling stom en onbeweeglijk; alleen zijn blik had gesproken.

„Ik ben in de handen mijner vijanden,” vervolgde zij op dien dwependen toon, welke den Puriteinen zoo eigen was. „Welnu, dat God mij redde, of dat ik voor God verloren ga! Ziedaar het antwoord, dat ik u verzoek aan lord de Winter over te brengen; en wat dat boek betreft,” voegde zij er bij, het gebedenboek met den vinger aanwijzende, maar zonder het aan te raken, alsof zij door die aanraking besmet zou zijn geworden, „gij kunt het medenemen, of er u zelven van bedienen, want waarschijnlijk zijt gij dubbel medeplichtige van lord de Winter, medeplichtige in zijn vervolgingen, medeplichtige in zijn ketterij.”

Felton antwoordde niet, nam het boek met denzelfden afkeer, dien hij reeds had doen blijken, en vertrok peinzende. Lord de Winter kwam tegen vijf uur des namiddags. Milady had gedurende den geheelen dag den tijd gehad zich een gedragslijn voor te schrijven. Zij ontving hem als een vrouw, die volkomen van haar voordeel bewust is.

„Het schijnt,” zeide de baron, in een leuningstoel zich neerzettende, vóór dien op welken milady zat, en gemakkelijk zijn beenen naar den haard uitstrekkende, „het schijnt, dat wij een weinig ons geloof hebben verzaakt.”--„Wat wilt gij zeggen, mijnheer?”--„Ik wil zeggen, dat, sedert het laatst dat wij elkander gezien hebben, wij van godsdienst zijn veranderd. Zoudt gij bij toeval een derden Protestantschen man hebben gehuwd?”--„Verklaar u, mylord!” hernam de gevangene met majesteit, „want ik verzeker u, dat ik uw woorden hoor, maar ze niet begrijp.”--„Dan is het, omdat gij volstrekt geen godsdienst hebt; maar dat heb ik nog liever,” hernam lord de Winter met een schamperen lach.--„Zeker is het, dat dit meer met uw denkwijze strookt,” antwoordde milady koel.--„Och! ik, ik beken u, dat het mij volkomen onverschillig is.”--„O, gij zoudt die onverschilligheid in zake van godsdienst niet belijden, indien uw schandelijke leefwijze en uw misdaden ze niet bevestigden.”--„Welzoo, spreekt gij van schandelijke leefwijze, mevrouw Messalina! spreekt gij van misdaden, lady Macbeth! òf ik heb kwalijk verstaan, òf gij zijt, _Goddam_! vrij onbeschaamd.”--„Gij spreekt aldus, omdat men ons beluistert, mijnheer!” antwoordde milady koel, „en gij uw gevangenbewaarders en beulen tegen mij wilt ophitsen.”--„Mijn gevangenbewaarders en beulen? wel, mevrouw! gij neemt nu een dichterlijken toon aan, en de komedie van gisteren schijnt heden avond tot een treurspel over te gaan. Maar binnen acht dagen zult gij weten, waar gij te huis hoort, en mijn taak zal volbracht zijn.”--„Een schandelijke, goddelooze taak,” hernam milady met de geestvervoering van het offer, dat haar rechter tart.--„Ik geloof, op mijn eer, dat het vrouwspersoon gek wordt.... Kom, kom, wees bedaard, mevrouw de kwezel, of ik laat u in het cachot brengen. _Goddam_! het is mijn Spaansche wijn, die u naar het hoofd stijgt, niet waar? maar wees gerust, die dronkenschap is niet gevaarlijk en zal geen gevolgen hebben.”--En lord de Winter verwijderde zich al vloekende, hetgeen in dien tijd een zeer fatsoenlijke gewoonte was.

Felton stond inderdaad achter de deur en had geen enkel woord van het tooneel verloren. Milady had juist geraden.--„Ja, o ja!” mompelde zij, „de gevolgen naderen integendeel; maar gij zult ze niet weten, domkop! dan wanneer het te laat zal zijn om ze te voorkomen.”

De stilte hernieuwde zich; twee uren verliepen; men bracht het avondmaal en men vond milady een gebed biddende, dat zij van een ouden dienaar van haar tweeden echtgenoot, een zeer streng Puritein, had geleerd. Zij scheen in volkomen geestverrukking en gaf niet het minste blijk eenige acht te slaan op hetgeen rondom haar voorviel. Felton wenkte, dat men haar niet zou storen; en toen alles gereed was, vertrok hij in stilte met de soldaten. Milady wist, dat zij kon bespied worden, zij ging dus met haar gebeden tot aan het einde voort, en zij meende dat de soldaat, die voor de deur op schildwacht stond, niet meer denzelfden tred hield, maar scheen te luisteren. Voor het oogenblik verlangde zij niets meer, zij stond op, zette zich aan tafel, at weinig en dronk slechts water.

