De Drie Musketiers dl. I en II

Part 47

Chapter 473,787 wordsPublic domain

Athos had haar wel eenigszins laten blijken, dat het gesprek van den kardinaal ter kennis van anderen was gekomen, maar zij kon het zich niet begrijpelijk maken, hoe deze zoo snel en zoo stoutmoedig haar had kunnen tegenwerken. Zij vreesde eerder, dat haar vroegere ondernemingen in _Engeland_ ontdekt mochten zijn. Buckingham kon geraden hebben, dat zij het was geweest, die de twee diamanten had afgesneden, en zich voor dat kleine verraad willen wreken. Maar Buckingham was niet in staat tot eenig uiterste jegens een vrouw over te gaan, vooral indien deze vrouw verondersteld werd uit jaloezie gehandeld te hebben.

Die meening scheen haar dan ook de waarschijnlijkste; zij dacht, dat men zich over het verledene wilde wreken en niet voor de toekomst zorgen. Intusschen, en in alle geval was zij verheugd in handen van haar schoonbroeder te zijn gevallen, dien zij verzekerd was spoedig te zullen ontkomen, ten minste eerder dan uit de handen van een slimmen en wezenlijken vijand.

„Ja, praten wij eens, broeder!” zeide zij met zekere bevallige losheid, besloten uit dat gesprek, hoe achterhoudend lord de Winter ook mocht zijn, al de inlichtingen te trekken, welke ter regeling van haar toekomstig gedrag zouden kunnen strekken.--„Gij zijt dan eindelijk er toe overgegaan om terug te komen,” zeide lord de Winter, „ondanks het besluit, dat gij mij zoo dikwijls te _Parijs_ hebt betuigd, nimmer meer een voet in _Groot-Brittanje_ te zetten?”--Milady beantwoordde deze vraag met een andere vraag.--„Maar zeg mij vooreerst eens, hoe gij mij zoo streng hebt doen bewaken, om vooruit, niet alleen van mijn komst, maar daarenboven van den dag, het uur en de haven waar ik zou binnenloopen, verwittigd te kunnen zijn?”

Lord de Winter ging tot dezelfde taktiek van milady over, in de vooronderstelling dat, indien zijn schoonzuster die bezigde, ze de rechte moest wezen.--„Maar zeg mij zelve eens, waarde zuster, wat gij in _Engeland_ komt doen?”--„Wel! ik kom u bezoeken,” hernam milady, zonder te begrijpen, hoe ze door dat antwoord de vermoedens vergrootte, welke de brief van d’Artagnan in den geest van haar schoonbroeder had doen ontstaan, en door een leugen de goede gezindheid van haar hoorder willende winnen.--„Ha! om mij te bezoeken!” herhaalde de Winter listig.--„Wel zeker, om u te bezoeken. Is dat zoo verwonderlijk?”--„En hebt gij geen ander oogmerk gehad om naar _Engeland_ over te komen, dan om mij te bezoeken?”--„Neen.”--„Dus alleen voor mij hebt gij u de moeite gegeven het kanaal over te steken!”--„Voor u alleen.”--„Duivelsch! dat is almachtig teeder, zuster!”--„Wel, ik ben immers uw naaste bloedverwante,” zeide milady zoo onschuldig en teeder mogelijk.--„En ook mijn eenigste erfgename, niet waar?” zeide lord de Winter, op zijn beurt de oogen op die van milady vestigende, „namelijk door uw zoon.”

Welke macht milady ook op haar zelve had, kon zij zich niet beletten te beven, en daar bij het uitspreken der laatste woorden lord de Winter zijn hand op den arm zijner zuster had gelegd, ontging die ontroering hem niet. De slag trof ook goed en diep. Het eerste denkbeeld, dat zich voor den geest van milady vertoonde, was, door Ketty verraden te zijn, en dat deze aan den baron dien baatzuchtigen haat had medegedeeld, van welken zij zoo onvoorzichtig de kenteekenen in tegenwoordigheid van haar kamenier had laten ontglippen; daarbij herinnerde zij zich ook den hevigen en onbedachten uitval tegen d’Artagnan, toen deze het leven van haar schoonbroeder had gespaard.

