De Drie Musketiers dl. I en II

Part 48

Chapter 483,748 wordsPublic domain

Onderwijl leidde het koninklijk leger, voordeel trekkende van de onrust van zijn eenig en wezenlijk opperhoofd, een vroolijk leven; levensbehoeften ontbraken niet in het legerkamp, zoo min als geld. Al de korpsen wedijverden in moedbetoon en vroolijkheid; spionnen te vangen en ze op te hangen, gewaagde ondernemingen op den dijk of in zee ten uitvoer te brengen, dwaasheden te bedenken en die koelbloedig te bedrijven, dat waren de uitspanningen, die voor het leger de dagen zoo kort maakten, welke den belegerden zoo lang vielen, die door angst en gebrek verteerd werden, maar ook voor den kardinaal, die hen zoo nauw insloot. Het gebeurde wel eens, wanneer de kardinaal, altijd te paard als de geringste ruiter van het leger, zijn peinzenden blik over die naar zijn zin zoo langzaam voortgaande werken liet weiden, welke onder zijn bevelen door de ingenieurs, die hij van alle gedeelten van _Frankrijk_ liet komen, werden uitgevoerd, het gebeurde wel eens, zeggen wij, dat hij een of anderen musketier der kompagnie van Tréville ontmoette; doch wanneer hij dien dan naderde en op een bijzondere wijze beschouwde, maar niet een onzer vier vrienden in hem herkende, bracht hij zijn doordringenden blik en veelomvattenden geest op iets anders over.

Op zekeren dag, verteerd door een doodelijk verdriet, zonder hoop op een onderhandeling met de stad, zonder tijding uit _Engeland_, was de kardinaal uitgegaan, zonder ander doel dan om uit te gaan, en alleen vergezeld van Cahussac en de la Houdinière. Het strand volgende en de veelomvattendheid zijner denkbeelden als aan de onmetelijkheid des oceaans parende, bereikte hij, zijn paard langzaam latende voortstappen, de kruin van een heuvel, van waar hij zeven mannen ontwaarde, die achter een heg op het gras onder een groep boomen voor de brandende zonnestralen beschut te midden van een hoop ledige flesschen lagen neergevlijd. Vier dezer mannen waren onze musketiers, die zich gereed hielden naar de voorlezing van een brief te luisteren, dien een hunner had ontvangen. De brief was zoo belangrijk, dat men trom, kaarten en dobbelsteenen had vergeten. De drie anderen waren bezig een ontzaggelijk groote dikbuikige flesch met _Collioure_ wijn te ontkurken. Het waren de lakeien dier heeren.

De kardinaal, zooals wij gezegd hebben, was in een kwade luim, en niets, wanneer hij in die gesteldheid van geest was, maakte hem onvriendelijker dan de vreugd van anderen te zien. Daarenboven had hij de zonderlingheid te gelooven, dat juist de redenen zijner treurigheid het vermaak van anderen opwekte. Een teeken aan Cahussac en la Houdinière gevende van te blijven staan, steeg hij van zijn paard en naderde die ontijdige lachers, in de hoop door het zand, dat zijn voetstappen verdoofde, en de heg, die zijn nadering bedekte, eenige woorden te kunnen opvangen van dat gesprek, hetwelk hem zoo belangrijk scheen. Slechts op tien stappen van de heg herkende hij het Gaskonjische gebabbel van d’Artagnan, en dewijl hij reeds wist, dat die mannen musketiers waren, twijfelde hij er niet aan of de andere drie waren degenen, die men de onafscheidelijken noemde, namelijk Athos, Porthos en Aramis.

Men oordeele of zijn begeerte om het gesprek te beluisteren door die ontdekking heviger werd; zijn oogen namen een zonderlinge uitdrukking aan, en sluipend als een tijgerkat naderde hij de heg; doch hij had nog niets anders dan eenige niets beteekenende woorden zonder zin kunnen hooren, toen een luid en kort geroep hem deed ontroeren en de aandacht der musketiers wekte.