Een uur daarna kwam men de tafel wegnemen; maar milady bemerkte, dat Felton nu de soldaten niet vergezelde. Hij vreesde dus haar te dikwijls te zien. Zij keerde het hoofd om, om haar glimlach te verbergen, want in dien glimlach lag een zoo zegevierende uitdrukking, dat die alleen voldoende zou zijn geweest haar te ontmaskeren. Zij liet nog een half uur verloopen, en dewijl nu alles in het oude kasteel stil was geworden en men niets anders hoorde dan het eeuwig gedruisch der baren, die geweldige ademhaling des oceaans, begon zij met haar zuivere, welluidende, trillende stem het eerste couplet van dezen toen bij de Puriteinen zeer in gunst zijnden Psalm:

Om te beproeven onze krachten, Verlaat Gij, Heere! ons geheel; Maar voor ons streven, voor ons wachten, Valt ons uit Uwe milde hand de palmtak ook ten deel.

Die verzen waren zeker niet voortreffelijk, er ontbrak veel aan, maar, zooals bekend is, de Puriteinen hechtten niet veel waarde aan poëzie. Al zingende bleef milady echter luisteren; de soldaat, die op schildwacht voor haar deur stond, was als het ware in steen veranderd stil blijven staan. Milady kon dus oordeelen over den indruk, dien zij had teweeggebracht. Daarop vervolgde zij haar gezang met een vurig en onuitsprekelijk gevoel; het scheen alsof de klank harer stem in de verte onder de gewelven weergalmde en alsof een toovermiddel de harten harer bewakers ging verzachten. Intusschen scheen die schildwacht, ongetwijfeld een oprecht Katholiek, de tooverij te verachten, want door de traliën in de deur, welke hij opende, zeide hij: „Zwijg, mevrouw! uw lied is treurig als een _De profundis_, en indien men boven het genoegen van hier in garnizoen te zijn nog iets dergelijks moet hooren, zal het er niet langer uit te houden zijn.”--„Zwijg!” riep toen een bevelende stem, die milady voor die van Felton herkende; „waarmede bemoeit gij u, kerel? Heeft men u bevolen die vrouw het zingen te beletten? Neen, men heeft u bevolen haar te bewaken en op haar te schieten, indien zij mocht trachten te ontvluchten. Bewaak haar; indien zij vlucht, dood haar dan, maar verander niets aan het bevel.”

Een onbeschrijfelijke glans van vreugd verspreidde zich op het gelaat van milady; maar die glans verdween even spoedig als een weerlicht, en zonder te laten blijken die woordenwisseling gehoord te hebben, van welke zij echter geen woord had verloren, hernam zij, aan haar stem al de volheid, al de bekoring en verleiding gevende, die de duivel er had ingelegd:

Voor al de ramp door mij geleden, Voor mijne ballingschap vol smart, Heb ik mijn’ jonkheid, mijn’ gebeden, En God, die richten zal den vijand, dien ik tart.

Haar stem, van een onbeschrijfelijke welluidendheid en vol verheven vuur, gaf aan de ruwe en onbeschaafde poëzie dezer psalmen een betoovering en uitdrukking, welke de buitensporigste Puriteinen zelden in de gezangen hunner broeders vonden, die zij verplicht waren met al de hulpmiddelen hunner verbeelding schoonheid bij te zetten. Felton meende den engel te hooren zingen, die de drie Hebreërs in den gloeienden oven troostte.--Milady vervolgde:

De vrijheidszon zal eenmaal schijnen, En God ons helpen uit den nood, Doet Hij dan onze hoop verdwijnen, Dan blijft ons echter nog èn martlaarschap èn dood.

Dit couplet, waarin die vreeselijke bezweerster geheel haar ziel scheen te leggen, voltooide de verwarring, waaraan het hart des jongen officiers ten prooi was; hij opende driftig de deur en milady zag hem verschijnen, wel bleek als naar gewoonte, maar met gloeiende en bijna waanzinnige oogen.--„Waarom zingt gij op die wijze?” zeide hij met een ontroerde stem.--„Vergeef mij, mijnheer!” zeide milady met zachtheid, „ik vergat, dat mijn zangen in dit huis niet in den smaak zijn. Ik heb u waarschijnlijk in uw geloof beleedigd, maar dit was, ik verzeker u, zonder opzet. Vergeef mij dus een misslag, die misschien groot is, maar door mij zeker niet opzettelijk is bedreven.”

Milady was zoo schoon, de godsdienstige geestverrukking, waarin zij was gedompeld, gaf aan haar gelaat zooveel uitdrukking, dat Felton, begoocheld, nu den engel meende te zien, dien hij eenige oogenblikken alleen meende te hooren.--„Ja, ja,” antwoordde hij, „ja, gij ontroert, gij verontrust de lieden, die het kasteel bewonen.”--En de arme dwaas bespeurde zelf niet het onsamenhangende zijner woorden, terwijl milady haar tijgerkatoog in het diepste van zijn hart wierp.--„Ik zal zwijgen,” zeide milady, de oogen neerslaande, met al de zachtheid, die zij aan haar stem kon geven, met al de onderwerping, die zij haar houding kon doen aannemen.--„Neen, neen, mevrouw!” zeide Felton, „maar zing wat zachter, vooral des nachts.”

En bij die woorden snelde Felton, die voelde, dat hij tegenover de gevangene niet langer gestreng kon wezen, het vertrek uit.--„Gij hebt wel gedaan, luitenant!” zeide de soldaat, „die gezangen beroeren de ziel; maar men gewent er toch eindelijk aan: de stem is zoo schoon.”

HOOFDSTUK XXIII.