„Ik begrijp niet, mylord!” zeide zij, om tijd te winnen en haar bestrijder te doen spreken, „wat gij wilt zeggen? Er ligt in uw woorden een geheime zin verborgen.”--„Ach, mijn God! neen,” zeide lord de Winter met schijnbare goedheid; „gij hadt het verlangen mij een bezoek te brengen, en gij begeeft u naar _Engeland_. Ik verneem die begeerte, of liever, ik twijfel er aan, dat gij ze koestert, en om al de onaangenaamheden van een nachtelijke aankomst in een haven te besparen, zend ik een mijner officieren te uwer ontvangst; ik stel een rijtuig te zijner beschikking en hij voert u in dit kasteel, van hetwelk ik gouverneur ben, waar ik dagelijks kom, en waar ik, ten einde onze wederzijdsche begeerte van elkander te zien te kunnen voldoen, een kamer voor u heb doen gereed maken. Is hierin iets meer verwonderlijks gelegen dan in hetgeen gij mij gezegd hebt?”--„Neen; maar ik vind het zoo wonderbaar, dat gij van mijn komst zijt verwittigd geworden.”--„Dat is nochtans zeer eenvoudig, waarde zuster! Hebt gij dan niet gezien, dat de kapitein van uw klein vaartuig, na op de reede aangekomen te zijn en om verlof te verkrijgen in de haven binnen te loopen, een kleine boot afzond met zijn journaal en de lijst der schepelingen? Ik ben bevelhebber der haven, men heeft mij die papieren gebracht en ik heb er uw naam op gevonden. Mijn hart heeft mij gezegd, hetgeen mij uw mond heeft bevestigd: namelijk, met welk oogmerk gij u aan de gevaren van een zoo onstuimige zee en een ten minste in dezen tijd zeer vermoeiende reis hebt blootgesteld; en ik heb mijn kotter u tegemoet gezonden. Gij weet het overige.”

Milady begreep, dat lord de Winter loog en was er nog te meer door beangst.--„Broeder!” hernam zij, „was het lord Buckingham niet, dien ik heden avond bij mijn aankomst op het havenhoofd zag staan?”--„Hij zelf. O! ik begrijp, dat zijn gezicht u heeft moeten treffen,” hernam lord de Winter. „Gij komt uit een land, waar men over hem wel veel moet spreken, en ik weet, dat zijn krijgstoerustingen tegen _Frankrijk_ uw vriend, den kardinaal, zeer verontrusten.”--„Mijn vriend den kardinaal!” riep milady, ziende dat, zoowel ten opzichte van dit punt als van het andere, mylord de Winter zeer goed van alles was onderricht.--„Is hij dan niet uw vriend?” vroeg de baron onverschillig. „O! vergeef mij, ik dacht het. Maar wij zullen later op mylord terugkomen. Wijken wij niet van de sentimenteele wending af, die het gesprek heeft aangenomen. Gij zijt gekomen zegt gij, om mij een bezoek te brengen?”--„Ja.”--„Welnu, ik heb u gezegd, dat uw verlangen zou vervuld worden en wij elkander dagelijks zouden zien.”--„Moet ik dan eeuwig hier blijven?” vroeg milady eenigszins angstig.--„Zoudt gij u slecht gehuisvest vinden, zuster? Vraag wat gij begeert, en ik zal mij haasten het u te bezorgen.”--„Maar ik heb noch mijn vrouwen noch mijn knecht.”--„Gij zult dat alles hebben, mevrouw! zeg mij, op welken voet uw eerste man zijn huis had ingericht, en ofschoon slechts uw schoonbroeder zijnde, zal ik het voor u hier op denzelfden voet inrichten.”--„Mijn eerste man?” riep milady, lord de Winter met verschrikte oogen aanziende.--„Ja, uw Fransche echtgenoot, ik spreek niet van mijn broeder. Overigens, indien gij het hebt vergeten, zal ik hem, daar hij nog in leven is, kunnen schrijven, en hij zal mij het noodige te dien aanzien wel willen mededeelen.”