„Officier!” riep Grimaud.--„Gij spreekt, geloof ik, kerel!” zeide Athos, zich op een elleboog ten halve oprichtende en Grimaud door zijn vlammenden blik doende verstijven. Grimaud voegde er dan ook geen woord meer bij en bepaalde er zich toe den wijsvinger in de richting der heg uit te strekken, door dat gebaar den kardinaal en zijn geleide aankondigende.

In één sprong waren de vier musketiers overeind en groetten eerbiedig. De kardinaal scheen woedend te zijn.

„Het lijkt, dat men bij de heeren musketiers waakzaam is; komt de Engelschman over land, of beschouwen de musketiers zich als hoofd-officieren?”--„Uwe Eminentie!” antwoordde Athos, want hij alleen had te midden der algemeene verwarring de kalmte en koelbloedigheid eens edelmans behouden, die hem nooit verlieten: „Eminentie! wanneer de musketiers geen dienst doen of zoo die geëindigd is, drinken en dobbelen zij en zijn voor hun lakeien zeer groote heeren.”--„Lakeien,” bromde de kardinaal, „lakeien, die het bevel hebben hun meesters te waarschuwen, wanneer iemand voorbijkomt; dat zijn geen lakeien, dat zijn schildwachten.”--„Uwe Eminentie ziet toch wel dat, indien wij deze voorzorg niet hadden genomen, wij Uwe Eminentie zouden hebben laten voorbijgaan, zonder u onzen eerbied te betuigen en te bedanken voor de ons bewezen goedheid van ons te hebben vereenigd, D’Artagnan!” vervolgde hij, „gij, die zooeven de gelegenheid wenschtet uw dankbaarheid aan Zijne Eminentie te betuigen, ziehier nu die gelegenheid, maak er gebruik van.”

Die woorden werden met die onveranderlijke koelbloedigheid uitgesproken, die in oogenblikken van gevaar Athos zoozeer onderscheidde, en met die bovenmatige beleefdheid, welke hem, bij zekere gelegenheden, meer majesteit gaf dan menigen geboren koning. D’Artagnan trad nader en stamelde eenige woorden van dankbetuiging, die spoedig onder den somberen blik van den kardinaal verstomden.

„Het doet er niet toe, heeren!” ging de kardinaal voort, zonder den minsten schijn zijn aanvankelijk voornemen te laten varen, ondanks de wending, die Athos aan het gesprek had gegeven, „het doet er niet toe, ik wil niet, dat eenvoudige soldaten, omdat zij het voordeel genieten in een begunstigd korps te dienen, op die wijze den grooten heer vertoonen, terwijl de krijgstucht voor hen dezelfde als voor anderen is.”

Athos liet den kardinaal volkomen uitspreken, en zich buigende ten teeken van overtuiging, hernam hij op zijn beurt: „De krijgstucht, Uwe Eminentie! hoop ik, dat in geen geval door ons is uit het oog verloren. Wij doen op dit oogenblik geen dienst, en wij meenden buiten diensttijd over onzen tijd naar willekeur te kunnen beschikken. Indien wij nogmaals zoo gelukkig mochten zijn van Uwe Eminentie eenige bijzondere bevelen te ontvangen, zijn wij gereed te gehoorzamen. Uwe Eminentie ziet,” vervolgde Athos, de wenkbrauwen fronsende, want die ondervraging begon hem te vervelen, „dat wij, om dadelijk bij het minste onraad gereed te kunnen zijn, onze wapens hebben medegenomen.”--En hij wees den kardinaal de vier musketten, die tegen elkander gezet bij de trom stonden, op welke de dobbelsteenen en de kaarten lagen.--„Uwe Eminentie gelieve te gelooven,” voegde d’Artagnan er bij, „dat wij u tegemoet zouden zijn gekomen, indien wij hadden kunnen veronderstellen, dat Uwe Eminentie met een zoo klein geleide ons naderde.”