Een koud zweet parelde op het voorhoofd van milady.--„Gij schertst,” zeide zij met een gesmoorde stem.--„Zie ik er naar uit?” vroeg de baron opstaande en een stap achteruit doende.--„Of liever gij beleedigt mij,” ging zij voort, met haar krampachtig vertrokken vuisten de beide leuningen van den stoel omknellende en zich oprichtende.--„U beleedigen? ik?”--„Mijnheer!” zeide milady, „gij zijt dronken of gek. Vertrek en zend mij mijn vrouwen.”--„De vrouwen zijn zoo praatachtig, zuster! zou ik u niet als kamenier kunnen bedienen? Op die wijze zouden al onze geheimen in de familie blijven.”--„Onbeschaamde!” riep milady. En als door een springveer bewogen, viel zij den baron aan, die haar onbeweeglijk afwachtte, echter de hand aan het gevest zijns degens slaande.--„Ha! ha!” zeide hij, „ik weet, dat gij gewoon zijt de lieden te vermoorden; maar ik zal mij verdedigen, hoort gij, al was het tegen u.”--„O! gij hebt gelijk,” hernam milady, „en gij schijnt mij laag genoeg toe, om de hand aan een vrouw te slaan.”--„Als dat plaats vond, zou ik hiervoor een verontschuldiging hebben. Mijn hand zou daarenboven de eerste hand niet zijn, die op u is neergekomen, verbeeld ik mij.”--En de baron wees langzaam en beschuldigend op den linkerschouder van milady, dien hij met zijn vinger bijna raakte.

Milady slaakte een dof gebrul en deinsde achteruit in een der hoeken van de kamer als een panter, die zich langs den grond sleept om een sprong te doen.

„O! brul zoo lang gij wilt,” riep lord de Winter, „maar waag het niet te bijten; want ik verklaar u, dat zou tot uw nadeel afloopen. Er zijn hier geen procureurs, die te voren over de erfenissen beschikken; er is geen dolende ridder, die met mij twist komt zoeken wegens de schoone dame, die ik gevangen houd; maar ik heb rechters bij de hand, die over een vrouw zullen beschikken, welke schaamteloos genoeg is geweest, hoewel gehuwd, zich in de familie te dringen van lord de Winter, mijn oudsten broeder, en deze rechters zullen u naar een beul zenden, die u beide schouders gelijk zal maken.”

De oogen van milady schoten zulke vreeselijke bliksems, dat, hoewel man en gewapend tegenover een ongewapende vrouw, lord de Winter het ijskoude van den angst tot in zijn ziel voelde doordringen; hij ging desniettemin en met klimmende woede voort: „Ja, ik begrijp, dat, na van mijn broeder te hebben geërfd, het u gestreeld zou hebben, ook van mij te erven; maar weet het vooruit, gij kunt mij het leven ontnemen of doen ontnemen, mijn voorzorgen zijn genomen. Geen penning van hetgeen ik bezit zal in uw handen noch in die van uw zoon komen. Zijt gij, die reeds een half millioen bezit, niet rijk genoeg? en hadt gij niet kunnen blijven stilstaan op uw noodlottigen weg, indien gij het kwaad niet bedreeft alleen om het onuitsprekelijk en helsch genot, dat het te bedrijven u schenkt. O! ik zeg u, indien het aandenken mijns broeders mij niet heilig ware, zoudt gij in een staatsgevangenis uw leven gaan eindigen, of te _Tyburn_ de nieuwsgierigheid der matrozen verzadigen. Ik zal zwijgen: maar gij zult geduldig uw gevangenschap ondergaan. Binnen veertien dagen of drie weken ga ik met een leger naar _la Rochelle_; maar den dag vóór mijn vertrek zal een schip u komen afhalen; ik zal het zien vertrekken en het zal u naar onze zuidelijke koloniën voeren. Wees overigens gerust, ik zal u een reisgezel medegeven, die u bij de eerste poging, welke gij mocht wagen, om in _Engeland_ of op het vaste land terug te keeren, door de hersens zal schieten.”

Milady luisterde met een aandacht, welke haar vlammende oogen vergrootte.--„Ja; maar voor het oogenblik,” ging lord de Winter voort, „zult gij in dit kasteel blijven; de muren zijn dik, de deuren zijn sterk, de tralies stevig, en bovendien is uw venster vlak boven de zee. Mijn zeelieden zijn mij in dood en leven getrouw; zij zullen de wacht rondom uw kamer betrekken en al de uitgangen bewaken, die tot op de binnenplaats leiden; en mocht gij al op de binnenplaats zijn gekomen, dan blijven u nog drie hekken door te gaan. Het bevel is duidelijk, één voetstap, één gebaar, één woord, dat op een ontvluchting doelt, en men schiet u neer. Indien men u doodt, dan hoop ik, zal het gerecht van _Engeland_ mij verplichting schuldig zijn, het in zijn werk behulpzaam te zijn geweest.... Zoo! uw gelaatstrekken hernemen hun kalmte, uw geest duidt meer moed aan; tien dagen, veertien dagen, zegt gij? O! nog zoo lang! ik ben vindingrijk, er zal in mij wel een denkbeeld opkomen: mijn helsche geest zal wel een offer weten te vinden. Nog veertien dagen, zegt gij? dan ben ik hieruit bevrijd! Beproef....”