De kardinaal beet zich op zijn knevel en een weinig op de lippen.--„Weet gij wel, waarnaar gijlieden lijkt, altijd bij elkander, gewapend, zooals gij zijt, en door uw knechts bewaakt?” zeide de kardinaal, „gij gelijkt vier samenzweerders.”--„O! wat dat betreft, Uwe Eminentie! dat is waar,” zeide Athos, „en wij spannen samen, zooals Uwe Eminentie het op zekeren dag heeft kunnen zien; maar het is tegen de bewoners van _la Rochelle_.”--„O, heeren staatkundigen!” hernam de kardinaal op zijn beurt de wenkbrauwen fronsende, „men zou misschien in uw hersenen het geheim van vele dingen vinden, indien men er in lezen kon als in dien brief, welken gij verborgt, toen gij mij zaagt naderen.”

Een blos overdekte het gelaat van Athos; hij trad Zijne Eminentie een schrede nader.--„Men zou zeggen, dat gij ons waarlijk verdenkt, Uwe Eminentie! en wij een werkelijk verhoor ondergaan. Als dat zoo is, dat Uwe Eminentie dan zoo goed zij zich te verklaren, wij zullen dan ten minste weten, waaraan wij ons te houden hebben.”--„En indien het al een verhoor moge zijn,” hernam de kardinaal, „anderen dan gij hebben dit ondergaan, mijnheer Athos! en hebben geantwoord.”--„Daarom zeide ik ook tot Uwe Eminentie, dat gij ons slechts te ondervragen hadt en wij bereid waren te antwoorden.”--„Wat is dat voor een brief, dien gij wildet lezen, mijnheer Aramis! doch dien gij hebt verborgen?”--„Die brief is van een vrouw, Uwe Eminentie!”--„Ja, ik begrijp, die soort van brieven vereischen geheimhouding; maar men mag ze toch wel aan een biechtvader vertoonen, en gij weet, ik heb de wijding ontvangen.”--„Uwe Eminentie!” hernam Athos met een kalmte, die des te vreeselijker was, daar hij zijn hoofd waagde met derwijze te antwoorden, „Uwe Eminentie! die brief is van een vrouw, maar hij is niet geteekend Marion Delorme, noch mevrouw de Combalet, noch mevrouw de Chaulnes.”[14]

[14] Minnaressen van den kardinaal.

De kardinaal werd bleek als een lijk. Een woeste bliksemstraal schoot uit zijn oogen. Hij wendde zich als om een bevel aan Cahussac en la Houdinière te geven; Athos zag die beweging, hij naderde een schrede de musketten, op welke de drie vrienden het oog gevestigd hielden als lieden, die niet zeer genegen zijn zich te laten aanranden. De kardinaal was met de zijnen slechts drie personen sterk, terwijl de musketiers met de lakeien er zeven telden; hij oordeelde de partij dus al te ongelijk, vooral indien Athos en zijn vrienden samenzwoeren; en door een dier plotselinge ommekeeren, welke hij steeds bij de hand had, loste hij al zijn gramschap in een glimlach op.

„Kom, kom,” zeide hij, „gij zijt brave jongelieden, trotsch bij het zonlicht, in de duisternis, en het kan geen kwaad zich zelven goed te bewaken, wanneer men anderen zoo goed bewaakt. Mijne heeren! ik heb den nacht niet vergeten, toen gij mij tot geleide strektet bij mijn gang naar _den Rooden Duiventoren_. Indien er nu eenig gevaar bestond op den weg, dien ik zal volgen, zou ik u verzoeken mij te vergezellen; maar dewijl zulks het geval niet is, kunt gij blijven, waar gij zijt, uw flesschen ledigen, uw partij en uw briefwisseling eindigen. Vaartwel, mijne heeren!”

En het paard bestijgende, dat Cahussac hem had gebracht, groette hij hen met de hand en vertrok.

De vier jongelieden, overeind en onbeweeglijk staande gebleven, volgden hem met hun blikken zonder een woord te spreken, totdat zij hem uit het gezicht hadden verloren. Toen zagen zij elkander aan, allen waren ontsteld; want ondanks het vriendelijk vaarwel van Zijne Eminentie, begrepen zij, dat de kardinaal met de woede in zijn hart vertrokken was. Alleen Athos grimlachte trots en verachtelijk. Toen de kardinaal buiten het bereik der stem en uit het oog was, riep Porthos, die groote begeerte had zijn kwade luim op iemand te doen neerkomen: „Die Grimaud heeft al zeer laat geroepen.”

Grimaud wilde antwoorden om zich te verontschuldigen; Athos hief den vinger op en Grimaud zweeg.--„Zoudt gij den brief hebben gegeven, Aramis?” vroeg d’Artagnan.--„Ik,” zeide Aramis, „had reeds een besluit genomen; indien hij den brief geëischt had, zou ik hem dien hebben aangeboden met de eene hand, terwijl ik hem met de andere aan mijn degen zou hebben geregen.”--„Ik vermoedde het wel,” zeide Athos, „en daarom heb ik mij tusschen u en hem gesteld. Waarlijk, die man is wel onvoorzichtig andere mannen dus toe te spreken. Men zou zeggen, dat hij nooit anders dan met vrouwen en kinderen te doen heeft gehad.”--„Mijn waarde Athos!” zeide d’Artagnan, „ik bewonder u; maar in alle geval hadden wij ongelijk.”--„Hoe, ongelijk!” riep Athos. „Aan wien behoort dan de lucht, welke wij inademen? aan wien de oceaan, welke zich voor ons oog uitstrekt? aan wien de brief uwer minnares? behoort dit alles den kardinaal? Op mijn eer, die man verbeeldt zich, dat de wereld hem toebehoort. Gijlieden stondt daar stamelend, ontroerd, vernietigd; het was alsof de _Bastille_ zich voor uw oogen verhief, en de reusachtige Medusakop u in steenblokken had veranderd. Wel, is het samenzweren, wanneer men verliefd is! Gij zijt verliefd op een vrouw, die de kardinaal heeft doen opsluiten; gij wilt haar den kardinaal ontrukken; dat is een partij, die gij met Zijne Eminentie speelt. Die brief is uw spel. Waarom zoudt gij nu uw spel openleggen? Laat hij het raden! Wij raden wel het zijne.”--„Het is waar, Athos! wat gij zegt is zeer juist.”--„Welnu, laat er dan van het gebeurde geen sprake meer zijn, en laat Aramis de lezing van den brief zijner nicht voortzetten, waar die door de komst van den kardinaal werd afgebroken.”

Aramis haalde den brief uit zijn zak; de drie vrienden naderden hem en de drie lakeien begaven zich in een groep rondom de _Damejeanne_.

„Gij hebt slechts een paar regels voorgelezen,” zeide d’Artagnan, „begin dus den brief van voren aan.”--„Gaarne,” zeide Aramis.

„Waarde neef!

„Ik geloof, dat ik er toe zal besluiten naar _Béthune_ te vertrekken, waar mijn zuster onze kleine dienstmaagd in het _Karmelieten_-klooster heeft doen gaan. Het arme kind heeft zich onderworpen; zij weet, dat zij niet elders kan zijn, zonder dat het heil harer ziel gevaar loopt. Intusschen, wanneer onze familiezaken zich naar wensch schikken, geloof ik, dat zij het wagen zal te zondigen, en zij tot hen zal terugkeeren, die zij beweent; te meer daar zij weet, dat men steeds aan haar denkt. Onderwijl is zij niet al te gelukkig; al wat zij begeert is een brief van haar aanstaande. Ik weet wel, dat dergelijke zaken moeilijk door de tralies kunnen; maar in alle geval, zooals ik u reeds heb bewezen, waarde neef! ben ik tamelijk slim, en ik belast mij met uw boodschap. Mijn zuster dankt u voor uw hartelijke en blijvende herinnering; zij is eenigen tijd zeer ongerust geweest; maar thans is zij eenigszins gerustgesteld, daar zij haar klerk naar ginds heeft doen vertrekken, opdat er niets onverwachts plaats hebbe.