Milady, die zich ontmaskerd zag, drukte haar nagels in haar vleesch, om elke gewaarwording te onderdrukken, welke aan haar aangezicht een andere uitdrukking dan die van angst had kunnen geven.

Lord de Winter vervolgde: „Wat den officier betreft, die hier alleen in mijn afwezigheid het bevel voert, dezen hebt gij gezien, gij kent hem reeds; hij weet, zooals gij hebt gezien, een bevel uit te voeren; want gij zijt van _Portsmouth_ niet hier gekomen zonder pogingen te hebben aangewend hem te doen spreken. Welnu! wat denkt gij er van? Zou een marmeren beeld onbeweeglijker, stommer hebben kunnen zijn? Gij hebt reeds op vele mannen het vermogen uwer verleidingsmiddelen beproefd, en helaas, het is u steeds gelukt; maar beproef dezen, _Goddam_! en als gij slaagt, dan verklaar ik u voor satan in persoon.”--Hij begaf zich naar de deur en opende die haastig.--„Dat men den heer Felton roepe,” zeide hij. „Wacht nog een weinig, en ik zal u hem aanbevelen.”

Er ontstond tusschen de beide personages een zonderlinge stilte, terwijl men het gerucht van langzame en regelmatige voetstappen hoorde, die naderden. Weldra zag men in de schaduw van de gang een menschelijke gedaante verschijnen, en de jonge luitenant, met wien wij reeds hebben kennis gemaakt, bleef op den drempel staan, de bevelen van den baron afwachtende.

„Kom binnen, mijn beste John!” zeide lord de Winter. „Kom binnen, maar sluit de deur.”--De jonge officier trad binnen.--„Beschouw nu eens die vrouw! zij is jong, zij is schoon, zij bezit al de verleidingsmiddelen der wereld; welnu, zij is een gedrocht, dat, slechts vijf en twintig jaar zijnde, zich aan zoovele misdaden heeft schuldig gemaakt, dat gij een jaar zoudt noodig hebben, om in de archieven onzer gerechtshoven er een even groot getal te vinden. Haar stem strekt haar tot voorspraak, haar schoonheid is voor haar offer een lokaas; zij zal u trachten te verleiden, misschien zelfs zal zij beproeven u om het leven te brengen.... Ik heb u uit de ellende getrokken, Felton! Ik heb u tot officier doen benoemen; ik heb u eenmaal het leven gered, gij weet bij welke gelegenheid; ik ben niet alleen voor u een beschermer, maar tevens een vriend; niet alleen een weldoener, maar een vader. Die vrouw is in _Engeland_ gekomen, om tegen mijn leven een aanslag te smeden; ik heb die slang in mijn handen, en nu laat ik u roepen en zeg u: Vriend Felton! mijn zoon! waak over mij en vooral waak over u zelven ten aanzien dezer vrouw. Zweer op uw zaligheid, haar te bewaren voor de kastijding, welke zij verdiend heeft. John Felton! ik stel vertrouwen in uw woord; John Felton! ik geloof aan uw trouw.”--„Mylord!” zeide de jonge officier, op zijn rein aangezicht al den haat vertoonende, die in zijn hart aanwezig was, „mylord, ik zweer, dat uw wensch zal vervuld worden.”

Milady doorstond dien aanblik als een onderworpen offer; het was niet mogelijk een meer nederige en zachtere uitdrukking te zien dan die, welke toen op haar fraai gezicht lag verspreid. Zelfs lord de Winter herkende nauwelijks meer de tijgerin, tegen welke hij een oogenblik te voren gereed was zich te verdedigen.

„Zij mag nooit deze kamer verlaten, hoort gij, John!” ging de baron voort; „zij mag met niemand briefwisseling houden; zij zal alleen tot u mogen spreken, althans indien gij haar de eer wilt doen tot haar te spreken.”--„Het is genoeg, mylord! ik heb gezworen.”--„En nu, mevrouw!” zeide de baron, „tracht nu met God vrede te maken, want door de menschen zijt gij veroordeeld.”

Milady boog het hoofd, als verplette haar dit oordeel. Lord de Winter vertrok, Felton, die hem volgde en de deur sloot, een wenk gevende.