„Vaarwel, waarde neef! schrijf ons zoo dikwijls mogelijk, namelijk telkens, wanneer gij meent zulks met zekerheid te kunnen doen.--Ik omhels u.

Marie Michon.”

„Ach! hoeveel ben ik u niet verschuldigd, Aramis?” riep d’Artagnan. „Lieve Constance! Eindelijk heb ik tijding van haar. Zij leeft, zij is in zekerheid in een klooster; zij is te _Béthune_, Athos?”--„Wel, op de grenzen van _Artois_ en _Vlaanderen_. Wanneer eenmaal het beleg zal zijn geëindigd, kunnen wij derwaarts een reisje doen.”--„En het zal niet lang meer duren,” zeide Porthos; „want men heeft dezen morgen nog een spion gehangen, die verklaarde, dat de belegerden reeds aan het leder hunner schoenen waren begonnen. In de veronderstelling nu, dat zij, na het bovenleder te hebben gegeten, aan de zolen zullen beginnen, zie ik niet al te goed, wat hen daarna zal overschieten, ten minste als zij elkander niet eten.”--„Arme dwazen!” zeide Athos, een glas heerlijken _Bordeaux_ ledigende, die, hoewel destijds niet zoo beroemd zijnde als thans, het echter niet minder verdiende. „Arme dwazen! alsof de katholieke godsdienst niet de voordeeligste en de aangenaamste aller godsdiensten ware. Om het even,” hernam hij, na zijn tong tegen zijn verhemelte te hebben doen klappen, „zij zijn trouwe en dappere lieden.... Maar wat duivel doet gij toch, Aramis?” vervolgde Athos, „bergt gij den brief weder in uw zak?”--„Ja,” zeide d’Artagnan, „Athos heeft gelijk, men moet hem verbranden. En daarenboven, wie weet of de kardinaal niet een geheim bezit om in de asch te kunnen lezen.”--„Hij moet er een hebben,” zeide Athos.--„Maar wat wilt gij met den brief doen?” vroeg Porthos.--„Kom hier, Grimaud!” riep Athos.

Grimaud stond op en naderde.--„Om u te straffen zonder verlof gesproken te hebben, mijn vriend, zult gij dat papier inslikken; en vervolgens, om u voor den dienst te beloonen, dien gij ons bewezen hebt, kunt gij daarna dit glas wijn ledigen. Ziedaar vooreerst den brief, kauw hem goed.”--Grimaud glimlachte, de oogen op het glas houdende, dat Athos boordevol had geschonken; hij kauwde het papier en slikte het door.--„Bravo! mijnheer Grimaud!” zeide Athos, „en nu drink uit. Gij behoeft mij niet te danken.”

Grimaud dronk een glas _Bordeaux_-wijn leeg; maar zijn naar den hemel gerichte oogen spraken gedurende die liefelijke bezigheid een taal, die, hoewel stom, niet minder welsprekend was.--„En nu,” zeide Athos, „althans indien de kardinaal niet het verstandig denkbeeld mocht koesteren, om Grimaud den buik te doen openen, geloof ik, dat wij ten naasten bij gerust kunnen zijn.”

Onderwijl zette Zijne Eminentie zijn treurige wandeling voort, in zijn baard mompelende: „Onvoorwaardelijk, die vier mannen moeten de mijne zijn.”

HOOFDSTUK XXI.

Een eerste dag van gevangenschap.

Keeren wij tot milady terug, die wij, door een blik op de kust van _Frankrijk_ te werpen, voor een oogenblik uit het oog hebben verloren. Wij zullen haar in denzelfden wanhopigen toestand wedervinden, waarin wij haar hebben gelaten, en in een afgrond van sombere vertwijfeling verzonken; een donkere hel, voor wier deur zij bijna de hoop heeft verloren; want voor het eerst twijfelt, voor het eerst vreest zij.

In twee omstandigheden is haar de fortuin ontrouw geweest, in twee omstandigheden heeft zij zich ontdekt, verraden gevonden, en in die beide omstandigheden is zij bezweken tegenover den noodlottigen geest, ongetwijfeld door den Heere gezonden om haar te bestrijden.

D’Artagnan heeft haar overwonnen, zij, die onoverwinnelijke macht des boozen. Hij heeft haar in haar liefde misleid, in haar hoogmoed vernederd, in haar eerzucht bedrogen; en ziedaar, nu treft hij haar in haar fortuin, treft haar in haar vrijheid en bedreigt zelfs haar leven. Wat meer is, hij heeft een gedeelte van haar masker opgelicht, dat schild, waarmede zij zich bedekt, en dat haar zoo sterk maakt. D’Artagnan heeft van Buckingham, dien zij haat, zooals zij alles haat, wat zij eens heeft bemind, den storm afgewend, waarmede Richelieu hem in de persoon der koningin bedreigde. D’Artagnan heeft zich voor de Wardes doen doorgaan, voor wien zij de gloeiende liefdedrift eener tijgerin gevoelde, een drift, even onstuimig als dergelijke vrouwen die kunnen gevoelen. D’Artagnan kent dat vreeselijk geheim, hetwelk zij gezworen heeft, dat niemand zou kennen zonder te sterven. Ten slotte, op het oogenblik dat zij van Richelieu een volmacht ontvangt, met wier hulp zij zich op haar vijand zal wreken, wordt haar die volmacht ontrukt, en het is d’Artagnan, die haar gevangen houdt en haar naar de een of andere walgelijke Botanybay of schandelijke Tyburn van den Indischen oceaan zal zenden. Want dat alles komt ongetwijfeld van d’Artagnan; van wien anders zou zooveel schande, op haar hoofd gestapeld, kunnen voortkomen, dan van hem? Hij alleen heeft aan lord de Winter die afschuwelijke geheimen kunnen overbrengen, welke hij door een noodlottigen samenloop van omstandigheden het een na het ander ontdekt heeft. Hij kende haar schoonbroeder; hij zal hem geschreven hebben. Hoeveel haat verzamelt zij drop voor drop in haar boezem!

Daar zit zij onbeweeglijk en met gloeiende, strakke oogen in haar eenzaam vertrek; hoe wèl paren zich de uitbarstingen van het gesmoord gebrul, dat bijwijlen haar boezem ontglipt, aan het gedruisch der zich verheffende baren, die brullend, donderend als een eeuwige, onmachtige wanhoop tegen de rots uiteenspatten, op welke dit somber, trotsch kasteel gebouwd is. Hoe heerlijk schijnen haar de plannen van wraak, die zij, bij het licht der bliksemstralen, welke haar woedende gramschap haar in den geest doet zien, tegen juffrouw Bonacieux, tegen Buckingham, en vooral tegen d’Artagnan beraamt; maar die echter nog verborgen zijn in de donkere toekomst.