Een oogenblik later hoorde men in de gang de zware voetstappen van een zeesoldaat, die op schildwacht stond, met een enterbijl in zijn gordel en een musket in de hand.

Milady bleef gedurende eenige minuten dezelfde houding bewaren, want zij bedacht, dat men haar soms door het sleutelgat zou kunnen gadeslaan; vervolgens hief zij langzaam het hoofd op, terwijl haar aangezicht intusschen een vreeselijke uitdrukking van bedreiging en tarting had aangenomen; zij legde haar oor luisterend tegen de deur, zag door het venster, en opnieuw begroef zij zich als het ware in een grooten leuningstoel. Zij peinsde.

HOOFDSTUK XX.

Officier!

Onderwijl wachtte de kardinaal uit _Engeland_ tijding, maar hij hoorde niets anders dan hetgeen onaangenaam en dreigend was; zoodat _la Rochelle_ werd ingesloten; en hoe zeker de uitslag ook scheen te zijn, ten gevolge der genomen voorzorgen en vooral uit hoofde van den dijk, die geen enkel schip meer in de belegerde stad toeliet, kon de belegering nog lang duren, hetgeen een zeer groote schande voor de wapenen des konings en een groote onaangenaamheid voor den kardinaal was, die wel niet meer Lodewijk XIII en Anna van Oostenrijk tegen elkander behoefde op te zetten, want dat was reeds gedaan; maar nu den heer Bassompierre met den hertog d’Angoulême, die elkaar vijandig gezind waren, moest verzoenen.

De stad had, ondanks de ongelooflijke volharding van haar burgemeester, een soort van oproer beproefd en zich willen overgeven. De burgemeester had de muiters doen ophangen. Die strafoefening bekoelde de verhitte hoofden, die toen het besluit namen van honger te sterven; een dood, die altijd langzamer en minder zeker scheen dan die door verworging.

Van hun kant namen de belegeraars van tijd tot tijd boden der belegerden gevangen, die dezen tot Buckingham zonden; of spionnen, die Buckingham naar de belegerden zond. In beide gevallen was het vonnis spoedig geveld. De kardinaal sprak slechts één woord: „Hangen!” En dan noodigde men den koning om de hangpartij te komen zien. De koning kwam sukkelend aan, nam de beste plaats in, ten einde de strafoefening in haar geringste bijzonderheden te kunnen gadeslaan. Dat was ten minste voor hem een kleine uitspanning en deed hem de langdurigheid van het beleg geduldig aanzien. Toch belette zulks niet, dat hij zich schrikkelijk verveelde en onophoudelijk er van sprak naar _Parijs_ terug te keeren, zoodat, indien boden en spionnen hadden ontbroken, Zijne Eminentie, ondanks zijn vindingrijkheid, zeer verlegen zou zijn geweest.

Intusschen vervloog de tijd en _la Rochelle_ gaf zich niet over. De laatste spion, dien men gevat had, was in het bezit van een brief. Die brief gaf den hertog van Buckingham wel bericht, dat de stad tot het uiterste was gekomen; maar in plaats dat hierop zou zijn gevolgd: „indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt, zullen wij ons overgeven!” volgde er eenvoudig: „indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt, zullen wij, bij aankomst van hulp, allen van honger gestorven zijn!”

De belegerden in _la Rochelle_ stelden derhalve alleen hun hoop op Buckingham; Buckingham was hun Messias.... Het was blijkbaar dat, zoodra zij op zekere wijze zouden vernemen, dat er op Buckingham niet meer te rekenen was, de hoop met hun moed zou verdwijnen. De kardinaal wachtte daarom ook met groot ongeduld de tijding uit _Engeland_, die hem moest berichten, dat Buckingham niet zou komen. Het plan, om de stad stormenderhand in te nemen, dikwerf in des konings raad ter tafel gebracht, was steeds ter zijde gelegd. Vooreerst scheen _la Rochelle_ onoverwinnelijk te zijn; vervolgens wist de kardinaal, wat hij er ook van mocht gezegd hebben, zeer goed, dat de afschuwelijke bloedvergieting bij zoodanige ontmoeting, waarin Franschen tegen Franschen moesten strijden, een achteruitgaande beweging van zestig jaren aan de staatkunde zou geven, terwijl de kardinaal op dat tijdstip, zooals men thans zegt, een man van vooruitgang was. En waarlijk, een inneming stormenderhand van _la Rochelle_ en het vermoorden van twee of drie duizend Hugenooten, die zich het leven zouden hebben laten ontnemen, geleek te veel in 1628 op het bloedbad van den _St. Bartholomeusnacht_ in 1572. Eindelijk leed dit uiterste middel, van hetwelk de koning als goed katholiek volstrekt niet afkeerig was, steeds schipbreuk op dezen grondslag der generaals van de belegeraars: _La Rochelle_ is niet anders te overwinnen dan door hongersnood.