Ja, maar om zich te wreken, moet men vrij zijn, en om vrij te zijn, wanneer men gevangen is, moet men een muur doorbreken, traliën uitnemen, den grond doorgraven, al welke ondernemingen door een geduldigen, sterken man kunnen worden ten einde gebracht, maar voor welke de koortsachtige drift eener vrouw moet zwichten. Daarenboven wordt, om dit alles te doen, veel tijd vereischt.... maanden, jaren! en zij, zij heeft slechts tien of twaalf dagen, zooals lord de Winter heeft gezegd, haar broederlijke en vreeselijke cipier. En echter zou zij, een man zijnde, dit alles beproeven, en misschien zou zij slagen; waarom heeft de Hemel zich dan zoozeer vergist, door dien mannelijken geest in dat teedere, zwakke lichaam te doen huizen? Ook waren de eerste oogenblikken harer gevangenschap vreeselijk; en eenige stuiptrekkingen van razernij, welke zij niet kon overwinnen, hebben der natuur de schuld harer vrouwelijke zwakheid betaald. Maar van lieverlede heeft zij zich boven de uitbarstingen van haar dwazen toorn verheven, de zenuwachtige stuiptrekkingen haars lichaams zijn verdwenen, en nu ligt zij neer, als een ineengekronkelde, vermoeide slang, die rust.

„Och! ik was dwaas mij zoo te vervoeren,” zegt zij, in den spiegel ziende, die aan haar oogen haar gloeienden blik terugkaatst, door welken zij zich zelve schijnt te ondervragen. „Geen geweld! geweld is een bewijs van zwakheid; en daarenboven, door dat middel is mij nooit iets gelukt. Misschien zou ik, indien ik mijn krachten jegens vrouwen aanwendde, kans hebben, ze nog zwakker dan ik te vinden, en ze bijgevolg kunnen overwinnen; maar het zijn mannen, waarmede ik worstel, en ik ben slechts een vrouw voor hen. Worstelen wij dus als een vrouw; mijn kracht is in mijn zwakheid.”

Toen, als om zich zelve te overtuigen, welke veranderingen zij aan haar zoo uitdrukkingsvol en edel gelaat kon geven, deed zij het achtereenvolgens allerlei uitdrukkingen aannemen, vanaf die des toorns, welke al haar trekken misvormde, tot aan die van den vriendelijksten, verleidelijksten glimlach. Eindelijk nam, onder haar behendige vingers, haar hoofdhaar al die krullingen aan, welke zij meende aan haar bekoorlijk gelaat meer schoonheid te zullen bijzetten, en lispte zij ten laatste over haar zelve tevreden: „Komaan! alles is nog niet verloren, ik ben steeds schoon.”

Het was ongeveer acht uur des avonds; milady bespeurde een bed; zij meende, dat rust gedurende weinige uren niet alleen haar hoofd en haar denkbeelden zoude verfrisschen, maar nog bovendien haar gelaatskleur. Onderwijl kwam in haar, alvorens te gaan slapen, een beter denkbeeld op. Zij had van een avondmaal hooren spreken. Reeds was zij één uur in dat vertrek, en men zou niet lang meer wachten haar eten te brengen. De gevangene wilde geen tijd verloren laten gaan, en zij besloot nog dienzelfden avond eenige pogingen aan te wenden, om het karakter te bestudeeren van hen, die haar moesten bewaken en dienen.

Een licht blonk onder haar deur; dat licht duidde de terugkomst harer bewakers aan. Milady, die overeind stond, wierp zich haastig in haar leuningstoel, haar hoofd achterover latende hangen, van hetwelk haar fraai hoofdhaar los en verward neergolfde; haar borst was half bloot onder de verkreukte kanten; de eene hand hield zij op haar hart, de andere hing langs haar zijde neder.--Men schoof de grendels weg, de deur kraste op haar hengsels, voetstappen weergalmden in de kamer en naderden.

„Zet die tafel daar,” zeide een stem, welke de gevangene voor die van Felton herkende.--Het bevel werd volbracht.--„Gij moet kaarsen binnenbrengen en de schildwacht doen aflossen,” ging Felton voort; en dat dubbel bevel, dat de jonge luitenant denzelfden persoon gaf, bewees aan milady, dat haar dienaars dezelfde als haar bewakers waren, namelijk soldaten.

De bevelen van Felton werden overigens met een zwijgende snelheid uitgevoerd, welke een goed denkbeeld gaf van den staat, waarin hij de krijgstucht hield. Eindelijk wendde Felton, die milady nog niet had aangezien, zich tot haar.