De kardinaal kon uit zijn gedachte de vrees niet verdrijven, welke zijn vreeselijke zendelinge hem verwekte; want ook hij begreep de zonderlinge eigenschappen dezer vrouw, die dan eens een slang, dan weder een leeuwin was. Had zij hem verraden? Was zij dood? Hij kende haar te goed, om niet in elk geval te weten dat, voor of tegen hem, vriendin of vijandin, zij niet zonder groote beletselen werkeloos zou blijven; maar van waar kwamen die beletsels? Daarvan kon hij zich geen denkbeeld vormen. Overigens rekende hij, en met recht, op milady. Hij had in het verleden van die vrouw dingen geraden, van welke alleen zijn roode mantel de vreeselijkheid kon bedekken, en hij gevoelde dat, door de een of andere oorzaak, die vrouw hem toebehoorde, daar zij in hem alleen voldoende bescherming kon vinden tegen het gevaar, dat haar bedreigde. Hij besloot dus den oorlog alleen te voeren en op geen andere hulp te wachten dan op een gelukkige kans.

Hij ging voort den vermaarden dijk te voltooien, die _la Rochelle_ moest doen uithongeren, terwijl hij intusschen het oog liet vallen op die rampzalige stad, die zooveel diepe ellende en zooveel heldendeugd besloot, en zich de woorden van Lodewijk XI, zijn staatkundigen voorganger, zooals hij zelf de voorganger van Robespierre was, herinnerende, herdacht hij die grondstelling van den peetvader van Tristan: „Verdeelen, om te heerschen.” Hendrik IV, _Parijs_ belegerende, liet brood en mondbehoeften over de muren werpen. De kardinaal liet briefjes in de stad werpen, in welke hij de bewoners onder het oog bracht, hoe onrechtvaardig, baatzuchtig en barbaarsch hun opperhoofden waren. Die opperhoofden hadden koorn in overvloed en deelden het niet; zij hadden tot grondstelling, want ook zij hadden grondstellingen, dat het er niet op aan kwam, dat vrouwen, kinderen en grijsaards stierven, indien slechts de mannen, die de muren moesten verdedigen, sterk en gezond bleven. Tot hiertoe, hetzij uit machteloosheid om zich er tegen te verzetten, was die grondstelling, zonder algemeen te zijn aangenomen, van theorie in praktijk gebracht; maar die briefjes maakten er inbreuk op. Die briefjes herinnerden den mannen, dat die kinderen, die vrouwen en die grijsaards, welke men den dood wijdde, hun zonen, hun gaden, hun ouders waren; dat het rechtvaardiger zou zijn, dat iedereen in de algemeene ellende deelde, ten einde eenzelfde gesteldheid een eenparig besluit zou doen nemen.

Maar op het oogenblik dat de kardinaal reeds zijn middel zag vrucht dragen en zich geluk wenschte het in werking te hebben gesteld, wist een ingezetene van _la Rochelle_, die van _Portsmouth_ kwam en God weet hoe, ondanks de driedubbele waakzaamheid van Bassompierre, van Schomberg en van den hertog van Angoulême, over wien wederom de kardinaal een waakzaam oog hield, de koninklijke wachtposten had weten door te komen, binnen de stad te geraken en verhaalde een prachtige vloot te hebben gezien, die binnen acht dagen gereed was onder zeil te gaan. Daarenboven berichtte Buckingham den burgemeester, dat eindelijk het groote bondgenootschap tegen _Frankrijk_ zou worden tot stand gebracht, en dat het koninkrijk gelijktijdig door Engelsche, keizerlijke en Spaansche legers zou worden aangevallen. Die brief werd openlijk op alle pleinen voorgelezen, en men plakte afschriften er van aan alle hoeken der straten aan, en zelfs zij, die onderhandelingen hadden aangeknoopt, braken ze af, besloten die zoo spoedig beloofde hulp af te wachten.

Deze onverwachte omstandigheid vervulde opnieuw Richelieu met ongerustheid en dwong hem wederom zijn blik naar de overzijde der zee te richten.